Toen Harmen dien morgen zijn makkers verlaten had, sloegen Hajo en Rolf
aan het vervaardigen van de meubels. Gemakkelijk ging het zeker niet
met de gebrekkige werktuigen waarover de jongens beschikten!
Na lang ploeteren stond er een tafel van bamboe. De jongens bekeken hun
maaksel vol trots. „Wat zullen we nou maken, Rolf?”
„Lepels”, zei Rolf. „En kommen en bekers en een kan...”
Inderdaad: de bamboe leende zich voor alles. Bekers waren al eenvoudig
genoeg te maken: de schotten in het hout dienden voor bodem, en met het
mes werd de bovenkant netjes bijgesneden. Voor lepels namen ze halve
kokosnoten: je haalde er de vezels af, wrong er een bamboetje in, en
klaar was Kees!
Terwijl Dolimah dien morgen kruiden en voedsel aan het zoeken was, kwam
Saleiman aandrentelen, een kip onder den arm. „Dag, Dolimah!” zei hij
schuchter en bleef op een afstand staan.
„Eh, Saleiman?—Heb je nu toch weer gestolen?”
Saleiman zweeg, keek Dolimah bedeesd aan.
„Merken ze er niets van, dat je voor ons steelt?” vroeg Dolimah.
„Jawel”, zei Saleiman, „maar ze denken, dat het een booze geest is. Er
is er een in den klappertuin geweest en heeft Si-Karto gezegd, noten
voor hem te plukken. En een tijger heeft Towikromo’s hond weggesleept.
Ze hebben nu in het bosch, niet ver hier vandaan, de val weer
klaargemaakt. En morgen gaan we kijken, of hij er al in zit, de
roover.”
„Zeg, Saleiman”, vroeg Dolimah, „hoe heet jullie doekoen?”
„Onze doekoen heet: Pa-Samirah.”
„Heeft hij goede tooverspreuken?”
Saleiman knikte. „Hij Heeft zóó sterke rapals, dat je de muizen er mee
de sawah’s kunt uitdrijven! En oude poesaka’s heeft hij, wel duizend
jaar oud; daar is een kris bij, waarvoor alle spoken bang zijn.”
„Dan is de doekoen zelf zeker ook al héél oud?” vroeg Dolimah.
„Hij weet zelf niet meer hoe oud hij is!” bevestigde Saleiman trots.
„Zeg, Saleiman.....”—Dolimah aarzelde een oogenblik—„zou je..... toe,
beproef eens, of je hem hier kunt laten komen.”
Saleimans oogen werden groot.
„Zeg hem.....zeg hem, dat hij een panterhuid krijgt!”
Saleiman boog het hoofd. „Ik zal het beproeven”, beloofde hij. En hij
wilde zijn biezen pakken.
„Eh, Saleiman”, vroeg Dolimah, „heb je daar een djangkrik bij je? Mag
ik hem eens zien?”
„Eh-eh”, zei Saleiman vereerd en hield het krekel-kooitje zóó, dat het
licht door de tralietjes naar binnen viel. „Daarachter zit hij. Zie je
hem wel?”
„Oh, wat een groote! Hij kan zeker erg goed vechten?”
„Als hij wil, wint hij het van alle djangkriks in de wereld”,
verzekerde Saleiman. En met een halmpje begon hij het beest aan te
vuren. „Krrrr! Krrrr! Kom eens voor het venster?—Ik geef hem niets dan
droge rijst en Spaansche peper om hem vurig te houden.—Krrrr!—Hij is
nog altijd schuw, omdat Sanip hem laatst een halmpje met trassi heeft
toegestoken. Nu zit hem de stank nog in den neus. Sanip is altijd zoo
valsch: als een ander een sterkeren krekel heeft, laat hij hem trassi
ruiken, om hem schuw te maken.”
„Wat een valschaard!” meende ook Dolimah.
„Hij mag nu ook niet meer mee doen, als wij onze krekels laten
vechten!” zei Saleiman.
„Zijn verdiende loon”, was Dolimah’s oordeel. „Dus..... je denkt om den
doekoen, Saleiman?”
„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En hij drentelde weg.
„Hé, waar blijft Harmen?” vroeg Hajo, toen Dolimah met haar kruiden en
Saleimans gediefde kip in het hol terugkeerde.
