DE REGEN

„Hoe komen we nou weer bij de anderen?” vroeg Hajo.

„We zullen dat weggetje maar eens verder opkruipen”, zei Harmen. „En

dan mag ik lijden, dat we niet weer zoo’n mormel tegen het lijf loopen,

want zonder m’n spies bij me, zou ik niet weten, wat ik tegen ’m zeggen

moest.”

„Ja”, zei Hajo bezorgd, „ze zijn gewoonlijk met z’n tweeën, hè?”

Harmen grinnikte. „Nou zijn ze in elk geval niet meer met z’n

tweeën!—Hierlangs, Hajo, en voorzichtig!”

Zoo kropen ze voort, zich vasthoudend aan wortels en steenpunten. En na

veel geklauter belandden ze met geschaafde handen en knieën weer op het

plateau en zochten de anderen op, die triest bijeenzaten in den

stroomenden regen. „Een fijn holletje gevonden!” schreeuwde Harmen. „Er

lag een tijger in, maar die zegt niks. Waar, Hajo?”

„Een tijger?!”

„Een tijger met vlekkies! Maar ik en Hajo hebben ’m ferm bij z’n staart

gepakt, en nou zegt ie geen ba meer en geen boe. Kom maar gauw mee. ’t

Is er kurkdroog en lekker warm!”

Rolf sprong overeind. „Kom, Padde! Harmen heeft een droog hol

gevonden.”

Padde richtte zich loom op en huiverde. „Is het hier ver vandaan?”

„Vlak bij”, zei Harmen. En terwijl Hajo in geuren en kleuren het

verhaal over den panter opdischte, begaf het heele troepje zich naar de

plaats, waar Harmens speer in de diepte gevallen was. „Ziezoo, we zijn

er”, zei Harmen. „Als het bliksemt, spring ik naar beneden.”—Meteen

zette het weerlicht het dal alweer in hellen gloed; Harmen berekende

vliegensvlug zijn sprong en dook de diepte in.

„Harmen.....?!”

„Ja, ’k leef nog”, klonk het van omlaag. „’k Ben op m’n billen

gevallen! Spring maar, Hajo!”

Hajo, die voor Harmen niet wilde onderdoen, nu Dolimah er bij was,

sprong, en Harmen ving hem.

„Nu ik”, zei Rolf. „Maar vang je eerst de noten op?”

„Gooi ze maar naar beneden”, zei Harmen. „Maar niet allemaal tegelijk:

ik hèb al een buil op m’n kop.”

Een voor een gooide Rolf de noten omlaag. Harmen had katte-oogen: hij

ving ze allemaal. „Nog meer?”

„Neen. Nu kom ik-zelf.” En Rolf sprong in Harmen’s armen. „Nu jij,

Padde!”

„Springen?” vroeg Padde.

„Nee, vliegen!” zei Harmen. „Kom maar: we vangen je met z’n drieën.”

„En als ik nou te ver spring?!”

„Dan springen we je na. Kom!”

Padde aarzelde, gromde wat. Toen sprong hij.—„Au! O! Au!”

„Gaat wel over”, troostte Harmen. „Denk je soms, dat ik zoo lekker

gesprongen ben? M’n billen branden als helsche steen.—Nou, jij,

Dolimaatje?”

Na eenig aarzelen sprong het meisje omlaag. „’k Heb ’r!” riep Harmen

verheugd. En voorzichtig zette hij haar neer. „Nou Joppie! Kom, gil

niet als een mager varken! Joppie!”

Piepend en jankend zocht Joppie langs den rand naar een geschikte

plaats om af te dalen.

„Hij durreft niet, de smakker!” smaalde Harmen. „Nou, dan moet ie maar

boven blijven. Kom mee, jongens! En voorzichtig-aan! Er staat beneden

niemand om je te vangen!”

Zoo kropen ze naar het hol. „Zie je?” zei Harmen, „hier zijn we thuis!

De hond ligt voor de deur, maar bijten doet-ie niet. Veeg je

voeten,—d’r is pas gestoft.”

