DE STRIJD OM HET HOL

Na een korten middagslaap stonden de zwervers vermoeid en onverkwikt

op. Wat lag er in de lucht, dat hen zoo loom maakte? Bij de minste

beweging parelde hun het zweet op het voorhoofd.

Dolimah had niet geslapen: zij zat tegen een boomstam geleund en keek

voor zich uit.

„Je denkt zeker nog aan het kantjil?” vroeg Rolf.

Het meisje zweeg even. Toen zei ze: „Als ik eenmaal denk, denk ik aan

allerlei dingen. Ik denk er aan..... dat we nooit aan de zee zullen

komen. Deze kant uit komt men nooit aan de zee. De zee is in het

Westen, waar de zon ondergaat.”

Rolf was even geschrokken. „Straat Soenda ligt toch in het Zuiden?”

vroeg hij.

„Jawel”, antwoordde Dolimah, „maar dat is zoo ver weg, dat men er toch

nooit komt. Men wordt onderweg door de geesten betooverd, die in de

oude waringin-boomen huizen. Overal zijn ze! In de bloemen wonen

geesten, in de steenen en in de schelpen, in de stille meren, in de

bergen, onder de watervallen..... Als ge ergens lang naar kijkt, maakt

de geest, die er in woont, zich meester van uw ziel. En wie in de macht

der geesten is, kan niet meer weg..... Ge zoudt aan het strand staan en

met betraande oogen over het water turen,—maar als ge in uw prauw

wegvaart, kwellen de geesten u, tot ge geen lust meer hebt te leven. En

als ge niet spoedig terugkeert, sterft ge ook werkelijk.”

Rolf haalde diep adem, wilde zich verzetten tegen een gevoel van

beklemming, dat hem overmeesterde.

„Ge zult nooit aan de zee komen”, ging Dolimah droomerig voort. „Eerst

zult ge vol moed zijn, maar dan zult ge de dagen tellen. Er zullen

bamboe-bosschen en djati-wouden komen, bergen en moerassen en wijde

vlakten zonder schaduw. En ge zult de uren tellen, dan de boomen aan

den weg, dan de steenen onder uw voeten, en eindelijk zult ge weenend

gaan zitten,—dan hebben de geesten u overwonnen.....”

Rolf zweeg een oogenblik. „Kom!” zei hij toen, lenig overeind

springend, „we moeten verder!” Maar er zat onder zijn uiterlijke

fermheid een aarzeling.

Padde stond loom op. „’k Heb koppijn”, zei hij.

„D’r zit broeiing in de lucht”, verklaarde Harmen. Zwijgend zochten

onze vrienden het pad weer op, en verder ging het.

Hajo hoorde wiekengerucht, ging er op af en schoot een duif.

Harmen sneed het nog fladderende dier de keel af. „Nou mag ze ’t dan

toch eten”, zei hij, terwijl hij zich het roode bloed van de vingers

likte. De anderen wendden zich af: Harmen kon soms zoo ruw zijn.

Hij zelf voelde er weinig van. „Die zullen we straks braaien!” zei

Harmen. „Je braait anders zóó al wel. Zoo warm als ’t vandaag is!”

Het begon donker te worden; de zon stond als een spet klaterend goud

tusschen de zwarte wolken.

„Laten we hier blijven”, stelde Harmen voor. „Als het straks regent,

kunnen we geen vuur meer maken.”

De anderen aarzelden nog even; Padde zonk terstond tegen den wegberm

neer, hijgend, met gesloten oogen.

Wat was dat?! Onweer? De grond dreunde; het was, of daar in de verte

drommen ruiters galoppeerden. „Olifanten”, zei Dolimah. „Ze zijn ver

weg.”

„Nou, Dolimah, nou een vuurtje!” zei Harmen, die zich over het gedreun

weinig zorgen maakte.

Dolimah begreep, haalde uit haar sarong twee stukjes droge bamboe. In

een ervan was een gat.

„Maak je dáár vuur mee??” vroeg Rolf.

„Ja, maar ik moet eerst nog wat droog bamboeschraapsel hebben, van

binnen uit een ouden steel.”

„Geef me je kapmes eens hier, Harmen”, zei Rolf. „Zij wil een vuurtje

voor ons maken.”

