IN DE BOOTEN

Eindelijk klaart de morgen. Men tracht met de moede oogen den

ochtendnevel te doorboren, die over het water hangt. Nergens land te

zien.....—Ook de sloep is uit het gezicht verdwenen.

Grienend laten de oomes de riemen zinken. Nu eerst voelen allen hoe

afgemat ze zijn. Als de zon opgaat, is er geen een meer wakker.

Stuurloos dobbert de jol op den stillen golfslag. Een heerlijk blauw

uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa.

In den middag ontwaken enkelen. De slaap heeft verkwikking geschonken;

de kerels voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal

wel goeden raad geven. Fluisterend, als waren ze in de stilte rondom

voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze den ondergang van hun

prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog

vijf vette ganzen gehad; die dobberden nou stellig ook ergens rond! Een

ander had zijn mes verloren, z’n puike, fijne messie, dat ie verleden

Zaterdag nog zoo lekker had aangezet. Zou je niet spinnijdig worden op

dien beroerden botteliersmaat met z’n kaarsje? En z’n vrind Nelis was

ook naar de weerlicht. Z’n vrind Nelis, waarmee-d-ie al wel door een

dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z’n mes en z’n vrind weg!

Allengs werden allen wakker. Men wekte den schipper. „Wat moeten we

doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.”

„Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?”

„Ja, schipper, we dachten.....”

„Dat was verkeerd. Is er een zeil in de jol?”

Men zocht onder de plecht en de banken. „Neen, schipper, geen stukkie

zeil.”

„Trek dan de hemden uit en maak er een zeil van.”

Men sloeg vol vertrouwen aan het werk. De schipper zou hen wel naar

Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot

garen uitgeplozen. Toen men voldoende meende te hebben, trokken de

maats de hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot twee zeilen.

De barbier ging den toestand der gewonden na. Haast allen hadden zich

min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld,

die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige

brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegesleept, tot

een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden

aldus behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende den

nacht leelijk was opgeloopen en den braven barbier, die vaderlijke

gevoelens voor Rolf koesterde, bezorgd zijn grijzen bol deed schudden.

Men telde met z’n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal

zes-en-veertig. In de sloep konden hoogstens tachtig man zijn geborgen.

En dus de anderen.....!

Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte den mast op, die

in de jol lag, en haakte er den boom en de gaffel in. Een opgestoken

roeispaan diende voor fok. Toen de beide masten stonden en de „zeilen”

waren bevestigd, wendde men den steven Noord-Oostelijk. De bedroevend

kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en allen kregen er een

vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het

uitdeelen van een zoo geringe hoeveelheid den voorraad slinken deed.

Padde had den heelen dag door geslapen. Toen hij ’s avonds ontwaakte

van het lawaai, dat met het oprichten van den mast gepaard ging, borg

hij terstond het hoofd weer in de armen weg en hield zich, angstig,

slapende.

Hajo was, als alle anderen, weer vol goeden moed, rekende er stellig

op, dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in ’t

zicht zou komen.

Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd

had, zag den toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been

stemde hem ook niet vroolijker en maakte hem koortsig.

Zoo viel de duisternis in, ving alles in haar wijde armen.

Te middernacht maakt Gerretje een heidensch spektakel. „Land! Land!!”

Alles vliegt overeind. „Waar is land?!”

Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Een dolle vreugde maakt zich

van de schipbreukelingen meester. Men gooit de zeilen om, grijpt naar

de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee

groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? ’t Zou een

wallevisch kunnen wezen met een lichie op z’n knikker! Neen, jongens,

land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de

kokosboomen wandelen. Roeien, jongens!!

Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje

komt beweging; het schijnt op en neer te gaan.....! Enkelen weifelen in

het roeien, als vreezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien.

Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met

schipbreukelingen.....

„De sloep.....!”

De schrijning der teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het

weerzien. De sloep voert eveneens twee zeilen: lichtgrijze vlekjes. Men

gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af;—waarom verder van den

juisten koers af te wijken?

„Sloep ahoy!”

„Ahoy!”

Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap,

wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen.

„Hebben jullie eten?”

„Drie twee-ponds brooden. En jullie?”

„Niets.”

„Groote griebus! Welke koers varen jullie?”

„Heelemaal geen koers. En jullie?”

„Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.”

„De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper,

ben jij daar? Leve de schipper, mannen!” Een schor, instemmend gebrul.

„Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?”

„Moed, mannen! Vertrouw op Gods Goedheid!”

„Amen”, zeggen een paar vrome oomes.

Gezamelijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar

al spoedig bleek, dat de sloep achterbleef. Men greep naar de riemen en

haalde de jol weer in. „Schippertje, neem ons over! We zullen mekaar

verliezen! Neem ons over, dan zetten we alle zeilen op de jol en varen

nog ééns zoo vlug. Toe, schippertje.....”

Maar de oomes in de jol verzetten zich. „De jol is voor zooveel man te

klein, schipper!” En toen de maats uit de sloep zich aan den jolboord

vastklemden, stieten de anderen de sloep met ruw geweld terug.

Een jammerklacht steeg op onder de verschoppelingen. „Schipper! Niemand

van ons kan op de sterren varen! Moeten we dan om zeep gaan?”