Met een huivering stapten de jongens over den dooden panter. Er hing

een doordringende bloedlucht in het hol. „Ja..... dat ’t hier lekker

ruikt, heb ik niet gezegd”, verontschuldigde Harmen zich. „Maar droog

is het hier! En warm!”

Zwijgend zochten de anderen een zacht plekje op, stonden Dolimah de

mooiste plaats af, het diepst in het hol.

„Als er nou nog een tijger komen mocht, moet hij eerst over ons heen,

vóór hij Dolimah kan wegslepen!” zei Hajo.

Als er nog een tijger kwam.....—Met een vaag gevoel van onrust

luisterden de jongens nog even naar den regen, daarbuiten. Hoe ver en

vaag klonk het ruischen nu! Hierbinnen zaten ze droog; het vocht

verdampte ook al uit hun kleeren. Daar bliksemde het weer. Door het

paars-glanzende regenfloers zagen ze ver uit over het wijde dal. Voor

de grot lag, als een op zijn post gestorven schildwacht, de panter. Een

gebroken speerschacht stak uit zijn gevlekt lichaam omhoog.

Buiten zong de regen eentonig voort. Het water was langs de stammen der

boomen omlaaggevloeid, had het mos gedrenkt, en de wortels der

woudreuzen hadden het uit alle macht ingezogen. Maar er was te veel,

veel te veel. Op lage plaatsen vergaderde zich het water tot plassen,

vormde beekjes, danste gulpend, spettend over de steenen, vloeide daar

beneden in het ravijn samen, vulde een droge bedding, waarin het

wegstroomde. Van alle zijden kwam het water toegevloeid, vormde een

riviertje. Beekjes stortten zich uit in de bedding, die nu een

schuimenden, sneljagenden vloed den weg wees. Het water wies en wies;

steeds doller werd de vaart. Hier! Hier is water! Neem het op, rivier,

het is voor jou! Hier! Hier is water in overvloed!—Van de hellingen

komt het water, uit de zijdalen, en de regen zelf slaat ten overvloede

nog roezend in den stroom; wel een vinger diep schieten de

regendruppels in het bruine oppervlak; als een brandblaas bolt er een

groote bel op; een andere druppel slaat er fel doorheen; op de bel bolt

een nieuwe, en samen tollen ze als lustig-uitgelaten haasjes voort.

Breeder wordt de stroom. Dieper. Sneller de vaart.

Wat ligt daar? Een brug?! Hoe durft ze! Weg er mee!—Een paar rukken. De

brug wordt opgenomen; de leuning slaat om in het water. Heisa! Leve het

water! Leve de regen!—Het bliksemt. Een paar wolken rammen krakend

opeen, breken, werpen hun waterlast omlaag. Rrrrang! daar slaat het

neer. Golvend stuwt het water tegen de zijden der bedding op. Wat is

dat? Een dijk? Die wil me in toom houden?!—Ga je weg, dijk?

Neen!

Dan zal ik je rammen! Hier, jij gaat mee, boompje! Ram dien dijk!—De

boomstam stoot dof bonzend tegen den aarden, met bamboe versterkten

wal.—Meer! Meer boomstammen! Balken! Planken! Steenen! Ramt den

dijk!—De regen heeft schik in den dollen gast, kittelt hem in den rug.

Vooruit! Galop! De regen doorweekt den grond; de wortels der

oeverboomen glippen los onder de stuwing van den stroom; de boom slaat

in het water neer, stuit op een anderen boom, die tegen den kant

vastzat, bevrijdt hem rukkend en duwend, en samen drijven ze weg. Eerst

langzaam. Dan sneller. Dan in dolle vaart. Ze tollen om, stuwen tegen

elkaar op, over elkaar heen, rukken andere oeverboomen om.....

De dijk zet zich schrap.

De menschen in de dorpen worden wakker uit hun rustigen slaap, richten

zich op hun baleh-baleh’s op. Hoor! Wat is dat voor een gekreun,

gekraak, dat met elke minuut toeneemt, dreunend als horen-bassen het

paukengeroffel van den regen overstemmend? Ze staan op, zoeken in

koortsige haast hebben en houwen bijeen, drijven schreeuwend het vee

tegen de hellingen op. Een roep gaat door het dorp, een roep, die allen

in merg en been dringt:

„Banjir!”

