Nadat de bouwmeester Dion naar de haven had geleid, had hij zich naar
het Forum begeven om daar met verschillende mannen te spreken en te
hooren wat men voor de toekomst der stad vreesde en verwachtte.
Dáár kwamen ook altijd het eerst de tijdingen aan: hij vond er een groot
aantal Macedonische burgers, die evenals hij, in dit beslissend uur naar
zekerheid verlangden.
Het was er druk en woelig, want de meest verschillende berichten van het
leger en de schepen volgden elkander op. Eerst waren zij gunstig, maar
spoedig daarop hoorde men van het verraad der vloot, en het overloopen
van voetvolk en ruiterij.
Een aanzienlijk inwoner der stad had Marcus Antonius, van eenige
vrienden vergezeld, te paard langs de kade zien draven. Het was gebleken
dat zij op weg waren naar het kleine paleis op den Choma. Ernstige
mannen, wier meening slechts weinig tegenspraak vond, waren van gevoelen
dat de imperator verplicht was zich daar, even als Brutus en zoovele
andere edele Romeinen, met eigen hand te dooden, nu het noodlot zich
tegen hem had verklaard, en hem niets meer te wachten stond dan een
leven door schande bevlekt. Spoedig kwam dan ook de tijding dat hij
getracht had te volbrengen, wat de edelste burgers van hem hadden
verwacht.
Toen had Gorgias het op het Forum niet langer uitgehouden. Hij was naar
den Choma gesneld, hoeveel moeite het ook kostte tot aan den muur te
komen, waarin reeds een bres was gemaakt. Hij had dat gedeelte van den
oever waar de landtong begon, door een dichte menigte bezet gevonden.
Ook had er een aantal booten omheen gelegen, en zoodoende had hij
vernomen dat Antonius zich niet meer in het paleis bevond.
Juist op dat oogenblik werd een zorgvuldig bedekt lijk uit het kleine
slot over den Koningsweg gedragen, en onder de menigte die daarachter
ging, herkende Gorgias een slaaf van Antonius, dien hij vroeger wel had
gezien. De oogen van dezen man zagen rood van het weenen. Hij kwam
gewillig naar den bouwmeester toe, toen deze hem wenkte, en vertelde hem
al snikkend, dat de beklagenswaardige veldheer, nadat al zijne troepen
afvallig geworden waren, hierheen was gevlucht. Toen hij daarop in het
paleis had gehoord dat Cleopatra hem was voorgegaan in den dood, had hij
zijn lijfslaaf Eros bevolen ook aan zijn leven een einde te maken.
Daarop was die wakkere man achteruitgetreden en had met afgewend gelaat
zichzelf met het staal doorboord. Voor de voeten van zijn meester was
hij stervend ineengezonken; waarop Antonius had uitgeroepen, dat hij
door zijn voorbeeld geleerd had wat nu ook hem te doen stond, en op
hetzelfde oogenblik had hij zijn kort zwaard in eigen borst gestoken. De
verbazende levenskracht van dezen reus was echter door die ééne wond,
hoe diep en zwaar zij ook was, nog niet vernietigd. Toen had hij op de
aandoenlijkste wijze de omstanders gebeden en gesmeekt aan zijn leven
een eind te maken, doch niemand had zulk een daad van zich kunnen
verkrijgen. Onderwijl had onophoudelijk van des imperators lippen de
naam Cleopatra geklonken, en daarbij de wensch om haar te mogen volgen.
Eindelijk was Diomedes, de geheimschrijver der Koningin verschenen, om
hem op haar bevel naar het grafmonument te laten brengen, waarheen zij
zelve de wijk genomen had.
Antonius had daarin met nieuw opgewekte levenslust toegestemd, en
terwijl men hem wegdroeg, had hij nog last gegeven om voor een
waardige begrafenis van Eros te zorgen. Zelfs stervende was het dezen
grootmoedigste van alle gebieders nog onmogelijk geweest, het goede dat
men hem bewezen had onbeloond te laten.
Toen hij zoover met zijn verhaal gekomen was, barstte de slaaf opnieuw
in tranen uit, doch Gorgias was onmiddellijk naar het grafteeken
gesneld.
De naaste weg daarheen, de Koningsweg, was in dien tusschentijd zoo vol
geworden door de menigte, die tusschen het Dionysostheater en den
Muzenhoek door Romeinsche soldaten terug gedrongen was, dat hij zich
genoodzaakt had gezien door zijstraten het gebouw te bereiken.
De kade was reeds niet meer te herkennen, en ook in de andere straten
had de bevolking een vreemdsoortig aanzien gehad, want in plaats van
vreedzame burgers, kwam men overal Romeinsche soldaten in volle
wapenrusting tegen. Voor de Grieksche, Aegyptische en Syrische
aangezichten waren blanke en bruine van vreemd uiterlijk in de plaats
gekomen.