„Laten wij maar vast beginnen het eten klaar te maken”, zei Rolf.
„Harmen heeft een fijne neus, en als hij de lucht opsnuift.....!—We
hebben vandaag de keus!”
„En we hebben een tafel!” vulde Hajo aan. „En eetgerei! En potten om in
te koken!”
„En een hongerige maag,—dat helpt ook!” lachte Rolf. „Laten we de
fazant maar eens plukken. ’t Is haast zonde, zoo’n mooi dier! Wat een
prachtige veeren!”
Dolimah blies het vuur in den oven aan en kookte voor Padde wat rijst
in kokosmelk.
Maar Padde weerde het af. Hij zag vuurrood in het gelaat; zijn oogen
waren gezwollen. „Ik kan niet.....” kreunde hij.
De jongens droegen hun makker in het hol. Daar was het koel, en Padde
zuchtte, toen hij op het frissche leger van gras en varens lag
uitgestrekt. „Zoo is het lekker.....!”
„Misschien komt een doekoen”, zei Dolimah zacht.
„Een doekoen.....??”
„Saleiman zal vragen, of hij komen wil. Hij is heel oud en en wijs en
kent alle ziekten.”
Een warm gevoel voor Dolimah doortrilde beide jongens.
„Ik heb hem het pantervel beloofd”, zei Dolimah. „Was dat goed.....?”
„Prachtig zelfs!” prees Rolf. „Nu zal hij wel komen.”
De jongens gingen den fazant plukken. Dolimah was in haar schik met het
zelfvervaardigd huisraad, nam terstond alles voor haar „keuken” in
bezit.
Spoedig kon de fazant aan het spit. De kip kreeg een lang touw om haar
poot en mocht „vrij” rondloopen. Verheugd begon zij naar wurmpjes te
pikken, en, wanneer ze er een te pakken had, klapte ze met haar
vleugels en zette zich met gestrekten hals schrap,—tot ze het
glibberige, naakte slachtoffer geheel uit den grond had getrokken.
Vanaf dat oogenblik kon het beestje alle hoop op een rooskleurige
toekomst laten varen: het werd in stukjes gehakt of wel, naar gelang
van zijn dikte, ineens verslonden.
In de drukte van het koken en braden hadden de jongens den heelen
Harmen vergeten. Maar nu ze hun „tafel” neerzetten, schrokken ze beiden
tegelijk op. „Harmen is er nog niet!”
Ook Dolimah keek hen onrustig aan.
„Nu, Harmen loopt niet in zeven slooten tegelijk”, stelde Rolf zichzelf
en Hajo gerust. „Hij zal zoo meteen wel komen! Laten wij maar vast gaan
eten, anders wordt alles koud.”
Met innerlijke onrust zetten de jongens zich aan den disch, die rijker
was dan ze in maanden gewend waren geweest. Maar ze waren niet gestemd
om Dolimah’s kookkunst vandaag te waardeeren zooals ze het verdiende.
Toen de laatste hap binnen was, sprong Rolf overeind. „Kom mee, Hajo,
we zullen den omtrek eens afzoeken!”
De beide vrienden togen er op uit: ze hadden gezien in welke richting
Harmen verdwenen was. Zich een weg banend door het dichte gewas, zaten
ze in een ommezien onder de bloedige schrammen.
„Harmen! Hààààrmen.....!”—Geen antwoord. Echo’s van alle zijden. Met
een verbitterden slag kapte Rolf een rood, geringd palmstammetje
middendoor. Een kleine slang schoot er ijlings langs omlaag en ritselde
weg tusschen de struiken.
„Het bosch is overal gelijk”, zuchtte Hajo. „Waar moeten we zoeken?”
„Misschien is Harmen al lang weer thuis”, zei Rolf. „We zullen maar
teruggaan.....”
Het hol weer naderende, versnelden ze in hoopvolle verwachting hun
gang. Maar Harmen was nog niet terug.....
Dolimah keek hen vol onrust aan. „Uw vriend is zoo ziek!” fluisterde
ze.
Uit het hol kwam een gesmoorde kreet: „Brand! Brand!!”
