Ditmaal was het den bouwmeester slechts enkele uren vergund op het
Slangeneiland te blijven, want ook in de stad begon het er ernstig uit
te zien, en aan den bouw van het grafmonument werd zelfs des nachts
ijverig voortgewerkt. Het inwendige van de eerste verdieping naderde
zijne voltooiing, en de opbouw der tweede vorderde goed. Maar ook het
benedengedeelte eischte nog veel arbeid. Dit moest, evenals het geheel,
een volmaakt kunstwerk worden. De mozaïekwerkers, die den vloer der
groote zaal hadden ingelegd, hadden zichzelve overtroffen. Op het
beeldhouwwerk voor de zijwanden kon nu niet langer worden gewacht. Dáár,
waar eigenlijk reliëfs van brons behoorden te zijn, moesten voorloopig
platen van gepolijst zwart marmer worden aangebracht, want er was de
grootste haast bij.
Octavianus was reeds tot Pelusium genaderd, en al zou Seleukus, de
bevelhebber der bezetting, de sterke vesting ook nog lang behouden, toch
kon reeds in de volgende week een deel van het vijandelijk leger voor
Alexandrië verschijnen.
Trouwens, er stond een eerbiedwaardige strijdmacht tot zijn ontvangst
gereed. De vloot scheen tegen die van den vijand opgewassen; de
ruiterij, die Antonius den vorigen dag voorbij de Koningin had doen
trekken, moest welgevallen vinden ook in de oogen van een kenner, en
de imperator had al zijn hoop gevestigd op de krijgslieden, die in
vroeger dagen onder hem hadden gediend, die in tijd van voorspoed
zijn grootmoedigheid en mildheid hadden leeren kennen, en nog niet
de gedenkwaardige dagen zouden vergeten hebben, toen hij gewillig en
vroolijk, gevaar en ontbering met hen had gedeeld.
Helena bleef op het eiland, en haar verlangen naar het oude echtpaar was
aanmerkelijk verminderd. Flink en hulpvaardig roerde zij nu hare handen,
en haar helderen blik bewees, dat het eenzame leven op het eiland ook
voor haar veel aantrekkelijks begon te krijgen.
Daarentegen was over den jongen echtgenoot een groote onrust gekomen.
Hij verborg die voor de vrouwen, doch het kostte den ouden Pyrrhus
dikwijls moeite hem terug te houden van een tocht naar de stad, die,
zoo kort vóór de eindbeslissing, de vrucht der volharding en ontbering
weleens kon doen verloren gaan. Reeds menigmaal had Dion zich met
zijn echtgenoot willen inschepen om naar een groote stad in Syrië
of Griekenland te gaan, doch altijd was hij door nieuwe, gewichtige
bezwaren daarvan teruggekomen. Vooral was het gevaarlijk, omdat ieder
vaartuig nauwkeurig werd onderzocht vóór het de haven verliet,--en het
was onmogelijk daaruit te komen, zonder de smalle straat ten Oosten van
den pharus, of den doorgang in het Heptastadium voorbij te gaan, die
beiden gemakkelijk konden worden bewaakt. De kalme bezadigdheid, die
anders den jongen Raadsheer kenmerkte, was nu in koortsachtige onrust
overgegaan, en ook zijn oude getrouwe beschermer had zijn gemoedsrust
verloren, want spoedig zou de vloot, waarop zijn zonen dienden, met die
van Octavianus in botsing komen.
Op zekeren dag kwam hij diep getroffen uit de stad terug. Hij had
gehoord dat Pelusium gevallen was.
Toen hij aangeland was, vond hij op de klip alles stil. Niemand, zelfs
niet Dione, was er om hem te ontvangen.
Wat was hier gebeurd? Waren de hier verborgen vluchtelingen ontdekt, en
had men hen en de zijnen naar de stad, misschien wel naar de steengroeve
gesleept?