„’t Zal me benieuwen!” grinnikte Harmen opgewonden.

Intusschen maakte Rolf zoo snel mogelijk de voorbereidselen. Dolimah

legde het zaagsel, dat Rolf haar bezorgde, tot een hoopje, stak er een

paar splinters in, zette het stukje bamboe met het gat er in op den

grond en begon er verbazend snel het andere stukje bamboe in heen en

weer te wrijven.

„’k Zie nog niks”, zei Harmen.

„Laat mij het maar doen”, stelde Rolf voor. „Ik zie nu hoe het moet.”

Hij nam het instrumentje over en begon op zijn beurt uit alle macht te

wrijven. Maar er kwam geen vuur. Wel droop onzen vriend het zweet van

voorhoofd en polsen.

„Schei maar uit met je gepruts”, zei Harmen. „Wedden, dat ik in tien

tellen vuur heb?” Rolf reikte hem de houtjes, en Harmen begon te

werken. De tien tellen waren spoedig verstreken. „’k Word er lam van!”

hijgde Harmen.

Het meisje zag glimlachend toe, hoe de jongens zich inspanden. „Laat

mij nog eens?” vroeg ze. „Als mijn broertjes zagen, hoe slecht ik het

doe, zouden ze me uitlachen!” En met vaardige hand wreef ze, minder

heftig, maar veel vlugger dan de jongens, en zie..... daar vloog een

vonkje van het droge, scherpe hout naar het schraapsel over. Nog een!

Harmen wierp zich op de knieën, begon te blazen..... daar lekte een

vlammetje op! Vlug, al blazende een paar splintertjes erbij, nu zou het

Harmen niet meer uitgaan. „Hé, Padde, zit niet te maffen! Zoek hout bij

mekaar!”

Padde bleef zitten. „’k Heb koppijn”, gromde hij.

„Ja, goeie morgen!” zei Harmen.

Hajo zocht wat droog hout bijeen. En nu laaide een knetterend vuurtje

op. Of ’t wou branden, die droge bamboe! Tevreden grinnikend, begon

Harmen de duif te plukken.

De hemel werd zoo donker, dat de stammen der boomen er licht tegen

afstaken. Het was, als bogen de takken onder den zwaren druk: in de

doodsche stilte rondom kraakte het onverwachts, of dwarrelde een

twijgje omlaag. „Dat zijn de geesten”, verzekerde Dolimah zacht en

ernstig. En met groote oogen zat ze te luisteren.

Rolf en Hajo waren bezig, een bed van varens voor haar op te stapelen.

„Voel eens, hoe het veert!” zei Rolf, toen het bed een el hoog geworden

was.

„Hoor!” zei Dolimah en hief haar vingertje. In de verte gromde het

onweer.

Flits! daar sloeg de wereld in lichtelaaie. Het zwarte dak daarboven

werd in stukken en brokken gescheurd; onder de boomen vielen plots

blauwgroene schaduwen, en de vlammen van Harmen’s vuurtje werden even

neergedrukt.

Padde stopte de ooren dicht..... daar daverde de slag, wentelde over de

boomkruinen, tuimelde in een open plek omlaag als een schaatser in een

bijt, spookte nu tusschen de stammen, deed de bladeren verontrust

ruischen..... Stil was het weer. Dolimah zat met wijd open oogen op

haar leger van varens als een prinsesje op haar troon. Harmen was met

het plukken klaar, sneed de duif haastig open. Zijn mes glinsterde als

het mes van een roover uit een sprookje. Padde lag, het hoofd in de

armen, tegen een stam.

Niemand sprak. Hajo en Rolf, die naast elkaar op het mos waren

neergezonken, staarden, op den buik liggend, naar een groen kevertje,

dat, klauterend over steentjes en grassprietjes, zich ijverig een weg

baande. Wanneer het bliksemde, glansde het diertje ineens van het

goud,—stokte zijn loop. Dan ratelde de donder, en het torretje dook

ineen. Wanneer het weer stil was, roerde de gepantserde ridder zijn

voelhorentjes, krabbelde overeind en strompelde weer verder tusschen

takjes en blaadjes door het ontzaggelijke woud.....