Verschrikt snelden de jongens naar binnen. „Padde! Wat heb je,
Padde?”—Padde ademde kort en stootend; zijn mond was vertrokken; hij
hield de gebalde vuisten onder de kin, en het zweet parelde hem op het
vuurroode voorhoofd. „Brand!” gilde Padde en trok de knieën op.
„Brand!!”
Rolf knielde bij hem neer. „Word wakker, Padde! Je droomt!” En hij
schudde Padde bij den schouder.
De zieke sloeg de oogen op, keek er Rolf wezenloos mee aan.
„Padde!” stamelde Hajo verschrikt.
Padde staarde over zijn borst heen naar buiten. Toen begon hij plots
weer te gillen en liet het hoofd met een smak achterover vallen.—Rolf
bette Padde’s voorhoofd met water. Padde zuchtte, scheen een oogenblik
iets rustiger. Toen begon hij plots hartstochtelijk te snikken. Zijn
heele lichaam beefde; de tranen vloeiden over zijn wangen op de varens
onder zijn hoofd. „Allemaal..... zijn ze sterk..... allemaal.....
alleen ik niet!”
Hajo bukte zich over zijn makker,—ook hem stonden de tranen in de
oogen. „Wacht maar, Padde, wij blijven bij mekaar, hoor! Wij verlaten
mekaar niet!”
„Brand!” gilde Padde en stompte Hajo uit alle macht van zich af. En
hijgend, gejaagd begon hij allerlei wartaal te spreken. „Dronkelap!
Jij..... jij, dronkelap!”
Radeloos keken Hajo en Rolf elkaar aan. Dolimah staarde zwijgend, met
van schrik groote oogen, naar hen alle drie.
In dit oogenblik..... kuchte er buiten iemand, en Dolimah stamelde: „De
doekoen!”
Voor den ingang van het hol, een donkere schim tegen de schemering,
verscheen een oude Inlander, met een wit sikje en mager als een
skelet.—De jongens wisten zoo gauw met hun houding geen raad. Rolf
wilde wat zeggen, maar verslikte zich al in het eerste woord.
Gelukkig wist Dolimah beter met den doekoen om te gaan. „Wij zijn blij,
dat u gekomen is, goede Pa-Samirah! Gij zult ons wel uit den nood
helpen. Tot in de verste dorpen wordt uw kunst geroemd!”
Pa-Samirah knikte en spoog bedachtzaam een straal rood sirih-sap op de
grijze steenen. „Waar is de zieke?”
„Daarbinnen, Pa-Samirah.”
„Waar is het pantervel?”
„Ge staat er onder, goede Pa-Samirah.”
De doekoen keek omhoog, knikte goedkeurend met het hoofd,—spoog nog
eens vol aandacht. „Laat de blanken heengaan, en blijf jij hier, om mij
te helpen”, beval hij met een schorre, krakende stem als van een ouden
kruiwagen.
Dolimah wenkte den jongens, heen te gaan. Aarzelend, zonder zelf
eigenlijk goed te weten waarom ze het deden, gaven ze er gehoor aan.
Buiten zagen ze pas, dat achter Pa-Samirah een joggie verdekt stond
opgesteld, dat nu zijn biezen pakte. Aan zijn ooren herkenden ze hem,
Si-Kampret!
Beteuterd stonden de jongens buiten te wachten. Dolimah was bij den
doekoen gebleven.
„Zou het wel vertrouwd zijn, Rolf, dat we hem met Padde alleen laten?”
„Dolimah is er immers bij?”
Hajo zweeg. Meer dan ooit voelden de jongens zich vreemdelingen in dit
groote land. De doekoen, Dolimah, Saleiman hoorden hier thuis, kenden
de boomen, de bloemen, de dieren en..... en de geesten!—Geesten.....!
Als Dolimah ervan sprak, voelden zij ineens, dat ze er waren. En nu was
Pa-Samirah gekomen om uit Padde’s zieke lichaam de booze geesten te
verdrijven.....! Wat was dat toch, dat merkwaardig gevoel van.....
ontzag, dat hen daareven, vóór ze het zelf wisten, het hol had doen
verlaten, op een wenk van een klein meisje, om plaats te maken voor dat
verschrompelde, spuwende mannetje met een stem als een oud molenrad?