Doodsbleek, maar kalm en ongebogen, ging hij naar zijn huis. Hij had aan
Dion en diens vader zijn hoogste levensgenot, de vrijheid te danken, en
bovendien den grondslag van alles wat hij verder bezat. Maar indien zijn
vrees reden van bestaan had, en hij van alles was beroofd, dan mocht
hij, zelfs als een eenzame bedelaar, toch nog altijd van zijn vrijheid
blijven genieten. Wanneer hij voor den man, door wiens toedoen hij het
beste bezat, al het overige moest prijsgeven, dan was het ook zijn
plicht, dat geduldig te dragen.
Het was nog licht. Ook toen hij dicht bij het huis gekomen was, trof
geen ander geluid zijn oor dan het blijde geblaf van zijn grooten
wolfshond Argus, die tegen hem opsprong.
Hij stak de hand uit om de deur te openen, doch zij werd van de andere
zijde reeds opengeduwd. Dion had hem zien aankomen, en in het gevoel van
de nieuwe, groote zaligheid, die deze dag hem had gebracht, viel hij den
trouwen man opgewonden in de armen, en riep hem toe:
»Een jongen, een heerlijke jongen!--Hij zal Pyrrhus heeten." Nu
vloeiden de tranen van den vrijgelatene in zijn grijzen baard, en toen
zijn oude levensgezellin hem met den vinger op den mond tegemoet kwam,
fluisterde hij haar met bevende stem in het oor: »Toen ik hen hier
bracht, waart gij bang dat die menschen uit de stad ons in het verderf
zouden storten;--maar toch hebt gij hen gehuisvest zooals het hen
toekwam, en nu--Pyrrhus zal hij heeten!--Wat heb ik, geringe man,
gedaan, dat mij zoo iets groots en schoons ten deel valt?"
»En ik dan, ik!" snikte de visschersvrouw. »En het kind, dat lieve
wurmpje!"
Op dezen dag van zonnige blijdschap volgden anderen van stille
zielevreugd, het reinste genot, en tegelijk van de grootste bezorgdheid.
Zij brachten ook menig uur door, waarin Helena gelegenheid vond hare
zorgelijkheid te toonen, en de oude Chloris en de visschersvrouw stonden
haar daarbij met hare ondervinding ter zijde. Een bevalliger jonge
moeder dan Barine, een schooner kind dan den kleinen Pyrrhus, geloofden
allen, tot den grijzen peetvader toe, nooit te hebben gezien. Doch Dion
hield het nu op de klip niet langer uit.
Duizenderlei dingen, die hem tot dusver onbeduidend hadden toegeschenen,
en waaromtrent hij onverschillig was geweest, waren nu in zijne oogen
gewichtig, en moesten door hem persoonlijk behandeld worden. Hij was
vader, en uit ieder verzuim kon voor zijn zoon een nadeel ontstaan. Zoo
bruin verbrand door de zon als hij tegenwoordig was, en met dat lange
haar en dien baard, was er maar weinig toe noodig om hem zelfs voor zijn
vrienden onkenbaar te maken. In de kleederen die hij reeds lang gedragen
had, en met die handen die op werf geheel vereelt geworden waren, moest
ieder hem wel voor een echten visscher aanzien.
Misschien was het dwaas, doch de behoefte om zich aan Barine's moeder,
hunne grootouders en Gorgias als vader te vertoonen, scheen hem wel
waard een gering gevaar daarvoor te trotseeren, en zoo voer hij, zonder
Barine, die zich reeds weder in hare vertrekken bewoog, van zijn plan te
onderrichten, na zonsondergang op den laatsten Juli naar de stad.
Hij wist dat Octavianus oostelijk van Alexandrië bij het Hippodroom
gelegerd was. Ook van het Slangeneiland af had men in de witte
verhevenheden die daar gekomen waren, de tenten kunnen onderscheiden.
