Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en
verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij
honderden tegelijk.
Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er
een oogje op vallen liet, blonken van het goud.
„Goeden morgen!” zei de zon.
De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar
het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan
de branding..... In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote
sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen.
Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de
boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder
hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken
genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der
zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het
eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets
uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar
den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend.....
Padde’s blauwgespikkelde broek!
Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en
wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom
wilde schieten, het andere einde van de broek te pakken. Het aapje
kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de
broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde
angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het
toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het
slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der
blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond
omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn
dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden.....
Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve
broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil
vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s
eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het
achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde
restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en
ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen.
Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in
de buurt!” troostte hij.
Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg,
doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem
wil aankomen?”
Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n
gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het
gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering
van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest
krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de
boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze.
„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf.
„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in
de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven
werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen
sprongen op een anderen tak over.
„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop
hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van
innigen afkeer weer op den grond.
„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog
iets steviger vast.
„Mislukt.....!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou
weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan
denken de lui, dat je óók een Arabier bent.”
„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!”
Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep
hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan
af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!”
zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?”
„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo.
„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met
eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er
dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.”
„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?”
„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij
zijn!”
„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg
Hajo weifelend.
Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n
fikken door de lus steekt, is er meteen bij!”
„Ja, maar, als ie nou.....”
„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor
hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens
meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee
zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de
anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag
te slaan.
In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe,
lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden
was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot
kort boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw
gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden.
Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak
boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over
de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s
broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in
den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen
in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te
hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben,
indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s
eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen.
Hij loerde, loerde.....
De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten
slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht,
en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het
mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag,
greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide
trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat
de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al
achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten
los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had
zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En
nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net
zoo.
Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus
raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de
beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon
worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn
nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter!
Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten
krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend
aanvuurden.
Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de
tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo
min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat
de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze
onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan?
Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was.
Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks
hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile,
kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den
weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze
vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad
in.
Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk
koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou
voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en
gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat
Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te
verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig
meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met
witte bloemen overdekten struik.
Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is
te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn
maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige
stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden
vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een
klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf
hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun
kooitjes opgesloten, krekels.
„Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene.
„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne
is dapperder!”
„Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!”
„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten
de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een
grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan.
„Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de
jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van
beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere
zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met
speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap
op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander
wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren
ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving
....!”
Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan
takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen
waar deze weg heenvoert.”
„Minta ampoen, toean besar, minta ampoen..... Vergeving, groote
heer.....!”
Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat
ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam
hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar
een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden,
die ver, heel ver het bosch inging.....! Met hun bruine armpjes wezen
ze in Oostelijke richting.
„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de
twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den
wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan
het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de
gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst,
maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als
de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte
wereldburgers afscheid.
Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam
deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den
anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in.
Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter
vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg
tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer!
Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de
laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet
onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen
op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust.
Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij
ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe
voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart
tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan.
Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in.
Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de
ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek
niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden
hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die
groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt:
manggah!
Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en
het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie
terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid
afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen:
het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren.
Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met
hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge
rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de
schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood
een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt
lagen de varenschermen; daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen
en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje.
Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven
hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog
iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen.
Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou
voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar
heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd
het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en
vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen.....
Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen
begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte
vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte
boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen
stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in
het gras.
Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg,
vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden.
„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept
als een verroeste koffiemolen!”
„Een koffiemolen.....!” zuchtte Padde.
„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend.
Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens!
De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler.
Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend
vooraan. De anderen floten mee:
„Daar komen de Spekken!
Rom-rom.
Ze willen ons nekken!
Rom-rom.
Slaat op den trom!!
Ze willen ons nekken!
De Spekken!
Trek nu van leer!
Rom-rom.
Stelt u te weer!
Rom-rom.
Sluit u in drom!!
Sla ze op hun bekken!
De Spekken!”
Op eens stonden de jongens voor een ravijn.
Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon
wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was
aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en
slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem;
tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen
hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs
de breedgekroonde varens.
Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog
en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op
den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld.
Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als
een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op,
hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar
schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar
nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de
schaduw terug, een vallend herfstblad.
De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil
werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe
geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan
tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden
eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als
de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens
zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een
glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen;
met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen.
Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de
keel.....!
Flakkerdeflak! Piiiiiiep!
„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen.
Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een
sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond
roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog.
Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op.
„’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.”
Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over
het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite
hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun
leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar.
„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem.
„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo.
Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te
kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een
samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en
hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze
voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille,
geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende
lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag
lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee
groen-gouden oogen fonkelden.....
Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in.