DOLIMAH

Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over

den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware

wortels. Hush..... wat springt daar voor een dier weg?!

Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken.

De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.....! Waar is Padde.....?”

„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”

Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te

smoren.

„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog

zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.

Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de

bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen

varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er

door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks

het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo

snikt nog urenlang.

De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.

Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer

wakker. „Padde! Waar is Padde!”

De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom

schetterden de vogels. „Rolf.....! Word wakker! We moeten Padde

zoeken!”

„Ja.....” stamelde Rolf en richtte zich op.

Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode

muskietenbeten.

„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.

Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen

blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik,

plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed

naar m’n viool gaan zoeken, die met de Nieuw-Hoorn kopje onder is

gegaan!”

„Padde moet gevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.

„Ja.....” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat

spreekt vanzelf.”

Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig

snikken uit.

Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had

binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg

kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”

Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.

Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest

even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit

ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”

De anderen sprongen overeind. „En..... en waarom is hij niet met je

meegekomen??”

„Hij heeft mij niet gezien!”

„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”

„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen

verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.

„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je

daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t

zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”

„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.

„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van

vreugde tegen hen op.

Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei

hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter

naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”

„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.....”

Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat

meisje, weet je wel, van bij de radjah! Ze is ons nageloopen.

Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen

tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar

achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.....” Padde huiverde.

„Dus jij hebt hem doodgestoken?”

„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij

kwam op me af.....!”

De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.

„Apa moenamah nja? Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.

„Dolimah, toean.....” luidde het zachte antwoord.

„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen

moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”

„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”

„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een

vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een

paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer

wakker.”

„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar..... wij bleven?” vroeg

Rolf.

„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde

luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”

Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah,

vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.....?”

„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben

opgestaan..... Loentar verklapt altijd alles.”

„Wie is Loentar?”

„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng.

Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo sterk.....! En mijn

zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”

„En.....” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”

„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.

„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”

Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer

terugbrengen.....!”

„En waar heb je in die dagen van geleefd?”

„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.....”

Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand

over de oogen.

„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.

„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”

„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak

bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit

de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de

pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”

Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”,

zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult

moe zijn.”

Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze

met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.

„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het

vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig

noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haalt makan!”

Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s

dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en

bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor

mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t

Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes

op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft,

lieve, kleine Dalo..... Dola..... hoe heet je?”

„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam met haar

fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar

blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.

„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol

op je,—neem dit er nog bij.”

„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten?

Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken,

werd rood van inspanning..... vergeefs.

„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold

Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!”

En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand

laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie

Harremen eerst bij roepen!”

„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.

Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot

in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette,

hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol

medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen.

Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg,

snoof en keek een anderen kant uit.

Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en

hield een kakelend boschhoen omhoog.

„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest!

Vet aan de borst!”

„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.

„’t Stomme dier!” zuchtte Harmen. En terwijl hij het den hals

omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg

hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben

je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En

meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de

mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster

geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het

open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het

vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende oogen toe, hoe

het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze

mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.

„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.

„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat

je wat schiet!”

„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En

de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen.

Joppie sprong om hen heen.

„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.

„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.

„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”

Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?”

zei Hajo.

Rolf schrikte op. „Leuk?”

„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat

zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later

in Hoorn!”

Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij

tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te

gaan.”

„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.

Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.

Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden

weer in het kamp.

„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip

afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”

„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”

„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn

boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel

zelf maar op: ik zet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet

fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.....” Harmen’s stem werd

verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie

pikzwart. Nou lust ik ’m ook niet meer.”

Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.

„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze

keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar

geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.

„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust

kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen

in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde,

alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou,

pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een

stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de

bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor

jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag

eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap!

in m’n bek! niet waar?”

Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er

aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.

„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot

achter zijn ooren. „Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan

wèl mag eten?”

„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar

alleen, als ze met het mes geslacht is.”

„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat

Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje,

hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in

de vetbesmeerde hand hield.

Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger

meer.....”

En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte

morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen!

Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”

„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.

Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig

hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”

„Ja.....!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het

werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?” vroeg hij zacht,

na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wij vinden

het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, dat jij er

later spijt van hebt.”

Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze

in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.....”

Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog

moe?”

„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”

„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!”

gromde Padde, alweer jaloersch.

„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n

Maleidsch!”

„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk.

„Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed

houden, moeten we in Bantem komen!”

Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was

nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu

toonen, dat ze mannen waren!

Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet

bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?

Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en

wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt

in orde!”

Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen

uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje

op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een

blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen:

„Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel

waarschuwen!”

Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend,

werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is

de ganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst

geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken,

als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit is djamboe! Die zijn

heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een

glazige, doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er

naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en

zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.

Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en

wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staat

gadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en

inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees

Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”

„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dan gadoeng”, zei het

meisje.

Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar

voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen

moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit

aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een

lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam

den anderen een weg door de struiken.

Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige

sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek

over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof

toen op zijn tengere pootjes weg.

„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook

het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid

zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”

„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.

„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje, en terwijl de jongens zich

neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje,

begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er

opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen.

Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een

olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem

weer weg zouden krijgen. „Ik zal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die

praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood

waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der

dieren hem meer aan. „Ik zal hem wegjagen!” beloofde het kantjil. Toen

lachten alle dieren hem uit. „Als hij jou ziet aankomen, loopt hij van

angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een

van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken.

„Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu

begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar

een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het

stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de

langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde

het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw

maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een

paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een

muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je

je zeker wel uit de voeten maken, vóór het kantjil komt!”—„Wie is dat:

het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon

kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is

als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben

de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei

het kantjil weer. „Als het kantjil komt, schudden de bergen, en als het

in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van

verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de

wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de

olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof

je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!”

zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken

voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant

niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht,

liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer

teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterke

kantjil huisde!”

Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.

Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s

vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd.

Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje, het leek hem wel, alsof

het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in

het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.....

„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos

voor zich uitkijkend.

Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens

vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak

peinzend een nieuwe vrucht in den mond.

De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en

vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.

Zwaar drukte de middaghitte.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 42 / 67 题