's Namiddags was Pyrrhus teruggekomen met de tijding dat de ruiterij van
Octavianus door die van Marcus Antonius was verslagen. En ditmaal mocht
men aan dit bericht der overwinning geloof slaan, want het paleis op de
Lochias was feestelijk verlicht, en op het oogenblik dat Dion aan wal
stapte, was het zeer druk op de kade. De een riep den ander toe, dat
alle kansen goed stonden. Marcus Antonius was weder de oude geworden.
Hij had gestreden als een held.
Velen, die hem gisteren nog hadden gevloekt, mengden heden hunne stemmen
in het »Evoë" dat weerklonk ter eere van den nieuwen Dionysos, die
opnieuw zijne goddelijkheid had bewezen.
In het huis van Gorgias vond de late gast de grootouders alleen.
Zij hadden reeds lang bericht ontvangen van het nieuwe geluk hunner
kleindochter. Thans verblijdde zij zich met Dion, en wilden dadelijk den
heer des huizes, hun toekomstigen zoon, laten roepen, die deelnam aan
een vergadering van de epheben der stad, hoewel hij al lang niet meer
tot hen behoorde. Maar Dion wilde hem liever begroeten te midden van de
jongelingen die den bouwmeester hadden uitgenoodigd, opdat hij hen bij
de bespreking der vraag, hoe zij zich gedurende den strijd te gedragen
hadden, met raad zou kunnen dienen.
Toch verliet hij niet aanstonds het oude paar, want hij verwachtte hier
nog twee bezoeken: van Barine's moeder en de Nubische kamervrouw van
Charmion, die sedert de geboorte van den kleinen Pyrrhus, iederen avond
bij den philosoof aankwamen, de eerste om te hooren of gedurende den dag
nog nieuwe tijdingen van moeder en kind gekomen waren, de laatste om de
brieven af te halen, die zij, als tusschenpersoon, dan den volgenden
morgen op de vischmarkt aan haar vriend Pyrrhus of diens zoon
overhandigde.
Anukis verscheen het eerst. Al aanstonds gaf zij haar deelnemend hart
lucht in een korten gelukwensch; hoe gaarne zij echter nog iets naders
gehoord zou hebben omtrent de jonge moeder, die ook haar dierbaar was,
toch onderdrukte zij ook ditmaal weder haar eigen wensch, om in den
geest harer meesteres te handelen. Daarom ging zij zoo spoedig mogelijk
naar Charmion terug, en meldde haar de aankomst van den onverwachten
gast.
Vrouw Berenice genoot met dankbare vreugde van de grootmoederlijke
waardigheid, maar thans ging zij gebukt onder een groote vrees, die niet
alleen in hare zwaarmoedige verbeelding bestond.
Haar broeder Arius had zich met zijne zoons in het huis van een vriend
verborgen, want zij schenen door een ernstig gevaar bedreigd te worden.
Tot nu toe had Antonius in zijn grootmoedigheid het den philosoof niet
euvel geduid dat hij in zulk een nauwe betrekking tot Octavianus stond;
doch nu deze laatste voor de stad lag, werd het huis van den man, die
in vroeger jaren de studiën van den vijand had geleid, en altijd zijn
hoogvereerde raadsman en vriend was gebleven, op bevel van Mardion,
door Scythen bewaakt. Aan hem en zijn gezin was het verboden in de stad
te komen, en daarom was zijn nachtelijke vlucht naar zijn vriend met
groot gevaar gepaard gegaan.