De stad zelve scheen in een legerkamp veranderd te zijn. Hier had
Gorgias een cohorte van blondgelokte Germanen, daar een met roode haren
ontmoet, wier vaderland hij niet kende, en nog verder een detachement
Numidische of Pannonische ruiters. Bij het heiligdom der Dioscuren,[21]
had men hem aangehouden. Dáár had zooeven een klein aantal Hispaniërs
Antonius' zoon Antyllus gegrepen, en na een kortstondig krijgsgericht
terechtgesteld. Zijn gouverneur Theodotus had hem aan de krijgslieden
verraden, doch deze nietswaardige booswicht werd geboeid achter het lijk
van den jongeling medegevoerd, daar men hem op de daad had betrapt,
terwijl hij een kostbaren edelsteen, dien hij hem van den hals had
genomen, in zijn eigen gordel verborg. Vóór hij naar het eiland ging,
was den verhaler ter oore gekomen dat men den ellendeling tot den dood
aan het kruis had veroordeeld.
[21] De tweelingzonen van Zeus, Castor en Pollux.
Eindelijk was het Gorgias gelukt het grafmonument te bereiken. Hij had
het aan alle zijden afgezet gevonden door Romeinsche lictoren en Scythen
uit de stad, maar hij, de bouwmeester, werd natuurlijk doorgelaten.
Het was hem door al de hindernissen, die hij op zijn weg had ontmoet,
bespaard, om de vreeselijkste tooneelen van het treurspel, dat hier
zooeven afgespeeld was, met eigen oogen te aanschouwen, doch zij werden
hem in alle bijzonderheden beschreven door den geheimschrijver der
Koningin, die den gewonden Antonius had begeleid. Hij was een welmeenend
Macedoniër, die onder het bouwen met Gorgias in vriendschappelijke
betrekking was geraakt.
Cleopatra was naar het grafteeken gevlucht, zoodra de oorlogskans zich
voor Octavianus had verklaard. Alleen Charmion en Iras hadden haar
daarheen mogen vergezellen, en deze twee hadden haar geholpen de zware
metalen deur van het kolossale gebouw te sluiten. Het valsche gerucht
van haar dood, dat Antonius er toe gebracht had om ook aan zijn leven
een eind te maken, was misschien daaraan toe te schrijven, dat de
Koningin zich feitelijk in haar graf bevond. Toen hij in de armen van
zijn trouwe dienaren doodelijk gewond bij het mausoleum was aangekomen,
hadden de vrouwen te vergeefs beproefd, de zware deur weder te openen.
Maar Cleopatra reikhalsde er naar, haar stervenden vriend nog eenmaal te
zien. Zij moest hem in hare nabijheid hebben, om hem de laatste diensten
te bewijzen, hem nog eens van hare liefde te verzekeren, hem de oogen
toe te drukken, en als het mocht, met hem te sterven.
Zij had dus met haar beide kamervrouwen rondgezien naar een hulpmiddel,
en daarbij was het Iras ingevallen dat er op den steiger een windas
stond, om de zware metalen plaat met het reliëf-beeld van de liefde, die
den dood overwint, naar de eerste verdieping te hijschen. De Koningin
was daarop dadelijk met hare vriendinnen de trap opgesneld; de dragers
hadden beneden den gewonde aan de touwen bevestigd, en Cleopatra was
zelve aan het werktuig gaan staan om hem, met behulp harer gezellinnen,
tot zich op te trekken.
Diomedes had beweerd dat hij nooit een deerniswaardiger gezicht had
gezien, dan dat van den reusachtigen man, terwijl hij tusschen hemel en
aarde zweefde, en worstelend met den dood, onder wreede pijnen de handen
in smachtend verlangen uitstrekte naar zijne geliefde. Zijn stem had
hem daarbij bijna begeven, en toch riep hij nog met teederheid haar
naam, doch zij bleef hem het antwoord schuldig, daar zij met dezelfde
hartstochtelijke inspanning als Iras en Charmion, op dat oogenblik al
hare zwakke krachten wijdde aan het ophijschen door middel van het
windas. Het over een katrol loopend touw had haar daarbij in de fijne
handen gesneden, haar schoon gelaat was akelig vertrokken geweest,
maar zij had het niet opgegeven, eer zij en haar helpsters werkelijk
den zwaren last van den stervenden man al hooger en hooger hadden
gebracht, eindelijk zelfs tot aan de planken van den steiger. Maar die
bovenmenschelijke krachtinspanning, waardoor het aan de drie vrouwen
was gelukt een werk te volbrengen, dat veel te zwaar was voor haar
kracht, al was die ook verdubbeld door de macht van haar ernstigen wil
en vurig verlangen, zou toch niet tot het doel hebben geleid, indien
niet Diomedes op het laatste oogenblik nog te hulp ware gekomen. Hij was
sterk, en met zijn bijstand konden zij den stervende grijpen, hem op den
steiger trekken, en langs de reeds voltooide trap naar het graf in de
benedenruimte dragen. Toen zij den gewonde daar hadden neergelegd op
een der rustbanken, waarvan de groote zaal reeds was voorzien, was de
geheimschrijver weder weggegaan. Doch op de trap was hij blijven staan
om de rol van onopgemerkt toeschouwer te spelen, en spoedig bij de hand
te zijn, voor het geval dat de Koningin nog eens zijn hulp zou behoeven.
Nog gloeiend van de ontzettende inspanning van zooeven, met verwarde
loshangende haren, kermend en steunend, had Cleopatra als buiten zich
zelve haar kleed gescheurd, zich op de borst geslagen en die met hare
nagels opengereten.
