EEN NEST MET KATTEN

Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich

uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine

vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht

met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens

ontwaakten, was dat van bevrijding.

Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag!

Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de

graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat

smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op

leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde

trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen

speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren.

Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden

Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden

zijn.

Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de

varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven

hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk

trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.

Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan

de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep klonk meer als:

tekoekoerrr.....) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof

Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag,

en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou

beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal

pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere

projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo

op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en

schoot het dier.

Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat

in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu,

twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren

bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond

twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in

de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol

zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels

worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik

wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen.

Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn

broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten

liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers

keerden tevreden huiswaarts.

Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij

naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen

kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een

rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een

langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder,

dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij

eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den

mensch.

Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het

hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een

bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem

worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een

liaan te groeien, die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur

herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was

vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden

schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze

beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap

op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus.

Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op

afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde

een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat

Vader Langjas er niet van meegenieten kon!

Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het

wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij

toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat

hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd

pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met

gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten?

Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens

rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn

takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig

in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze

ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen

boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er

nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren

grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo

belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats,

waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.

„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.

„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”

„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.

„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen

braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang

weg!”

„Ja..... hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een

koningstijger aanzetten!”

„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der

vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een

lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde

kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal

bedorven zijn, Rolf.”

„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe

mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over

een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal

een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door

een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan

lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei.

Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak

Rolf zoo’n pit in den mond.

„En.....??”

„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”

Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest

toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen

te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.

„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met

het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel

van den stank.

Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?

Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij

als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau

langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige

rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes

gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij

de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een

pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep

mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was,

raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven

hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren.

Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op

los, dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem

een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille

monstertje van zich af. Brrrrr!

En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige

plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van

verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen

lag op mos en bladeren een drietal..... katten! Neen maar, dat had

Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden;

ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart

zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje

meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden

ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat

een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep

pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens

verrassen!

En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog

wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij

het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het

geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van

Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel

bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk

ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat,

jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens

aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas.

„Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”

Joppie’s haren vlogen steil overeind.

„Maar..... dat is een tijger!!” riep Rolf.

Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.....!”

„Een jonge koningstijger!!”

Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.....?! Groote Griebus! Dan heb ik

voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En

Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar

kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde

beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel

vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die

groote vrucht; ik draag de tijger.”

„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.

„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”

„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.

„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij

raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar.

„Vooruit dan maar!”

Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken

afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in

den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de

zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen,

toen..... Hajo stootte een kreet van ontzetting uit..... daar sprong

uit de struiken, geen twintig passen van hen af.....!

De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden.

Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel

onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren

geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde,

zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.....

Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian

op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met

beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.

Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn

forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn

lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat

deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over

den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul

uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen....! Rolf kreeg

een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een

fermen zwaai den tijger zijn jong toe.

Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de

tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in

het struikgewas. „Besjoer.....!” stamelde Harmen met nog lijkwitte

lippen.

Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden, Harmen

vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste,

telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik

kan jullie niet bijblijven.....!”

„TABEH!”

Pas een heel eind verder durfden ze hun vaart wat inhouden. „Zou hij

ons volgen?” vroeg Hajo, naar adem happend.

„Ik denk het niet”, hijgde Rolf. „Maar laten we toch maar zoo ver

mogelijk zien weg te komen.”

En de jongens liepen, liepen.....!—Er was een betoovering over het woud

gekomen, sinds ze den heerscher ervan hadden leeren kennen. Die

struiken, dat bamboebosch daar kon hem dus bergen.....!

Verder! Verder maar.....! Eindelijk gingen ze zitten, druipend van het

zweet.

„Waar is Joppie?” vroeg Rolf. Joppie was verdwenen!

„’n Held!” schimpte Harmen. „Als ie de tijger nou nog te lijf was

gegaan!”

„Waarom heb jij ’t eigenlijk niet gedaan?”