De bezorgde vrouw vreesde het ergste voor haar broeder, indien Marcus
Antonius de overhand behield, en toch wenschte zij van ganscher harte
de overwinning toe aan de Koningin. Zij, die toch altijd het ergste
verwachtte, zag nu reeds in den geest de krijgskans keeren--en daarvoor
was reden genoeg; de stoutmoedige bevelhebber, die reeds zoo vele
overwinningen had behaald, en die door den tegenspoed van Actium
enkel diep ter neer gedrukt was geweest, moest de oude veerkracht
teruggekregen hebben. Even heldhaftig als vroeger, ja, met vermetele
onstuimigheid was hij aan het hoofd zijner ruiters den vijand tegemoet
gereden. Men zeide dat hij, gezeten op zijn prachtig strijdros, zijn
groot zwaard even krachtig had gezwaaid als vijf en twintig jaren
geleden, toen hij, niet ver van deze zelfde plek, Archelaus het
onderspit had doen delven. Dat hij in zijn gouden wapenrusting, met den
helm op het hoofd en met zijn zwaren baard, op zijn voorvader Herakles
geleek, werd ook bevestigd door Charmion, die op een wagen der Koningin
met spoed hierheen gekomen was. Cleopatra zou haar misschien weldra
noodig hebben, maar toch was zij even van de Lochias ontsnapt, om aan
den jongen vader zelf allerlei dingen te vragen waarin zij belangstelde,
omtrent de moeder en het kind dat haar zoo dierbaar was, als eerste
kleinzoon van den man, wiens hand zij wel is waar geweigerd had, doch
wien zij het heerlijke bewustzijn dankte, dat ook zij in den bloeitijd
van haar leven bemind had, en zelve bemind was geweest.
Dion vond haar veranderd. De moeielijke maanden, die zij in haar brief
aan Barine beschreven had, hadden hare licht grijzende haren geheel wit
doen worden, hare wangen waren ingevallen en een diepe rimpel tusschen
mond en neus gaf aan haar vriendelijk gelaat een uitdrukking van lijden.
Ook scheen zij pas te hebben geweend, en inderdaad had zij zoo even diep
aangrijpende voorvallen bijgewoond. Zij had zich heimelijk van de
Lochias verwijderd, terwijl het daar vroolijk toeging.... De zegepraal
van Antonius werd feestelijk gevierd. Hij zelf leidde den maaltijd.
Weder had hij hoofd en borst met frissche bladen en prachtige bloemen
getooid. Naast hem lag Cleopatra in een lichtblauw met lotosbloemen
versierd gewaad dat, evenals de kleine kroon op haar hoofd, met paarlen
en saffieren was bezet. Charmion verzekerde, dat zij haar nooit schooner
had gezien. Doch wat zij verzweeg was, dat Cleopatra's doodsbleeke
wangen door de kunst gekleurd hadden moeten worden. Het was een roerend
schouwspel geweest, zooals Antonius haar, na zijn terugkeer uit den
slag, nog in zijn wapenrusting, verheugd aan zijn hart had gedrukt,
alsof hij door den strijd ook haar teruggekregen had, en tegelijk met
de verdwenen heldenkracht, ook zijne liefde had wedergevonden. En ook
haar had het geluk als een heldere zon uit de oogen gestraald. Aan den
ruiter, die om zijne buitengewone dapperheid vóór haar was geleid, had
zij in de vreugde van haar hart een helm en pantser van zuiver goud
geschonken.
Doch nog vóór de feestmaaltijd begon, was zij gedwongen zichzelve te
bekennen, dat dit alles toch het begin van het einde was, want enkele
uren nadat zij dien ruiter zoo mild had beloond, was hij reeds tot den
vijand overgeloopen. Ook had Antonius zijn vijand Octavianus tot een
tweegevecht uitgedaagd, doch het koele antwoord ontvangen dat er genoeg
wegen waren waarlangs men den dood kon zoeken.
Aan die taal herkende zij weder haar vijand met het koude hart, en die
nu zeker was van de heerschappij. Daarbij zag zij zich droevig bedrogen
in de hoop dat de oude strijders, die onder Antonius hadden gediend,
bij zijne eerste oproeping den nieuwen veldheer zouden verlaten en
bij troepen hem tegemoet snellen. Alles wat haar gemaal tot bereiking
van dat doel had beproefd, had schipbreuk geleden, niettegenstaande
de wegsleepende kracht zijner welsprekendheid, terwijl met ieder uur
tijdingen kwamen van verraderlijke afvalligheid van enkele krijgslieden,
of van geheele troepen tegelijk. De vijand scheen zóó zeker van zijn
zaak, dat hij zich niet eens verzette tegen de pogingen van Marcus
Antonius, om de soldaten door beloften voor zich te winnen.
