„Zoo gauw mogelijk onze biezen pakken,” zuchtte Rolf, toen Harmen zijn
heldhaftig avontuur had opgedischt. En hij legde hem in twee woorden
uit hoe de vork in den steel zat. „De doekoen zal de zaak niet op zich
laten zitten!”
„Wat een akelige giftmenger!” gromde Harmen, die zich inderhaast over
het fazantenboutje ontfermd had, dat voor hem bewaard gebleven was.
„Hoe moeten we nou met Padde aan?”
„We dragen hem.”
„Goeie morrege!”
„Het moet. We spannen de panterhuid tusschen twee stokken,—dan hebben
we een baar. Vooruit, jongens!” En hij legde Dolimah vlug even den
toestand uit.
Hajo en Harmen togen aan het werk, hakten aan den anderen kant van het
plateau, waar de bamboebosschen stonden, twee stelen van gelijke lengte
af, knoopten er met rotan de huid tusschen. Rolf maakte uit een der
bamboes, die daarstraks nog voor de „zonnetent” dienden, een „pikolan”,
om het huisraad en de levende proviand er aan te vervoeren. „Zijn
jullie klaar?” vroeg hij. „Dan moet Padde naar boven!”
Daar kwam in het maanlicht een kereltje aanhollen: Saleiman! Hijgend
vloog hij op de jongens af. „De doekoen is boos, en nu zijn ze met
velen, met velen op weg hier naar toe!”
„Daar heb je het al”, stamelde Rolf.
Harmen vloog het laddertje af, het hol in, nam Padde op.
„Hou je goed vast, Padde? Ik zal je naar boven dragen!”
Geen antwoord. Padde’s hoofd hing slap neer naast dat van Harmen.
Met behulp der anderen droeg onze pootige vrind den slapenden Padde de
ladder op en vleide hem op de baar. Hajo legde den zieke nog wat zachte
varens onder het hoofd,—toen tilde hij samen met Rolf de baar op.....
en daar ging het heen!
Saleiman voorop, den pikolan op den schouder, den arm er overheen
geslagen en met ietwat gebogen knieën voortschrijdend in den soepelen,
snellen gang van den lastdragenden inlander. „Ikoet Sadjah”, zei hij
bemoedigend, terwijl hij den weg insloeg, die van het dorp wegleidde,
„volg mij maar.....”
Zoo deden ze. Dolimah en Harmen torsten de wapens. Joppie had gedurende
het verblijf in het hol een lui en droefgeestig bestaan gevoerd, maar
nu de tocht weer verder ging, kwam er ook in Joppie weer leven, en met
fier opgerichten staart dribbelde hij nog weer voor Saleiman uit. Het
was een zonderlinge karavaan daar in het maanlicht.....
Plots hoorden ze, links voor zich uit, het gillen van een of ander
dier. Verschrikt hielden ze hun gang in,—behalve Joppie, die met
gestrekten hals en slap hangende ooren vooruit stoof.
„Tjelleng!” stelde Saleiman vast. „Een wild varken.....”
Maar Harmen verstond het niet. „M’n hert!” riep hij in vervoering uit.
En met groote sprongen rende hij achter Joppie aan, holde een bocht om,
met beide armen de takken en twijgen afwerend. Wat was dat? De bovenste
strik hing nog onberoerd, en aan den ondersten rukte uit alle macht een
wild biggetje. Keffend en grommend sprong Joppie er omheen.
„Een varken.......!!” mompelde Harmen, teleurgesteld. „Kom hier,
mormel, dan zal ik je helpen.”
Maar de kleine gevangene scheen van Harmens hulp weinig goeds te
verwachten, rukte aan den rotan om zijn hals, dat hij bijna stikte.
Harmen greep het diertje, bevrijdde het van den rotanstrik, bond met
een slag de achterpooten samen. „Ziezoo, nou mag je met Harremen mee!”
De anderen waren er nu ook bij gekomen. „Laat eens kijken je hert?”
vroeg Rolf, glimlachend ondanks de weinig rooskleurige omstandigheden.
„Een hert is het niet”, zei Harmen. „Maar aan het spit is ie toch beter
dan een bijbel met gouden slotje!—Blijf af, Joppie!”
