Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zev

In Roemenië.

Naar het Fransch van Th. Hebbelynck.

I.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.--Een stukje geschiedenis.--Het dal van

de Jiul.--De Bojaren en de Zigeuners.--De markt van Targa Jiu.--Het

klooster Tismana.

"Zijn de heeren ingenieurs?"

"Pardon, mevrouw."

"Inspecteurs van het boschwezen?"

"Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers."

"Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te

halen is?"

"Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar

te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen

uit mee te nemen."

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame,

vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje

midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het

gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht

hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van

Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en

de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het

nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste

jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden

was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens

hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een

industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en

waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke

sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten

in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden

door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd

uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd

en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder

de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges

het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote

aantrekkelijkheid voor den reiziger is gelegen in het landschap, dat

dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit

der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke

hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de

schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende

tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen

o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig

bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren

onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de

vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs,

die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn

om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn,

en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in 't wit gekleed,

bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote,

wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig

haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men,

in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor

de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen

in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met

welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die

dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun

melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even

goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren,

maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben

in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal

voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en

in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder

de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta's, is zeer dun

bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De

boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden

land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden

van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen

van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij

zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het

echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te

bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken

doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des

te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van

leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om

sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder

spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch

karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen

waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is

avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van

de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden,

en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De

stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie

fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de

reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had

gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den

weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar

zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de

plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de

élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep

en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein

omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het

branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel

stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten

worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met

groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein

te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar

daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen

zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet

men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten

een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in 't minst niet origineel. Huizen van steen en andere,

van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken

gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer

schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen,

worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen

andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen

zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen

onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft

zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk,

dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is,

als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert

alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij

volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige

vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men

krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de

varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in allerlei

verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances

en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische

ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in

de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid

en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige

hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën

bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen

inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men

zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000

inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige

natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle

initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht

afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja,

neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind

der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar

het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht

Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de

oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der

Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen,

Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië,

dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen

over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden,

stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd

in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken,

voortaan met hen te deelen.

In de 13_de_ eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en

Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de

Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht,

tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en

keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de

Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en

wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan

geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden

de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen,

maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de

Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche

hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in

de 18_de_ eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de

machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der

Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het

oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken

bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische

vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke

som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt

onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield,

werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn

dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht,

waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch

bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het

nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij

voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid,

gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856

hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel

Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen

met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van

de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten,

en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij

gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat

zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van

Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden

opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede

op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan

ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende

takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen

oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon

een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men

gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië

dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar

Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het

is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door

de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg

vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende

schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een

legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab,

die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab,

die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie

herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen

leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk

hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges

en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië,

van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van

Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den

tocht besluiten met Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië's

souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie

of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor

alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan,

om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg

niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die

maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De

laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo

goed, uwe bagage op te laden.

De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote

vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10

kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier

van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door

woeste, zeer eigenaardige geluiden.

Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men

reisde enkel met de _birdj_, het nationale voertuig, dat nu nog bij

de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder

veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak

voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund

door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen

en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.

Het dal der Jiul, dat bij 't vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt,

werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de

bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel

der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van

allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar

door groote en vernuftige werken, voor 't meerendeel aangelegd door

belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en

een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.

Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen,

die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met

groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de

bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van

de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier

van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door,

die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw

gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier

voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen,

dat tot het water voortloopt.

Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen,

met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in

West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der

rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op

de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.

De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in

Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen

van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.

Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het

nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige

kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met

mooie fresco's is versierd, wordt op 't oogenblik nog door enkele

monniken bewoond.

Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die

niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die

tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om

plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer

hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken

op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze

ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn

door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste

oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen

van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine

boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een

echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft

thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl

hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond

heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven

en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van

deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt,

omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des

avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die 's morgens weer

worden weggenomen.

Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn

huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers

en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp,

waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.

De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden

van een roemeensch huis; men vindt zoo'n deur overal, bij de

grootste, zoowel als bij de kleinste hoeven, bij de villa's en bij

de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke

wijze uitgesneden.

De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het

eind der 14_de_ eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van

den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in

het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en

veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.

Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later

kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land

binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten

riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een

lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte

en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in

het tweede geslacht.

Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan

hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden

aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers,

hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht,

van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met

toestemming van den eigenaar.

"Nog in 1856", zegt Elisé Reclus, "waren 5 à 6000 Bojaren heeren

en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote

ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters,

terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters

bijna al den grond onderling hadden verdeeld.

In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde

aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land,

afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield,

twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun

eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in

vijftien jaarlijksche aflossingen.

Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in

't begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van

den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.

Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan

den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de

onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende

terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van

het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij

hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan,

en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.

Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd

worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7

der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië

mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in

dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen

te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden

bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn

nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen

betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de

steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen

mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de

meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.

De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog

al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de

gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls

belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het

loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den

eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die

vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In

vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.

Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de

landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen

arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er

wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun

inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.

Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of

acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door

in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren

met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging

het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den

dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen,

en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines

te koopen.

Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen

vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen

zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan

allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en

te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste

takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten

van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo'n

oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.

Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten,

in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is

waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien

ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het

is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker

wordt men voor het déshabillé.

Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het

is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht

trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.

Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst

aangename verrassing, de eigenaar spreekt Fransch. Maar wij moeten nu

kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure

soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets,

om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef,

noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als

trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin

geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het

vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer

dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn

magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd

zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat

koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen

van 't menu.

In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners

treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een

roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te

maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig;

't is in muziek omgezette smart.

Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals

er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange,

witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon

tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht

overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel

op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. 's Morgens

waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.

Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de

markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en

levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan

die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die

laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren,

of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde

wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental

bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele

vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld

jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun

halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen

er, 't zij een kip, 't zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien,

die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden,

dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.

Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de

meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die

hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een

rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een

haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De

vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór

zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt

30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes

voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze

zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.

Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet

onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met

borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een

boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen

hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer

stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes

loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen

de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier

van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op,

die niet zeer gracieus staat.

De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs,

zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd

van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel,

die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen,

gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.

De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen,

een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze

dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang

heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig

en fatalistisch.

Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria

aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag

te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.

Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte

groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden,

reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen

zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden

door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er

alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land

bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok

zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout

en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en

genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt

het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen

zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het

maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met

meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de

veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering

van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.

Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven

jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig

moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de

koude van den nacht.

Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op

den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op,

als ze ons zien naderen en blijven staan als teeken van eerbied,

tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor 't meerendeel Zigeuners.

De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd

gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan

afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn,

spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar

Walachije werden gekracht.

Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand

van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds

de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat,

de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun

aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig

niet meer dan 260000 voor.

Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de

Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is

zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard

gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch

dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst

sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en

Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende,

zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en

nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte

arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle

omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan

mannen en vrouwen zich overgeven.

Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of

het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder

eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend

talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.

Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes

onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de

naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.

Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van

Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op

een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval

vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met

één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte,

zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.

De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen

anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.

Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds

de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd

toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt

de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven

voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden

en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in

het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk

hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters,

en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het

prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf

met geen andere meubels dan een stroozak.

Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets

onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste

gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen,

die aan hun deur klopte.

Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes,

en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten.

Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche

ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en

dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie

der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig

hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten,

zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen,

die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens

rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij

bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés

moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.

Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar

men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit

oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons

vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik

met lange haren en zwarten baard.

Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van

de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te

gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij

er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te

hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht

vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier,

die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had

hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een

afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der

abdij Sint Nicodemus op den anderen kant.

De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende

werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een

waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.

Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de

kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds

dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de

metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De

roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld,

de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden

zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste

categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs

onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd,

het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën

op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot

hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.

II.

Het klooster van Horezu.--Uitstapje naar Bistritza.--Romnicu en de

pas van den Rooden Toren.--Van Curtea de Arges naar Kampolung.--Pas

van Dimbo-viciora.

Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu,

onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al

vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden

gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde

richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de

hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos

aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de

roemeensche poeszta te gaan verliezen.

De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte

ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke

melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen,

die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen

met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder

een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier

eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen

zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden

dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om

van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.

En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt,

of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt,

in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer,

de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als

bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept

tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en

witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend

met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en

van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen

kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de

plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch

en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en

juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.

De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar

de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig

keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in

een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt,

bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg

der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.

In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht,

's Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de

mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel

in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel

van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen,

verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.

De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen,

zijn besten wijn voor, die _entre nous_ niet drinkbaar is, daarna

brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is

opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche

tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men

ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.

De dorpen, die wij door trekken,--de weinige dorpen, zou men moeten

zeggen, want het land is dun bevolkt,--lijken alle op elkander. Het

zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken

daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een

driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en

daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote

honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons

aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde

en welvoegelijkheid roept.

De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl

opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels

en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn

van buiten met groote fresco's versierd, die er een zeer bijzonderen

stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen

te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen,

beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs

den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben,

kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn

opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel

bij een eenvoudigen put.

Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje,

middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes

kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun

zomerverblijf hebben opgeslagen.

De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier _en

villégiatura_. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje

dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van 't

gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië

en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als

Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte

middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij

voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of

andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden

afstaat. Men installeert zich dan in zoo'n primitief huis en brengt er

de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur,

gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten

kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar;

die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.

Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier

overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen

ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar

wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo

vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er

den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend

verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische,

zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de

bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar

waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.

Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de

springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne

helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.

Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf

staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat

naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien

er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar

het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot

ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn

turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is

werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het

oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de

echo's voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.

Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van

Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den

heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa's van de oude abdij

verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te

voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van

gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan

schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit

te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den

fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein

van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een

leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met

den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt

in zeer correct Fransch: "Mevrouw, de overste noodigt u uit in het

salon te gaan." Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat

het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was

geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel

van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk

is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der

monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen

met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt

de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren

hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.

Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig

kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij

ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden

gedragen en bij het zingen in het koor.

Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat

zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig

salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand

voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen

trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op

staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen,

eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om

zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang

der kerk bijeen vinden.

In Roemenië De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 1 / 4 段