De visschersfamilie had hare lieve gasten met een bedroefd hart zien
vertrekken, en de vrouwen hadden menigen traan daarbij vergoten,
ofschoon Pyrrhus' zonen uit den dienst op de vloot ontslagen, en nu
weder als vroeger hun vader behulpzaam waren.
Dion had bovendien den trouwen vrijgelatene tot een gegoed man gemaakt,
en aan zijn dochter Dione een huwelijksgift beloofd. Zij werd dan ook
spoedig de vrouw van den scheepskapitein, die op den Epicurus, den
snelzeiler van Archibius, bevel voerde. Zij had dien leeren kennen in
den tijd toen de bruine dienares van Charmion zoo vaak op dit schip naar
het Slangeneiland was gekomen. Het doel van deze bezoeken van Anukis
was niet alleen geweest haar vriend te begroeten, maar ook om hem te
overreden een der vergiftige slangen van de naburige eilanden te vangen,
en voor de Koningin in gereedheid te houden.
Sedert Cleopatra tot de overtuiging gekomen was, dat geen vergift een
minder pijnlijken dood ten gevolge had dan dat van den tand der aspis,
had zij het besluit genomen, zich door den beet van een dezer dieren
van den last des levens te bevrijden. De slimme Aethiopische was op de
gedachte gekomen haar vriend Pyrrhus met het bezorgen van de adder te
belasten, doch al Aisopion's overredingskunst, en de roerende wijze
waarop zij den ontzettenden toestand der Koningin beschreef, waren
noodig geweest om het verzet van den rechtschapen man te overwinnen.
Eindelijk had zij hem toch aan het verstand gebracht, dat men een
Koningin naar een anderen maatstaf beoordeelen moest dan een vrouw uit
het volk, en hem overgehaald met haar, Anukis, af te spreken hoe en
wanneer de slang in het wel bewaakte paleis het best zou zijn binnen te
brengen. Als het beslissend uur gekomen was, zou hem een teeken worden
gegeven. Voortaan moest hij iederen dag met de adder op de vischmarkt
gereed staan. Waarschijnlijk zou het niet lang duren eer men hem dien
dienst zou vragen, want men kon het lange aarzelen van Octavianus
moeilijk als een gunstige beschikking omtrent het lot van Cleopatra
uitleggen.
Wel liet men haar op de Lochias op koninklijke wijze voortleven, en had
haar zelfs toegestaan de kinderen weder bij zich te zien, met belofte
het leven en de vrijheid van de tweelingen en den kleinen Alexander te
zullen sparen. Cæsarion was echter gevangen genomen in het heiligdom van
zijn vader, waar hij bescherming had gezocht, nadat zijn verraderlijke
gouverneur Rhodon hem met allerlei verlokkende voorspiegelingen,
waaronder ook de terugkeer van Barine, naar Alexandrië had doen terug
komen, terwijl hij juist op reis was naar het zuiden. Dit bleef de
ongelukkige moeder niet verborgen, evenmin dat Octavianus den jongeling,
die zoozeer op Cæsar geleek, ter dood had veroordeeld. Ook werd haar
een gezegde van den philosoof Arius overgebracht, waarmede deze zijn
goedkeuring had gehecht aan den wensch van den Cæsar, om zich te ontdoen
van den zoon zijns grooten ooms. Het was een zinspeling op een versregel
van Homerus, waarin deze de veelhoofdige regeering veroordeelde.
Over het geheel kwam Cleopatra alles ter oore, wat zij omtrent de
gebeurtenissen in de stad wenschte te weten, want men liet haar veel
vrijheid. Alleen werd zij dag en nacht zeer zorgvuldig bewaakt, en
evenals de dienaren en beambten, werd ieder dien zij bij zich wenschte
te zien, eer hij met haar in aanraking kwam, nauwkeurig onderzocht om
alle middelen, waardoor zij zich het leven zou kunnen benemen, van haar
verwijderd te houden.
Niemand twijfelde er trouwens aan, of zij met het leven had afgedaan.
Haar poging om alle spijs te weigeren en van honger te sterven, moest
worden ontdekt. Toen had men ernstige bedreigingen uitgesproken tegen
hare kinderen, want men zag in, dat door hen de meeste invloed op haar
kon worden uitgeoefend, en werkelijk was zij er daar door weder toe
gekomen, zich voldoende te voeden. Dat alles wist Octavianus, en zijn
gedrag bewees dat hij er bijzonder op gesteld was, haar van een
zelfmoord terug te houden.
Verscheidene Aziatische vorsten wedijverden in den wensch om de
nagedachtenis van Marcus Antonius te eeren door een prachtige uitvaart,
doch Octavianus had aan Cleopatra toegestaan zelve daarvoor te mogen
zorgen. In dezen tijd van het grootste zieleleed vond zij er troost
en bevrediging in, dat alles zelve te beschikken, en zelfs enkele
dingen die er toe behoorden met eigen hand in orde te maken. De
teraardebestelling zou dan ook met al de praal geschieden, die met den
aard van den overledene overeenkwam.
Iras en Charmion begrepen dikwijls niet hoe zij al die inspanning en
aandoeningen, die haar die bezorging op den hals haalde, kon verduren,
terwijl zij, sedert Antonius' dood, niet alleen leed aan de wonden, die
zij zich in haar wanhoop had toegebracht, maar ook, na haar mislukte
poging om zich te laten doodhongeren, door sluipkoortsen was aangetast.
Intusschen had de terugkomst van Archibius met de kinderen haar
wegkwijnenden moed zichtbaar doen herleven. Zij ging dikwijls in den
tuin van Didymus, die thans met het paleis op de Lochias verbonden was,
om hun werk in oogenschouw te nemen en te deelen in alles wat in hun
jong hart omging.
Doch de opgeruimdste van alle moeders die zij vroeger was, en die
zich zoo vriendelijk had kunnen verplaatsen in het kinderhart, was
nu een bezorgde leidsvrouw geworden, die hen ernstig waarschuwde en
onderrichtte. Hoe schoon en wel doordacht alles wat zij hen op het hart
drukte ook was, toch was het voor den leeftijd van Archibius' leerlingen
niet geschikt, want gewoonlijk had het betrekking op den dood en
wijsgeerige vraagstukken, waarvan de kleinen niets begrepen.
Zij voelde zelve dat zij den rechten toon niet meer trof, doch zoo
vaak zij beproefde een anderen aan te slaan en met de tweelingen of den
kleinen Alexander te schertsen zooals vroeger, dan kon zij die gedwongen
vroolijkheid maar een oogenblik verdragen. Weldra volgde daarop een
uitbarsting van smart, dikwijls met tranen gepaard, en zij was
genoodzaakt hare lievelingen te verlaten.
Het leven dat haar vijand haar liet, was in haar oogen een opgedrongen
geschenk, een drukkende schuld, die men den lastigen schuldeischer hoe
eer hoe beter wil afbetalen.
Zij was alleen kalmer en schijnbaar tevreden, wanneer het haar vergund
werd met de vrienden harer jeugd over lang verleden tijden, of met hen
en Iras over den dood te spreken, en middelen te beramen om een eind te
maken aan haar droevig bestaan.
Na zulke gesprekken verlieten Iras en Charmion haar met een bloedend
hart. Zij hadden sinds lang het plan opgevat om het lot harer meesteres,
wat dat ook zijn mocht, te deelen. Het gemeenschappelijk leed was de
band, die haar nu weder in vriendschap vereenigde. Iras had gezorgd voor
vergiftigde naalden, die aan de dieren, waarop men ze had beproefd, een
plotselingen dood hadden berokkend. Cleopatra had daarvan vernomen, doch
voor zichzelve hield zij vast aan den pijnloozen dood door den beet van
een slang, en haar vriendinnen hadden de geliefde oogen der rampzalige
vrouw sinds lang niet zoo helder zien glanzen, als op het bericht van
Charmion, dat er mogelijkheid was de uraeus-slang te verkrijgen, zoodra
men die noodig zou hebben. Maar het was nog altijd niet het oogenblik
om naar dit laatste redmiddel te grijpen. Octavianus wenschte voor
goedertieren te worden gehouden, en misschien liet hij zich nog
overreden om de toekomst der Koningin en die van haar kinderen dragelijk
te maken.
