Toen de mannen over hun eerste en hoogste uiting van blijdschap heen
waren, kropen enkelen het strand over naar het bosch.
Er groeiden overal kokosboomen, en de noten lagen voor het grijpen op
den grond. De meeste waren in den val gebroken; die kon men met de
handen verder splijten. En dan de tanden in het witte vleesch
gezet.....! Toen de maats zooveel vruchten naar binnen hadden gewerkt,
dat er geen stukje meer in wilde, verlangden allen naar rust, naar
niets anders dan rust. Ze sleepten wat dor gras en bladeren aan. En
toen.....! Hè! Hoelang was het geleden, dat ze zich voor het laatst
behoorlijk hadden kunnen uitstrekken, en dan nog wel op zoo’n zacht
leger en zonder den hongerdood voor oogen! Nu zou verder alles ook wel
goed gaan! De schipper was bij hen en kende den weg! Met een oneindig
dankbaar gevoel sliepen allen in.
Maar weinige uren later werd de een na den ander met hevige buikkrampen
wakker. De ingewanden bleken niet tegen zooveel voedsel opeens bestand
te zijn. Allen kropen bijeen en klaagden over hun onverdragelijke
pijnen.
„Gevert! Ik ga d’r an! Gevert! O, God, m’n buik.....”
„Was ik maar thuis, bij m’n wijf! Die wist er wel raad op.... Doris!”
Toen zakte de pijn weer. De mannen sliepen nog een paar uren en werden
eindelijk door de zon gewekt.
Ze stond boven de baai, en het hemelsche goud vloeide in het water
neer. Rappe strandloopertjes trippelden op hooge pootjes heen en weer;
meeuwen streken zwierig door het schuim der branding, of wiegden zich
op het zacht deinende water in de baai. Allerlei bontgepluimde vogels
schetterden en floten en kwinkeleerden in de hooge, statige boomen; in
de wuivende kronen der kokossen voerden grijsbruine klapperratten hun
gedurfde luchttoeren uit.
De mannen voelden hun krachten herleven. Ze lagen daar in het reeds
warme zand, boven zich de stralende zon, die spoedig al te heet zou
worden. Zwijgend, stil genietend, luisterden ze naar het concert van de
branding.
Bontekoe liet een gezamelijk gebed houden. Men zong een paar psalmen.
Zelden hadden de oomes met een dieper gevoel van dankbaarheid gebeden
dan op dien wonderlijk schoonen morgen aan het strand van dat
Sumatraansche kust-eilandje.
Daarna ging men eens op verkenning uit. Een groep toog naar het Zuiden,
het strand langs, een andere groep naar het Noorden.
In den namiddag kwamen ze terug met niets dan kokosnoten, bananen en
enkele andere, onbekende vruchten. Menschen hadden ze niet gezien. Maar
zij, die naar het Noorden waren getogen, hadden een grappig avontuur
gehad.
Ze hadden een vlerk-prauwtje gevonden, waaruit ze hadden opgemaakt, dat
het eilandje bewoond moest zijn, al zagen ze dan ook geen sterveling.
Ze hadden het bootje, dat slechts twee man bergen kon, eens in zee
geduwd, maar toen ze er voor de grap met z’n drieën in waren gaan
zitten, hadden de half vergane planken zich begeven, en de spelevarende
gasten waren kopje-onder gegaan. Wat met dit zonnetje niet zoo slim
was.
Bij de plaats, waar het prauwtje lag, ging een paadje het woud in. Men
liep het binnen, in ganzenmarsch, omdat er voor twee naast elkaar geen
plaats was. Hilke voorop!
Nauwelijks hadden ze het pad ingeslagen, of voor hen uit, vlak bij,
begon een hond te janken. In alle omzichtigheid werd nu de tocht
voortgezet. Spoedig zag men tusschen de dikke bamboestelen een open
plek schemeren en in het midden daarvan een bouwvallig huisje op hooge
palen, aan een waarvan een magere hond was vastgebonden, die
allerafgrijselijkst te keer ging. Overigens zag het huisje er nogal
vreedzaam uit: een paar duiven vlogen van het dak op, en toen kwam
zelfs een duif uit het lage huisdeurtje fladderen, zoodat het heele
gebouwtje meer op een til dan op een menschelijke woning geleek.
Weifelend betraden de maats de open plek.