Hij beheerschte ze, de geesten! Pa-Samirah beheerschte ze! Zij,
Hollandsche kwajongens, voelden zich zoo klein worden, dat een
muizeholletje nog te groot voor hen was. Saleiman, „Si-Kampret!”
verstond ook alles wat hun vreemd was. Hij kende de ziel van het vuur,
den wind, den regen, het beekje, en dieren verstonden hem, tot de slang
toe, die, onweerstaanbaar aangetrokken, tegen de helling van het ravijn
was opgekronkeld om te luisteren naar Si-Kamprets fluittonen.....
Onverwachts klonk Padde’s gillende stem weer uit het hol. Hajo wilde
toesnellen, maar Dolimah verscheen voor de opening. „Stil!” fluisterde
ze. „De doekoen is bezig!”
Maar Hajo kon zich niet meer in bedwang houden en trad het hol binnen.
De oude doekoen, die gehurkt bij Padde zat, wendde prevelend het hoofd.
En een blik in die oude, lichtlooze oogen, die zich star, schijnbaar
zonder te zien, op hem richtten, was voldoende om Hajo te doen
terugdeinzen. Langzaam prevelend, allengs overgaand in neuriën, keerde
de doekoen het hoofd weer af. De oude nek leek wel een verschrompelde
wortel.
Bevangen keerde Hajo naar Rolf terug.
„Wat heb je gezien?” vroeg deze.
Hajo haalde, wezenloos voor zich uitstarend, de schouders op. „Ik weet
het niet.....” zei hij, als in diepe gedachten.
Het schreeuwen in het hol verminderde. Onafgebroken klonk het eentonig,
klankloos neuriën van den ouden man. Na een tijd, die een eeuwigheid
scheen, kwam Dolimah op de teenen naar buiten en fluisterde: „De
geesten zijn al op de vlucht! Ik heb kruiden gewreven, die de doekoen
me gaf. Geduld....!” Toen verdween ze weer.
Rolf en Hajo gingen naast elkaar zitten, staarden zwijgend in den
zilveren nacht. Uit het hol kwam de rosse schijn van het vuurtje. Nu en
dan vloog er een schaduw door de lucht, de schaduw van Dolimah, die
voor het vuur langs liep. En eindelijk..... ze wisten zelf niet, hoe
lang ze zoo wel bijeengezeten hadden, kwam, als een oude berggeest, de
doekoen naar buiten.
Dolimah volgde. „Hij slaapt rustig!” zei ze met een vreugdetrilling in
haar stem.
Weer voelden de jongens de aarzeling van daarstraks. Wat weerhield er
hen van, de handen van hun redder te grijpen? Op de teenen gingen ze
naar binnen. Padde sliep; zijn ademhaling was lang en geregeld. De
roode koortskleur was weg.
Buiten stond de wonderman, die dit bewerkt had, op zijn panterhuid te
wachten. Terwijl Hajo haar haastig ineenrolde, trachtte Rolf woorden
van dank te vinden. Maar wanneer hij in het oude, afgeleefde,
glanslooze gelaat keek, stokten de woorden hem in de keel.
De doekoen spoog langzaam, vol aandacht, een straal donkerrood
sirih-sap uit,—in het licht der vlammen leek het bloed. Slap hingen de
mondhoeken, de onderlip lag op de oude skelet-kin en onthulde een
tandeloozen mond; de grijze wenkbrauwen waren door het gerimpelde
voorhoofd hoog opgetrokken; zijn geheele huid zat vol roestvlekken.
Zwijgend nam hij de panterhuid onder den arm, sloeg zijn sarong naar
binnen en klom de touwladder op. Boven gekomen, leek hij tegen het
maanlicht wel een vogelschrik. Dolimah deed hem uitgeleide.
„Begrijp jij er iets van, Rolf?” vroeg Hajo.
„Geen laars”, antwoordde Rolf. „De drommel zal weten hoe hij..... maar,
zeg, Hajo! Harmen is nog niet terug!”
„Dat is waar ook.....!!” stotterde Hajo. „Dat had ik heelemaal
vergeten!” En verschrikt keken de jongens elkaar aan.