Na dat alles zag Cleopatra nu met volle zekerheid in de zegepraal van
haar geliefde nog slechts de laatste opflikkering van het uitdoovende
vuur; doch zoolang het nog brandde, moest hij zien dat zij zijn licht
nog volgde. Zoo was zij dan met den overwinnaar van heden de feestzaal
binnengekomen, en was getuige geweest van een zonderling gastmaal. Het
was met tranen begonnen, en had Cleopatra doen denken aan dit woord: dat
zij zelve geleek op een overwinningsfeest vóór dat de slag gewonnen was.
Nauwelijks waren de schenkers met hunne gouden kannen bij de gasten
rondgegaan, of Antonius had zich tot hen gewend met den uitroep:
»Schenkt maar dapper in, gij mannen, morgen dient gij misschien reeds
een anderen heer!"
Toen was hij, geheel tegen zijn gewoonte, nadenkend geworden, en had in
zichzelven gemompeld: »En dan lig ik daar buiten als een lijk, een
armzalig niets!"
Op deze woorden was een luid snikken der schenkers en dienaren gevolgd,
doch hij had hen bedaard toegesproken, en beloofd hen niet mede te
voeren in een strijd, waarvan hij voor zichzelven veeleer een roemvollen
dood verwachtte, dan redding en zegepraal.
Daarbij begonnen ook de tranen der Koningin te vloeien. Indien deze
teugellooze genotzoeker, de roekelooze verkwister en onruststichter, met
zijne steeds begeerende, onverzadelijke zinnen, ook bittere vijandschap
had gewekt, toch was ook zeker maar aan enkelen zulk een hartelijke
liefde van velen ten deel gevallen. Eén blik op zijne heroëngestalte;
één gedachte aan den tijd, toen ook zijne vijanden van hem zeiden: dat
hij nooit grooter was dan tegenover het dreigendste gevaar, nooit beter
in staat om blijde hoop op betere tijden ook bij anderen te wekken,
dan te midden van de zwaarste ontberingen; één oogenblik luisteren
naar die metaalrijke stem van den redenaar, die zoo dikwijls uit zijn
hart was gekomen, en daarom zulk een onweerstaanbaren indruk op zijne
toehoorders had gemaakt; een reeks van herinneringen aan zijn vroolijke
openhartigheid en zijn grenzenlooze grootmoedigheid: dit alles
verklaarde voldoende de klachten, die bij dien maaltijd oprezen en de
tranen die daarbij werden gestort, en die allen zoo welgemeend waren.
Zij hadden ook de schoone, koninklijke vrouw gegolden die, zonder zich
aan de aanwezigen te storen, het edele hoofd met de paarlenkroon tegen
den machtigen schouder van haar gemaal had gevlijd.
Maar die treurigheid had niet lang geduurd, en Marcus Antonius had
uitgeroepen: »Nu weg met al die droefheid! Wij hebben de Larva niet
noodig.[20] Ook zonder dat weten wij wel dat het spoedig gedaan zal zijn
met de vreugd! Een vroolijk feestlied, Xuthus! en gij Metrodorus, ga
vóór in den dans! Ik wijd den eersten beker aan de schoonste, de beste,
de verstandigste, de beminnelijkste, de vurigst geliefde!"
[20] Bij de gastmalen der Aegyptenaars werd een kleine figuur, in de
gedaante van een mummie rondgegeven, die de gasten er aan moest
herinneren, dat zij weldra zouden zijn als deze, en geen tijd meer
zouden hebben zich te verheugen in het leven en zijne genietingen. De
Romeinen volgden dit na, door de Larva, een klein beeldje, gewoonlijk in
den vorm van een geraamte, bij den maaltijd onder de feestvierenden te
laten rond gaan. Het schoonheidsgevoel der Grieken maakte uit dit
leelijke schrikbeeld een gevleugelden genius.