Toen de hond zijn gasten zag opdagen, staakte hij zijn Jobsiaansche
jeremiades, jankte vreugdevol, ging van opwinding op zijn achterpooten
staan en verhing zich daardoor bijkans in den strik om zijn hals. En
toen de oomes hem den smerigen, stekeligen kop krauwden, kreunde hij
zacht van geluk, kwispelstaartte en draaide dankbaar het achterlijf.
Een gekorven kokos-stam stond schuin tegen het huisje op,—scheen als
„trap” te hebben dienst gedaan. „’t Lijkt wel een kipperen”, meende
Floorke, terwijl hij naar boven balanceerde. „Blijf jij nou
beneden!”—dat was tegen Gerretje, die volgen wou—„We kunnen er met z’n
tweeën niet op: ’t is geen marremeren trap!” „Wat zie je?” vroegen ze
van beneden, toen Floorke naar binnenkroop.
„Pah!” gromde Floorke en spuwde luidruchtig. „’k Heb een spin in m’n
mond!”
„Kun je wat zien, of is het donker?”
„Donker? ’t Dak is zoo lek als de Zuid-Westenwind! Maar d’r is niks te
zien! ’n Paar gebarsten potten! Wacht, daarachter is nog een kamertje,
geloof ik.”
„Ga daar ’ns kijken?” En toen Floorke geen haast maakte, smaalden ze:
„Of durref je niet?”
„’t Is ijs van één nacht, die vloer”, aarzelde Floorke. „Je kijkt d’r
zóó doorheen.”
„Wat een vent!” hoonde Gerretje van omlaag. „Kom terug, dan zal ik gaan
kijken!”
„Als je d’r trek in hebt, vooruit maar”, zei Floorke en klauterde naar
beneden.
Gerretje’s gelaat drukte thans twijfel uit. Hij wist wel, dat Floorke
niet voor een klein geruchtje vervaard was. Als die zei: „’t Is vuil!”
dan was ’t ook vuil. Maar eens gezegd bleef gezegd. Hij klauterde
behendig de „loopplank” op, zooals hij zei, en overzag, boven
aangekomen, het terrein. „Dunnetjes is ’t!” moest hij toegeven.
„Oh!” stelde Floorke beneden vast.
„Weet je wat ik doe?” zei Gerritje. „Ik spring er overheen! Daar ginds
is wéér een dikke bamboe!”
„Ja, laat je niet kisten, Gerretje!” riepen de maats. „Je botten zijn
betaald!”
Gerretje zette af, van een-twee-dr.....! Een heidensch gekraak. De
„trap” sloeg neer, kletste in de modder, die alle zijden uitspatte, en
het huisje viel keurig netjes om, de vier ontwortelde palen in de
lucht, zoodat de hond, die aan een der palen gebonden was, met
uitpuilende oogen in de lucht kwam te bengelen. En het dak scheurde
open, en daaruit buitelde, als een Sinterklaasverrassing..... Gerretje.
De maats zakten bijkans ineen van plezier. Floorke sneed haastig den
hond los, die daarop half flauw op den grond tuimelde en het als zijn
eerste plicht beschouwde, Floorke’s bloote voeten schoon te likken.
Gerretje krabbelde met een vrij krasse bewering tegen de Sumatraansche
huizenbouw overeind en veegde de handen aan zijn broek af.
„Laten we er het zwijgen maar toe doen!” stelde Floorke voor. En
terwijl er een paar in het omgevallen huisje snuffelden en veel stof,
spinnen en kakkerlakken vonden, liepen de anderen de open plek eens
rond en ontdekten een smal pad, echter zóó verwilderd, dat men zich
slechts met den bijl een doortocht zou kunnen banen.
Men besloot terug te keeren en nam den hond als krijgsbuit mee.
Uitgelaten van vreugde sprong het beest tegen zijn bevrijders op, die
intusschen de meest fantastische veronderstellingen te berde brachten
over den samenhang van de vergane prauw, het wrakke huisje en den
uitgemergelden hond.
Zoo kwam men met een levende ziel méér bij de jol aan. De mannen, die
onder leiding van Folkert Berentsz. waren uitgegaan, vertelden,
eenigszins jaloersch op den vierpootigen buit der anderen, een slang te
zijn tegengekomen, zoo dik, dat ze hem met z’n vijven niet omspannen
konden. Hij had gesist, dat je er koud van werd. Padde wou hem bij z’n
staart pakken—nietwaar, Padde?—toen ie er van tusschen ging, de boomen
wegdrukkend als grashalmen.