En de knapen gingen weer voort, nu en dan stilhoudend om te luisteren,
of hun vervolgers hun al op de hielen zaten. Na een tijdje wisselde
Harmen met Hajo als drager, en later loste Hajo Rolf af. Padde sliep
nog even rustig.
„Ben jij nog niet moe, Dolimah?” vroeg Rolf. „Anders rusten we even.”
Saleiman keek ontsteld.
Dolimah wendde zich tot hem. „Moeten we nog verder, Saleiman?”
„Eh-eh!”
„Hoever nog?”
„Niet ver meer. Dan kunnen ze niet meer volgen.”
En de stoet ging voort.—Het bosch hield op; de grond werd rotsachtig.
Hier en daar nog wat struiken, dat was alles. En eensklaps stonden de
jongens voor een kloof. In de diepte schitterde een stroompje. Aan de
andere zijde strekte zich een kale vlakte uit, heel ver weg begrensd
door in maanlicht gedrenkte bergen. Er lag een roerlooze rust over. De
lucht glinsterde van sterren.
„Zie!” en Saleiman wees met zijn bruine armpje rechts de kloof af.
„Daar is de brug.”
Waar de kloof het smalst was, hing een soort rotan-hangmat. Moest dat
een brug voorstellen?
„Als ge over de brug zijt, moet ge ze loskappen!” zei Saleiman.
Zijn raad was overbodig: allen hadden hetzelfde al gedacht.—Nu stonden
ze voor de brug. Zou ze wel vertrouwd zijn? Toen Harmen er een paar
passen op deed, zwiepte ze geducht door.
Dolimah zag zijn aarzeling. „De brug is sterk”, verzekerde ze.
„We zullen het er maar op wagen!” zei Harmen. „Als we met z’n allen het
water in vliegen, kan je tenminste niet zeggen, dat we van dorst
gestorven zijn!”
„Jij blijft nu zeker hier, Saleiman?” vroeg Rolf.
„Ja! Hij zou immers niet meer terug kunnen, als we de brug kappen!”
antwoordde Dolimah.
Rolf keek haar even aan. „En jij ook niet, Dolimah....!”
Saleiman toonde plots groote belangstelling, staarde met wijd open
oogen naar Dolimah.
„Ik kan immers tòch niet terug.....” zei het meisje zacht.
Toen kwam Saleiman met een vraag, die men van zoo’n schuchter kereltje
niet verwachten zou en die hij er dan ook met onvaste stem uitbracht:
„Waarom niet, Dolimah?”
„Oh!” zei Dolimah, hem lief en verrast aankijkend, „het is al zóó ver
naar mijn kampong, Saleiman.”
„Ik wil je er brengen, Dolimah!” beloofde Saleiman haastig.
Dolimah bleef hem lief, met droeve oogen aanzien. „Ik dank je,
Saleiman! Ik dank je voor alles..... maar ik kan niet terug.”
Saleiman zei niets meer,—hield het hoofdje rechtop. Een traan blonk in
zijn groote oogen.
De anderen gingen de brug over. Het was met Padde’s baar moeilijk
balanceeren. Dat die brug ook zoo zwaaide!—Toen ze aan den overkant
waren, kapte Harmen de hoofdstrengen los. Daar viel de vloer uit de
brug, sloeg in wijden boog tegen den anderen wand; een paar bamboes
gleden er uit en schoten als pijlen in den stroom daar beneden. De weg
was afgesneden!
Aan den overkant stond Saleiman in het maanlicht. Hij scheen schraler
en magerder dan ooit: het was alsof men door hem heen kon zien, en zijn
ooren leken nog grooter dan anders.
„Dag, Saleiman!”
Geen antwoord. Eerst toen de knapen zich hadden omgekeerd en, koers
nemend op de sterren, in Zuidelijke richting hun weg vervolgen wilden,
riep Saleiman: „Tot nieuwe maan, Dolimah..... tot het begin der poeasah
(vastenmaand) zal ik iederen avond..... hier wachten.....!”
„Maar ik zal niet komen, Saleiman.....” antwoordde Dolimah.