Een ongeloovige glimlach van Cleopatra was hierop het antwoord, en
toch was er ook in hare ziel een kiem van hoop gelegd, die haar voor
vertwijfeling behoedde.
Een zekere Dolabella, een voorname jonge Romein uit het edele geslacht
der Corneliussen, en die tot het gevolg van den Cæsar behoorde, had zich
aan haar laten voorstellen. Zijn vader was in vroeger jaren een vriend
van Cleopatra geweest, en zij had hem aan zich verplicht door hem, na
den moord op Julius Cæsar, een leger toe te zenden waarover zij te
beschikken had, om dat tegen Cassius te gebruiken. Nu waren wel is waar
hare legioenen door den afgezant van Dolabella zelf tot een ander doel
gebruikt, maar niettemin had Cleopatra een vriendelijkheid bewezen
aan den vader van den jongeling. Deze had haar reeds vóór Cæsars dood
te Rome ontmoet, en had zijn zoon met geestdrift de betooverende
lieftalligheid der Aegyptische Vorstin beschreven. Zoo hadden, ofschoon
de jonge man haar nu als een treurende weduwe vond, ziek naar lichaam
en ziel, haar heldere geest, de innemendheid van haar geheele persoon,
haar ongeluk en lijden hem zoozeer geboeid en getroffen, dat hij menig
uur aan haar wijdde, en het als een geluk zou hebben beschouwd, indien
hij haar grootere diensten had kunnen bewijzen, dan de omstandigheden
toelieten. Dikwijls vergezelde hij haar ook naar de kinderen, wier hart
hij gewonnen had door zijn open, opgeruimde manier van zijn, en zoo was
het gekomen dat hij op de Lochias weldra tot de meest welkome bezoekers
behoorde. Hij vertrouwde aan de veel oudere, warm voelende vrouw zonder
voorbehoud alles toe, wat in zijn ziel omging, en zij kwam door hem veel
te weten betreffende Octavianus en zijne omgeving. Zoo werd hij, zonder
zich als werktuig te laten gebruiken, bij den Cæsar een voorspraak voor
de ongelukkige vrouw, die hij zoo hoogachtte.
Haar zelve trachtte hij zooveel mogelijk vertrouwen te doen stellen in
Octavianus. Deze ging veel met hem om, hield van hem, en de jongeling
zelf vertrouwde op zijn edelmoedigheid.
Vooral had hij zijn hoop gevestigd op een gesprek van de Koningin met
den Cæsar. Hij hield het voor onmogelijk dat de gelukkige overwinnaar
niet te vermurwen zou zijn en zonder den wensch om haar treurig lot
te verlichten, zou kunnen afscheid nemen van de vrouw, die in vroeger
jaren zijn vader zoo betooverd had, en die, al had zij bijna zijn
moeder kunnen zijn, in zijne oogen, in bekoorlijke en aantrekkelijke
beminnelijkheid door geen andere werd geëvenaard.
Cleopatra daarentegen vreesde voor de ontmoeting met den man, die
zooveel onheil over haar en haar geliefden had gebracht, en dingen had
gezegd, die haar maar al te veel recht gaven om te twijfelen aan zijne
goedheid en eerlijkheid. Van den anderen kant moest zij Dolabella gelijk
geven, wanneer deze beweerde dat Octavianus de wenschen, die zij vooral
voor de toekomst harer kinderen koesterde, aan haar persoonlijk veel
moeilijker zou kunnen weigeren dan aan bemiddelaars. Proculejus had
gehoord dat Antonius juist hem bij Cleopatra had genoemd als de man,
die haar vertrouwen het meest waardig was, en nu voelde hij zich daarom
bezwaard over hetgeen hij als werktuig en gehoorzame vriend van
Octavianus, de beklagenswaardige vrouw had aangedaan. De gedachte
aan zijn eigen onwaardig gedrag, dat in de geschiedboeken zou worden
vereeuwigd, had den fijngevoeligen man, die als dichter de pas
ontwakende Romeinsche poëzie tot bloei bracht, menigen nacht den slaap
ontroofd. En nu deed hij al wat hij kon om de Koningin aangenaam te zijn
en haar droevig lot te verlichten.
Hij en de vrijgelatene Epaphroditus, die op last van den Cæsar
zorgvuldig waakte over haar leven, schenen veel te verwachten van zulk
een gesprek, en zij trachtten haar dus over te halen om den Cæsar om een
bijeenkomt te verzoeken.
Archibius meende dat het in het ergste geval den stand der zaken
niet nog slechter zou maken. De ondervinding leerde, zeide hij tot
Charmion, dat geen man van eenig gevoel zich geheel kon losmaken van de
betoovering die van haar uitgaat, en hem zelf was zij nooit innemender
voorgekomen dan nu. Wie zou haar zonder aandoening in dat stil,
lijdende, schoone gelaat kunnen zien? Wien zou de smartelijke toon, die
in haar zachte stem trilde, niet diep in de ziel dringen? Daarbij paste
dat zwarte rouwgewaad zoo goed bij de sfeer van lijden, die haar geheele
persoon omgaf. Wanneer de koorts den blos harer wangen verhoogde, dan
dacht Archibius dat hij haar nooit schooner had gezien, in weerwil van
den verwoestenden invloed dien smart, angst en bekommering op enkele
harer bekoorlijkheden uitgeoefend hadden. Hij kende haar en wist hoezeer
het haar ernst was met den wensch om te sterven evenals haar geliefde,
ja dat die haar geheel en al beheerschte.--Zij hechtte alleen nog waarde
aan het leven om, zoodra zij er kans toe zag, te sterven. Wat zij na
haar besluit om het grafteeken op te richten, in het heiligdom van
Berenice als de goede keuze had leeren beschouwen, was de richtsnoer
van haar leven geworden. Iedere gedachte, ieder gesprek bracht haar naar
het verleden terug. Een toekomst scheen voor haar niet meer te bestaan.
Indien het Archibius al een enkele maal gelukte haar geest te richten
op de dagen die komen zouden, dan hield zij zich alleen met het lot van
hare kinderen bezig. Voor zich zelve hoopte zij niets meer; zij voelde
zich ontslagen van iederen plicht, behalve van dien éénen, om zich zelve
en haar naam te bewaren voor schande en vernedering.
Dat Octavianus, nadat hij besloten had Cæsarion ter dood te
veroordeelen, aan de andere kinderen veroorloofd had naar haar terug te
keeren, met de verzekering dat hen geen leed geschieden zou, bewees dat
hij tusschen hen en den zoon van zijn oom onderscheid maakte, en van de
eersten voor zijn eigen veiligheid niets duchtte. Van een bijeenkomst
met Octavianus zou inderdaad voor haar zelve iets gewichtigs te
verwachten zijn; en zoo droeg zij dan eindelijk aan Proculejus op, om
hem een onderhoud te verzoeken.
Het antwoord kwam nog dienzelfden dag. De Cæsar liet haar weten dat het
aan hem was, haar te komen bezoeken.
Deze ontmoeting moest over haar lot beslissen. Zij was zich daarvan
bewust, en verzocht Charmion de adder gereed te houden.
Men had aan de kamervrouwen der Koningin verboden de Lochias te
verlaten, doch Epaphroditus stond haar wel toe bezoeken te ontvangen. De
Nubische had door hare levendige manieren de Romeinsche bewakers reeds
voor zich gewonnen. Zij mocht ongestoord in- en uitgaan. Evenwel werd
zij, telkens als zij weer op de Lochias terugkwam, met de grootste
nauwkeurigheid onderzocht.
Het beslissend uur naderde. Charmion wist wat haar te doen stond, hoe de
afloop ook mocht zijn. Zij had echter nog één wensch, welks vervulling
haar zeer ter harte ging. Zij wilde Barine nog eens spreken, en haar
zoontje zien.