Maar toen wist Floorke te vertellen van een krokodil, wiens staart ze
uit het bosch hadden zien steken, en toen ze het eiland half waren
omgeloopen, hadden ze aan den anderen kant zijn kop gevonden, een
merakel klein koppie, niet grooter dan de Nieuw-Hoorn..... destijds.
Gerretje had z’n kop voor een kloof aangezien, want het toeval wilde,
dat de krokodil juist gaapte. Gerretje was er in geloopen en had nog
gezeid: „Jongens, wat is de grond hier slappies!”—Die grond was
natuurlijk de tong van die krokodil geweest. Nou, en in eens had het
mormel z’n bek dichtgeslagen, en Gerretje zat in het pikkedonker.
Tusschen de tanden was hij er weer uitgekropen, waar Gerretje?
Maar toen had Harmen nog heel wat anders te vertellen! Hij had er over
willen zwijgen, maar nu Floorke zóó begon, zou Harmen zijn broek ook
eens in ’t zonnetje hangen! Nou, ze hadden me dan een beestje gevonden,
zoo op het eerste gezicht een regenwurm. De Schele had het bij zich
gestoken voor Vader Langjas, maar ineens was het in zijn zak begonnen
te praten. „Schele”, had het gezegd, „scháám jij je niet?” Toen had de
Schele het beest weggegooid; het had in zuiver Maleisch: trima kassi
banjak! gezeid en was toen in zee weggezwommen,—had, met een blad boven
z’n kop als blind zeil, tegen den wind in gelaveerd.
Tegen zulke avonturen voelde Floorke zich niet meer opgewassen. „Laat
je duim eens kijken?” zei hij smalend tot Harmen. „Je zult ’m wel
heelemaal plat gezogen hebben.”
Harmen grinnikte, toonde z’n duim.
Men laadde de jol met kokosnoten en bananen, borgde vruchten onder de
plecht, in het achterkastje, boven op het roefje ... het leek wel, of
de jol ter markte toog. Een riviertje was niet gevonden, zoodat men de
vaatjes maar met kokosmelk vulde.
Den tijd, dien de mannen bezigden om te proviandeeren, maakte de
magere, stekelige hond zich ten nutte door een groote boschrat te
vangen en die in gulzige haast te verorberen. Toen hij in de gaten
kreeg, dat de mannen van plan waren in zee te steken, vroeg hij op
hondenmanier om meegenomen te worden. Hij scheen met de zee vertrouwd
te zijn.
De maats willigden zijn verzoek in. Ze klopten hem vertrouwelijk op z’n
bottige flanken, stelden vast, dat je z’n ribben tellen kon, dat z’n
ooren allergemeenst lang en steil waren, dat z’n vel bij den vilder
geen duit zou opbrengen, maar dat hij, naar z’n oogen te oordeelen, een
rondborstige natuur had.
Hij werd ook gedoopt.
„Joppie” noemden ze hem—want driemaal is scheepsrecht.
In de schemering verliet de jol het land. Verder maar weer! De maats
waren vol moed. Hier konden ze toch niet blijven, en de schipper zei,
dat ze binnen twee dagen Sumatra voor den boeg zouden krijgen. Dus nog
maar eens het lijf gewaagd! Het gevoel van onrust, dat hen
overmeesterde, toen ze het eilandje in de duisternis zagen wegzinken,
werd dapper weggeslikt.
Joppie hief als afscheidsgroet een erbarmelijk gehuil aan, dat uit de
verte door apengekrijsch beantwoord werd. De oomes stelden hem voor de
keus: over boord te vliegen of met z’n gegil op te houden. Joppie
verkoos het eerste, werd door Hilke bij z’n nekvel ferm in het water
ondergedompeld, schudde toen z’n natte, steile haren uit, zocht daarop
achter in de roef het beste plekje op en sluimerde zuchtend in, tot
Folkert Berentsz. hem deed verhuizen, omdat hij daar liggen wou. Toen
namen een paar oomes Joppie als hoofdkussen,—waarvan ze later geduchte
spijt en kriebel kregen.
De maan kwam op, mild, vriendelijk als een moederoog, wakend over de
zeventig brave jongens in de jol.
Een groote zwerm kalongs streek hoog over de jol in Oostelijke richting
voorbij, zwijgend,—als schaduwen.
Alom stilte. Stilte.