Toen Si-Kampret zijn plicht vervuld had, spoedde hij zich voort in de
overtuiging dat hij de rest veilig aan de krachtige rapals en ontzag
inboezemende poesaka’s van Pa-Samirah mocht overlaten. Plotseling
vernam hij een klagend geblaat. Verwonderd liep hij er op af en
stond..... voor een geitje! „Tjoba.....!” stamelde Saleiman. Hij greep
het, keek vol verbazing naar een afgescheurden rotanstrik om den hals
van het diertje. „Het is het geitje uit de tijgerval.....!”
Saleiman dacht even na; toen was zijn besluit genomen. Wat er ook met
de val gebeurd mocht zijn; Saleiman moest er het zijne van hebben. Zou
er een of andere geest in het spel zijn? Nu, Saleiman had om zijn
bruine vingertjes een djimat zitten, waartegen de boschgeesten toch
niets konden uitrichten, zelfs de meest kwaadaardige niet! En Saleiman
toog op pad. Den rechten weg naar de val kende hij niet; hij moest
eerst weer een eindweegs den weg naar het dorp volgen en dan in
schuinsche richting weer omkeeren. Maar Saleiman had geen zolen te
verslijten; de zijne werden hoe langer hoe dikker naarmate hij er meer
op liep, en de maan scheen zoo mooi.....
Alom zongen de krekels, en de krekel in Saleiman’s kooitje raadde met
luider stemme zijn vrienden daarbuiten aan, om zich goed verborgen te
houden wanneer ze zoo’n jongetje als Saleiman in de buurt zagen.
Saleiman liep er over te denken, hoe fijn het zijn zou, wanneer hij
alle krekels, die hij nu hoorde, ja, alle krekels van de wereld in een
bamboekooitje had: hij zou de kleintjes aan zijn vrienden geven, en de
grooten zou hij zelf houden. Maar ze waren zoo lastig te vinden; vooral
de goede kampvechters liepen het hardste weg.....
Saleiman dacht er ook over na wat hij morgen weer voor Dolimah gappen
zou. Ma-Satia had altijd zooveel eieren,—daarvan kon ze er best een
paar missen. En Niti had op haar dak deng-deng te drogen, daar zou
Saleiman ook een stukje weghalen. En Si-Amat had zooveel rijst, wel een
heele loemboeng vol,—daar hadden de glateks al zooveel van gegeten, dat
het niet zou hinderen, wanneer Saleiman er ook nog een handje van
kaapte. Tevreden neuriënd liep Saleiman voort.
De maan stond achter hem en al neuriënde richtte onze vriend zijn blik
op de loopende schaduw voor zich. Zijn toch al gedrongen lichaampje
leek in dien schim, die met potsierlijke beentrekkingen voortstapte,
nog gedrongener. Ter zijde van het hoofd staken twee zwarte vlekken
uit.
Saleiman hield op te neuriën. Droevig en met iets grimmigs om den mond,
staarde hij naar de mismaakte gestalte daar voor hem op den grond.—Een
vleermuis fladderde onder de boomen door, over den weg, en de beide
schaduwen streken over elkaar. Saleiman zond haar een verwensching na
en ging onder de boomen loopen, waar de maan niet kwam.—Als hij in de
val een tijger vond, zou hij..... zou hij hem met een puntige bamboe
steken tot hij brulde van pijn. Hij zou buiten eerst een vuurtje maken
en daar de punt van de bamboe in laten gloeien en den tijger dan het
vlammende einde in den muil steken en in de neusgaten en in de oogen!
„Si-Kampret!” Allemaal noemden ze hem: „Si-Kampret!” Al voortgaand,
begon hij zachtjes te snikken.
Maar allengs kwam onze vriend weer tot blijder gedachten. Dolimah zei
altijd: „Saleiman!” Zij had het natuurlijk wel gehoord, dat de anderen:
„Si-Kampret!” geschreeuwd hadden, en toch zei ze altijd Saleiman tegen
hem. Wacht: straks zou hij nog wat op zijn soeling spelen, dan vergat
hij alles. En zijn djangkrik was lekker de sterkste van allemaal! Hij
zou hem nog meer Spaansche peper geven en wel oppassen voor Sanip met
zijn smerige trassi!
Saleiman was weer bij de plaats gekomen waar hij moest terugloopen. Nu
scheen de maan hem vol in het gezicht en haar stralen daalden zachtkens
in Saleiman’s ontvankelijk zieltje. Hij werd trotsch en dapper en liep
rechtop.
