De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand

gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het

nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe

zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen

aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het

klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke

vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting

van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat

niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele

krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden

arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17_de_

eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode

van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van

het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd

overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn

grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft

men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker

bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast

de vroegere appartementen van den vorst springt een keurig klein

paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het

plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar

ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en

streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal

is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje

diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche

paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er

is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente

gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg,

de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen

zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers

voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn

uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige

wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om

de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite

af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het

heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar

wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er

haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met

bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan

boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke

binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche

kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen

de voor 't huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos

voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg

vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school

herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij 't binnenkomen

krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos

en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier

is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een

bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de

rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist

ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op

onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt,

ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een

pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort

van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt,

zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van

geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren

nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal

toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten

den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt

weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat

ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht,

ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van

bestemming hebben bereikt.

Plotseling, _krak_, gaat het, _krak_! De achterbank is gebroken,

daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen

toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust

over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de

slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke

woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen

moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en

de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den

weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij

het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap

iets sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint

de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg

geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn

ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er

vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van

de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die

walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk,

en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens,

met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap,

komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige,

kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen

uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout,

dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij

hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt

de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen

bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien,

die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat

doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na

het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje

treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven,

tusschen die lachende villa's, waar elegante menschen op de balkons

en veranda's te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder

woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen

gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte

Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit,

en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid

der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt

roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage,

gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai's;

de theaters in de open lucht, waar drama's en vaudevilles worden

opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail

rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen

een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad

de echo's wekt juist als 't geroep der schildwachten in vestingen,

dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt

vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië

brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks

een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze

verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid

van den grond. Daar zij buitendien in 't geheel geen begrip hebben

van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door

overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in

het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke

gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd,

die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen

te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de

behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en

evenveel kilo's graan storten. Als een boer door het een of ander

ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den

gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig

heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, 't geen

hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen

oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren

voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets

van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager

standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest

der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze

geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud,

zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe

worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van

den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische

route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats,

waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de

grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in

het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals

de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der

geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar

van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig

sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in

vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van

Romnicu. Bij 't verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht

over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna

nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in

het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met

minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en

jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen

karakter. Haar _castrinza's_ zijn met veelkleurige pailletten bestikt

en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd

van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten;

men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in

zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren

het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont,

terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis

herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile

rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist,

zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer

duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten,

afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over

de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt,

dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen,

Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen

de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den

eenzamen weg, en de zeer in 't nauw gebrachte Olt bruist en schuimt

als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van

17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich

een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar

de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den

loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige

dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak

aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich

geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de

overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het

dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen

vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den

Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen

somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing

van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend,

de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas

heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van

het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als

verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de

muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan

Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof,

_curtea_, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet,

zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet

hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is

de "Biserica Domneasca," vorstelijke kerk, in het midden der stad

gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke

reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert

onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd,

op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster

en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was.

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche

kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en

perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in

Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar

Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op

en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent,

Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van

Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de

kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen

voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor

den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men

overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke

tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere

kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met

het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen

met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote

vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware

blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste

dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de

netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het

gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote

mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk

naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over

Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die

afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht 's morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks

zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van

teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend

gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn

weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per

rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig

bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets

dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes

zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of

de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets

overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten

een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten

vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint

er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van

den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze

photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste

manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven,

en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te

mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief

zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat

wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al

onze cliché's terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd

door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort

van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een

ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met

bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften

en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig

van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk

te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis

met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn

verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij

instinctief onze camera op hem richtten. Maar 't was of een beschroomde

eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich

voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken

zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun

medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk

weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt

men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een

dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje,

dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die

wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart

en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met

flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge

meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van

kippen, eenden en kalkoenen, op 't oogenblik de eenige aanwezige

dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig;

het graast in vrijheid op de bergen, 's Avonds wordt het binnen

omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de

eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder

boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige

levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject,

dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van

poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij

de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de

wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen

of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in

den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru,

den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts

enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote

klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat

nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge

en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein

van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van

de Longobarden in de herinnering roept, heeft veel karakter. Het is

dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad

is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk

zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den

zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama

voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen,

die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende

uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn

Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat

een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen

wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten

werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte

oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor

heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan

in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen

de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria's, want hun zware

arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen

het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte

aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der

beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten,

vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in

de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza,

die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van

Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel

met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie

riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen

tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van

de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi

schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone,

lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons

hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er

weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil,

en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer

door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste

omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest,

zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een

paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men

verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20

M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei

in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein

bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze

bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen

uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn

metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men

overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich

ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert

ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.

III.

Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De

petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni

in het kroondomein.

In Roemenië De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 2 / 4 段