Maar de oomes in de jol kenden geen erbarmen. „Als we jullie met z’n

zes-en-twintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!”

Zuchtend grepen de arme kerels naar de riemen. De olielantaren werd op

de jol overgebracht, zoodat men er zich in de sloep naar richten kon.

Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het

watervlak.

„Zie jij wat, Doedesz.?”

„Net zooveel als jullie.”

Allen zuchtten. Enkele oomes luchtten hun smart door Padde met

verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar

anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in

bescherming.

Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem veel minder, en met

een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond.

Ook de kwetsuren der anderen lieten zich gunstig aanzien.

Men ging dien dag aan het werk om den koers iets juister te kunnen

stellen, kraste te dien einde in het hout van de plecht een kaart van

de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda,—alles op het geheugen.

Den middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijf-en-een-halven graad

Zuiderbreedte bevonden; het bestek op de kaart wees toen negentig

mijlen tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Drommels,

had men maar een kwadrant!

„Heeft niemand een passer?” vroeg Bontekoe.

„Daar vraag je zoowat, schipper”, antwoordde Teunis Sijbrandt, de

kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. „’t Is

boffen: meest legt ie op m’n tafel!”

„Geef hier!” zei Bontekoe verheugd. „Dan zullen we eerst eens ’n

gradenboog snijden!”

Zoo gebeurde. Men trok in een plankje een zoo groot mogelijken

kwartcirkel, mat daarin alle graden uit en bracht daarna den wijzer

aan. Den volgenden middag nam men er, zoo goed en zoo kwaad als het

ging, hoogte mee en stelde den koers op Sumatra.

Zoo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, en ’s

nachts op de sterren. Den derden dag was het brood op. Den dag te voren

had ook de dorst zich reeds geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol

hoop. De wind zat achter in ’t zeil; de zee bleef kalm.

Den dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan den gezichtseinder op.

Geweldig schreden ze nader, den ganschen hemel als pad nemend. De maats

kenden die wolken! In opgewonden vreugde werden de zeilen horizontaal

gespannen. Pik-zwart was nu het gewelf; het scheen den mannen, dat ze

in een grooten, donkeren kelder zaten. De zee, die dagenlang een

felblauwen hemel teruggekaatst had, slurpte al die zwartheid gretig

op,—leek wel een modderpoel.

Daar kletterde de regen neer.

De levenskracht ontwaakte weer; de harten zwollen. In een oogwenk was

het zeil vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen, die als bergplaats

voor het brood hadden gediend.

Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleeren.

Maar den volgenden morgen schroeide de zon ze in een ommezien droog en

deed de huid vervellen.

Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen

voor de gloeiende zon? De dorst deed zich weer gevoelen. Bontekoe sneed

de neuzen van zijn schoenen af en liet allen een „beker” vol uit de

vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van den voorraad op, want men

moest deelen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het water

te bergen.

Vreeselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de

tong in den mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van

voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de

morgen grauwde, hoopte men land te ontwaren. Telkens weer nieuwe

teleurstelling, wanneer men niets dan zee zag, zoover het oog reikte.

Harmen vond het noodig, den kerels wat moed in te blazen. Bij gebrek

aan z’n fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met

een van zijn gewaagde „verhalen” op de proppen.

„Ik zal jullie vertellen, hoe het m’n oom gegaan is, jongens! Die heeft

een tapperij voor zeelui,—voor landrotten tapt ie niet. Z’n leven lang

heeft-ie gevaren, van z’n tweede tot z’n acht-en-zestigste.

Zeven-en-twintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drie-en-dertig met

schipbreuk! En overal goed afgekomen behalve een krab op z’n wang en

da’s van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de

Chineesche zee, waar de visschen en de menschen staarten an d’rlui

knikker hebben. Goed, d’r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden,

z’n zes-en-veertigste schipbreuk; m’n oom en de bottelier zijn de

eenigsten, die in de sloep komen. Eten aan boord? Geen spiering!

Hongerlijje maar! Toen ze zeven-en-tachtig dagen niks gegeten hadden,

zei de bottelier: „’k Zou wel een hapje lusten!”—„En ik”, zei m’n oom.

„’k Zou jou wel lusten”, zei de bottelier. „Ik jou ook wel”, zei m’n

oom. Goed, ze krijgen verschil van meening. „Als jij mij jouw beenen

geeft, zal ik jou m’n Zondagsche pet geven”, zei de bottelier. „Jawel”,

zei m’n oom, „je kunt er een por met m’n mes bij krijgen.”—„In je mes

hap ik niet”, zei de bottelier. „Nou, laten we d’r dan om loten!” zei

m’n oom. Ze smijten de steenen. Allebei acht. Nog er eis! Wéér gelijk!

En weer!! Na dertien-en-een-halve dag zei m’n oom: „Vooruit, ik heb

geen aardigheid meer aan speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet

m’n wijf en neem m’n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet, dat ie

zich omkeert om niet te zien, hoe de-n-ander ’m zal afmaken, ziet ie,

dat de sloep..... op het strand zit! „Land!!” roept ie. Hadden ze me

daar al elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van

gemerkt! Wat zeg je me daarvan?”

„Mooi!” zeiden de oomes.

Toen viel het zwijgen weer in.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 30 / 67 题