Ter wille van Iras had zij tot nu toe met opzet Dion's gemalin niet
bij zich laten komen. Het gezicht van moeder en kind zou de nog niet
geheelde wonden opengereten hebben, en zij wilde hare nicht, die sedert
lang weder trouw en vast aan haar verbonden was, deze smart besparen.
De Cæsar haastte zich niet met de vervulling van zijn belofte: doch
ongeveer een week nadat Proculejus de toezegging had gebracht, kon hij
des morgens het bezoek van den Cæsar tegen den namiddag aankondigen. Een
groote ontroering maakte zich bij deze tijding van de Koningin meester.
Zij wenschte, vóór het onderhoud, het grafteeken nog te bezoeken. Iras
nam op zich haar te vergezellen, en daar Cleopatra daar urenlang placht
te vertoeven, scheen Charmion deze tijd geschikt toe om Barine en haar
zoon bij zich te zien.
Dion's echtgenoot had door haar vrienden reeds lang van dezen wensch
gehoord, en Anukis, die haar naar de Lochias zou brengen, behoefde niet
lang op moeder en kind te wachten.
De voormalige tuin van Didymus,--nu het eigendom der koninklijke
kinderen--werd het tooneel van deze ontmoeting. In de schaduw der
welbekende boomen zonk de jonge moeder aan de borst van haar trouwe
vriendin, en deze kon zich niet verzadigen aan den aanblik van den
knaap, in wien zij het evenbeeld van zijn grootvader Leonax zag.
Hoeveel hadden die beide vrouwen, wier levensloop zoo verschillend
was, elkander te vertellen en toe te vertrouwen! De oudste voelde zich
verplaatst in lang verloopen tijden, voor de jongste scheen er enkel
een bloeiend heden en een hoopvolle toekomst te zijn. Zij had ook goede
dingen te verhalen van haar zuster. Deze was sinds lang de gelukkige
gade van den bouwmeester Gorgias, die intusschen, met al zijn liefde
voor zijn jonge echtgenoot, de uren die hij bij het voortgezette bouwen
van het grafteeken met Cleopatra doorbracht, tot de heerlijkste van zijn
leven rekende.
De tijd vloog de beide vrouwen veel te snel om, en zij schrikten, toen
een der wachthebbende eunuchen meldde, dat de Koningin uit het monument
terug was gekeerd.
Voor de laatste maal omarmde Charmion den kleinzoon van haar geliefde,
gaf hem en zijn jonge moeder haar zegen, droeg haar de groeten aan haar
gemaal op, en verzocht haar, wanneer zij er niet meer zou zijn, met
vriendschap aan haar te blijven denken; ja, wanneer haar hart haar dat
ingaf, dan moest zij haar grafsteen zalven, en met een krans of bloem
versieren. Zij had immers geen kind of vriend, die haar zulk een dienst
zouden kunnen bewijzen.
Diep getroffen door de vastheid waarmede Charmion den naderenden dood
tegemoet zag, hoorde Barine haar sprakeloos aan, doch plotseling sprong
zij verschrikt op, want een welbekende scherpe stem had den naam harer
vriendin geroepen, en toen zij zich omkeerde, zag zij Iras voor zich
staan. Bleek en uitgeteerd als zij was, geleek zij in het lang, slepende
zwarte rouwkleed een belichaming van zielesmart en kommer.
Die aanblik sneed de gelukkige vrouw en moeder door de ziel. Het was in
haar gevoel alsof veel van het geluk, waarop die andere recht had, op
haar was overgegaan, en alles wat zij zelve ooit aan leed en zorg had
ondervonden, op Iras. Het liefst zou zij nederig naar haar toe zijn
gegaan, en haar iets recht liefs en hartelijks hebben gezegd, doch toen
zij die magere, afgestreden vrouw den blik op haar kind zag vestigen,
en daarbij dien afgunstigen trek om haar mond bemerkte, die haar eens
aanleiding had gegeven haar bij een stekenden doorn te vergelijken, toen
voelde haar moederhart een grooten angst voor het »booze oog" dezer
vrouw, dat verderfelijk kon worden voor haar kind. Door een sterken,
innerlijken drang gedreven, bedekte zij het gelaat van haar zoon met
haar eigen sluier. Dat zag Iras, en toen Barine haar vraag: »Is dat
Dion's kind?" met een om genade smeekenden blik had bevestigd, richtte
het slanke meisje zich hooger op, en zeide met trotsche koelheid: »Wat
gaat mij dit kind aan? Wij hebben op dit oogenblik gewichtiger dingen op
het hart."
Daarop wendde zij zich tot Charmion, en zeide op den toon van een
opdracht in dienst der Koningin, dat Cleopatra wenschte bij de
aanstaande bijeenkomst ook haar aan hare zijde te hebben.
Octavianus had zijn bezoek tegen zonsondergang aangekondigd, en er
moesten nog verscheidene uren verloopen vóór dien tijd. Op het oogenblik
voelde de lijdende Koningin zich nog vermoeid van het bezoek aan het
graf; zij had daarbij den Genius van Antonius gesmeekt om, wanneer hij
eenige macht bezat over het hart van den overwinnaar, hem dan te bewegen
de martelende onzekerheid van haar af te nemen en aan hare kinderen een
gelukkig lot te beloven.
Ook had zij Dolabella, die haar uit het mausoleum naar het paleis
geleidde, bekend, dat zij van dit gesprek slechts één ding verwachtte.
Daarbij had zij hem een toezegging afgebeden, die haar nieuwen moed gaf,
en haar het kostbaarste geschenk toescheen, dat men haar in dezen tijd
kon aanbieden. Toen zij namelijk uiting had gegeven aan haar vrees,
dat Octavianus haar ook nu weder in de onzekerheid zou laten, was de
jongeling daarbij opgestaan om den Cæsar te verdedigen, en had ten
slotte uitgeroepen: »Als hij u nu nog in spanning hield, dan zou hij
niet alleen koel en bedachtzaam zijn."....
»Welnu," had Cleopatra gezegd, »wees gij dan grooter, wees minder hard
dan hij, en bevrijd de vriendin van uw vader uit dezen pijnigenden
toestand. Wanneer hij mij niet verklaart wat mij te wachten staat,
en gij verneemt dat, dan--zeg niet neen, gij kunt het mij niet
weigeren!--dan laat gij, ja gij, het mij weten."
De jonge man had snel en vastberaden geantwoord: »Wat heb ik tot dusver
voor u kunnen doen? Doch uit _deze_ marteling zal ik u verlossen, als
ik kan." Daarop had hij zich spoedig uit de voeten gemaakt, om niet
genoodzaakt te zijn het aan te zien hoe de daartoe aangestelde eunuchen
bij de poort van het paleis de kleederen der edele vrouw doorzochten.
Zijn belofte hield den zinkenden moed der vermoeide bekommerde Koningin
staande, terwijl zij zich uitstrekte op de kussens van een rustbank, om
te bekomen van haar aangrijpenden tocht. Doch nauwelijks had zij de
oogen gesloten, of daar klonk op het plaveisel het hoefgetrappel van het
vierspan dat den Cæsar naar de Lochias bracht. Zóó vroeg had Cleopatra
dit bezoek niet verwacht.
Tevoren had zij met hare vertrouwelingen overlegd hoe zij hem zou
ontvangen. Eerst was zij geneigd geweest om daarvoor op den troon plaats
te nemen, en hem te begroeten in feestkleeding als Koningin, maar
spoedig had zij ingezien, dat zij te zwak en ziek was om dien zwaren,
koninklijken tooi te dragen. Bovendien zou een man en gelukkig
overwinnaar zich eerder toegevend en genadig betoonen jegens een
lijdende vrouw, dan tegenover een vorstin.
Er was veel dat haar gedrag in vroeger tijd verontschuldigen kon, en zij
had zorgvuldig bij zichzelve overlegd hoe zij met haar verdediging het
best zijn koude, maar niet onrechtvaardige gezindheid voor zich kon
winnen. Veel wat te haren gunste sprak, was vervat in de brieven van
Cæsar en Antonius, die zij in de nachtelijke uren, na den dood van haar
gemaal, herhaaldelijk overgelezen had, en die men haar nu juist had
gebracht.
