’s Middags togen de jongens aan het werk met den panter. Ze sloegen hem
een paar dunne rotanstengels om de pooten en heschen het dier met hun
drieën omhoog. Een vrachtje!
En nu begon Harmen zijn vilders-werk. Na een half uur hijgen, mopperen
en trekken, vloog hij met huid en al tegen den grond, en de panter hing
naakt, met puilende oogen, te schommelen. „Mooier ben je er niet op
geworden!” zei Harmen, terwijl hij overeind krabbelde en zijn zitvlak
wreef. Hij sleepte het gevilde dier naar den rand van het ravijn en
liet het in de diepte tuimelen. De panter buitelde potsierlijk over de
steenen, gleed een oogenblik over een met varens begroeid stuk helling
en sloeg weer over den kop, tot het ten slotte ergens hangen bleef.
Harmen had het dier in zijn val nageoogd. Hij wendde zich nu om en
zocht een verborgen plek tusschen de struiken, waar hij de huid
uitspande, de binnenzijde boven. „Ziezoo”, prevelde Harmen, „laat nu
het zonnetje maar schijnen.”
Doch daar leek het nog weinig op! Altijd maar door dreven uit het
Westen zware, grauwe wolken aan, schoven de vage randen ineen, werden
in die samenvoeging groeterig zwart, stortten hun waterlast uit en
vloeiden weer uiteen, dat er een lichte plek door schemerde, die de
rest van den hemel nog triester en hopeloozer schijnen deed. De bergen
in het Oosten, die bij zonsopgangen zoo heerlijk blauw konden afsteken
tegen het goud van den hemel, of ’s avonds, wanneer de zon in zee
wegzonk, rood te gloeien stonden tegen het paars van den komenden
nacht, scholen nu achter het regengordijn. Als er een paar wolken
braken en een blik op de bergen doorlieten, rezen de pieken zoo
dreigend zwart op, dat hun aanblik beklemde.
Harmen dwaalde op zijn eentje nog wat rond, vond niets van zijn gading.
Met een grooten doren in zijn voet, dien hij er pas na lang peuteren
met zijn zakmes weer uitkreeg, daalde hij den „valreep” af.
In het hol was het al donker. Padde lag te ijlen en gaf zijn vrienden
nergens antwoord op. Hoewel niemand er iets van verwachtte, trachtten
ze vuur te maken met wat hout en kokos vezels, die ze in het hol te
drogen hadden gelegd. Maar het was nog te vochtig. Toen gingen de
jongens voor den ingang zitten, staarden zwijgend over het ravijn.
Uit de diepte steeg de schemering op, kroop al over den rand aan de
overzijde, die zich daareven nog scherp tegen de lucht afteekende,—nu
er langzaam mee samenvloeide, zoodat de knapen tegen een hoogen,
grauwen wand opkeken. Steeds dichter kwam de grauwe wand; er zat in die
langzame nadering iets beklemmends. Nu konden ze nog twintig ellen voor
zich uit zien, nu nog vijftien, nog twaalf, nog tien..... ’t Was net of
je moeilijker ademde.....
Een groote raaf werkte zich met loomen wiekslag door de duisternis,
gleed laag over de hoofden der jongens voort en kraste. Toen schoof hij
weg in den grauwen wand. Net een lijk-aanzegger, vond Harmen.
Achter, in de duisternis van het hol, zat Dolimah bij Padde. Het
hoofdje naar hem toegebogen, vertelde ze een oud sprookje van den regen
en den rijstkorrel. Onder den invloed van haar zacht, zangerig
stemmetje kalmeerde Padde en sliep in.
Den volgenden dag regen, regen, regen.
Rolf zocht samen met Dolimah in de buurt naar wat kruiden.
„Ziet u dit plantje?” vroeg Dolimah. „Als je daar de stengels van eet,
word je sterk! Het is de sidagori lelaki. En dat daar is de daoen
tidoer-tidoeran! Als je niet slapen kunt, moet je daarvan een takje
onder je hoofd leggen.—Maar ik ken maar weinig medicijnen. De doekoen
kent ze allemaal! En de doekoen kan ook de booze geesten op de vlucht
jagen.”
Rolf luisterde met beide ooren. Van alles wat Dolimah vertelde, ging
voor hem een groote bekoring uit.
Harmen verveelde zich in het hol, trok er ’s middags met Hajo op uit.
Ze volgden het pad nu eens in de andere richting, kwamen aan een
zijweggetje. Harmen waadde het een eind in, hield stil en staarde
aandachtig naar een plek grond, die boven het water uitstak.
Hajo kwam er bij. In de bruine modder stonden diepe voetsporen geprent
van een tweehoevig dier. „Zou het een hert zijn, Harmen?”