Toen had zij haar eigen schoon gelaat op de wond van haar geliefde
gedrukt, om het stroomende bloed te stelpen, en daarbij waren weder al
die zoete, liefkoozende namen over hare lippen gekomen, die zij den nu
stervenden man in den lentetijd hunner liefde toegeroepen had.
Zijn verschrikkelijk lijden maakte dat zij haar eigen droevig lot
vergat. Tranen van medelijden vielen als een verkwikkende zomerregen op
de nog onverwelkte bloem hunner liefde, en deden die, terwijl zij in
dien nacht toch reeds weder heerlijk opgeloken was, tot een laatsten
vollen bloei komen. Even onmatig en onbegrensd als eens de hartstocht
voor dezen man was geweest, was nu de droefheid, waarmede zijn
smartelijk scheiden haar vervulde. Gedurende het feestmaal, dat pas
enkele uren geleden was afgeloopen, was haar weder duidelijk en helder
voor den geest gekomen wat Marcus Antonius in den glanstijd van haar
leven voor haar was geweest, wat zij elkander hadden geschonken en wat
de een van den ander had ontvangen. Thans ging dat alles in enkele
beelden samengevat nog eens aan haar geestesoog voorbij, doch het was
alleen om haar nog duidelijker de diepte van ellende van dit uur te doen
zien. Eindelijk drong de smart ook de schitterendste herinnering naar de
duisternis terug; zij zag niets meer dan de marteling van den geliefde
aan hare zijde; haar altijd levendige geest toonde haar enkel nog den
afgrond aan hare voeten, en het graf, dat niet voor Antonius alleen,
maar ook voor haar zelve openstond.
Niet in staat om voorbijgegaan geluk te herdenken of nog op toekomstig
te hopen, verloor zij al hare kalmte, en werd geheel een prooi der
wanhoop. Geen vrouw uit het volk had zich hartstochtelijker overgegeven
aan de brandende pijn die haar hart verscheurt, en daaraan een woester,
onbeteugelder uiting kunnen geven, dan deze groote Koningin, deze vrouw,
die reeds als kind zoo gevoelig was geweest voor de geringste smart, en
die in haar later leven waarlijk niet had geleerd het leed te dragen en
geduld te oefenen.
Nadat Charmion den lijder op zijn wensch een teug wijn had gegeven, vond
hij de kracht om, in plaats van enkel te jammeren en te klagen, geregeld
te spreken.
Vol liefde vermaande hij Cleopatra om aan haar eigen redding te denken,
wanneer die mogelijk was zonder dat hare eer er onder leed, en wees haar
Proculejus aan als de man, die onder de vrienden van Octavianus het
meest haar vertrouwen waardig was. Daarop smeekte hij haar hem niet te
beklagen, maar gelukkig te prijzen, omdat hij de allergrootste gunst van
het lot had genoten. Het schoonste wat het leven heeft, was hij aan hare
liefde verschuldigd, doch ook was hij de eerste en machtigste man der
wereld geweest. Nu stierf hij in de armen der liefde een eervollen dood,
als een Romein, die voor een Romein bezweek.
In dit bewustzijn had hij, na een korten strijd, den laatsten snik
gegeven. Cleopatra had naar zijn laatsten ademtocht geluisterd, hem de
oogen gesloten, en zich daarna zonder tranen over den geliefden man
heengebogen. Eindelijk was zij in onmacht gevallen, en met het hoofd op
zijn koude borst blijven liggen.
De geheimschrijver had bij dat alles toegezien en was daarna met
vochtige oogen naar de eerste verdieping teruggegaan. Daar had hij
Gorgias ontmoet, die juist op den steiger was geklommen, en had hem
medegedeeld wat hij van de trap af, had gehoord en gezien. Doch
nauwelijks had hij zijn verhaal geëindigd, of bij den Muzenhoek had een
wagen stil gehouden, waaruit een voornaam Romein was gestapt.
Het was dezelfde Proculejus, dien de stervende Antonius aan zijn
geliefde, als haar vertrouwen waardig, aanbevolen had.
»Inderdaad," vervolgde Gorgias, »scheen hij door gestalte en gelaat
tot de edelsten van zijn trotsche natie te behooren. Hij kwam met een
zending van Octavianus. Men zegt dat hij innig aan den Cæsar is gehecht,
en daarbij een welmeenend man is. Wij hebben hem ook hooren roemen
als dichter, en zwager van Mæcenas. Die rijke, voorname heer is een
grootmoedig beschermer der dichters, en ook kunst en wetenschap stelt
hij op hoogen prijs. Timagenes heeft hem geroemd om zijne beschaving en
edele gezindheid. Misschien had de geschiedschrijver gelijk, doch voor
zoover het den Staat en zijn welzijn betreft, schijnt het in de omgeving
van Octavianus slecht gesteld te zijn met datgene wat wij hier een vrij
man waardig achten. De heer, aan wien hij zijne diensten wijdt, heeft
hem een moeielijke taak opgelegd, en zeker houdt Proculejus het voor
zijn plicht niets onbeproefd te laten die tot een goed einde te
brengen;--en toch.... Als ik goed zie, dan zal de tijd voor hem komen,
waarop hij den dag van heden verwenscht, en de gehoorzaamheid vloekt,
waarmede hij, de vrije man, den Cæsar bijstond.... Maar hoor nu verder!
