Toen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een
stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden
daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.
Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de
zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht
was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.
Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de
steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de
zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen
en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou
krijgen er weer in te gaan. Brrr!
Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets
als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar
alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden
als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe
er door te komen?
Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare
vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken
waarin hij de vruchten kon poffen. Na veel moeite wist hij uit een paar
splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de
kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten
hier zat; je moet ze maar fluiten!”
Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij
opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de
rivier afzakken! Met een vlot!”
Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar
heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn
makkers aan het werk.
Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte
van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien
voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig
rotan,—waar was dat in het woud eigenlijk niet het geval? De jongens
ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om
de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.
Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier
gedaan?”
„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”
Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het
vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de
haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen.
„Alle rivieren gaan naar zee.”
„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.
„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.....?”
„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”
Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.
Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige
scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot
nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af,
alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit
geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.
„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”, zei Rolf. „Als
we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”
„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde
Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen
naar boven en de bijbel in de hand. Maar Harremen zal eerst eens zien
of er niks te bikken valt!”
„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.
Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van
etensproblemen.
„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.
„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens
een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar
eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen,
Padde. Daar lig je goed.”
„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.
„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat
in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar
aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”
„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.
„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.
„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij
aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn
lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot,
dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”
„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je
nog niks.”
„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.
„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”
Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend
verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne
bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het
vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze
vastgesnoerd.
Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het
vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al onder! Laten we eens
gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”
„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste
visch thuis.”
„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich
naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje
zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.
„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.
Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers
maar thuis hield!”
„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.
Padde zweeg, woest.
Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst
een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan
het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden
geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je
goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.
„Ik wil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”
„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je
knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”
„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al
eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”
„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je
gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep
en tegen de kant,—daar zitten ze.”
Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber,
Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig
vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.
Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen
het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol
zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.
„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.
„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.
Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen
den kant dreef.
„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”
Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.
„Spuug nog eens?”
„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot
Harmen’s succes.
„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde
vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de
visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich
gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.
„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”
„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”
„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik
m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken.
Zooveel als je maar lustte, hoor!”
„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens
spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige
beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren?
Bewaar jij je wurremen in een bussie?”
„En jij dan?” vroeg Padde.
Pauze. Zwijgen. Turen.
„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker
versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”
„Nou?”
Lange pauze.
„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.....”
Pauze.
„In m’n strot gekro.....”
Lange pauze.
„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte ik de anderen
ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel
gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein
pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek
boven op. Ik laat vieren.....”
„Harmen! Je hebt tuk.....!” fluisterde Padde.
Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar
oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.
„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen
zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.....”
Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het
dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.
„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.
Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber
af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”
„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”
„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”
Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen
deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd,
minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het
lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar
zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer
en lag weer tegen het riet.
„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie
niks.”
„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.
Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een
„schoonen” haak op.
„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m
schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem
gehad.”
„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den
hengelstok.
Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!”
verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”
„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen
hoonend.
Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met
overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte
boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den
dobber viel nog geen beweging te bespeuren.
„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.
„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!”
verklaarde Padde.
„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.
„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”
„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.....”
„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je
veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die
naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”
„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.
Zwijgen. Turen.
Eindelijk..... daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het
dobbertje, den hengel beet.
„Laat je los?!” dreigt Padde.
„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”
„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”
„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den
hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar
alleen.”
Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor
jou!” verklaarde Padde ten overvloede.
Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet
loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op, dat Harmen den
mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening
hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn
boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen
vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het
een groote is!”
Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.
Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten
visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner
zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte
visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het
nakijken.
„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.....”
Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had
moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had
uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief
hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van
geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het
water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward
tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en
krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs
naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.
Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als
jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf
jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk,
terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k
Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”
Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan
uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t
Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”
„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem van dichtbij
gezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange
Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het
niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb
ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik
alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”
Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde
teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij
keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.
Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen:
de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een
groote, karperachtige visch.
„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo
kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!
Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen
wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op
zijn eentje rustig doorhengelen.
„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet
van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie
al half tevreden, de slobber.”
„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.
„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water
nog in!”
Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.
„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de
visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde
hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in
het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf
veel van een visch had.
„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op
tafel” kwamen. „Ze smaken net als..... fijne, dure visch, als.....”
„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.
„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we
uitzeilden.”
Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weet jij nou hoe die
visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”
„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze visch smaakt,
zooals die van de schipper rook!”
Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.