„Wat dacht je dan?” vroeg Harmen. „Een duizendpoot?—Alsjeblieft!” En
hij liet Hajo een bosje zijig haar zien, dat aan een doornstruik hing.
„Dit is herte-haar en niets anders.”
„Zeg, Harmen, zouden we het niet kunnen vangen?”
„Daar zal ik nou eens over prakkizeeren”, zei Harmen, in diepe
gedachten.
Langzaam slenterden de jongens weer terug. Vóór ze de ladder afdaalden,
sneed Harmen een paar dunne rotans af.
De stemming in het hol was dien avond verre van rooskleurig. Padde’s
voorhoofd en polsen bonsden koortsig; zijn adem was kort en hijgend.
Rolf en Hajo staarden triest naar buiten in de grauwe regensluiers.
Zelfs Joppie zat met een droevige uitdrukking in zijn glanzende
honde-oogen aan den ingang van het hol, huiverde toen en ging naar
binnen, waar hij zich met een diepen zucht neervleide, den kop onder
Padde’s kin. Dolimah wreef op een platten steen wat kruiden tot een
papje en legde dat den zieke op de borst. Harmen was de eenige, die er
de vroolijkheid inhield en, tevreden neuriënd, weinig merkend van de
trieste stemming der anderen, uit zijn rotanstengels een paar strikken
vlocht.
„Wat wil je strikken?” vroeg Rolf.
„Kleine-kindervraag”, zei Harmen met een knipoogje naar Hajo: om er
zijn mond over te houden.
Rolf zweeg, ietwat geprikkeld.
„Je zult het wel zien”, begon Harmen een paar minuten later.
„Niets nieuwsgierig”, stelde Rolf hem gerust.
Harmen gromde wat. Maar even later begon hij weer zachtjes te zingen.
„Daar waren drie matroosjes.....”
Het werd Hajo week om het hart bij die vaderlandsche wijsjes. En toen
Harmen weer een strik klaar had, vol zelfvoldoening voor zich uithield
en zei: „Steek er je kop eens door, Hajo, dan kan ik zien, of ie goed
aantrekt!” kon Hajo geen antwoord geven. Hij stond op en ging naar
Padde. „Padde.... Slaap je?”
„Hajo!” snikte Padde. „Ik ben zoo ziek, Hajo......”
Hajo ademde diep. „Flink zijn, Padde! Als de zon weer schijnt.....”
„Die zie ik niet meer”, snikte Padde.
„Stil toch!”—Hajo legde zich neer en sliep in. Maar in zijn slaap
vloeiden de tranen hem over de wangen.
Alom zong de regen. Soms scheen het ruischen iets minder te worden,
ging in tikken over. Maar dan sloeg het water weer feller neer, en de
hoop, dat morgen eindelijk de zon weer stralend aan de kim zou rijzen,
werd, nauw ontkiemd, alweer vernietigd.—Allen legden zich nu te rusten.
Maar midden in den nacht sprong Harmen overeind en wierp zijn kapmes
naar een glinsterend ding, dat sissend, kronkelend over den grond, een
goed heenkomen zocht. Joppie vloog, de haren steil overeind, tegen den
achterwand.
Een slang was het hol ingeslopen.
Vermoeid stonden de jongens den volgenden morgen weer op: geen van
allen had na de ontdekking van de nachtelijke bezoekster nog erg rustig
geslapen. „Ja, die slang zocht hier natuurlijk de warmte”, zei Rolf.
„Wat zou er tegen te doen zijn?”
„Doodslaan”, stelde Harmen voor. „Dan krijgen ze de aardigheid er wel
af.”
De anderen keken bezorgd voor zich uit.
Na een pover ontbijt van kokosnoten, gingen de jongens er weer op uit.
Rolf wilde wat knollen en vruchten en eetbare wortels zoeken, en Hajo
zou Harmen vergezellen bij het zetten van zijn strikken. Bij het
zijweggetje gekomen, slaakte Harmen een kreet van verrassing. „Hij is
er weer geweest! Kijk maar!” En Harmen wees op hoefsporen, die nog niet
eens geheel vol water waren geloopen. „Geen minuut geleden is ie hier
langs gekomen! Had ik m’n strikken maar een kwartiertje vroeger
uitgezet,—dan zat ie er nou al in!”
„Jammer!” zuchtte Hajo. „Hoe dacht je de strikken te hangen?”
„Een voet of vijf van de grond”, zei Harmen. „Dan moet ie zelf weten of
ie er in wil loopen!” En Harmen volbracht zijn strooperswerk met een
vaardigheid, die vermoeden deed, dat hij dergelijke zaken al eens
eerder had opgeknapt. „Ziezoo”, zei hij tevreden, „nou leg ik hier
beneden ook nog een strikje, dan kan ie daar in trappen, als ie er
aardigheid in heeft!”