Archibius en ook de Romein Proculejus hadden haar afgeraden hem geheel
alleen te ontvangen. De laatste sprak het niet uit, doch wist dat
Octavianus zich eerder tot iets edelmoedigs en goedertierens zou laten
overhalen, indien er getuigen bij waren die het wereldkundig konden
maken. Het was zaak om tegenover den bekwaamsten tooneelspeler van zijn
tijd, voor toeschouwers te zorgen.
Daarom had dan ook de Koningin Iras, Charmion en behalve die nog eenige
der meest vertrouwde beambten bij zich gehouden, onder anderen den
zaakwaarnemer Seleukus die inlichtingen zou kunnen geven, wanneer er
sprake was van de overgave der schatten.
Zij was ook voornemens geweest zich, nadat zij uitgerust zou zijn van
haar bezoek aan het graf, opnieuw te laten kleeden. In dit plan werd zij
verhinderd door de vervroegde komst van den Cæsar. En al had zij den
tijd er toe gehad, dan zou zij nu niet in staat zijn geweest, zich zelfs
maar het haar in orde te laten brengen, zoo zwak en daarbij koortsachtig
opgewonden voelde zij zich. Het bloed joeg met snelheid door hare aderen
en hare wangen gloeiden. Toen men haar zeide dat de Cæsar naderde, had
zij te nauwernood tijd zich uit de kussens op te richten, het haar uit
haar gelaat te strijken, en Iras te vergunnen met enkele vlugge
handbewegingen de plooien van haar rouwgewaad te schikken.
Indien zij de poging had gewaagd om hem tegemoet te loopen, dan zouden
hare knieën hebben geknikt. Toen de Cæsar binnentrad, vond zij dan ook
enkel de kracht hem te begroeten met een zwijgend handgebaar; doch
Octavianus, die haar reeds op den drempel den gebruikelijken groet had
toegebracht, verbrak spoedig de pijnlijke stilte, en zeide met een
hoffelijke buiging: »Gij riept, en ik kwam. Aan de schoonheid onderwerpt
zich ieder--ook de overwinnaar."
Zij wendde als beschaamd het hoofd ter zijde en antwoordde dankbaar, en
toch op afwijzenden toon:
»Ik heb u alleen om de gunst verzocht mij te willen aanhooren, doch ik
_riep_ u niet. Ik zeg u dank, dat gij dit verzoek hebt ingewilligd. Als
er voor den man een gevaar in ligt, om zich te buigen voor de
bevalligheid der vrouw--dan bedreigt u dat hier zeker niet. Tegen een
lijden zooals mij werd opgelegd, is de schoonheid, bijna zou ik zeggen
het leven niet bestand. Gij hebt mij evenwel verhinderd dat van mij te
werpen. Als gij rechtvaardig zijt, dan zult gij de vrouw, die gij
verboodt te sterven, een leven toestaan welks last niet hare kracht tot
dragen te boven gaat."
De Caesar boog ten tweeden male, en gaf vriendelijk ten antwoord: »Ik
ben van plan het uwer waard te maken."
»Als dat waar is," riep Cleopatra uit, »ontneem mij dan eerst die
folterende onzekerheid! Gij behoort allerminst tot de mannen die niet
verder zien dan het heden en den volgenden dag."
»Gij denkt aan hem," merkte Octavianus schamper op, »die misschien nog
onder ons zou rondwandelen, indien hij met wijzer overleg...."
Cleopatra's oogen, die tot nu toe den koelen blik des overwinnaars
bescheiden en smeekend hadden ontmoet, vlamden eensklaps toornig op, en
zij viel hem in de rede met een fier: »Laat het verleden rusten!"
Het gelukte haar echter spoedig de drift die haar hartstochtelijk
bloed in beweging bracht, meester te worden, en op een geheel anderen
toon, die niet vrij was van vleiende weekheid, ging zij voort: »De
voorzienende geest van den man, aan wiens wenken de gansche aarde
gehoorzaamt, overziet de toekomstige dingen zoowel als de tegenwoordige.
Zou hij dan ook niet beslist hebben over het lot der kinderen, eer hij
er in toestemde de moeder te zien? De eenige, die u in den weg had
kunnen staan, de zoon van uw grooten oom...."
»Het vonnis moest over hem worden uitgesproken," sprak de heerscher op
een toon van oprecht leedwezen. »Evenals ik Antonius heb beweend, zoo
betreur ik ook den ongelukkigen jongeling."
»Als dat zoo is," zeide Cleopatra met warmte, »dan doet het de goedheid
van uw hart eer aan. Toen Proculejus mij den dolk ontnam, berispte hij
mij, omdat ik den zachtmoedigste van alle veldheeren den naam gaf van
hard te zijn en onverzoenlijk."
»Twee eigenschappen," verzekerde de Cæsar, »die mijn natuur volkomen
vreemd zijn."
»En die gij, als zij u eigen waren, niet zoudt kunnen, noch mogen
gebruiken," riep Cleopatra, »indien het u ten minste ernst is met het
schoone plan, dat gij zoo dikwijls hebt uitgesproken, om als neef en
erfgenaam van den grooten Julius Cæsar, diens voetstappen te drukken.
Cæsarion--zie maar dat borstbeeld! geleek in iederen gelaatstrek op zijn
vader, uw verheven voorbeeld. Aan mij, ongelukkige, die nu mijn vonnis
verwacht uit den mond van zijn neef, hebben de goden als de kostbaarste
van alle gaven, de liefde van uwen goddelijken oom geschonken. En welk
eene liefde! Het is voor de wereld verborgen gebleven, wat ik voor zijn
groot hart ben geweest; doch de wensch om mijzelve voor miskenning te
behoeden, gebiedt mij het u te openbaren. Uit uwen mond wacht ik de
uitspraak. Gij zijt de rechter. Deze brieven zijn mijn voornaamste
verdedigingsmiddel. Aan die laat ik over u te toonen wie ik was en ben,
niet wat de laster van mij heeft gemaakt. Het elpenbeenen kistje, Iras!
Het bevat de treffende bewijzen der liefde van Cæsar, de brieven die hij
mij geschreven heeft."
Met bevende handen lichtte zij het deksel op, en alsof deze
herinneringen haar in vervlogen tijden terugvoerden, ging zij met
gedempten stem voort: »Onder al mijne schatten is deze eenvoudige kleine
kist een half leven lang mijn dierbaarste kleinood geweest. Hij heeft
mij die geschonken, hier op het Bruchium, te midden van een heeten
strijd."
Zij opende de eerste rol, en terwijl zij Octavianus daarop wees en
tegelijk op den verderen inhoud van het kistje, riep zij uit: »Hoe
welsprekend zijn die stomme bladen! Ieder daarvan is een schilderij
zonder wedergade: de machtige denker, de man van de daad, die den
rusteloos bezigen geest tot rust brengt, en aan het hart veroorlooft
over te vloeien van de liefde eens jongelings. Ware ik ijdel,
Octavianus, dan kon ik ieder dezer brieven een zegeteeken noemen, een
Olympische krans. De vrouw, aan wie Julius Cæsar bekende dat zij hem had
onderworpen, had eenmaal het recht het hoofd hooger te dragen dan de
ongelukkige hier vóór u, die voor zichzelve, behalve de vergunning om te
sterven...."
»Laat deze brieven rusten," viel Octavianus haar vriendelijk in de rede.
»Wie zou betwijfelen, dat zij voor u een groote schat zijn...."
»De grootste van allen zijn zij, en daarbij de pleitbezorgers van de
beschuldigde," verzekerde zij met levendigheid. »Op die brieven--gij
hebt het reeds gehoord--berust de verdediging, waartoe ik bereid ben.