»Trotsch, met opgericht hoofd en in fraaie wapenrusting, klopte hij aan
de deur van het grafmonument. Cleopatra was tot bewustzijn wedergekeerd
en vroeg--daar zij hem zeker uit Rome nog wel moest kennen--wat hij
begeerde.
»»Hij kwam," antwoordde hij beleefd, »uit naam van Octavianus, om met
haar te onderhandelen." De Koningin toonde zich bereid, hem aan te
hooren, doch weigerde hem in het gebouw binnen te laten.
»Zoo spraken zij dan met elkander door de deur. Zij sprak met edele
kalmte haar wensch uit, dat de zonen, die zij Antonius geschonken
had,--niet Cæsarion--als Koningen van Aegypte zouden worden erkend.
»Proculejus beloofde dadelijk volijverig dat hij dit aan den Cæsar zon
overbrengen, en gaf haar bovendien hoop op de vervulling van dien
wensch.
»Terwijl zij van de kinderen en hunne rechten sprak--op hare eigen
toekomst zinspeelde zij met geen enkel woord--wenschte haar toehoorder
iets naders te vernemen omtrent het einde van Antonius, en verhaalde
haar daarop zelf, hoe het gegaan was met de vernietiging van het leger
van den afgestorvene, en ook andere dingen van minder beteekenis. De man
zag er niet uit als een prater, en ik koesterde reeds toen argwaan dat
hij de Koningin met opzet bezighield. Dat was ook zijn bedoeling, want
hij had alleen gewacht op Cornelius Gallus, den bevelhebber der vloot,
van wien gij immers reeds hebt gehoord. Hij is een der aanzienlijkste
Romeinen, en toch maakte hij zich tot een bondgenoot van Proculejus!
»Deze laatste verwijderde zich, zoodra hij de ongelukkige vrouw met zijn
vriend bekend had gemaakt. Ik bleef op mijn post en luisterde toe,
terwijl hij Cleopatra verzekerde van de deelneming van zijn gebieder.
Hij bracht haar in gezwollen taal over hoe bitter Octavianus Marcus
Antonius betreurde, als zijn vriend, zwager, mederegent en deelhebber
aan zoovele gewichtige ondernemingen. Bij de tijding van zijn dood had
hij heete tranen gestort, en zeker had nooit iemand oprechtere vergoten.
»Het scheen mij toe, dat ook Gallus met opzet het gesprek rekte.
»Op eens, terwijl ik nog al mijn oplettendheid inspande om ook te hooren
wat Cleopatra, zoo kort mogelijk, antwoordde, kwam mijn opzichter der
bouwwerken naar mij toe, die, toen de arbeiders door de Romeinen waren
verdreven, zich tusschen twee blokken graniet verborgen had gehouden.
Hij deelde mij mede dat Proculejus aan de achterzijde van het monument
den steiger had beklommen door middel van een ladder. Twee dienaren
waren hem gevolgd, en zij waren alle drie naar beneden in de zaal
geslopen.
»Ik vloog op, want ik had op den grond gelegen om met uitgerekten hals
des te beter te kunnen luisteren.
»Nu moest ik, het kostte wat het wilde, de Koningin waarschuwen, want
stellig was hier verraad in het spel.
»Maar ik kwam te laat. O, Dion! Indien ik het enkele oogenblikken
vroeger had gehoord, misschien was er dan iets nog vreeselijkers
gebeurd;--doch zij, de Koningin, ware gespaard gebleven voor wat haar
nu bedreigt.--Want wat mag zij verwachten van den overwinnaar, die zich
verlaagt tot snood bedriegen van een edele, weerlooze vrouw, die voor de
overmacht moet bukken, met het doel om zich levend, alleen maar levend,
van haar meester te maken.
»De dood zou de ongelukkige hebben bevrijd van zwaar leed en
vreeselijke schande! En zij had reeds tegen zichzelve den dolk
opgeheven. Deze oogen hebben het gezien hoe zij den schoonen arm zwaaide
met het flikkerende staal, dat bij het schijnsel der kaarsen op de
veelarmige luchters naast de sarcophaag helder schitterde.... Doch ik
wil beproeven kalm te blijven! Ik zal het u alles achter elkaar
verhalen, zooals het zich heeft toegedragen. Bovendien raken mijne
gedachten verward nu ik mij die schrikkelijke gebeurtenis weder voor den
geest roep.