„Ik? Als ie even langer was gebleven, had ie dit ding” (Harmen tilde

den doerian op) „tegen z’n bast gekregen. Dan was ie van de stank wel

weggeloopen!”

„Nou, en ik dan?” zei Hajo. „Ik stond al met m’n lans klaar. Nietwaar,

Padde?”

„Je hadt ’m makkelijk kunnen doodsteken, als je maar gewild had!” viel

Padde hem bij. „Ik had m’n handen vol, maar anders.....!” Allen lachten

weer. „Knap maar”, zei Padde. „Daarstraks lachten jullie niet!”

„Kom!” zei Rolf. „Laten we nog een uurtje doortippelen, maar nu

kalm-aan.”

„’k Heb zoo’n honger!” klaagde Harmen.

„Straks plukken we de duiven verder”, zei Rolf. „Maar als je honger

hebt, peuzel dan een stuk van die vrucht op.”

„Daar zet ik geen tand in.”

„Dan laat je het. Kom.....!” En de jongens liepen weer verder.

„Kijk, daar loopt nog een pad!” zei Hajo ineens. „Het komt hier op uit,

zie je wel?”

„Ja! Het schijnt uit het binnenland te komen!”

Even later stonden de jongens bij den tweesprong. Het andere pad was

mul, en in den grond teekende zich de indruk van een kleinen, naakten

voet af. „Het spoor is nog versch”, zei Hajo. „Het is een kindervoet!

Misschien zijn we hier wel dicht bij een dessah.”

„Best mogelijk”, meende Harmen. „Geef maar een duifje hier, Padde! D’r

zijn er vier, voor elk een; Joppie loopt z’n deel mis.” En Harmen ging

op den wegberm zitten plukken. De veeren stoven in ’t rond.

Dapper peuzelde ieder daarna zijn duiveboutje op. Hajo en Rolf smulden

ook nog aan den doerian; Padde en Harmen gingen boven den wind zitten,

gaven af op menschen, die zulk een vies ruikend goedje wilden eten.

Waar Joppie zoo lang bleef? Hij zou toch niet door den tijger.....? De

knapen betrapten er zich op, dat ze in Joppie een kameraad zouden

verliezen. „Joppie! Joppie.....!” Geen antwoord. Verder dus maar weer.

Het pad werd steenachtig; hier en daar was het geducht klauteren. Aan

de linkerzijde verhief zich een rotswand, dicht met struikgewas, varens

en kleine palmen begroeid en door een leger apen opgevroolijkt: het

duurde niet lang, of de doode takken suisden den jongens weer om de

ooren, zoodat ze blij waren, toen het pad van den rotswand afweek.

Eensklaps stonden ze voor een natuurlijke trap. Dat is te zeggen: was

het wel mogelijk, dat de natuur die ellenbreede, bazalten treden zoo

regelmatig had verdeeld? Aan beide zijden stonden bananen met trossen

goudgele vruchten en overschaduwden de trap met hun groote, groene

bladeren, en in de spleten tusschen de steenen glansde diep-groen mos

met roode bloempjes. „’t Lijkt wel een trap van een oud kasteel!”

vonden de jongens. Ze plukten een paar rijpe pisangs, maar de vruchten

smaakten wrang. „’t Zijn wilde pisangs”, verklaarde Rolf.

„’t Zijn rot-pisangs”, zei Harmen teleurgesteld.

Hajo scheen naar iets te luisteren. „Hoor eens goed!”

„Een waterval!” juichte Rolf. Toen snelden ze met groote sprongen de

trap op, belandden hijgend op een plateau. In spanning van wat ze te

zien zouden krijgen, snelden ze tusschen met mos en bloemen overdekte

rotsen op het geruisch af, holden in hun haast zelfs ongemerkt een paar

sinaasappelboompjes voorbij, liepen een palmenboschje om,—en stonden

voor een meer.

