Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de
schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn
aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en
zagen hem in elkaars fletse oogen.
Wanhoop heette de gast.
Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn,
greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het
water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als
even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de
indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te
zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat
hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe.
Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of
er wat volgen zou.
„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.
„Ik? Niets. Waarom?”
„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”
„Neen, ik hoestte zoo maar.”
„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”
Dan viel het zwijgen weer in.
Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen
aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu
en dan zoo laag overheen streken, dat men ze bijkans grijpen kon. In de
sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en
onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had
men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden
geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes
het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over,
zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze
vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit
zouden maken, gingen de oomes den nacht in.
Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.
Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine
vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer
versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was,
de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de
olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s
nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den
mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een
grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den
avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol,
ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.
Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s
avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang
verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er
was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon
bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen
van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van
terug te blijven.
Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij
geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in
de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er
voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den
boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de
boomen zouden zien oprijzen..... Was dat het ruischen der branding al
niet?!
Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.
Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de
lippen gehad.
Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome
den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een
kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een
huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een
roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.
Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op
sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af
te scheiden.
Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school
vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak
voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de
zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden
rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.
En men dobberde weer verder.
Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten
was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’
waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte,
zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en
alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders
stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit,
en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over
de wangen.
Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het
bloed uit.
Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde
voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.
„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.
Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast
besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas
zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer
uit, naar het Oosten.....
De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.
Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden
zich overboord werpen.
„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme
dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”
Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou
wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met
schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle,
koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar
beneden iets donkers voorbij schoot.....
„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood
gaan.”
Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het.
Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu
hij merkte, dat ook zijn vriend de wanhoop nabij was.
Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen
troosten—en zocht zelf naar troost.....
Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het
kwam op volhouden aan. Volhouden.
Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met
driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het
blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden
het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het
zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat
warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige
morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en
hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest
bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande
oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der
laatste week viel weer in.
Een schorre kreet.....
„Land!!”
Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en
twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen.
Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?
Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den
boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.
Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun
koppen onder het zeil door en.....!! Daar, aan den Oostelijken
gezichtseinder.....!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen
staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in
de grijs-blauwe verte.
Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd
langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen,
de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon
het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek
overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op
de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.
Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.
„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.
„We kunnen hier toch landen, schipper? Je zult zien, dat alles
goedgaat! Nietwaar, jongens?!”
„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.
Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het
laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land
gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje,
of Hilke?”
„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”
„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door
de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”
Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde
een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en
kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het
ondiepe water.
Schreiend kusten de arme kerels het strand.