Was het verschil tusschen hen en dat torretje zoo groot? vroegen de

jongens zich stilletjes af. Hoe eindeloos was hier alles, hoe klein en

onmachtig waren zij.—Als je ergens lang naar kijkt, had Dolimah

gezegd,—maken de geesten zich meester van je ziel.....—Geen

droomelarijen! Wakker blijven!

„Zoo”, zei Harmen, „als dát nou geen fijn boutje is, weet ik het niet!”

En hij begon de duif te verdeelen. Maar Padde wilde niet hebben. „Wat

zullen we nou beleven??” vroeg Harmen.

Ook de anderen keken vreemd op. „Scheelt er wat aan, Padde?”

„Knap maar”, zei Padde.

Toen lekten dikke, warme druppels uit den hemel neer. Geheimzinnig

tikten ze op de bladeren. Ping!—Pong!—Pang!—Ping!—Ping..... De bliksem

laaide weer uit, vulde de lucht opeens met blauwig-lichtende diamanten.

Toen sloeg de regen neer. De takken bogen onder den waterval, piepten

en kraakten; bladeren dwarrelden omlaag en dreven weg in de beekjes,

die zich vormden tusschen het drassige mos. Onder den boom, waar onze

vrienden stonden, begon het ook te lekken; het vuurtje doofde sissend

uit. Zouden ze verder gaan en een onderdak zoeken? Het trieste

stelletje pakte speren en bogen op en plaste langs den nu modderigen

weg; Padde droefgeestig en loom achteraan. Het weggetje was spoedig een

goot geworden, waardoor het bruine water met groote bellen er op

voortjoeg. En steeds meer water vloeide toe. Dolimah hield haar sarong

hoog op; de regen deed haar schouders, hals en armen glanzen. Harmen

kwam door dien opwekkend ruischenden regen weer in een tevreden

stemming,—hij stapte met groote passen, dat het water alle zijden

uitgolfde, en zong boven den regen uit:

„Des winters als het reghent,

Dan sijn de paetjes diep, ja diep,

Dan komt dat lose vischertjen

Vischen al inne dat riet, ja riet!

Met sinen rijfstoc, met sinen strijcstoc,

Met sinen lapsac, met sinen cnapsac,

Met sine leere, von dirre dom deere,

Met sine leere laersjes aen.....”

Hajo en Rolf waren halverwege uit volle borst ingevallen, en Padde gaf

Joppie een trap, toen deze, springend van berm tot berm om de jongens

bij te blijven, hem voor de voeten kwam. Het water voerde bladeren en

bloemen mee en twijgjes en stukjes schors. Dolimah ving de bloemen op,

stak ze in heur zwart-glanzend haar, in haar sarong boven de borst en

tusschen de vingers.

„Wat een fijn juffie, hè?” schreeuwde Harmen.

„Zing jij ook eens wat, Dolimah?” vroeg Rolf.

„Ja!” zei Dolimah. En terwijl ze sierlijk haar sarong ophield en als

een kleine koningin door het water schreed, zong ze:

„Oedjan dateng, kambing lari!

„Oedjan dateng, soekah menari!” [4]

En ze stelde voor, een pisangblad boven het hoofd te houden als een

pajong.

In Harmen, Rolf en Hajo’s hart was alles licht; ze voelden zich halve

boschmannetjes, toen ze met de groote bladeren boven het hoofd onder de

glimmend-zwarte boomen doorgingen. Ze waren hier thuis in het woud,

onder vrinden. Zouden ze verbaasd zijn, wanneer hun zoo meteen een

tijger te gemoet zou stappen en in zuiver Maleisch zou vragen: „Waar

komen jullie vandaan..... Dari mááááánah?” en: „Waar gaan jullie naar

toe..... Pigi mááááánah?”

„Tabeh!” zouden ze zeggen.

Of wanneer er een kabouter een eindje met hen zou oploopen tot aan zijn

hol, aan de andere zijde van den berm? Of wanneer ze een kantjil en een

stekelvarken gearmd zouden tegenkomen, dikke vrinden nog vanwege het

gezamelijk te velde trekken tegen den olifant? Of wanneer ze een boom

zouden hooren fluisteren: „Help me uit de knoei,—die smerige, witte

mieren zijn bezig me dwars door te zagen?”—Daar flitste de bliksem

weer, scheurde het duister; een paar kokosboomen rezen vliegensvlug uit

den grond op, spatten daarboven uiteen als zwarte inktvlekken op geel

perkament. „Een kampong!” fluisterde Dolimah. „Waar klapperboomen

staan, is een kampong in de buurt.”