Daar komt hij. Rukkend, wrikkend, bulderend, dat het tot in de bergen

vernomen wordt. Daar..... bij een bocht.....! De dijk scheurt; een

groot middenbrok wordt weggerukt; de kanten storten..... En ineens

wordt het stil. De woede van den stroom is gebroken. Hij heeft zich uit

zijn eigen gang, waarin een reus als hij zich niet keeren of wenden

kon, bevrijd. Nu vloeit hij kalm en vult het heele dal.....

Maar den landbouwer staan de tranen in de oogen. Wat blijft er van zijn

sawah’s over? Zie, daar wankelt zijn huisje en drijft weg. En zijn vee,

zoo dom als vee maar zijn kan, loopt in verwarring en radeloosheid

recht het water in, den staart in de hoogte.

En de regen valt, valt steeds maar voort in eentonigen zingzang,

treiterend als een sater. Treiterend? Neen! Mild ruischend in het

bewustzijn van zijn vruchtbrengende kracht. Kan hij er wat aan doen,

dat de menschen dijkjes legden en den grond in rechte stukjes

verdeelden, beangst dat zijn buurman iets meer zou nemen dan hem

toekwam? Kan hij er wat aan doen, dat de menschen in huisjes gingen

wonen, in plaats van onder den vrijen hemel, en dat ze den buffel zijn

vrijheid namen en hem zoo dom en hulpeloos maakten, dat hij zich niet

tijdig voor den banjir wist te redden?

Dolimah werd wakker door het gebulder daar in de verte. „Banjir!”

fluisterde ze. En gedachten aan huis vulden haar hoofdje. Angstig keek

ze door de opening van het hol naar buiten, waar een waterige morgen

schemerde.....

Toen de jongens wakker werden, regende het nog. Joppie lag tusschen hen

in te snurken,—scheen dus een weg te hebben gevonden. Erg mooi kon die

weg niet zijn, te oordeelen naar het feit, dat Joppie tot achter zijn

ooren vol modder zat.

Onze vrienden kropen naar buiten om den panter te bezien. Daar, in den

plassenden regen, lag de roover. Met den staart mee mat hij ruim twee

ellen. Harmen’s speer was hem in de zijde gedrongen en kort bij de punt

afgebroken. De andere speer, waarin hij was opgevangen, zat dwars door

het lichaam, stak er achter het rechter schouderblad weer uit. De bek

met de scherpe, hoekige tanden stond half open, was vol gestold bloed;

de zware pooten lagen krampachtig van het lichaam gestrekt, en de

gebroken oogen staarden den triesten hemel in, waaraan zelfs geen

schemering van de zon te ontdekken viel.

„We zullen hem maar in de diepte gooien”, stelde Hajo voor. „Dan zijn

we hem kwijt.”

„Dan zijn we hem zeker kwijt”, zei Harmen. „Daarom zullen we het dan

ook maar niet doen. We zullen hem z’n jasje uittrekken: daar heeft ie

maar last van, en wij kunnen zoo’n stukkie leer best gebruiken! Waar,

Rolf?”

„Al was het alleen al om op te slapen!” zei Rolf. „Daar dringt geen

vocht door!”

„Dan krijg je ook geen rimmetiek”, merkte Harmen op. „Weet je, waar ie

ook best voor is? Om een broek uit te snijden. In dat rokkie van mij

lijk ik wel een pias.”

„Die zou je wel staan, zoo’n panter-broek”, lachte Rolf. „Kun je goed

brullen?”

Harmen brulde, dat het heele dal er van sidderde en Padde en Dolimah er

in het hol geducht van schrokken.—„’t Is niets!” riep Rolf naar binnen,

„Harmen krijgt het op z’n zenuwen!”

Harmen staakte zijn gebrul. „Nou, we zullen mosjeu eens helpen”, zei

hij. „Geef me je mes even, Rolf?”

„Weet je, hoe je hem stroopen moet?” vroeg Rolf.

Harmen nam werktuigelijk het mes, staarde Rolf met groote oogen aan.

„’k Zal nog nooit een konijn gevild hebben!”