Saleiman zweeg. Zoolang de jongens in den maannacht de plaats konden
zien waar de brug gehangen had, zoolang ook zagen ze Saleiman staan,
eenzaam en star als een beeldje.
Nu de angst voor vervolging voorbij was, voelden ze hoe moe ze waren.
De voeten deden pijn van de scherpe steenen.
Bij een paar struiken legden ze zich neer en sliepen in onder den met
sterren bezaaiden hemel.
Den volgenden morgen bij het ontwaken scheen de zon hun recht in het
gezicht. De knapen keken eens om zich heen. Geen vogel, geen vlinder,
geen eekhorentje, alles starre, levenlooze steen. Daar, ver voor uit,
de blauwe bergen.
Padde sliep nog altijd. Ze dekten hem met varens het gezicht af tegen
de zon.
Verder maar weer! Ze aten een handjevol rijst met gedroogde visch,
pakten hun boeltje op. Het biggetje kwam nu met de pootjes naar beneden
in den pikolan te hangen en trachtte in de lucht weg te zwemmen.
Hajo en Rolf namen de baar voor hun rekening. „Drommels, hij slaapt
vast!” zei Rolf, tevreden, dat Padde nog altijd zoo rustig ademhaalde
en er niets van merkte, toen ze hem opnamen.
„Ja, die doekoen is een duivelskunstenaar!” meende Hajo. „We hebben hem
voor zijn diensten slecht genoeg beloond!”
„Sjonge-jonge, ’t zal warm worden vandaag”, verzekerde Harmen
luidruchtig. De anderen keken eens omhoog,—aan den hemel viel geen
wolkje te bespeuren. Nu stond de zon nog niet hoog, en niettemin
brandde ze al geducht.
Dolimah was dien morgen erg stil. Ze neuriede niet, zooals anders
wanneer ze met de jongens meetrippelde.
„Je bent zoo stil, Dolimah?” vroeg Rolf. „Denk je ergens aan?”
Het meisje schudde, opgeschrikt uit overpeinzingen, het hoofd. Maar na
eenigen tijd zei ze uit zichzelf, de oogen naar den grond gericht: „Ik
denk er aan wat mijn zusjes en broertjes nu doen. Ze zullen nu al wel
gebaad hebben in de rivier, en Dajik en Oeng zijn met Karidien mee in
de velden om te ploegen met onze karbouwen. Straks, als de bibit uit de
kweekbedden naar de sawah wordt overgeplant, helpen wij ook. En later
weer, om de gèdèngs te binden..... nu, ja, Kartina niet: die kan zoo
mooi batikken, dat ze niets anders doet en nooit meegaat in de sawah.”
Dolimah zuchtte. „Dajik, mijn jongste broertje, zal bedroefd zijn, dat
ik weg ben. Hij houdt van alle menschen en ook van alle dieren en
vogels. En van de boomen houdt Dajik, en van de bloemen; hij kent ze
alle. En van mooie steenen houdt hij en van de wolken..... toen hij
heel klein was en ik hem soms op mijn armen droeg, was hij al zoo.....”
Dolimah staarde peinzend naar de bergen in de verte, zei toen
eensklaps: „Als..... als ik ooit weer in mijn dorp terugkwam, zou Dajik
zeggen: Ik wist het wel.....”
De zon begon zoo te steken, dat de jongens duizelig en onwel werden en
zich met gloeiende hoofden en kloppende slapen onder een paar eenzame
struiken neerlegden, er zorg voor dragend, dat vooral Padde zooveel
mogelijk schaduw had. De lucht trilde van hitte; wanneer onze zwervers
liggend over de vlakte staarden, zagen ze de berg-omtrekken sidderen.
Geen van de jongens had lust in eten. Met een droge keel sliepen ze in.
Toen ze ontwaakten, was het iets minder heet geworden. Harmen stond op,
werkte de kip los van den pikolan, sneed haar de keel af en sloeg aan
het plukken.
Dolimah wist na eenige moeite een vuurtje te doen ontvlammen; de kip
werd gebraden en was heerlijk malsch.