Ik nam mij voor die van dááruit te beginnen. Hoe vreeselijk is het
om hetgeen ons heilig was, en bestemd om alleen ons eigen hart te
verheffen, dienstbaar te maken aan een doel--ze te gebruiken tot iets,
waarvan wij ons leven lang wars waren! Maar ik heb nu eenmaal een
voorspraak noodig, en, Octavianus, deze brieven geven aan de rampzalige,
kranke bedelares de waardigheid en het wezen der Koningin terug. De
wereld kent slechts twee machten, waarvoor Julius Cæsar zich gebogen
heeft: de wenschen der treurende vrouw hier op dit rustbed, en de alles
bedwingende dood. Een droevig broederpaar!--Doch ik vrees die niet, want
de dood heeft hem het leven ontnomen en uit mijne hand.... Ik smeek u
nog slechts om een enkel oogenblik.... Hoe gaarne zou ik mij zelve dezen
lof besparen en u, zijn voorbeeld te volgen! Doch hier staat het: »Door
u, gij onweerstaanbare," schrijft hij, »ondervond ik voor de eerste
maal, toen mijn jeugd reeds achter mij lag, hoe schoon het leven kan
zijn.""
Met deze woorden overhandigde Cleopatra den brief aan den Cæsar. Terwijl
zij echter nog haastig naar een anderen zocht, gaf hij haar den eersten
reeds terug en zeide: »Ik begrijp maar al te goed hoe het u stuit om
zulke vertrouwelijke ontboezemingen tot uwe verdedigers te maken. Ik kan
mij den inhoud der overige voorstellen, en het zal dezelfde uitwerking
hebben alsof ik ze alle gelezen had. Hoe welsprekend ook, zij zijn toch
noodelooze getuigenissen. Is er dan een schriftelijke bewijsgrond noodig
voor een toovermacht, die zich nog altijd even krachtig betoont?"
Als om die vleiende woorden uit den mond van den trotschen jongen
beheerscher der wereld te bezegelen, vloog op dit oogenblik een
beminnelijke glimlach over Cleopatra's gelaat. Octavianus merkte dat op.
Zij bezat inderdaad een onweerstaanbare bekoorlijkheid, en hij voelde
hoe zijn eigen wangen zich hooger kleurden. De ongelukkige vrouw,
deze lijdende smeekelinge, kon dus ook nu nog een man in hare
netten verstrikken, indien hij slechts niet die koel-berekenende
voorzichtigheid bezat, die zijne ziel ompantserde. Was het de wonderbare
welluidendheid der stem of de afwisselende glans in de vochtig
glinsterende oogen; was het de voorname buigzaamheid der edele gestalte,
gevoegd bij de volmaakt schoone vormen der handen en voeten, of de
zwakheid der onderworpen lijderes, die zich zoo eigenaardig vermengde
met koninklijke majesteit; of misschien de gedachte dat de liefde van
deze vrouw de grootsten en hoogstgeplaatsten aan zich had geboeid met
onverbrekelijke banden, wat aan deze kwijnende vrouw, die hare jeugd
reeds lang achter zich had, nu nog zulk een machtige aantrekkingskracht
gaf?
In ieder geval moest ook hij, hoe zeker hij ook van zich zelf mocht
zijn, op zijn hoede voor haar wezen. Hij verstond de kunst om zijn
hartstocht te beteugelen, beter dan zijn veel grootere oom dat vermocht.
Maar vóór alles wilde hij, om Cleopatra in het leven te behouden, haar
versterken in haar geloof aan zijne bewondering. Hij moest aan de
»groote Koningin van het Oosten" die zich nog zoo even had beroemd, even
onverbiddelijk als de dood, de machtigsten der aarde te overwinnen, en
tegelijk aan de geheele wereld, zijn overmacht bewijzen, als mensch
en als heerscher. Doch hij moest ook zachtmoedig zijn, om niet zelf
onvoorzichtig datgene in de waagschaal te stellen waartoe hij haar
noodig had. Zij moest hem volgen naar Rome. Zij met hare kinderen
beloofde zijn triomftocht tot de schitterendste en merkwaardigste te
maken, dien ooit een overwinnaar den senaat en het volk had doen zien.
Daarom antwoordde hij op luchtigen toon, doch waarin duidelijk genoeg
de aandoening zijner ziel te hooren was: »Mijn verheven oom was immers
bekend als een vriend van schoone vrouwen. Door vele liet hij zijn
ernstig leven met bloemen versieren en verzekerde haar dat mondeling,
of misschien ook wel--zooals u in deze brieven--met de schrijfstift.
Zijn genius was grooter, in ieder geval veelzijdiger en levendiger dan
de mijne. Hij kon verschillende dingen en met dezelfde zorgvuldigheid
tegelijkertijd doen. Wat mij betreft, de Staat, de regeering, de
oorlog nemen mij geheel in beslag. Ik ben al dankbaar, wanneer ik
eens een oogenblik aan onze dichters veroorloven kan, mijn rusttijd te
veraangenamen. Een zoo zwaar beladen man als ik heeft geen vrijen tijd
over om zich te laten boeien door de bevalligste der vrouwen, zooals
mijn oom dat kon. Indien ik kon wat ik wilde, dan zoudt gij de eerste
zijn, van wie ik Eros' gaven.... Maar het mag niet zijn! Wij Romeinen
leeren ook den vurigsten wensch bedwingen, wanneer de plicht, de
zedenwet dat gebiedt. Er is in de wereld geen stad waar zoovele goden
vereerd worden als hier, en welke behooren daar niet al toe; Om hunnen
aard ook maar oppervlakkig te begrijpen, daar is een bijzondere
inspanning van den geest toe noodig.... Maar de eenvoudige goden van den
huiselijken haard! Zij zijn te eenvoudig voor u Alexandrijnen, die men,
tegelijk met de moedermelk, reeds voedt met philosophie.... Geen wonder,
dat ik daar te vergeefs naar uitzag. Het is waar, zij--onze huisgoden,
bedoel ik--zouden ook maar weinig voldoening vinden, hier waar de
strenge eischen van Hymen zwijgen voor de hartstochtelijke wenschen van
Eros. Men kan niet zeggen dat het huwelijk hier tot de heilige zaken
behoort.--Het schijnt dat dit gevoelen u verdriet."
»Omdat het onwaar is," stootte Cleopatra heftig uit, terwijl zij met
moeite een nieuwe uitbarsting van toorn onderdrukte. »Doch, als ik goed
zie, dan bedoelt gij met uw verwijt alleen te wijzen op den band, die
mij vereenigde met den man, dien men de gemaal uwer zuster noemde.
Gij Romeinen noemt het huwelijk van een uwer grooten met een vreemde
vernederend.... Maar ik wil mij.... Ik zou het gaarne voor mij zelve
houden, maar gij dwingt mij te spreken, en ik wil het doen, hoewel uw
eigen vriend Proculejus mij aanmaant voorzichtig te zijn... Ik, ik,
Cleopatra, was de ware gemalin van Marcus Antonius, volgens de zeden van
dit land, toen gij hem hebt uitgehuwelijkt aan de weduwe van Marcellus,
nadat die nauwelijks zijne oogen had gesloten. Niet uwe zuster Octavia,
ik was de verstootene aan wie zijn hart behoorde tot het einde toe; ik,
die een reeks van groote koningen mijne voorvaderen noem, en die in
geboorte toch zeker niet achtersta bij de voornaamste dochter van uw
edel geslacht; niet de onbeminde, hem opgedrongen gemalin..."
Zij liet haar stem dalen. Zij had aan den hartstochtelijken drang die
haar gebood zich op dit punt uit te spreken, voldaan, en nu ging zij op
verklarenden toon zachter voort: »Ik weet wel, dat gij deze verbintenis
slechts hadt voorgeslagen ter wille van den vrede en het welzijn van den
Staat...."