Het was bedwelmend. Aan de eene zijde van het meer steeg een steile

rotswand op; heel in de hoogte ontsprong een stroompje; het zilverige

water danste over de rotsen omlaag en viel zingend en schuimend in het

stille meer, dat tusschen hooge, zacht fluisterende bamboeboschjes en

wuivende waaierpalmen lag weggezonken. In het midden lag een met

boomvarens en bloemen begroeid eilandje, in strakke lijnen zich

spiegelend in het plechtig stille water, dat zich slechts daar roerde,

waar de waterval schuimde. Vogels fladderden alom in de lage takken, in

wonderlijke taal luide uitkwinkeleerend boven het watergeruisch. Aan

den oever stond op één poot een reiger te visschen. Pik! daar dook de

snavel weg, kwam met een spartelend, zilveren vischje weer boven, en de

rimpels liepen ver over het water uit, stootten tegen de bladeren van

een drijvende lelie en schoten in dwarse bogen terug. De reiger wierp

het glinsterende vischje in de lucht en ving het in zijn opengespalkten

snavel.

„Ik ga hier nooit weer weg!” stamelde Hajo. ’t Was om er de tranen van

in de oogen te krijgen, zoo mooi. De bodem van het heldere water lag

vol bontgekleurde steenen. En wat schoot daar voorbij? Een vischrug!

Dik als een arm!

Lang duurde het niet, of de jongens zaten in het water; de reiger

streek sierlijk op een lagen boomtak en keek peinzend toe. Hoe heerlijk

koel en doorzichtig was het water; je kon met open oogen naar de

prachtige steenen op den bodem duiken. Terwijl Padde wat bij den oever

ploeterde en op de weinige kleeren en de wapens paste, zwommen de

anderen naar het eilandje. Allen dommelden wat in; zij op hun eilandje;

Padde boven op het goed, dat hem was toevertrouwd.....

Toen de grootste hitte voorbij was, stonden de jongens hongerig op.

Harmen stelde voor, wat te gaan visschen.

„Ja!” riep Hajo. „Hengelstokken hebben we hier bij de vleet.

Hengelstokken van de fijnste soort!”

„Ik weet nog beter!” zei Rolf. „We schieten ze. Met pijl en boog!”

Dat voorstel sloeg in! Onze vrienden doken weer onder en zwommen om het

hardst naar den oever,—een wedstrijd, dien Hajo met een el voorsprong

op de anderen won. Toen bliezen ze even uit en gingen gewapend weer het

water in. Maar de jacht viel niet mee: de visschen verdwenen, wanneer

de knapen naderden.

Rolf vond er iets op. Terwijl Hajo en Harmen om het hardst achter de

visschen aan zwommen, bleef hij, naar het voorbeeld van den reiger,

doodstil staan op een ondiepe plaats, een gevelde lans in de hand.

Spoedig zwom een groote visch voorbij. Rolf richtte en spietste met een

gelukkigen stoot het dier aan zijn lans. Dit bleek achteraf nog de

beste wijze van jagen: hij had spoedig vier zware dieren veroverd,

terwijl Harmen en Hajo niets schoten. De jacht van deze schutters werd

dan ook spoedig een spelletje. Ze trachtten, onder water duikende, op

de bladeren der drijvende waterlelies te mikken en toen hun dat ging

vervelen, klommen ze in de oeverboomen en sprongen van gedurfde hoogten

het water in, waarbij ze nu en dan leelijk op de steenen terechtkwamen.

Rolf had meer gespietst dan de jongens verorberen konden; Harmen sneed

een visch in stukken en wierp die in het meer. Van alle zijden schoten

de vroegere kameraden toe en vochten gulzig om den buit,—leverden een

mooi kleurenspel van fonkelend wit, staalblauw, goudgroen.....

Na het middagmaal dwaalden de jongens het plateau nog wat over, dat ze

daarstraks slechts vluchtig hadden gezien; ze plukten wat

sinaasappelen, die van buiten niet geheel rijp schenen, maar toch

lekker zoet waren.

Toen ze langzaam door de palmen weer terugkeerden, hield Rolf zijn

makkers vast. „Kijk daar eens!”