Zat daar geen uiltje in den boom? Ja! Het gluurde hem aan. Saleiman
raapte een steen op en wierp. Een lichte slag; het uiltje tuimelde
beduusd omlaag, en Saleiman greep het achter den kop. Onder het bekje
bloedde het.
„Goed gegooid”, prees Saleiman zichzelf. „Ik zal muizen voor je vangen,
jonge muisjes uit de nesten onder de galangans. En een kooitje zal ik
voor je maken, een klein kooitje voor jou alleen, want anders pik je
mijn glateks en mijn kentilan nog met je scherpen snavel!”
Het uiltje siste, sperde den bek half open en keek Saleiman met zijn
starre, gele spleetoogen aan.
„Misschien ben je wel een booze geest”, zei Saleiman. „Maar ik heb toch
mijn djimat, en in elk geval ben je een domme geest om je van dien tak
te laten gooien!”
Zijn gevangene in de hand omsloten, kwam hij bij de dichtgeslagen val.
Saleiman legde het uiltje met gebonden pootjes op den grond, wist zich
langs een stam, die naast de kooi groeide, tegen den wand op te werken
en keek over den rand.
Van verbazing viel hij weer omlaag.
„Saleiman!” schreeuwde Harmen van binnen. „Waar zit je? Hier, hak een
bamboe om en steek hem naar binnen!” En Harmen gooide zijn mes naar
buiten, zoodat Saleiman het haast op zijn bol kreeg.
Maar Saleiman had al een plan gevat. Hij klauterde weer in den boom,
sneed een rotan af, ontdeed dien van de dorens, knoopte het boveneind
stevig om een tak en wierp het ondereinde in de val. In een ommezien
werkte Harmen er zich in en sprong van de palissade op den beganen
grond, toen Saleiman nog trachtte zonder scheur in zijn sarong af te
dalen.
Harmen zuchtte diep, streek over zijn zitvlak, zag het gebonden uiltje
liggen en raapte het op. „Is ie van jou?” vroeg hij, toen hij zag, dat
Saleiman er weifelend naar keek. „Alsjeblieft! ’k Zal je niets
afhalen.” Hij reikte Saleiman het uiltje en nam hem het mes uit de
handen. „Lekker bot geworden, zeg! Ajuus en..... eh, trimah kassi,
hoor! Bedankt!”
En Harmen spoedde zich voort, met moeite een weg banend door de dichte
struiken.
Maar hij werd moe en bleef aarzelend staan. Waar was hij nog maar weer
vandaan gekomen? Het zweet brak hem uit. Zou de zaak nou weer scheef
gaan? Woest brak Harmen zich baan. Hij had daar straks de maan aan
bakboord gehad,—die koers zou hij dus maar houden.—En eindelijk.....
ja! Daar schemerde het weggetje tusschen de boomen. Sterk als een reus
worstelde Harmen zich voort. Ziezoo, nu was hij er! Zoo op het eerste
gezicht herkende Harmen het pad niet. Aan een zijde bamboe, aan de
andere zijde zwarte zuilen met rafelige, woeste kronen tegen de bleeke
lucht.
Wacht! Harmen dook in de struiken weg: daar, vlakbij, kwam iets aan!
Een Maleier! En..... en..... wat hield hij onder den arm, glanzend in
den lichtval van de maan? Harmen snoof van woede: het was het
pantervel!
De man stond stil. Hoekig en bottig en als met een knuppel schots en
scheef geslagen vlekte de gestalte tegen het maanlicht. „Si-apah?”
vroeg de Maleier.
„Ikke”, zei Harmen. Hij sprong naar voren, sloeg den Inlander tegen den
grond, ontrukte hem het pantervel en snelde er mee weg in de richting,
vanwaar de Maleier gekomen was. Immers: daar moest het hol zijn! Want
dat de kerel de huid gestolen had stond voor Harmen vast.
Hij belandde op het plateau, liet zich langs het laddertje omlaag
glijden, kwam op zijn achterwerk beneden, krabbelde weer op en stapte
het hol binnen.
„Harmen.....?!”
Harmen snoof, wierp de huid voor zich neer op den grond. „Alsjeblieft,
daar hebben jullie de huid terug! Is er nog wat te bikken?”
Met groote oogen staarden de anderen hem aan.