»Om het te beschrijven zooals ik het heb gezien, zou ik een dichter
moeten zijn, een schilder met woorden; want wat daar vóór mijne oogen
geschiedde in die omgeving.... Gij weet immers, dat het een graftombe
was. De muren van donkeren steen; donker waren ook zuilen en zoldering,
alles glimmend, maar donker.... Bijna overal glad gepolijste steen,
die daardoor blonk als een spiegel. Bij de sarcophagen en in den omtrek
van de kandelaber, tot dichtbij de deur, waar het schelmstuk werd
uitgevoerd, helder licht--als in een feestzaal. Iedere bloedvlek op de
hand, iedere schram, iedere wond duidelijk zichtbaar, door de wanhopige
vrouw met hare nagels gereten in den boezem, die sneeuwwit door het
verscheurde zwarte gewaad te voorschijn kwam. Verderop rechts en links
zwak schemerlicht, en in den achtergrond en bij de zijmuren diepe
duisternis, als in een echt, werkelijk graf. Maar aan de gladde ronding
der porfieren zuilen, aan het zwarte marmer en den serpentijnsteen,
hier, ginds en overal de trillende weerkaatsing van het licht der
kaarsen. De tocht hield dit steeds in beweging, en zoo dreef het in de
zaal zijn spel, evenals de rustelooze zielen der verdoemden. Waarheen
de blik zich wendde, overal was duisternis op den achtergrond. Het
verst verwijderde gedeelte van de zaal was zwart, zwart als de voorhof
van den Hades, doch ook hier brak een heldere, bewegelijke streep door:
zonnestralen, die van de zijde der trap in de graftombe vielen, en
waarin stofjes dansten. Welk een indruk maakte dat! De woonplaats der
duistere Hekate! En de Koningin, en alles wat er met haar gebeurde! Een
schilderij door licht overgoten, die stralend uitkwam tegen het donker
in den wijden kring der massieve, majestueuse vormen er omheen. Dit
grafteeken, in dit licht, zou een geschikter paleis zijn geweest voor
den koning der demonen, wiens heirscharen de Magiër bezweert, wanneer
zij zijn opgeroepen om hem te gehoorzamen bij zijne werken der
duisternis.--Doch waar dwaal ik heen? »De kunstenaar!" hoor ik u weder
roepen, de kunstenaar! In plaats van ter hulp te ijlen geeft hij zich
over aan den indruk dien het licht op hem maakt, dat in de koninklijke
grafgewelven valt.--Ja, het is waar: ik was te laat, veel te laat
gekomen! Ik ontdekte dat reeds op de trap, die naar de benedenruimte
voert; doch ik heb geen schuld aan dit tijdverlies, neen, zeker niet!
»In het begin had ik van de mannen niets kunnen bespeuren,--geen schaduw
zelfs; doch wel zag ik in het helderste licht het lijk van Antonius, op
de rustbank uitgestrekt, en verder in de schemering ter rechterzijde
Iras en Charmion, die zich vergeefs inspanden om een valluik op te
lichten. Het was hetzelfde, dat de gang afsloot, waardoor men de
brandstof in de kelders bereiken kon. Zij hadden die op een teeken der
Koningin in brand moeten steken.
»Nauwelijks was ik de eerste treden van de trap af--daar komt eensklaps
uit de diepe duisternis Proculejus met twee mannen van de andere zijde
te voorschijn. Mijzelven bijna niet meer meester ijl ik verder de
trappen af, en terwijl de schrille stem van Iras mij in de ooren
krijscht: »Arme Cleopatra, zij nemen u gevangen!" zie ik, hoe de Vorstin
zich afwendt van de deur, waardoor zij, vastbesloten te sterven, nog
iets, ik weet niet wat, aan Gallus had willen zeggen. Daarop zie ik hoe
zij Proculejus vlak achter zich ontdekt, in haar gordel grijpt, en met
bliksemsnelheid--zooals ik u reeds verhaalde--haar arm met den kleinen
dolk omhoog heft, om zich de scherpe punt in haar eigen borst te
stooten. Welk een gezicht! Door het heldere licht beschenen, geleek
zij de triomfeerende overwinning, de edele trots, die groote daden
volbrengt; en toen, slechts enkele oogenblikken later.... Maar welk een
lot zou haar nog treffen!
»Als een roover, een sluipmoordenaar, viel Proculejus op haar aan, hield
haar arm tegen, en ontwrong haar het wapen. Door zijne hooge gestalte
werd zij aan mijn blik onttrokken. Doch toen zij, terwijl zij zich aan
het geweld van den snoodaard ontrukte, het gelaat weder naar de zaal
keerde, hoe was zij toen veranderd! Hare oogen--gij kent ze--waren nog
eens zoo groot geworden en zij vlamden van verachting, vijandschap en
haat tegen den verrader. Het verwarmende licht was verwoestend vuur
geworden. Zoo stel ik mij de wraak, den vloek voor, die verderf afsmeekt
over het hoofd van zijn vijand. En Proculejus, de groote heer, de
dichter, wiens edele zin daarginds aan den Tiber wordt geprezen, hij
stond nog altijd achter de weerlooze vrouw, de waardige dochter uit een
schitterend koningsgeslacht, en hield haar omklemd, alsof hij al zijne
mannenkracht gebruiken moest om dit teedere toonbeeld van bekoorlijke
vrouwelijkheid te bedwingen. Het is waar, het trotsche bloed der
vertoornde leeuwin drong haar om zich tegen deze vernederende
behandeling te verweren en Proculejus--een benijdenswaardige eer!--liet
haar de meerdere kracht van zijn armen voelen. Ik ben geen profeet,
maar ik herhaal het, Dion: Hij zal tot in zijn laatste uur dien
smadelijken kamp en de blikken niet vergeten, die hem daarbij troffen.
Indien zij mij gegolden hadden, ik zou mijn leven moeten vloeken!