„Als ik zoo strikken zet”, begon Harmen in gedachten, terwijl de
jongens weer terugslenterden, „dan moet ik ineens weer denken aan m’n
strikkies achter de dijk bij Hoorn. Eenmaal had ik er zeven op een dag!
’k Zal ’t nooit vergeten: ’t was herfst 1616, de zevende van
Slachtmaand,—zeg nou eens, dat zeven geen geluksgetal is. Zeven vette
konijnen, en Harremen centen op zak! De volgende dag een haas van
twaalf pond, die had zich meteen doodgeloopen! Ja, je moet de loopjes
kennen, hè? Een ander zet ook strikken en vangt er nog geen pier in!
Lange Lijs heeft me eens een strikkie gelicht! De haas er keurig
uitgelicht en ’t strikkie weer netjes recht gezet. Jawel! Goeie
morrege! Op tien pas zei ik al: daar heeft me die uitgerokken
pijpesteel van een Lijs met z’n wrattige gapjatten aangezeten! De heele
grond onder de wol, en ’t strikkie netjes open, ja, Harmen is
gaargestoofd! Ik heb hem zijn oogen dichtgeslagen en hem laten betalen
voor een haas van twaalf en een half pond. Later zei Roeffie, dat hij
m’n strik gelicht had. „Nou”, zei ik, „die uitgezemelde Lijs kan zoo’n
pak op z’n falie toch best gebruiken, dan weet ie wat ie krijgt, als ie
eens trek mocht hebben met z’n mottige fikken aan mijn strikkies te
komen!” Van Roeffie kun je wat velen, nietwaar, maar als ik dat
platgemangelde tronie van Lijs maar zie, word ik al kriebelig. Laatst
ging ie met visschen vlak naast me liggen. „Ga je weg, hoepelstok!!”
zeg ik. En hij smeert hem. Haalt ie me aan het andere eind van de sloot
niet de snoek op, waar ik op lag te loeren?!—Nou, ik kom zoo eens
achter hem staan. „Mooi snoekkie heb je daar!” zeg ik. „Nou!” zegt die
kaaswurm. Meteen geef ik hem een douw, dat ie de sloot invliegt. „Dat
heb jij gedaan!” zegt ie woest. „Kan ik me niet herinneren”, zeg ik.
„Lijs, moet jij nou nog leeren, dat je met visschen niet naast een
ander gaat liggen?”—„’k Lig toch immers ook niet naast je?” vraagt de
slampamper. „Nee, nou niet”, zei ik, „maar die snoek heb je eerst bij
mij weggehaald.”—„Bewijs dat eens”, zegt die lintwurm. „Dat hoef ik
niet te bewijzen”, zeg ik, „zoo’n visch zwemt achter jou aan, omdat jij
net zulke vissche-oogen hebt! Geef hier m’n snoek! En als je nog
praatjes maakt, is het ineens uit met de vrindschap, begrepen?”—Nou,
toen smeerde ie ’m, de zandlooper!”
De jongens waren weer op het plateau aangeland. Rolf kwam hen tegemoet.
„Heb jullie Dolimah gezien?”
De verbaasde gezichten der twee anderen maakten elk antwoord overbodig.
„Begrijp ik niets van”, zei Rolf. „Daareven kwam ik terug en vond Padde
alleen. Misschien is ze wel weer op kruiden uit, maar dan snap ik niet,
waarom ze me niet even heeft gewaarschuwd. Ik was hier toch in de
buurt.....”
Zwijgend, de handen om de knieën, zaten de jongens den ganschen middag
voor in het hol en staarden naar buiten. Zou Dolimah hen werkelijk
verlaten hebben? Dat zou vreeselijk zijn. Vol weemoed dachten ze aan
Dolimah’s zangerig stemmetje, aan haar fijn kopje met de groote,
glanzende oogen.....
Na elk uur zakte hun moed. Dolimah was weg en daarmee alles wat hun in
dit land nog lief was. Waren ze maar weer aan het strand! De zee kenden
ze! Ze zouden in een prauw stappen en weg varen. Waarheen? Het deed er
niet toe, maar weg, weg van dit land!
Ineens.....! Wie was daar? De jongens vlogen naar buiten. Dolimah!
Dolimah!!—En wien had ze bij zich? Daar stond een kereltje,—tenger, met
groote, uitstaande ooren. In zijn wijd-opengesperde oogen lag namelooze
verbazing uitgedrukt, toen hij de jongens zag. Hij maakte een beweging
van het op een loopen te willen zetten.
