DE ZWERVERS

De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met

het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.

Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand.

Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge

noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout

voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd

kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel

af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met

moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor

zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?

Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de

lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op

zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de

boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem

door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het

sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van

hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te

maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte

het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol

mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen

hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout

genomen.

Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten

snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij

verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die

hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.

Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was

een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de

punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren

niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele

stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust

durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw

voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl

vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.

Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor

iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden

gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat,

„ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen

stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl

dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering

wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen,

brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!”

verklaarde hij.

„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.

„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig

mee.”

„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.

„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.

„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”

En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als

een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als

een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder

den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.

„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees op het lijntje,

dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een

admiraals-schoener voorbijgezeild was!”

Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.

Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen,

en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer

een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet

hij een kreet van verrassing uit. „Een kreeft!”

„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.

Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in

het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo

greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een

kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een

halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom

klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”

„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.

„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf raapte van den

grond een half verrotte kokosnoot op. „Kijk, hier heeft de steel

gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het

beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan

natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten,

dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze

noot.....”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats

opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet

je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”

„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een

noot losdraaide.

„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.

„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken,

kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn

geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open.

„Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen

Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er

wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige

hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een

kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken

en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”

„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.

„Daar!” zei Harmen gul.

„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.

„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.

Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het

anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te

smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van

die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.

Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo

kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder.

Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren

oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed

mee!

Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook

wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig

snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp

geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door

de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een

muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem

welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste,

kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.

Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was

er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer

om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar

de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.

Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen

werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die

herinnerden aan.... Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige

huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit

moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het

huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers

allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te

schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien

nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het

hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin

in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor

geen anderen ter wereld wilde ruilen.

„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik

verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw

mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd

blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer!

M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient

niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog

bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al

gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je

je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw weer op!”

Nou, dan ga ik liever naar ’t Sillevere Anker, niet waar, daar krijg je

alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen.

En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t

zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn

vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”

Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was,

terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen

afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen,

legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’t Sillevere Anker denk”, ging

Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken.

Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg

op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen!

Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.....!” Er blonk een traan in

Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat

ze zoo op netjes is, weet je?”

Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op.

„Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”

Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren

schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden

stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en

enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem

uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.

Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de

tent uitkropen.

Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op

het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid..... Joppie.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 38 / 67 题