Onverwachts begon Padde achter hen te snikken. „’k Heb zoo’n koppijn!

En m’n beenen zijn zoo moe.....”

De jongens schrokken. „Je zult toch niet ziek worden, Padde?!”

„Weet ik het?” vroeg Padde tusschen twee snikken in.

„Dija sakit?” vroeg Dolimah. „Is hij ziek?”

Rolf knikte. En tot de anderen zei hij: „Jongens, als we vlak bij een

dorp zijn, kunnen we hier niet blijven! ’t Is nu donker; we moeten het

zien te omsluipen.—Kun je heusch niet meer loopen, Padde?”

„Gaan jullie maar door en laat mij hier maar liggen.....” snikte Padde.

„Wat een onzin!” viel Hajo driftig uit. „Kom, Padde! Misschien ben je

morgen weer zoo frisch als een hoentje!”

„Ja..... misschien wel”, zei Padde droefgeestig.—En de jongens gingen

weer verder.

Ze bleken voor een omheinden kokostuin te staan. „Wacht even!” zei

Harmen. Hij wipte over den bamboe-pagger en klauterde een schuinen

kokosboom in. „Wat is die stam glad!” schreeuwde hij van boven.

Weer bliksemde het. Langs de omheining zagen ze den omtrek van een paar

puntige daken. De donder bulderde uit,—verstierf in het klagend loeien

van een buffel, daarginds in het dorp.—Een nieuwe bliksemflits. Acht,

tien, twaalf, veertien, vijftien huisjes op hooge palen. Hoe

merkwaardig silhouetteerde Harmen daar boven tegen die onweerslucht!

Was het niet net, of ze weer op zee zaten, en Harmen in een boozen

nacht iets klaarde in den fok? Daar klauterde hij weer omlaag. „Vangen

jullie?” riep hij van achter de omheining.

Terwijl Hajo en Rolf werk hadden de noten op te vangen, die Harmen over

den pagger kegelde, ging Dolimah bij Padde zitten. „Dimanah sakit?—Waar

doet het pijn?” vroeg ze met haar lieve stemmetje.

„Hier!” zei Padde verteederd en wees op zijn armen bol.

„Biar-lah!” troostte het meisje. „Wacht maar: morgen zal ik kruiden

voor je zoeken.”

Padde knikte. „Verstaan doe ik je niet”, zei hij. „Maar lief ben je,

da’s vast!” En met een wat vroolijker gezicht stond hij weer op.

Het geweld van den nog steeds even machtig neerslaanden regen maakte

het omsluipen der kampong gemakkelijk. Het was een klein dorpje, boven

aan een helling van sawah’s en, naar de zijde vanwaar de jongens

kwamen, grenzend aan den boschrand. Het was niet gemakkelijk om in den

hevigen regen, die alles deed onderloopen, den weg langs de helling

omlaag te vinden. Onophoudelijk gleden de jongens in de modder uit.

Slechts Dolimah viel niet: ze scheen dit balanceeren over smalle

sawahdijkjes wel gewend te zijn. Dat bewees ze ook door even later

kalmpjes-weg over een boomstam te wandelen, die, bij wijze van brug,

over een snelstroomend beekje was gelegd, waar het water van de sawah’s

in uitvloeide. De jongens gingen er twee aan twee over en hielden

elkaar goed vast, zoodat Harmen en Hajo tegelijk het water intuimelden.

Joppie zat achter een vette rat aan, en de rat en hij gilden samen zoo,

dat het van daarginds uit de kampong echode. Toen trad Joppie als

overwinnaar uit het strijdperk en toonde het rattelijk, waaraan een

lange, kale staart bungelde.

Aan de andere zijde van het dal kronkelde het weggetje weer tusschen de

boomen voort. „Kun je nog, Padde?”

Padde bromde wat.

Na wellicht twee uur loopen en waden door het maar altijd neerplassende

water, kwamen ze weer op een plateau, grenzend aan een ravijn. „Hier

zullen we maar blijven”, zei Rolf. „Een onderdak vinden we toch niet.”

Padde zonk neer.