„Ikoet sadjah, Saleiman”, zei Dolimah.
„Eh-eh, mari”, viel Rolf haar bij. „Djangan takoet..... Wees niet
bang.”
Het bruine kereltje, dat den trotschen naam: Saleiman voerde, aarzelde,
snoof zoo er eens en daalde toen omzichtig, na zijn sarong naar binnen
te hebben geslagen, het laddertje af.
Mooi was Saleiman niet: zijn armen en beenen waren schraal en als uit
donker hout gehakt, en zijn knieën en ellebogen schenen wel dikke
knoesten in dat hout. Ook zijn ruggetje was hoekig en bottig, en voor
de rest zat Saleiman van top tot teen vol litteekens.
Rolf keek Dolimah met vragenden blik aan.
„Saleiman is met me meegekomen om vuur te maken”, zei het meisje.
De kleine, broodmagere vuurgod wrong bedeesd een paar houtjes uit zijn
sarong en staarde Rolf met zijn groote kijkers allesbehalve gerust aan.
De knapen bezagen het manneke nu plots met heel andere oogen en knikten
hem vriendelijk toe. Alleen Joppie gromde wantrouwend tegen den
bezoeker,—welk wantrouwen nog aangroeide toen hij Saleiman berook en
deze hem met zijn mager, knokig been een schop toedeelde, die lang niet
mis was en waarop Joppie bij zoo’n ventje niet gerekend had. Saleiman
had het trouwens als vanzelf sprekend gedaan, zonder er een blik aan te
verspillen, en de oogen, waarmee hij nog even schuchter als te voren
Rolf in het gelaat keek, hadden zelfs niet geknipt.
„En Saleiman heeft me beloofd, ons wat eten te brengen, niet waar,
Saleiman?” vroeg Dolimah.
„Eh-eh”, bevestigde Saleiman.
„Nu, begin dan maar”, zei Dolimah.
„Eh-eh.”—Saleiman bukte zich over de kokosvezels, die de jongens den
vorigen dag nog vergeefs getracht hadden te doen ontvlammen, en begon
te wrijven. Zijn neus raakte daarbij zoowat den grond en zijn al even
mager en bottig zitvlak stak fier omhoog.
Na een paar minuten hard werken begon Saleiman te blazen,—er waren dus
vonken. „’k Zal helpen blazen!” riep Harmen en bukte zich naast
Saleiman. Saleiman stokte; een seconde lang keken Saleiman en Harmen
elkaar zwijgend in de oogen. Toen ging de eerste haastig weer door met
wrijven. Daar sprongen de vonkjes ook al weer; Saleiman en Harmen
bliezen elkaar bijkans weg, maar..... een vlammetje lekte uit de
kokosvezels op! Blazen, jongens! Nog een stukje droge kokosbast er op;
een wolkje blauwe rook steeg op tusschen de hoofden der blazers en
bleef er als een zegekrans om hangen..... Er was vuur!
De jongens keken er naar, alsof ze een schat hadden gevonden. Hè, wat
een vroolijkheid brachten die oolijke vlammetjes op eens! Hou er je
hand eens boven! Lekker warm, hè? Het hol was nu in eens tot in den
versten hoek verlicht.
„Dank je wel, Saleiman!”
Uit deze woorden maakte Saleiman op, dat hij nu gerust kon opstappen.
Hij stak de houtjes weer in zijn sarong, sloeg zijn gebatikt
kleedingstuk naar binnen en klauterde het laddertje op.
„Kom je morgen terug, Saleiman?” vroeg Dolimah.
„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En, na nog een schuwen blik naar achteren
te hebben geworpen, spoedde hij zich in den plassenden regen voort.
„Hoe kwam je dááraan??” vroeg Rolf aan Dolimah.
Het meisje glimlachte. „Hij was met zijn vriendjes aan het spelen. Toen
heb ik hem gevraagd, even met mij mee te gaan om vuur te maken. Ze
zullen er allemaal over zwijgen.—Weet u hoe ze hem noemen?”
„Saleiman heet hij toch?” vroeg Rolf.
„Ja, maar ze noemen hem: Si-Kampret! De Vleermuis! Omdat hij zulke
groote ooren heeft, net als een vleermuis. Maar dat wil hij natuurlijk
niet hooren! „Hoe heet je?” vroeg ik hem. „Si-Kampret!” riepen de
anderen. Maar hij zelf zei: „Saleiman.” Toen deed ik net, of ik de
anderen niet hoorde.—Ja..... voor een meisje wil hij natuurlijk flink
zijn!”
„Eh-eh”, zei Rolf.
En Dolimah lachte.