Hij had de bokaal hoog opgeheven, de fluitspeler Xuthus gaf het koor
dat zijn lied begeleidde, een wenk, en de danser Metrodorus was als een
vlinder een schaar van liefelijke meisjes vooruit gezweefd. En deze, in
hare wijde gewaden van gekleurde doorschijnende zijdestof, die haar als
een wolk omgaven, waren daarop aan het bevallige spel gegaan, en hadden,
nu eens als in nevelen gehuld, dan weder als op vleugelen voortgedragen,
aan de verrukte toeschouwers een allerbekoorlijkst schouwspel geboden.
De »metgezellen van den dood" waren weder makkers in de vreugd geworden,
en juist toen Charmion, die hare gebiedster geen oogenblik uit het oog
had verloren, en den pijnlijken trek op haar gelaat had opgemerkt, uit
den kring der gasten weggeslopen was, had zij de trouwe Anukis ontmoet,
die haar de aankomst van Dion kwam melden.
Toen was zij--maar dat had zij voor hare vrienden verzwegen--naar hare
vertrekken gesneld om zich tot uitgaan gereed te maken, en daar Iras op
hetzelfde oogenblik de deur van haar eigen kamer opende, was zij haar
gevolgd, om met haar over den nachtdienst bij de Koningin te spreken.
Haar nicht had dat echter niet bemerkt, want door een zenuwachtig
snikken overvallen, had zij juist haar gelaat tegen de kussens van
een rustbank gedrukt, en trachtte op deze wijze de wilde smart, die
hare ziel schokte, met al de hevigheid harer hartstochtelijke natuur,
te laten uitwoeden. Toen had Charmion haar naam geroepen, en zelve
weenende, hare armen voor haar geopend, en voor het eerst sedert haar
terugkomst van Actium, was de dochter harer zuster weder eens aan hare
borst gezonken, en hadden zij elkander lang omstrengeld gehouden. Op
Charmion's uitroep: »Met haar, voor haar tot in den dood!" had het
antwoord van Iras geklonken: »Tot in het graf!"
Dat woord had reeds in menig stil nachtelijk uur geleefd in de ziel der
oude vriendin dier vrouw, die daar beneden met bloedend hart deelnam aan
het bedwelmende maal van overmoedige feestgenooten. En daaraan had zich
de vraag vastgeknoopt: »Is uw lot niet geketend aan het hare? Wat kan u
het leven nog bieden, zonder haar?"
Thans had dit woord haar duidelijk verstaanbaar tegengeklonken uit
den mond van een ander, en Charmion's gelofte had als een echo op den
uitroep van Iras geantwoord: »Tot in den dood, evenals gij, wanneer zij
ons vóórgaat. Wat er daarna ook komen moge, nergens mag zij het hart en
de handen van Charmion missen."
»En zeker evenmin de liefde en de diensten van Iras," had deze
wederkeerig verzekerd.
Zoo waren zij gescheiden, en het waren de aandoeningen van dit gewichtig
oogenblik, die nog zichtbaar waren in de trekken der verouderende vrouw,
die eens de liefde van haar hart had opgeofferd voor de koninklijke
speelnoot harer jeugd, en die nu ook haar leven voor haar wilde geven.
Toen zij in Gorgias' huis afscheid nam van haar vrienden, drukte zij
Dion met warmte de hand, en terwijl hij haar naar den wagen bracht,
deelde zij hem mede dat Archibius, voor dat de troepen het eerst op
elkander stieten, de koninklijke kinderen van hier naar zijn landgoed
Irenia had geleid. Daar waren zij nu bij hem.
»Ik heb nooit een moeilijker uur moeten doorleven," besloot zij, »dan
toen ik de koningin met een verscheurd hart van hen zag afscheid nemen.