»Ook den Romein dreef die blik het bloed uit de wangen. Doodsbleek
volvoerde hij verder, wat hij voor zijn plicht hield. Hij bezoedelde
zijn eigen voorname handen met het werk van den tolbeambte, en doorzocht
de kleederen eener vrouw, der Koningin, of er ook verboden zaken in
te vinden waren; vergif of wapenen. Een vrijgelatene van den Caesar,
Epaphroditus, die zeer in de gunst van Octavianus moet staan, hielp hem
daarbij.
»Ook Iras en Charmion werden door den ellendeling onderzocht, en onder
dat alles hielden beide Romeinen niet op, met schoonklinkende woorden te
spreken van de genade van den Caesar, en zijn wensch om aan Cleopatra
alles toe te staan, wat een Koningin toekomt.
»Eindelijk leidde men haar naar de Lochias terug; ik zelf was als een
zinnelooze, want het beeld der ongelukkige vrouw vervolgde mij als
mijn schaduw. Het was nu niet meer dat van een betooverende vrouw;
maar van de verpersoonlijkte wanhoop, van den weedom die geen tranen
heeft, van den toorn, die naar wraak hijgt. Ik wil niet trachten het
te beschrijven, maar die oogen, die dreigend vlammende oogen en dat
verwarde haar, waaraan het bloed van Antonius kleefde..... vreeselijk,
ontzettend! Mijn hart versteende, alsof ik de Medusa met het slangenhaar
in het schild van Athene in het aangezicht had gezien.
»Ik zeide het reeds, het was mij onmogelijk geweest haar bijtijds te
waarschuwen of zelfs den verrader bij den arm te grijpen, en nochthans
zag haar vlammend gelaat mij om dit verzuim verwijtend aan. Nog altijd
vervolgt mij haar blik, en rooft mij kalmte en vrede. Eerst als ik in
Helena's reine, rustige oogen zie, zal het vreeselijke, door 't licht
omstraalde gezicht uit het graf van mij wijken, en misschien gelukt het
mij dan de rust weder te vinden."
Nu legde zijn vriend de hand op zijn arm, trachtte hem tot bedaren te
brengen, en herinnerde hem daarbij aan het goede, dat deze noodlottige
dag--zooals hij zelf had gezegd--toch ook had meegebracht.
Hiermede had Dion de rechte snaar aangeroerd, want op eens veranderden
Gorgias' houding en toon, en hij verzekerde met warmte, dat op al die
gruwelen hoogst verblijdende dingen gevolgd waren, voor de stad, zijn
vriend en Barine.
Vervolgens zette hij op kalmen toon zijn verhaal voort: »Als een
beschonkene ging ik op weg naar huis. De poging om de Koningin of
hare vertrouwelingen te naderen, had helaas schipbreuk geleden, doch
ik hoorde van de slimme Nubische dienares van Charmion, dat het aan
Cleopatra, uit naam van den Caesar, vergund geworden was zelve te
bepalen in welk paleis zij wilde wonen. En zij moet dat op de Lochias
gekozen hebben.
»Op mijn weg naar huis, kwam ik niet snel vooruit, daar ik reeds vóór
het groote gymnasium werd tegengehouden door de menigte. Octavianus
had zijn intocht in de stad gedaan, en ik hoorde hoe het volk hem had
toegejuicht en voor hem op de knieën was gevallen. Onze onbuigzame
Alexandrijnen in het stof voor den overwinnaar! Dat maakte mijn diepste
verontwaardiging gaande--doch mijn toorn zou spoedig bedaren.
»Allen die tot het gymnasium behooren, kennen mij. Men maakte voor mij
plaats, en eer ik nog was besloten binnen te gaan, was ik de hoofdpoort
reeds door. De lange Phryxus had mijn arm door den zijne getrokken. De
rijke man, die overal en nergens is, hoort immers alles, en de beste
plaatsen zijn altijd reeds vooruit voor hem bewaard. Ook ditmaal gelukte
hem dat, want toen hij mij losliet, stonden wij tegenover een pas
opgerichte redenaarstribune.
»Men verwachtte Octavianus, die reeds in den zuilengang van Euergetes
de hulde ontvangen had van den epitroop[22], de leden van den Raad, den
gymnasiarch, en ik weet niet van wien al meer.
[22] Landvoogd.
»Phryxus verhaalde mij dat de Caesar reeds bij den intocht zijn
voormaligen gouverneur de hand had gereikt, zich door hem had doen
vergezellen, en zijn zoons voor hem laten brengen. De philosoof was meer
dan iemand anders door hem met onderscheiding behandeld, en dat zal nu
u en de uwen ten goede komen, want hij is immers de broeder van vrouw
Berenice, en dus de oom van uw echtgenoot. Wat hij wenscht, wordt hem
bij voorbaat toegestaan. Gij zult spoedig hooren hoe in het oog vallend
de Caesar hem tracht tot zich te trekken en te onderscheiden. Ik gun
het den man gaarne, want hij is indertijd kloek opgetreden voor Barine;
zij roemen hem als een degelijk geleerde, en aan moed ontbreekt het hem
evenmin. Ondanks Actium, en de eenige schandelijke daad die men, zoover
ik weet, aan Marcus Antonius verwijten kan--de uitlevering van Turullius
bedoel ik--heeft Arius hier altijd verblijf kunnen houden. Even goed als
hij den moordenaar van Julius Caesar prijs gaf, had de imperator den
vriend van diens neef als gijzelaar kunnen gevangen nemen.