»Het geschiedde om beide te verzekeren, en het bloed van tienduizenden
te sparen," sprak Octavianus met trots en overtuiging. »Dat heeft uw
heldere geest goed ingezien. En wanneer gij, in weerwil van het gewicht
dezer beweegredenen.... Maar welke stemmen worden door u, vrouwen, niet
door die van het hart tot zwijgen gebracht? Den man, den Romein, gelukt
het zijn oor te sluiten voor het sirenengezang. Indien het anders ware,
dan zou ik nooit of nimmer voor mijn zuster een gemaal gekozen hebben,
bij wien ik haar geluk zoo slecht gewaarborgd wist, zou ik--zooals ik
reeds zeide--geen weerstand kunnen bieden aan mijn eigen begeerte om de
beminnelijkste van alle vrouwen te bezitten.... Doch ik mag mij daarop
eigenlijk niet beroemen. Ik vrees dat een vrouwenhart als het uwe zich
minder snel voor den nederigen Octavianus openen zou, dan voor een
Julius Cæsar of den schitterenden Marcus Antonius. Maar ik mag hier
bekennen, dat ik misschien vermeden zou hebben aan dezen onzaligen
oorlog tegen een vriend in eigen persoon een einde te maken en zelf in
Aegypte te verschijnen, terwijl elke degelijke legaat datzelfde had
kunnen doen, indien ik niet hierheen gedreven ware door den wensch, de
vrouw weder te zien, wier merkwaardige schoonheid reeds als knaap mijne
oogen had verblind. Thans gevoelt de man van rijper leeftijd zich
beheerscht door den wensch om die wonderbare geestesgaven te leeren
kennen, dat onvergelijkelijk verstand...."
»Verstand!" viel de Koningin hem in de rede, en haalde droevig de
schouders op. »Wat men gewoonlijk zoo noemt, werd u in tienmaal rijker
mate toebedeeld. Dat bewijst u mijn lot. De lenigheid van geest, die de
goden mij wellicht geschonken hebben, zou in dezen tijd van smart de
proef slecht doorstaan. Doch als het u werkelijk te doen is om te weten
te komen hoe het eenmaal gesteld was met Cleopatra's geest, neem dan
deze vreeselijke onzekerheid van mij af, en sta mij een leven toe, dat
mijn verlamde ziel weder veroorlooft zich vrij te bewegen."
»Het ligt alleen aan u," zeide Octavianus met levendigheid, »de dagen
die komen zullen voor u en de uwen niet alleen vrij van zorgen, maar ook
zelfs schoon te doen zijn."
»Aan mij?" vroeg Cleopatra verbaasd. »In uwe hand, geheel alleen in de
uwe, ligt ons wel en wee. Ik ben bescheiden, en verlang alleen te weten,
wat gij over onze toekomst hebt beschikt, en wat gij verstaat onder een
lot, dat gij schoon noemt."
»Niets minder," antwoordde de Caesar kalm, »dan wat u bijzonder veel
waard schijnt te zijn: een leven met die vrije beweging der ziel,
waarnaar gij streeft."
Nu begon de boezem der diep ontroerde vrouw zich sneller te bewegen,
en niet meer in staat het ongeduld dat haar beving geheel te bedwingen,
riep zij uit: »Met de verzekering van uw hulde op de lippen, ontzegt gij
mij het nader aandringen van een vraag, die meer dan alle anderen mijn
gemoed vervult, waarop gij, toen gij hier binnentraadt voorbereid moest
zijn, indien gij het op ééne waart...."
»Verwijten?" vroeg Octavianus met goed gespeelde verbazing. »Maar heb ik
niet eerder reden mij te beklagen? Juist omdat het mij ernst is met de
welwillende gezindheid, die gij terecht in mijne woorden hebt opgemerkt,
moesten enkelen uwer maatregelen mij bedroeven. Het vuur moest uwe
schatten vernietigen. Het zou onbillijk zijn vriendschapsbewijzen te
verwachten van een overwonnene, doch kunt gij loochenen dat de bitterste
haat nauwelijks iets vijandigers had kunnen uitdenken?"
»Laat het verleden rusten! Wie zou in den oorlog niet trachten den buit
voor zijn tegenstander te verkleinen?" zeide de Koningin op een toon van
verontschuldiging.
Doch toen Octavianus met zijn antwoord talmde, ging zij levendiger
voort: »Men zegt dat de steenbok in de bergen van het Oosten zich in
zijn doodsstrijd op den jager werpt, en hem mede in den afgrond trekt.
Diezelfde neiging is ook den mensch ingeschapen, en mij dunkt, zij
strekt beiden tot eer.--Vergeet het verleden, zooals ik tracht het
te doen; ik herhaal het met opgeheven handen. Zeg dat gij den knaap,
dien ik aan Antonius geschonken heb, den troon van Aegypte wilt doen
bestijgen, niet onder voogdij van zijn moeder, maar onder die van Rome.
En sta mij zelve toe om, waar het dan ook moge zijn, in vrijheid te
leven. Dan laat ik u gewillig alles wat ik bezit aan goederen en
schatten, tot op het laatste toe, over."
Daarbij had zich hare kleine hand onder de plooien van haar kleed van
ongeduld tot een vuist gebald, maar Octavianus sloeg de oogen neder, en
zeide luchtig: »In den oorlog beschikt de overwinnaar over het bezit
van den overwonnene, doch mijn hart verbiedt mij tegenover u, die zoo
ver boven het alledaagsche verheven zijt, algemeen geldige wetten in
toepassing te brengen. Uw rijkdom moet groot zijn, hoewel de onzinnige
oorlog, dien Antonius met uw bijstand zoo lang voortzette, verbazende
sommen verslonden heeft. Het schijnt alsof in dit land het verspilde
goud even snel weder opwast als het gras dat gemaaid is."
»Gij spreekt," antwoordde Cleopatra, steeds dieper geraakt en met groote
fierheid, »van de schatten die mijne voorvaderen, de groote Koningen
van dit land, drie eeuwen lang verzameld en verworven hebben voor hun
edel geslacht en de sieraden hunner vrouwen. Voor de grootmoedigheid
en de hooghartigheid van een Antonius was het niet weggelegd te sparen,
en toch zal hetgeen nog overig is, zelfs aan de hebzucht niet gering
toeschijnen. Tot op het laatste stuk staat alles opgeschreven."
Daarmede nam zij haar zaakwaarnemer Seleukus een rol uit de hand, en
reikte die aan Octavianus over; hij nam die met een lichte buiging
zwijgend in ontvangst. Nauwelijks echter was hij begonnen te lezen, of
de zaakwaarnemer, een klein, zwaarlijvig man met glinsterende oogen, die
half verdwenen in de opgezette wangen, hief zijn korten wijsvinger op,
wees onbeschaamd op de Koningin, en hield in haar aangezicht vol, dat
zij eenige dingen had trachten achter te houden, en hem daarom verboden
had op de lijst te zetten.
De diep geschokte, hartstochtelijke, door koortsachtig ongeduld
gemartelde vrouw werd bij deze woorden doodsbleek. Zij verloor alle
zelfbeheersching, hief zich op, en sloeg den verrader, dien zij eenmaal
uit armoede en lagen stand tot zijn hoogen post had verheven, herhaalde
malen met hare zachte hand in het gezicht, totdat Octavianus haar
eindelijk met een fijnen glimlach uit de hoogte toeriep, dat het,
hoezeer de man het ook verdiend had, nu genoeg moest zijn.
Toen viel de ongelukkige Koningin geheel buiten zichzelve op haar
rustbank neer en terwijl de tranen uit hare oogen vloeiden, klaagde zij
met heesche stem zichzelve aan, en zeide dat zij tegenover zulk een
onduldbare handelwijze en overmaat van laagheid tot een afschuw van zich
zelve was geworden.
Daarop drukte zij hare vuist tegen de slapen, en riep uit: »Voor de
oogen van mijn vijand valt de waardigheid der Koningin, die mij mijn
leven lang niet heeft begeven, van mij af als een geleende mantel. Maar
wat ben ik ook nog? Wat zal ik morgen zijn, en wat daarna? Doch wie is
er onder de zon, met warm bloed in de aderen, die kalm kan blijven,
wanneer men hem, terwijl hij versmacht, saprijke druiven voorhoudt,
om hem die, evenals aan Tantalus, weder wreed te ontnemen, eer hij
de lippen er mede bevochtigd heeft? Gij kwaamt hier bij mij, met de
verzekering uwer genade; doch de vleiende, veel goeds belovende woorden
die gij mij, rampzalige, schonkt, waren niet anders dan heulsapdruppels,
waarmede men onrustige koortslijders tot rust brengt. Was de genade, die
gij mij liet zien en voor de toekomst deedt vermoeden, alleen bestemd om
een diep gezonkene te misleiden....."
