het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door
straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten,
waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar
de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar
spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden
volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet
onderdoend voor die der grootste europeesche steden.
De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag
het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren
nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun
openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men
na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen
Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei
de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis:
"Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die
even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is,
weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig
beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van
gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de
kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter;
dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk."
Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië,
in 1892: "Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest
met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei "het huis
van den heer Zus of van mevrouw Zoo", terwijl men de menschen bij
hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken
voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch
karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië
naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen:
"Gelukkig, nu zijn we in Europa!"
Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten
van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn
pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die
treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier
lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te
voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw en 't
Postkantoor, rijk versierde café's, waar de voorname roemeensche wereld
samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger
straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden,
en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak,
die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.
De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde
tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft
kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd
der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling
op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde
uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter
mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van
plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in
zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al
zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd,
de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl
opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch
wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die
oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de
eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.
Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte
heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het
siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie
maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt
de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen
soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam;
die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet,
en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van
den winter.
De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden,
worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken;
de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om
het middel en een platte pet op het hoofd.
Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte
der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van
de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het
groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen
en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts
een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen
armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de
Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen
en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen
van weldadigheid.
Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de
Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij
ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig
uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster
staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van
links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts
het gebouw der volksvertegenwoordiging.
Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat
zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van
Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die
kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste
uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.
Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door
de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen
woiwode van Walachije.
Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde
hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor
het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van
Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van
de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten,
van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.
Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om
haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft
een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen
bij hun terugkeer uit Konstantinopel.
Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de
Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van
het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader
der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de
russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.
Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze
straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het
bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries,
de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en
vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs
de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de
grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea
Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.
Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de
meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht,
er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt
op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen
winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte,
een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer
zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder
schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt
den reiziger niet in verrukking.
Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister
Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel
wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het
staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men
ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen
bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar
net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van
die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest
gezochte lustverblijven.
Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien,
hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel
betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest
op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware
woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor
van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard,
vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op
te tooien.
Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn
vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt
wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is
opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen
arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die
aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den
arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en
vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.
Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan
de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der
theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor
de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende
musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude
fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde
tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders
gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien
stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij
werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan
voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den
aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen
stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in
't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen,
moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met
edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De
ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.
Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het
eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den
erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen,
ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.
Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het
grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer
verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het
ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door
een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de
cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden
op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen
is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.
Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk
en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote
hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen,
arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten,
doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en
de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de
eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons,
leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar
speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote
tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.
Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der
belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den
spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.
De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op
verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche
hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië
een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de
zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien,
twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet
dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.
Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land,
en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen
voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend,
maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste
zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op
de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de
consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms
ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die
een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men
zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.
Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan
zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie
in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de
mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton
op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus
zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic,
van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.
De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van
den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte
een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die
uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent
in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in
den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken
verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie
volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten
uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.
Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime
zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer
inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem,
die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het
smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden
met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van
elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men
door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen,
groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden
verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door
vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders
bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn
waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen
van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier
jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks,
in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren
zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning
van 60 à 80 _bani_ per dag.
Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze
groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei
vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in
zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste
afzetgebieden.
Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het
petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen
stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten
rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.
Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana,
om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het
dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een
vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele
middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is,
dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water
snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om
die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen
rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd
van hoogen waterstand tegenhoudt.
Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen,
moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs
allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier
zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle
kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan,
die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum;
de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn
alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt
het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts
zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen
de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft
men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem-
of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In
het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum
verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door
een zuigpomp.
Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen,
of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen
put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de
boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische
putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à
20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die
cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een
boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met
tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen;
hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer
naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort
zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens
voeren.
De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die
troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen
weerschijn.
Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond
komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het
dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om
de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld
af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale
pompen, die soms verbazend krachtig werken.
In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge
temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats,
waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.
De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum
is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke
diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet
dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet
anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten,
welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie,
die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk
vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven
door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij
van petroleumexploitatie.
Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid
der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende
maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de
vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden
zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.
De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten
denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog
voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt
roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen
bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de
bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden,
en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als
geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.
Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen
om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart
in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie
wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door
fabrieksrook.
Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en
kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water
der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de
zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen
van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden
komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar
de weg doorheen leidt.
Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme
rots van 2500 M. Sinaïa.
Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te
danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van
Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen
als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de
aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten,
hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in
Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.
Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's;
dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons,
watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa
liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd
overvol; het kost ons moeite logies te vinden.
In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij
onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in
een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen
wij genoegen meê.
Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor
ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar
divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de
gewone diensten bewijzen.
In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt
Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen
het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast,
dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.