„Ik wil eens langs het ravijn zoeken”, zei Harmen. „Ga je mee, Hajo?

Hier, neem jij ook een speer mee!” En beiden togen den zwarten nacht

in.

Rolf en Dolimah gingen, ieder aan een kant, aan Padde’s zijde zitten.

Een windvlaag streek over het plateau. „Heb je het koud, Padde?” vroeg

Rolf bezorgd.

Padde klappertandde.

„Kom dan dicht tusschen ons in.”

Onafgebroken stroomde de regen neer.

Hajo en Harmen volgden den rand van het plateau. Aan hun voeten gaapte,

onheilspellend zwart, het ravijn. „Wees voorzichtig, Harmen! Als je er

in valt.....!”

„Zal mij niet gebeuren!” verzekerde Harmen. Meteen zakte de grond onder

zijn voeten weg; Hajo bleef star van ontzetting staan, maar Harmen wist

zich net bijtijds aan een naar buiten stekenden wortel vast te grijpen,

werkte zich naar boven en sprong weer op den beganen grond. „Daar ligt

m’n speer!” schold hij. „Foetsji! Naar de haaien!”

„Hè.....!” stamelde Hajo.

„De grond is wat slappies van die smerige regen!” verklaarde Harmen. En

zich aan den boom vasthoudend, die hem het leven had gered, leunde hij

over den afgrond. „Alles zoo zwart als een pot teer! Is ’t niet zonde,

zoo’n mooie spies!”

Maar daar zette de bliksem het ravijn in het felste licht, en Harmen

riep: „Ik zie hem! Geen tien el hier beneden!”

„Nou, wat dan nog?” vroeg Hajo, ietwat geprikkeld.

„Ik ga hem halen”, zei Harmen.

„Als je ’t maar laat!”

„Ja, ’k zal daar m’n mooie spies laten liggen, als ik hem zoo grijpen

kan!”

„Wil je je nek breken?”

„Nee. Jij?” vroeg Harmen. „Daar zit ergens een boompje in de wand

vast,—daar laat ik me op zakken!” En zonder Hajo’s verdere goedkeuring

af te wachten, liet hij zich langs de wortels van een zwaren boom, die

op den rand van het plateau stond, zakken.

Van angst den adem inhoudend, wachtte Hajo boven. „Ziezoo”, hoorde hij

eindelijk, „nou nog.....” Toen kraakte er wat, een plof.....! en

Harmens stem klonk alweer: „Da’s nog vlugger dan ik dacht! ’k Zit op

m’n spies!”

„Kun je..... kun je weer boven komen?” vroeg Hajo.

„Langs deze weg zoo best niet meer”, meende Harmen. „Die rot-boom is

afgeknapt. Maar hier loopt een soortement weggetje. Dat kan ik eens een

eindje opkruipen.”

„Harmen, wat heb je gedaan!” zuchtte Hajo.

„Nou, grien maar niet”, zei Harmen. „’k Zou er hier beneden maar nat

van worden.”

Weinig op zijn gemak stond Hajo te wachten. „Een best weggetje!” prees

Harmen daar beneden. „Hier is ie wat minder, maar met m’n spies bij me

kan ik me wel hou.....”—Daar tuimelde iets zwaars de diepte in.

„Harmen.....?!”

Even niets. Toen Harmens stem, hijgend: „Ik h-hang nog! Ik hang op m’n

spies!” Een stilte. „Ziezoo, daar sta ik alweer!—Verduiveld, Hajo, daar

zie ik een hol!”

„Een hol?!”

„Spreek ik Chineesch?”

„Ga er niet in, Harmen!”

„En waarom niet? ’t Is net wat we hebben moeten! Droog!”

„Harmen! Harmen dan toch.....!”

Harmen zweeg in zeven talen. Ook in het Chineesch.

Eindelijk gaf hij weer teekenen van leven. „’k Ben er een eindje in

gekropen!” zei hij.

„En.....?!”

„Er zit een beest in. Kom maar eens kijken: twee gloeiende oogen!”

„Harmen! Kom boven!”

„Kan ik niet beloven!” dichtte Harmen. „Kom jij liever beneden, dan ben

ik tevreden. En neem jij ook je speer mee. Dan prikken we hem er aan.”

„En als ’t nou eens een tijger was?!”