„Ja, maar dit is geen konijn!”

„Neen!” zei Harmen. „Een panter is geen konijn! Maar in ’t villen zal

het toch wel gelijk blijven! Een rits om z’n achterpooten, een streep

door ’t kruis.....” Grimmig trok hij den panter beide speerpunten uit

het lichaam. „Kon ik z’n achterpooten maar ergens aan vast binden!”

„We zullen hem naar boven sleepen”, zei Rolf. „Hier zou je nog met vel

en al in het ravijn tuimelen.”

Harmen gaf zwijgend toe.

Toen de jongens het hol weer inkropen, maakte de lucht hen haast

onpasselijk. „Zoodra de regen ophoudt, gaan we er uit!” zei Rolf. „Hoe

voel jij je, Padde?”

„’k Heb koppijn”, zei Padde flauw.

„We hebben ook nog niet gebikt”, meende Harmen. „’k Val om van de

honger.” Hij hakte een paar noten open, en allen—op Padde na—smulden,

of ze veertien dagen hadden gevast. Rolf voelde Padde’s hoofd eens.

Zijn gelaat werd zorgelijk. „Padde heeft koorts”, zei hij tot de

anderen. „Geef me je pols eens, Padde?”

Steunend reikte Padde hem de pols. „En..... wat heb ik?” vroeg hij

angstig.

Rolf moest tegen wil en dank weer glimlachen. „Ik denk, dat je kou hebt

gevat, Padde. ’n Geluk, dat het hier ten minste warm is.” Rolf keek

naar buiten. „Ik geloof niet, dat de regen gauw zal ophouden. Dan

moeten we aan de lucht hier maar wennen.”

„Wel ja”, zei Harmen. „Ik ruik er nou al niets meer van. Kom, Hajo, we

gaan op wat eten uit, voor straks.”

„Zullen jullie voorzichtig zijn?” vroeg Rolf.

„We zullen mekaar aan ’t handje houden”, beloofde Harmen. „Neem je

kapotte speer mee, Hajo, daar steken we wel even een nieuw eindje hout

in. ’k Heb de mijne ook bij me.” En samen klauterden ze het paadje weer

op.

Boven aangekomen, was het eerste werk der jagers, een paar stevige

bamboe-stengels te snijden en die in de ijzeren speerpunten te wringen.

„Nu naar de kampong!” zei Harmen. „Zien wat er te graaien valt.”—En in

den plassenden regen liepen de beide makkers het pad af naar het

dorpje. Bij het dal gekomen, waar aan de overzijde de geelgrijze

bamboe-huisjes met de donkerbruine daken stonden, omgeven door

bananen-boomen met van den regen glimmend-groene bladeren, zagen de

jongens, dat uit het beekje daar beneden een bruine, modderige rivier

geworden was, en dat het bruggetje was weggespoeld. Ze besloten het dal

om te loopen—trouwens de eenige manier om bij de kampong te komen—en

baanden zich een weg langs den boschrand.

Dat viel niet mee: zij verwondden zich de voeten aan wilde

ananasplanten en schramden zich armen en borst aan de doornstruiken.

Zoo duurde het wel een uur vóór ze bij den kokostuin kwamen. Door het

ruischen van den regen heen klonk klagend, droefgeestig fluitspel.

Harmen liet zich tegen de pagger vallen. „Wil je wel gelooven, dat ik

nog geen muziek kan hooren, of ik denk aan m’n fiool?”

„En ik dan?” vroeg Hajo en ging naast hem zitten. „Ik kon het ook al

goed!”

„Dat van die begraffenis kon je nog niet goed”, stelde Harmen vast.

„Daar waren ook zooveel van die wipjes in!”

„Dat is juist het treurige ervan”, verklaarde Harmen. „’t Heet niet

voor niets: begraffenis! Of denk jij, dat een begraffenis zoo iets

lolligs is? Misschien voor de lijk-anzegger,—die z’n broodje is ’t, hè?

Maar voor de fermilie is zoo’n grapje duur genoeg! Je moet een natje en

een droogje geven en.....” Harmen keek eens omhoog.—„Zou ik eens wat

noten plukken?”