Wat zal de toekomst zijn voor die dierbare wezens, die zoozeer het
grootste geluk waardig zouden zijn. Mijn laatste wensch is nu nog: de
tweelingen en den kleinen Alexander erkend, en bewaard te zien voor dood
en schande, en dan uw eigen zoon op den arm van Barine."
Op de Lochias moest Charmion nog lang wachten, eer de Koningin zich ter
ruste begaf. Zij vreesde voor haar stemming, nadat zij het gastmaal had
verlaten, want reeds maanden lang kwam Cleopatra telkens gedrukt, tot
tranen toe bewogen of in groote verontwaardiging van den feestdisch der
»metgezellen van den dood" terug. Wat moest dan wel de uitwerking zijn
van dit laatste, dat zoo treurig begonnen was, en toen zoo uitgelaten
vroolijk was geworden?
Eindelijk, in het tweede uur na middernacht, verscheen Cleopatra.
Charmion dacht dat zij aan zinsverbijstering leed, want de oogen der
Koningin die, toen zij haar verliet, vol tranen stonden, straalden nu
met een blijden, opgewekten gloed, en toen haar vriendin haar de kroon
van het hoofd nam, riep zij uit: »Waarom zijt gij zoo vroeg van het
feest verdwenen? Misschien was dit het laatste, maar ik herinner mij
geen dat schooner was! Het was als in de lentedagen van onze liefde.
Marcus Antonius zou een steenen beeld hebben geroerd met die vereeniging
van mannelijke stoutheid en nederige toewijding, waaraan geen vrouw kan
weerstand bieden. Evenals vroeger krompen de uren tot oogenblikken in.
Wij waren weder jong, weder één. Hier op de Lochias in dezen nacht
waren wij bij elkander, en toch tegelijk in lang vervlogen tijden,
en op andere plaatsen. Wat de zangers zongen, de muzikanten speelden,
de dansers ons te zien gaven, dat ging alles voor ons verloren. Wij
zweefden hand in hand terug naar een zonnige tooverwereld, en het
sprookje van het rijk der zaligen, dat wij daar voor ons zagen in
verblindende pracht en verrukkelijk genot, was de droom, dien ik als
kind het liefste droomde, en meteen het schoonste tijdperk van het leven
der Koningin van Aegypte.
»Het begon voor de poort van den Epicuristen-tuin. Op de rivier Kydnos
werd het voorgezet. Ik zag mij zelve weder op het gouden schip, met
bloemenguirlanden omwonden, op het purperen rustbed, met rozen om mij
heen, en onder het van edelgesteente flonkerende tentdak. Een zacht
windje blies in het zijden zeil, mijne gezellinnen lieten om mij heen
hare stemmen klinken door snarenspel begeleid, de zefier droeg de zoete
geuren die ons omzweefden naar den oever, en ademde hem de boodschap
toe, dat de hoogste zaligheid hem naderde, waarvan hij had gedacht dat
het genot alleen den goden was beschoren. En evenals zijn hart het mijne
tegenklopte, en zijne bedwelmde zinnen sidderend naar mij verlangden,
hetzelfde--dat heeft hij mij bekend--was ook het geval met zijn geest,
zoodra die den mijnen ontmoette. In ons geluk gevoelden wij ons beiden
door banden omslingerd, die niets, ook het noodlot niet, zou kunnen
losmaken. Hij, de beheerscher der aarde, was overwonnen, en hij vond er
een wellust in, de wenken zijner vorstin te volgen, omdat hij gevoelde
dat zij, voor wie hij zich boog, zijne gehoorzame slavin was. En dat
alles had geen tooverbeker uitgewerkt! Alsof ik was verlost van een
vreeselijk schrikbeeld, dat--al was het ook in het vuur gesmolten--tot
vóór enkele uren het zwaarste drukte op mijne ziel, leefde ik weder op.