„’t Is geen tijger”, zei Harmen, even beduusd.

„Hoe weet je dat?”

„Heit ie me zelf verteld.” En Harmen begon te grinniken. „Nou, kom je,

of kom je niet?” riep hij daarop ongeduldig. „Spring maar gerust; ik

zal je wel vangen.—Of dúrref je niet?”

Dat was een gevaarlijke vraag. „Vang je me?” vroeg Hajo.

„Natuurlijk! Ik zie je wel staan tegen de lucht aan; spring maar

gerust. En hou de punt van je speer naar boven alsjeblieft, want die

lust ik niet.”

Hajo sprong.

„Pijn gedaan?”

„Vertel op: waar is het hol?”

„Kom maar mee. Voorzichtig-aan, vooral daar waar je nou bent!” Harmen

voorop, kropen de knapen tot aan een steenen hol met manshoogen ingang.

„Blijf naast me en hou je spies klaar”, zei Harmen.

Den adem ingehouden, met bonzend hart, kropen de jongens het hol

binnen. Er hing een vunzige, warme lucht. Daar, in het donker, gloeiden

twee starre, gele oogen. „Zie je wel?” fluisterde Harmen. „Hij doet

niks.”

Hajo wilde antwoorden, maar zijn keel zat toegeschroefd. Hij voelde

zelf hoe hij beefde.

„Nou.....” fluisterde Harmen. „Nou gaat ie beginnen! Ik zal hem mijn

spies kedoo doen en als ie dan keet gaat schoppen, vang jij hem in de

jouwe!”

„Ja-a”, stotterde Hajo, verbouwereerd door Harmen’s koelbloedigheid.

Toen richtte Harmen zich onverwachts half op, haalde zijn rechterarm,

waarin hij zijn speer omklemd hield, ver naar achteren uit en zwaaide

het wapen forsch naar voren, in de richting waar de starre, gele oogen

gloeiden.—Een kort, schor gebrul. Een zwaar dier sprong overeind, het

hout van de speer kraakte en brak.

De worp had doel getroffen.

Een bedorven lucht sloeg den jongens tegen het gelaat, verwarde hen.

Instinctief omklemden beiden Hajo’s nog gevelde speer. De gewonde

holbewoner dook blazend ineen, sprong toe..... recht in de

lanspunt,—stootte een woesten kreet uit. De jongens voelden het zware

gewicht op hun lans neerkomen, zagen vaag de gestalte van het dier

gekromd om het lemmet, drukten met een schreeuw van opwinding het wapen

nog meer naar voren, zoodat het dier in een boog terugsmakte in den

hoek, waar het gelegen had.

„Hou vast!” siste Harmen. En de jongens drukten hijgend, uit alle macht

de speer in den hoek.

Toen brak de speerschacht; de jongens tuimelden naar voren, voelden een

heeten adem langs het gelaat strijken, vlogen met een rilling weer

overeind, bonsden met de hoofden tegen den steenen bovenwand van het

hol, dat ze haast het bewustzijn verloren en een rood waas voor oogen

zagen. Beduusd, verward, wilden ze naar buiten vluchten, maar vonden

door het floers voor hun oogen den uitgang niet.

Het was ook niet meer noodig.

Het dier had zich weer opgericht, toen Hajo’s lans brak en het niet

meer tegen den grond drukte, maar meteen was het weer omgetold, sloeg

met de klauwen in de lucht, brulde heesch, rochelde.....

En terwijl de jongens zich nog, in een hoek gedrukt, stilhielden,

verstomde het rochelen.

„Hij is dood!” fluisterde Harmen. „Ik zal.....”

„P-pas op, Harmen! Niet te dicht!”

„A-als ie nou toch d-dood is!” pruttelde Harmen hijgend. Hij kroop naar

het dier toe. „M-morsdood”, stelde hij vast. „Hier h-heb ik zijn

staart! ’k Zal hem naar buiten sleepen.” En zwijgend, nog zwaar

ademend, begon hij aan het lichaam te rukken. Toen werd hij allengs de

oude Harmen weer. „Groote griebus, wat is ’t mormel zwaar! Help eens

een handje, Hajo?”

Samen sleepten de jongens, Hajo nog bevend over al zijn leden, het dier

naar buiten.

Het was een panter.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 43 / 67 题