„Harmen!! Ze zien je vast!”

„’k Wou, dat ze blind waren”, zei Harmen. „Nou, misschien liggen er op

de grond wat noten!” Harmen wipte op de schutting, maar liet zich weer

neerploffen. „Er komt juist zoo’n nikker de tuin in!” fluisterde hij.

Hajo gluurde door de omheining. „’t Is een jongetje! Hij is alleen.”

„Zoo. Zouden ze het hooren in ’t dorp, als ’t mormel gaat gillen?”

vroeg Harmen.

„Wat wou je dan doen?!”

„Niks. ’k Ga eens met hem praten.” En met een fermen sprong was Harmen

de pagger over.

Tegen Harmen’s verwachting in, begon het joggie niet te gillen. Het

kereltje drukte zich met beide handjes tegen de pagger aan de

overzijde, werd vaalbleek in het kleine, bruine gezichtje en maakte van

zijn oogen rijksdaalders.

„Tabeh!” zei Harmen. „Haal me eens als de weerlicht een paar noten!

Makan! Daar!” En Harmen wees in de boomen en daarna op zijn maag. Het

kereltje begreep. Bevend over al zijn leden, maar rap als een

eekhorentje vloog het tegen een stam op, rustte halverwege even om zijn

angst uit te hijgen en klauterde weer verder, de voetzolen plat tegen

den bast. Kijk, nu zat hij boven, leek zelf wel een kokosnoot.

De eerste vrucht tuimelde omlaag. „Goedzoo”, prees Harmen. „Vang ze

maar op, Hajo en verberg ze tusschen de struiken. Later halen we wel op

wat we nou niet kunnen dragen.” En hij begon de noten over de pagger te

gooien.

De boom, dien het ventje zich had uitgezocht, leverde ruim een dozijn

noten op. Toen er onder de kruin niets meer te ontdekken viel, kwam het

manneke aarzelend weer omlaag, en Harmen had slechts even te knikken,

of de ijverige plukker wipte alweer een anderen boom in. „Dat mag ik

zien”, zei Harmen. „Vang je, Hajo?”

Hajo verborg de noten in een boschje. Toen er drie boomen kaalgeplukt

stonden als lange, magere Lijzen, en het kereltje een vierden boom

inschoot, vond Harmen het welletjes en wipte weer over de pagger. „Waar

liggen ze, Hajo? Goed zoo, daar zal geen mensch ze vinden.”

De noten vielen nog smakkend neer. „Hij zal de heele tuin leegplukken!”

grinnikte Harmen. „’t Is een handig mormel, hoor, hij verstond me ook

direkt. Kom, we nemen een paar noten onder de arm!”

Een paar uur later kwamen ze weer op het plateau. Toen ze weer omlaag

wilden springen, viel plots hun oog op..... een touwladder! „Daar hangt

een valreep!” stotterde Harmen.

„Hallo!” klonk het van omlaag. Rolf stond in den ingang der grot.

„Hoe komt dat ding daar, Rolf??”

„Bevalt ie jullie?”

„Heb jij ’m gemaakt?!” stamelde Harmen vol eerbied. „Da’s nog eens

werk! Hoe heb je ’m in mekaar geflanst?”

„Dat zie je”, zei Rolf. „Stukjes bamboe, met rotan verbonden. Met die

stok halen we de ladder ’s avonds binnen, dan valt geen mensch ons

lastig.—Waar hebben jullie die noten vandaan?”

„Heb ik voor me laten plukken”, grinnikte Harmen. „Waar of niet, Hajo?”

En samen vertelden ze het avontuur.

„Jij bent brutaal als de beul, Harmen!” zei Rolf. „Vandaag of morgen

vlieg je er in.”

Harmen trok een leep gezicht. „’t Is met Harremen als met een vlooi!

Kom je d’r aan—wip! zegt ie. En de beet heb je te pakken!”

„Hoe is het met Padde?” vroeg Hajo.

Rolfs gelaat betrok. „Hij ijlt. Dolimah zoekt kruiden. Misschien helpen

die.”

Zwijgend, plots weer bedrukt, ging de jongens het hol binnen.

De regen ruischte.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 44 / 67 题