Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten,
ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven.
„W-wat zal ik n-nou beleven.....?” stamelde hij.
„Padde.....?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”
„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog..... zoo moe.
Dragen jullie me?”
„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent!
We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”
Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik
de zee weer zie!”
En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje
wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet
zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje
dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”
„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een
ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.
„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel,
Hajo? Toch minstens een uur?”
„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte
deelneming in zijn lot.
„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of er pas
gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt
toch maar niks te doen!”
„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde
hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág
ommers al een varken?”
Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.
Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes
te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij
de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En
Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.
Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg
er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet
loopen?”
Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op.
Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij
lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het
niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.....” zuchtte hij.—En
Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe
gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”
„Knap maar.....” prevelde Padde.
Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de
rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje
stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen
had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te
komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze
vanzelf aan zee!
Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje
daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk
meevoerden, waren bijna op!
„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf,
terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens
omlaagklauteren!”
„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel
voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”
Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker, Koning
Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen
ze wel schoonlikken!”
Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend,
gingen de jongens voort. En.....! ze hadden nog geen half uur geloopen,
of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde
trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen
en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn
draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte.
Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het
frissche, heldere bergwater op te slurpen.
En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens
door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje
waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen!
Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door
de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een
droge plek vinden om den nacht door te brengen?
Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het
ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die
vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water
afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de
jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen
stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.
Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer
en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al
kletsnat.
Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water
een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!
Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats
moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.
„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.
Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en
keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als
we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.
Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en..... en geloofden
hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken
neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig,
zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel
begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk
over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand
zachtgroene varens.
„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.
Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”
„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”
„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een..... een krokodil!”
„Wáár.....?!”
„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”
Harmen snelde toe. En zie..... daar rende, met slangachtige
lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar
hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem
door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde
Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een
geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig
terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem
rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het
water, dat hoog opspatte..... en was verdwenen.
De jongens waren beduusd. „Een bijawak.....!” stamelde Dolimah.
„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.
„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote!
Hij rooft veel kippen en eieren!”
„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer
overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En
de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed
van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge
takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden,
ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het
wel hebben weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat
verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.
„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de
lucht kunnen we niet leven, dus..... hou je maar klaar, ouwe jongen!”
Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie
ik zoo wel aan je snoet, maar..... je moet maar denken: beter goed
gebraje, als half gaar gekookt!”
„Chrrrrr.....!” knorde het arme diertje.
„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te
wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,
Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar
dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur
was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu
door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de
stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood
blad omlaag, wentelend om het steeltje.
Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind
springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer
oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je
niks doen.”
„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht
moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen
nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het
niet ziet.”
Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!”
stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in
vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier,
mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er
toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen
weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”
„Ik!” zei Rolf kortaf.
„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat
Harremen zich over je ontfermt, stom dier, want zij zouden je samen
liever doodpesten, dan je even een ritsje te geven! Ja, als je uit de
kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je
vanzelf de pan bent ingevlogen.....” En Harmen ging met zijn
beschermeling grommend den hoek om.
Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was
hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd
uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi
portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef
m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de
waarheid heeft gesproken!”
Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte
bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware
duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de
sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.
Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot
tegen den kalen rotswand aan de overzijde.