»Sedert Octavianus voor de stad ligt, is uw oom ernstig bedreigd
geweest, en evenals hij waren dat ook zijn zoons--gij zult die schoone,
sterke jonge epheben wel kennen.
»In het Gymnasium behoefden wij niet lang te wachten eer de Caesar de
tribune beklom, en toen--als zich nu uw vuist gaat ballen, dan doet zij
niets anders dan ik verwacht--toen vielen allen die er omheen stonden,
op de knieën. Ons woest, oproerig gepeupel hief als smeekende bedelaars
de handen omhoog, en ernstige, waardige mannen deden hen dat na. Wie
mij en mijn langen metgezel heeft gezien, zal ons beiden ook onder die
knielende lage vleiers rekenen, want indien wij staande gebleven waren,
zouden zij ons zeker naar den grond getrokken hebben. Wij huilden dus
met de wolven mee en deden als de anderen."
»En Octavianus?" vroeg Dion in spanning.
»Een koninklijke verschijning, met een jeugdig uiterlijk. Een
baardeloos, fijn besneden gelaat, een fraai profiel, als geschapen voor
een stempelsnijder. Scherpe, en toch innemende trekken. Voornaam van
top tot teen; maar de spiegel van een koude ziel, niet in staat tot
geestverheffing, noch vatbaar voor een warm gevoel of een opwelling
van barmhartigheid. Alles bij elkaar: een schoon, trotsch, verstandig,
berekenend man, dien men voor zijn hart niet tot vriend zou wenschen,
doch voor wiens vijandschap de goden allen die wij liefhebben mogen
bewaren.
»Weder leidde hij Arius bij de hand. De zoons van den philosoof volgden
hen. Toen hij op de tribune stond en neerzag op de duizenden, die voor
hem op de knieën lagen, toonde geen spier van zijn edel gezicht--want
edel is het--ook maar de minste aandoening. Als een landheer, die zijn
kudde overziet, zag hij op ons neer, en na lang stilzwijgen verklaarde
hij in voortreffelijk Grieksch kortaf, dat hij het Alexandrijnsche volk
vrijsprak van alle schuld jegens hem, ten eerste--hij rekende hen dat
voor, alsof hij veteranen opriep om hen te beloonen--uit eerbied voor
den grooten stichter van onze stad, den wereldveroveraar Alexander;
ten tweede, omdat de grootte en schoonheid van Alexandrië hem met
bewondering vervulde, en ten derde--hier wendde hij zich tot Arius--om
welgevallig te zijn aan dezen, zijn voortreffelijken en veelgeliefden
vriend.
»Daarop barstte een luid gejubel los.
»Aan ieder, van den kleinste tot den grootste, was hierdoor een zware
last van de ziel genomen, en nauwelijks had het volk het Gymnasium
verlaten, of het lachte weder zoo overmoedig als ooit, en er was geen
gebrek aan scherpe of onschuldige grappen. Dicht bij mij riep de dikke
timmerman Memnon, dezelfde die voor uw paleis het houtwerk maakte:
vroeger heeft een dolfijn Arius uit de handen der zeeroovers gered, en
nu redt Arius het zeedier Alexandrië uit die van andere roovers. En zoo
ging het voort. Niemand was zeker een beter mikpunt voor geestigheden
dan Philostratus, de eerste man van Barine. Die opruier had goede
redenen om het ergste te vreezen, en nu liep hij in zwarte rouwkleederen
achter Arius aan, dien hij nog maar enkele maanden geleden met grimmigen
haat had vervolgd, en riep hem voortdurend den zinledigen versregel toe:
"Zijt gij wijselijk man, dan helpe de wijze den wijze."
»Of die armzalige bedelarij geholpen heeft, zullen wij later wel hooren.
»Het was niet gemakkelijk naar huis te komen. De straten wemelden
van Romeinsche soldaten. Zij hadden het zoo goed als zij maar konden
verlangen, want vele gegoede burgers der stad, die het hunne gespaard
zagen, namen in de vreugde van hun hart enkele krijgslieden, of zelfs
wel een geheele troep, mede naar de gaarkeuken of de herberg, en in
dezen nacht zal de voorraad wijn der Alexandrijnen zeker aanmerkelijk
verminderen.
»Zooals ik zeide, waren vele soldaten in de huizen ingekwartierd, met
bevel het eigendom der burgers te eerbiedigen. Juist toen trof Barine's
grootmoeder de slag, waarmede ik begon. Vóór mijn vertrek had men haar
de oogen reeds gesloten.
»Thans staan alle poorten der stad voor u open, en men zal Arius' nicht
en haar echtgenoot met kransen ontvangen. Ik gun het uwe Barine gaarne,
want zooals uwe bewonderenswaardige gade, die ook mijn hart heeft
veroverd, alles heeft opgegeven waarop een gevierde stadbewoonster prijs
stelt, om op het eenzaamste van alle eilanden een nieuwe wereld te
vinden voor hare liefde, dat is allen lof en iedere belooning waard.