Wat ze zagen, was mooi als een droom. Twee herten en enkele reeën

stonden te drinken, waarbij telkens de kop ver naar achteren geworpen

werd, het gewei in den nek, en het water ter zijde langs de lippen naar

buiten vloeide. De groote, vreesachtige oogen glansden. Wat waren de

halzen mooi gebogen! Hoe sierlijk stonden de dieren op hun ranke

pooten! Plotseling scheen er een onraad te speuren. Het snoof de lucht

op, stootte een geluid uit als het blaffen van een hond. En..... wat

klonk daarginds? De echo? De herten en reeën sprongen weg in het groen.

De knapen staarden nog sprakeloos van bewondering naar de plaats, waar

ze gedronken hadden.

Ineens..... wie kwam daar snuivend aanhollen, de tong uit den bek?

Joppie! Dat was de echo van daareven! Jankend van vreugde sprong de

hond tegen zijn meesters op, draaide half dol in het rond, kermend en

kwispelstaartend onder hun aanhaling en likkend waar hij maar likken

kon. „Wouw! Wouw!”

„We wisten wel, dat je ons niet in de steek zou laten!” zei Hajo. „Ga

je mee, ouwe jongen?”

Daar zei Joppie geen neen op! Maar nu zag hij restanten visch liggen.

Hij vloog er op af, sloeg in zenuwachtige haast koppen en staarten en

graten naar binnen, met een half oogje opziend, of de jongens bijgeval

niet weggingen. Maar dezen wachtten geduldig tot alles op was en

Joppie, na half gestikt te zijn, de laatste graat weer uitspuwde en

meteen weer inslikte. Joppie snuffelde nog wat, vond niets meer.

En de karavaan volgde het pad weer, vroolijk gestemd, dat ze nu allen

samen waren. Tusschen de oeverpalmen door, wierpen ze een laatsten blik

op het meer. Het was het mooiste, wat ze zich in hun leven herinnerden

gezien te hebben. Nog wel een half uur lang hoorden ze, wanneer ze even

stilstonden, het ruischen van den waterval.....

De weg daalde, werd nauw en kronkelig. Harmen, die vooraan ging, liep

telkens met het hoofd in een spinneweb. Het pad scheen zoo weinig

gebruikt te worden, dat hier en daar de struiken het geheel versperden,

en onze vrienden moesten zich met het lijf een weg banen. „Hé!” zei

Harmen eensklaps. „Hier is iemand langs gekomen! Zie maar: deze tak is

versch gebroken! Misschien wel dezelfde, waarvan we vanmorgen die

voetstappen hebben gezien!”

Zwijgend liepen de knapen zoo een paar uren achtereen, tot het ging

schemeren, en aan een legerplaats gedacht moest worden. Ze kozen er

weer een open plek voor, tusschen bamboebosschen. De grond was zacht.

Merkwaardig was, dat ze vanavond niet zoo door die onbestemde vrees

bevangen werden als gisteren voor het slapen gaan. Raakten ze met het

oerwoud vertrouwd? Had de ontmoeting met den koningstijger dit gevaar

iets van zijn beangstigende geheimzinnigheid ontnomen? Ze waren met z’n

vieren, met lansen bewapend, en Joppie zou wel blaffen als er gevaar

dreigde.....!

Eensklaps richtte Hajo zich op. „Ik hoor wat!”

De jongens luisterden. Door het krekelgetsjirp mengde zich een dof

geluid als van een trommel. „Menschen!” fluisterde Hajo. „Ik hoor ook

een fluit!”

De knapen sprongen op. Mannetje na mannetje liepen ze langs het

donkere, smalle pad op het geluid af.

Eensklaps hield het bosch op, en aan de voeten der knapen strekte zich

een wijd dal uit, in vijvers verdeeld. En in het midden, omringd door

kokostuinen, lag een dorpje, waaruit een gele lichtschijn opstraalde.