Wat verkwikt, zetten de jongens den tocht weer voort. Padde sliep nog
altijd, zoodat Harmen er hem van verdacht, dat hij zijn oogen maar
dichthield om niet te hoeven loopen.
Er scheen aan het rotsplateau geen einde te zullen komen: de bergen
waren nog even ver als vanmorgen. Hoog in de lucht cirkelde een
adelaar. Ze liepen tot de schemering door, in de hoop een zachteren
bodem te vinden om vannacht op te slapen. Vergeefs. Alles steen en nog
eens steen. En mocht de bodem overdag zoo gloeiend heet zijn, dat de
jongens er hun voeten haast aan brandden, nu was hij kil en leverde
allesbehalve een lekker bed op.
Harmen maakte een groot vuur. Door den rossen schijn gelokt, kwamen
vleermuizen aanfladderen, en, stillekes bijeenhokkend, volgden de
jongens met de oogen het grillig wiekenspel.
„Saleiman heeft gezegd”, begon Dolimah onverwachts, „dat met nieuwe
maan de poeasah begint. Dan is er feest in ons dorpje. En Dajik zal
vragen: Waar is Dolimah? Weet ze niet, dat het poeasah is?” Er trilde
iets in Dolimah’s stem.
De jongens hadden nauwelijks verstaan wat Dolimah zei; ze hadden nu
geen lust zich tot luisteren in te spannen. Maar allen hoorden er in
wat ook hen vanavond weer sterker dan ooit kwelde.....
„Ze heeft verlangst”, zei Harmen.—De anderen zwegen, knikten even.
Maar opeens wees Hajo met de hand naar het Westen. „Kijk daar eens!
Meeuwen!”
Verrast keken de anderen om: de klank van het woord had in hen allen
een gevoelige snaar geroerd. Meeuwen.....! Daar, ver in het Westen,
zweefden ze, maakten hun avondvlucht. Als peinzend sloegen ze, zwierend
door de kalme lucht, nu en dan even met de vleugels, wenschten elkaar
in het voorbijgaan goeden nacht. Stil! Als je den adem inhield, hoorde
je het. „Tsjie......iep!” Een kwam er nader, achten aaneenrijgend tot
een langen keten, en met zijn vleugel wenkte hij de jongens.
„Tsjiep!..... de zee is er nog! Ze laat groeten en vraagt.....tsjiep!
waar jullie blijven!” Nog eens wenkte de meeuw, toen dreef ze weer
weg..... tsjiep.....!
De nacht was sluipend nader geschreden en had zijn met diamanten
gevoerden mantel wijd over den hemel uitgeworpen. De blankgevederden
boden van de zee verschimden.
Maar in de harten der knapen hadden ze een groote blijdschap
achtergelaten. De zee! Daar in het Westen, niet veraf, was de zee! Nu
voelden ze hoe vaak ze er naar verlangd hadden wanneer ze, beklemd door
den muur van groen rondom, zwijgend bijeengezeten hadden. Soms waren
ze, er naar snakkend om weer eens vrijuit te ademen, vol verbeten woede
tegen dat groen voorwaarts gedrongen, wegkappend de bloemen, takken,
wortels, slingerplanten, en wanneer ze er tenslotte hijgend bij
neerzonken, waren ze door een nieuwen muur omsloten, even beklemmend en
onverbreekbaar als de vorige. En terwijl ze tusschen het geboomte
geesten spottend hoorden fluisteren, hadden ze in ’t verborgen, zonder
het elkaar te laten merken, van verlangen naar huis gesnikt, dat de
tranen hun over de bruine wangen stroomden.....
Maar nu..... had de zee zich weer aangemeld! Nu, morgen vroeg, zouden
ze niet meer naar het Zuiden, maar naar het Westen loopen, nietwaar,
Rolf? Ze zouden den blik weer vrijuit laten zwieren, de frissche, zoute
lucht weer met volle teugen opsnuiven!
Morgen naar het Westen! Morgen naar de zee! Soms streek een windvlaag
over het plateau, schonk den jongens een zoete verbeelding van ver,
vaag branding-ruischen en voerde in het wijken hun zielen mee, als een
terugvloeiende golf de schelpjes, die op het strand zijn aangespoeld.