Voor u zelven ben ik eigenlijk voor nog meer geluk en eer beducht, want
als die zich nog bij al het andere voegen, dat het lot u geschonken
heeft in zulk een gemalin en in uw zoon Pyrrhus, dan zouden de goden
niet meer zichzelven zijn, wanneer zij u niet met hunnen naijver
vervolgden. Ik voor mij heb minder reden hen te vreezen."
»Ondankbare!" zeide zijn vriend. »Ook onder de stervelingen is er
menigeen die u uwe Helena benijden zou. Wat mij betreft, werkelijk heeft
reeds menigmaal een stille angst mij bekropen, doch wij hebben immers
aan de goden geen geringe schatting betaald? In ons woonvertrek brandt
de lamp nog. Bereid de vrouwen voor op den dood der oude vrouw, en
verhaal ook de verblijdende dingen, die gij hebt gehoord. Wacht liever
tot morgen om te spreken over de verschrikkelijke gebeurtenis waarvan
gij getuige waart. Wij moeten niet hare nachtrust bederven. Let eens op!
Helena's stille droefheid en hare blijdschap over onze verlossing zullen
nog heden uw hart goed doen."
En zoo was het ook. Wel doorleefde Gorgias nog eens in den droom het
vreeselijke schouwspel van den vorigen dag, doch toen de zon van den
tweeden Augustus met helderen glans over Alexandrië opging, namen
nieuwe, vriendelijke indrukken een goed deel van de verschrikkingen dier
gruweltooneelen weg. In den vroegen morgen landde op het Slangeneiland
de eene boot na de andere. Uit de eerste stapte vrouw Berenice met hare
neven, de beide zonen van den gevierden philosoof Arius; daarna uit
de andere, cliënten, beambten en vrienden van Dion, en bevoorrechte
voormalige bezoekers van Barine. Zij allen kwamen het jonge paar
begroeten, en hen uit den schuilhoek, die hen zoolang verborgen had,
naar de stad en in hun midden terugvoeren. Want het nieuws, waar Dion en
Barine verblijf gehouden hadden en dat zij sinds lang een gelukkig paar
waren, had zich door »den langen Phryxus" met groote snelheid verbreid.
Velen hadden er een zeetochtje voor over, om de helden van zulk een
zeldzaam avontuur te zien en het eerst te begroeten. Al wie Barine en
haar gemaal kende, was daarenboven nieuwsgierig te weten hoe deze beide
menschen, die gewend waren aan het leven in een groote stad, zulk een
volkomen afzondering zoovele maanden lang zouden hebben uitgehouden.
Menigeen vreesde of vermoedde haar bij het wederzien uitgeteerd en
kwijnend, verwilderd of zelfs tot zwaarmoedigheid vervallen te vinden,
en zoo waren er vele verbaasde gezichten onder degenen, wier boot de
vrijgelatene Pyrrhus in zijn hoedanigheid van loods door de ondiepten
had gebracht, die zijn eiland zoo beschermend omringden.
Het feestelijk inhalen van het merkwaardige paar zou een goede
aanleiding geweest zijn tot vroolijke feesten. Men verheugde zich dat de
stad zoo genadig behandeld werd, ofschoon de meesten het droevig lot der
Koningin oprecht betreurden, en de ernstigsten zich verontrustten over
de toekomst van Alexandrië's vrijheid onder Romeinsche heerschappij.
Het leven en de bezittingen der bewoners waren immers gespaard, en
feestvieren was voor groot en klein een levensbehoefte geworden. Maar
het bericht van den dood van Didymus' gemalin en van de ziekte des
grijsaards, die niet wennen kon aan het gemis van zijne trouwe gezellin
gaf Dion het recht, om iedere vroolijke verwelkoming in zijn eigen huis
af te slaan. Het leed van Barine was het zijne, en Didymus stierf reeds
eenige dagen na zijn vrouw, met wie hij langer dan een halven eeuw
verbonden was geweest; de menschen zeiden: "aan een gebroken hart."
Zoo deden dus Dion en zijne jonge vrouw zonder luidruchtige
feestelijkheden hunne intrede in zijn fraai paleis. In plaats van
jubelende Hymenaeën, klonk hem op den drempel de stem van zijn eigen
kind tegen.
De rouwkleederen, waarin Barine hem in de vrouwenvertrekken ontving,
deden hem weder denken aan den naijver der goden, waarvoor zijn vriend
om zijnentwil had gevreesd. Veeleer was het hem dikwijls, alsof het
beeld zijner moeder in het tablinum er bijzonder tevreden uitzag,
wanneer zijne jonge huisvrouw daar binnen trad. Barine voelde ook
dat haar geluk als echtgenoote en moeder, in dit heerlijk tehuis
overstelpend groot zou zijn geweest, wanneer een wijze lotsbeschikking
haar niet juist nu de smart over het verlies van geliefde betrekkingen
te dragen had gegeven.
Dion wijdde zich dadelijk weder aan de belangen van zijn stad en zijn
eigendom. Hij en de geliefde vrouw, met wie hij door den moeilijken tijd
van ontbering nog veel inniger verbonden was, waren nu in een veilige
haven binnen geloopen, en zagen met kalmte de stormen van het leven
tegemoet. Het anker der liefde, dat zijn scheepje aan den vasten grond
hechtte, had in de eenzaamheid op het Slangeneiland de proef doorstaan.