Doch zij kon niet voortgaan, want Octavianus viel haar met verheffing
van stem en met waardigheid in de rede: »Wie meent dat Caesars
erfgenaam in staat is om een edele vrouw, een Koningin, de vriendin
van zijn grooten voorganger, smadelijk te bedriegen, die beleedigt en
krenkt hem. Doch de rechtmatige toorn, die u medesleepte, mag u tot
verontschuldiging dienen. Ja," voegde hij er op een geheel anderen toon
bij, »ik zou zelfs reden hebben dezen toorn dankbaar te zijn, en te
wenschen nog eens een uitbarsting van drift te mogen zien, die zelfs
in haar onbeteugelde woestheid schoon blijft; de koninklijke leeuwin
weet immers zelve nauwelijks hoe schoon zij is, wanneer de storm der
verontwaardiging haar medesleept. En welk een gezicht moet het dan niet
zijn, wanneer het de liefde is, die hare brandende ziel dwingt in laaien
gloed te ontvlammen."
»De brandende ziel!" herhaalde zij levendig, en plotseling ontwaakte
in haar weder de behaagzieke wensch om ook dezen man, die zich, in de
zekerheid zijner overwinning, zoo beroemde op zijn standvastigheid, aan
hare voeten te zien. Al was hij ook sterker dan anderen, toch was hij
zeker niet onbedwingbaar! En in het bewustzijn van haar nog altijd
onverminderde macht over mannenharten, volgde zij de oppermachtige
neiging der vrouw om over de harten te heerschen. Ook dat van haar
vijand moest haar worden onderworpen, en vóór deze wensch nog een vasten
vorm had aangenomen, blonk er reeds in hare oogen een veelbelovende
liefdeblik voor hem, en verscheen op haar gelaat een betooverende
glimlach.
Nu begon het zoo goed beveiligde hart van den jongen heerscher sneller
te kloppen, en de teugels te verbreken. Zijn wangen gloeiden, en werden
beurtelings bleek en rood. Hoe had zij hem aangezien! Zou zij den neef
beminnen, zooals zij eens zijn oom had gedaan, die door haar had geleerd
welk een genot het leven bieden kon? Ja, het moest heerlijk zijn dezen
fijnen mond te kussen, zich door deze schoon gevormde armen te doen
omvangen, door den zilverhelderen klank van die stem zijn eigen naam
met teederheid te hooren uitspreken. Zelfs het meest volmaakte marmeren
beeld der wakend rustende Ariadne, dat hij in Athene had gezien, had
niet schooner ineenvloeiende lijnen, dan die uit de kussens zich
oprichtende vrouw, daar vóór hem. Wie zou tegenover haar van verdwenen
bekoorlijkheden durven spreken? O neen! De betoovering, die eens Julius
Caesar tot haar dienaar had gemaakt, was nog even krachtig als ooit. Hij
voelde zelf die macht. Hij, die pas drie en dertig jaren telde, was nog
jong. Na al die inspanning kwam het ook hem toe, zich te bedwelmen met
den nektar van het edelste genot, en lichaam en ziel gelijkelijk te
verzadigen met genietingen, die door niets te overtreffen waren.
Hij naderde dan ook met snellen tred haar rustbank, vast besloten
hare handen te grijpen en die aan zijn lippen te brengen. Zijn
hartstochtelijke blik beantwoordde den haren, doch zij, verbaasd over
de macht die haar, hoe vreeselijk zij ook was afgetobt naar lichaam
en ziel, nog altijd eigen scheen te zijn, zelfs over den sterkste en
koelste van alle mannen, merkte kalm op wat in hem omging, en een
zegevierende glimlach, waarin zich bittere spot mengde, speelde om haar
fraaien mond. Zou zij nu door list van hem trachten te verkrijgen wat
zij van hem wenschte, door voor het eerst een verraderlijk spel te
spelen met hare liefde? Zou zij zich overgeven aan den man die haar
verstiet, om door hem voor hare kinderen te verkrijgen wat hen toekwam?
Zou zij, ten gevalle van den vijand haars geliefden, afstand doen van de
heilige smart, die haar noopte hem te volgen, en het nageslacht en hare
kinderen recht geven haar, in plaats van de trouwste der trouwen, een
eerlooze vrouw te noemen, die voor iederen machtige op zijn beurt te
koop was?
Al deze vragen moesten, als van zelf sprak, ontkend worden. De stap,
dien Octavianus haar tegemoet was gegaan, met den om liefde smeekenden
blik, gaf haar het recht zich te gevoelen als een zegepralende over den
overwinnaar, en de trotsche blijdschap over haar triomf weerspiegelde
zich al te duidelijk in hare bewegelijke trekken, dan dat de
scherpziende en wantrouwende man, die voor haar bezweken was, het
niet zou hebben opgemerkt. Doch nauwelijks had hij bespeurd wat hem
bedreigde, en zich haar gezegde herinnerd, dat zijn groote oom alleen
voor haar en voor den dood had moeten zwichten, of het gelukte hem ook
weder, zijn snel ontvlamde zinnen te beheerschen. Blozend over zijn
eigen zwakheid wendde hij den blik van de Koningin af, en toen zijn oog
op Proculejus en de andere getuigen viel, zag hij eerst recht, voor welk
een afgrond hij had gestaan. Hij had zich reeds half laten medesleepen
door het gevaar om door een oogenblik van zwakheid de vrucht van
ernstige onthouding en zware inspanning te verbeuren. Zijn sprekende
blik, die nog zooeven vol verlangen op een schoone vrouw had gerust,
mat nu zijne omgeving met de strenge uitdrukking van een heerscher; en
oogenschijnlijk op matiging bedacht van het overdrevene der vleiende
waardeering, die men verkeerd zou kunnen uitleggen, zeide hij op een
ernstigen toon, die bijna vermanend klonk:
»En toch zouden wij de edele leeuwin nog liever zien in haar majestueuze
rust, die alles, wat Vorst heet, het best staat. Het valt een koel
overleggenden geest, zooals de mijne is moeilijk zich te verplaatsen in
een ras en fel ontgloeiend hart."
Meer verbaasd dan teleurgesteld, had Cleopatra deze snelle verandering
gadegeslagen. Hij was spoedig onder haar invloed geraakt, had dat
bijtijds begrepen, en een man van zijne soort begaf zich niet licht ten
tweeden male in een gevaar, waaraan hij zoo ternauwernood ontkomen was.
En dat was ook goed! Hij moest ondervinden dat hij den blik, die zijn
hart in vlam had gezet, verkeerd had uitgelegd, en daarom antwoordde zij
afwerend en met koninklijke waardigheid:
»Een rampspoed als de mijne dooft allen gloed uit. En de liefde? Het
hart eener vrouw blijft altijd voor haar geopend, alleen dan niet
meer, wanneer het de lust en de kracht tot wenschen verloren heeft.
Gij zijt jong en gelukkig, en daarom verlangt uwe ziel ook nog heden
naar liefde--dat weet ik--ofschoon in geenen deele naar de mijne. Mij
daarentegen is nog slechts één minnaar welkom: de man, met de omgekeerde
toorts, dien gij van mij afhoudt. Bij hem alleen is datgene te vinden,
waarnaar mijn ziel van kindsaf heeft gehunkerd: rust zonder smart! Gij
glimlacht, en mijn vroeger leven geeft u het recht daartoe. Daar zal ik
niets van af doen. Ieder leeft zijn eigen leven, voor zichzelf. Slechts
enkelen begrijpen de kronkelpaden van hun eigen, nog minder die van
anderer bestaan. De wereld is er immers getuige van geweest, hoe de rust
mij ontvloden is, of ik haar, en toch zie ik nog de mogelijkheid haar
terug te vinden. Ik ben beveiligd voor het eenige, wat mij het genot
daarvan onthouden zou: vernedering en schande."