Hoe te naderen zonder gezien te worden? Het dal sidderde in blauwen

maneschijn; de vijvers zogen het licht gretig in en straalden het weer

uit. Kom! ze zouden maar op hun goed gesternte vertrouwen! Er scheen in

het dorp feestgevierd te worden, en dan zou men wel niet zoo waakzaam

zijn. Zoo daalden onze vrienden over een kronkelend dijkje de helling

af.

„Rijstvelden!” zei Rolf, op de vijvers wijzend. „Kijk maar, de halmen

steken boven het water uit.”

Harmen, die vooraan liep, stokte en bleef staan. Van het dijkje gleed

een slang weg en kronkelde, den kop boven water, tusschen de jonge,

groene halmen door. „Goed, dat ik er niet op getrapt heb!” zei Harmen

verschrikt.

„Is ’t hier niet prachtig?” vroeg Rolf. De jongens stonden weer even

stil, lieten de oogen rondweiden over de sawah’s om hen heen, waarin

milliarden sterren star te fonkelen stonden. Hoe wijd en groot was

alles hier! Hoe klein voelde je je! Hoor! De muziek was luider

geworden. Hoe luchtig en klaar klonken die fluittonen, en hoe weemoedig

verstierven ze.

Verder maar weer! Bij dozijnen plonsden de vette kikkers van het dijkje

de sawah’s in, zwommen grappig weg en bleven met uitgestrekte

achterpooten liggen, nieuwsgierig boven het water uitglurend. Zoo

kwamen de jongens bij den eersten kokostuin; de slanke stammen en de

lange, gebogen bladstelen glansden in het maanlicht.

Voorzichtig! Pasje voor pasje slopen ze voort. Glurend langs een

bamboeboschje konden ze de poort zien. Er stond een wachthuisje met

weer zoo’n hangend, uitgehold stuk boomstam, maar van een waker was

niets te bespeuren. Nu, waar zou die ook voor noodig zijn geweest? Het

geheele dorp was immers op de been? De jongens doken vlug langs het

bamboeboschje tegen den aarden buitenwal weg en konden nu door de

spleten van de omheining naar binnen zien. De dessah-bewoners zaten in

wijden kring op het voorplein gehurkt, en in het midden van den kring

schreden dansers met potsierlijke bewegingen dooreen. Ze droegen op het

hoofd gruwelijke monsterkoppen met wilde haren en groote glas-oogen, en

het bovenlijf was bedekt door een ruimen mantel van lange bladeren.

Rondom de dansers zaten met gekruiste beenen de muzikanten, die met de

vlakke hand op eigenaardige, langwerpige trommels sloegen, welke dwars

op de knieën lagen, of op houten fluiten bliezen. Een bespeelde een

eensnarige viool, welke op den grond was geplaatst, en een ander sloeg

beurtelings op twee bekkens. Daarachter zaten mannen met walmende

flambouwen, en daar weer achter hurkten de omstanders, sloegen met de

handen de maat.

„Kermis!” fluisterde Padde.

Harmen keek slechts naar den vioolspeler. „Hij kan er niks van! Fout!

Wéér fout! Is dat nou spelen?” En even later kon hij het haast niet

meer uithouden. „Zou ik naar binnen gaan? Om ze eens te laten hooren,

hoe je spelen moet? Hou jij m’n speer zoo lang vast, Hajo, en m’n

boog.”

„Als je ’t maar laat!” dreigde Rolf.

„Wat zullen ze me doen?” vroeg Harmen. „Ze zullen blij zijn, als ze er

eens goed hooren spelen.”

En even later begon hij weer te zeuren: „Ze hebben daarginds ook

allerlei lekkere rommel staan..... Ruik maar eens!—En ik zou zoo

drommelsch graag weer eens een fiool in m’n vingers hebben..... Hoelang

heb ik nou al niet kunnen spelen? Hoor! Valsch! Wéér valsch!”

Met een kordaat besluit wierp Harmen zijn wapens op den grond, sprong

fideel de poort binnen en riep op een toon van: daar ben ik dan toch

eindelijk! den vergaderden toe:

„Tabeh!”

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 40 / 67 题