Zij zweeg, en een oogenblik later ging zij met het weekste stemgeluid,
waarover zij beschikken kon, voort: »Ik geloof dat uwe grootmoedigheid
dáárvoor de vrouw beschermen zal, die gij nog zoo even--het is mij niet
ontgaan--een meer dan genadigen blik waardig keurdet. Dien zal ik
bewaren bij mijn onvergetelijke herinneringen. Doch doe mij nu ook
weten, hoog edel heer: hoe luidt uw besluit omtrent mij en mijne
kinderen? Wat mogen wij van uwe genade hopen?"
»Dat de wensch om aan u en de uwen een waardig lot te bereiden,
Octavianus des te oprechter bezielen zal, naarmate gij met vaster
vertrouwen verwachten zult dat hij zijne grootmoedigheid in al hare
volheid aan u zal bewijzen."
»En als ik dezen wensch vervul, en alles van u verwacht wat groot en
edel is,--en dat valt mij niet moeilijk--welke bewijzen van uwe gunst
geeft gij ons dan?"
Zonder zich te bedenken antwoordde de Cæsar: »Schilder dat uzelve af
met al den gloed uwer machtige phantasie, die zelfs mijne blikken zoo
levendig ten uwen gunste weet te verklaren, en die de wonderen heeft
uitgedacht, waardoor gij den grootsten en schitterendsten man van Rome
tot den gelukkigste van alle stervelingen hebt gemaakt. Dat hij de
ongelukkigste geworden is, was, dunkt mij, zijne schuld, de uwe niet.
Maar--bij Zeus!--het is reeds het vierde uur na den middag!"
Een blik uit het venster had tot dezen uitroep aanleiding gegeven.
Daarop vervolgde hij, op een toon van oprechten spijt, en met de hand
op het hart: »Hoe gaarne zou ik nog langer genieten van dit boeiend
gesprek, doch ik word geroepen door gewichtige, helaas niet uit te
stellen zaken..."
»En het antwoord?" vroeg Cleopatra, en zag hem daarbij met ingehouden
adem en in gespannen verwachting aan.
»Moet ik dat nog herhalen?" vroeg hij met ongeduldigen haast. »Het
zij dan zoo! Tegenover volkomen vertrouwen van uwe zijde, genade,
vergiffenis, tegemoetkoming en alle eerbiediging van uw persoon, die gij
billijkerwijze verlangt. Uw hart is zoo rijk aan warm gevoel! Gun mij
slechts een klein deel daarvan, en eisch van mij tastbare geschenken
terug. Zij worden u al van te voren toegestaan." Hierop groette hij
haar als een vriend die ongaarne afscheid neemt, en verliet met rassche
schreden de zaal.
»Weg, weg!" riep Iras, toen de deur achter hem gesloten was. »Als een
aal, die ontsnapt aan de hand die hem vasthoudt."
»Als het ijs in het Noorden," voegde Cleopatra er op doffen toon bij,
terwijl Charmion haar hielp gemakkelijker te gaan liggen. »Even glad,
als het koud is. Nu blijft er niets meer voor mij te hopen over."
»Ja zeker gebiedster, er blijft nog iets!" verzekerde Iras met warmte.
»Dolabella wacht hem op in den Philadelphus-hof. Hij heeft beloofd, dat
wij door hem zullen hooren wat Octavianus met u voor heeft."
De Cæsar vond inderdaad bij de eerste poort van het paleis den
jongeling, bezig zijn schoon Kyrenaeisch vierspan te bewonderen.
»Prachtige dieren!" riep hij Dolabella toe. »Een geschenk van deze stad.
Wilt gij met mij rijden? Een merkwaardige vrouw, een hoogst merkwaardige
vrouw!"
»Niet waar?" was het toestemmend antwoord.
»Zonder twijfel," hernam de Cæsar. »Doch ofschoon zij bijna uw moeder
kon zijn, buitengewoon gevaarlijk voor jonge lieden van uw leeftijd en
uwe soort. Welk een teedere klank in die stem, welk een levendigheid en
vuur! En daarbij toch zoo vorstelijk in al hare bewegingen. Maar ik wil
de vonk, die misschien reeds in uw hart gevallen is, niet aanwakkeren,
maar uitdooven. En dat tooneel, die comedie, die zij te midden van den
bloedigsten ernst voor mij vertoonde!"
Een oogenblik lachte hij zacht, en Dolabella riep vol nieuwsgierigheid:
»Gij lacht maar zelden, doch dit gesprek schijnt u vroolijk te hebben
gestemd.--Het heeft dus een verblijdenden afloop gehad?"
»Dat willen wij hopen! Ik heb mij zoo genadig betoond als maar mogelijk
was."
»Dat is goed! Mag ik ook weten op welke wijze uwe goedheid en wijsheid
voor hare toekomst gezorgd heeft? Of liever: wat hebt gij aan de
beklagenswaardige overwonnen vrouw beloofd?"
»Mijn genade, indien zij mij vertrouwen schenkt."
»Proculejus en ik gaan steeds voort, haar daarin te versterken. En als
het ons gelukt?"
»Dan zal zij, zooals ik zeide, genade vinden, genade in overvloed!"
»Doch haar lot in de toekomst? Wat hebt gij over haar en hare kinderen
beschikt?"
»Wat zij door de hoeveelheid van hun vertrouwen zullen verdienen."
Hij hield op, want hij had den blik van Dolabella opgevangen en bemerkt,
dat in den droeven ernst daarvan zich een zacht verwijt mengde.
Hij was er bijzonder op gesteld de geestdriftvolle bewondering van dezen
edelen jongeling, die misschien tot groote dingen geroepen zou worden,
te behouden, en daarom ging hij vertrouwelijk voort: »Voor u jonge
vriend, mag ik meer open uitspreken. Ik wil gaarne voldoen aan de
stoutste verwachtingen van deze altijd nog boeiende, en, ik herhaal het,
hoogst merkwaardige vrouw; maar eerst heb ik haar noodig voor mijn
triomftocht. De Romeinen zouden met recht ontevreden over mij zijn,
wanneer ik hen het schouwspel onthield van deze Koningin, deze vrouw
zonder wederga, die in zoovele opzichten de eerste van haar tijd is.
Spoedig vertrekken wij naar Syrië, en wel over land. Ik zend de Koningin
met hare kinderen binnen drie dagen naar Rome. Wanneer zij dáár, bij
mijn triomftocht, als groot en waarlijk bewonderenswaardig schouwspel,
den indruk zal maken, dien ik daarvan verwacht, dan zal zij ondervinden
hoe ik hen die mij een vriendelijkheid bewijzen, weet te beloonen."
Dolabella had hem zwijgend aangehoord. Zoodra de Cæsar zijn wagen
besteeg, verzocht zijn vriend verlof om te mogen achter blijven.
Octavianus reed dus alleen in oostelijke richting naar de plek, waar,
in de nabijheid van het Hippodroom, de grond werd opgemeten, waarop de
voorstad Nikopolis, dat is: »stad der overwinning" moest worden gebouwd.
Zij zou de volgende geslachten herinneren aan de zegepraal van den
eersten keizer over Antonius en Cleopatra. Deze stad nam later wel in
grootte toe, maar is toch nooit een stad van beteekenis geworden.
De edele jongeling uit het geslacht der Corneliussen zag het vurige
vierspan van den heerscher wrevelig na. Daarop richtte hij zijn fiere
gestalte hooger op, en ging met vasten tred naar het paleis. Het kon hem
zijn leven kosten, maar toch wilde hij doen wat hij als zijn plicht
beschouwde jegens de groote Vorstin, die hem haar vriendschap had
waardig gekeurd. Deze buitengewone vrouw was te goed om tentoongesteld
te worden tot vermaak van het gepeupel.
Enkele oogenblikken later wist Cleopatra welk een smaad haar boven het
hoofd hing.