Geen magische kunst, niets dan de gaven van lichaam en ziel, die de
overwonnen overwinnende, die de vrouw Cleopatra aan de gunst der goden
te danken had, hadden zijn verheven mannelijkheid gedwongen zich aan
haar over te geven.
»Van den Kydnos voerde hij mij hierheen, en nu begonnen de genotvolle
dagen, die het ons vergund was door te brengen op den grond van mijn
Alexandrië. Duizend uren, helder als de zon, golven van klanken, die
sinds lang met den stroom van den tijd voorbij waren geruischt, wekte
hij tot nieuw leven op, en ik, ik deed hetzelfde, en onze herinneringen
smolten inéén. De onvergetelijke uren, die wij samen hebben doorleefd,
wanneer wij ons, in dollen overmoed, onbekend onder het vroolijke volk
mengden; al de Olympische vreugd die onzen boezem zwellen deed, als
duizenden ons toejuichten; alles wat ons in het stille vertrek geest en
zinnen met de wellust der zaligen vervulde; al het genot dat de kinderen
ons schonken, als zuivere nectar voor de ziel--dat alles hebben wij
elkander nu weder getoond en geschonken, en geen van ons beiden wist
wie de gever was of de ontvangende. Het donkere, het pijnlijke scheen
opgelost te zijn--en de kinderdroom, het sprookje, gedicht door de
phantasie, stond als werkelijkheid voor mijne ziel, als dezelfde
werkelijkheid--ik herhaal het--die ik mijn vroeger leven noem.
»En Charmion, als nu morgen de dood komt, behoef ik dan wel te zeggen
dat hij te vroeg kwam, dat hij mij afriep, vóór het leven mij zijn
schoonste gaven had mogen schenken? Neen, neen en nogmaals neen! Wie in
zijn laatste uur tot zichzelven mag zeggen, dat de schoonste droom uit
zijn kinderjaren nog overtroffen is geworden door een lang tijdperk van
zijn leven, die mag zich gelukkig prijzen, al is het in den diepsten
nood en aan den rand van het graf!
»De wensch om de eerste en hoogste onder alle vrouwen van haar tijd te
worden, die reeds gekoesterd werd in het hart der jonge leerling, werd
vervuld. Het vurig verlangen naar liefde, dat reeds toen mijn geheele
ziel doorgloeide, dat heeft de minnende vrouw, de moeder, de Koningin
bevredigd gezien, en opdat ook de vriendschap mij alles bieden zou wat
zij vermag te geven, daarvoor liet de gunst van het lot mijn Archibius,
uw broeder, zorgen en ook mijne Charmion en Iras.
»Laat nu komen, wat wil. Deze avond heeft mij geleerd dat het leven
de belofte die het mij deed, gehouden heeft. Doch ook anderen zal
het vergund zijn de schitterendste van alle Koninginnen, de vurigst
beminde van alle vrouwen, gaarne te gedenken. Daar zorg ik voor, want
het grafmonument dat Gorgias voor mij opricht, plaatst zich als een
onverbrekelijke muur tusschen de Cleopatra, die nog heden met trotsch
gevoel van eigenwaarde deze kroon draagt, en de dreigende vernedering en
schande.
»Nu wil ik gaan slapen. Al brengt het ontwaken nederlaag, ellende en
dood--toch heb ik geen reden om over mijn lot te klagen. Slechts één
ding heeft het mij geweigerd: de rust zonder smart, die het kind en de
opgroeiende jonkvrouw zich als het hoogste goed dachten; maar nu zal ook
die nog het deel worden van Cleopatra. Het rijk des doods, dat zooals de
Aegyptenaars zeggen, het stilzwijgen liefheeft, opent voor mij zijne
poorten. De grootste rust vangt aan op zijn drempel, en wie zal zeggen
waar zij ophoudt? De blik van onzen geest reikt niet ver genoeg om de
grens te zien, waar zij aan het eind der eeuwigheid, die immers zonder
einde is, door iets anders wordt verdrongen."
Hierop wenkte de Koningin haar vriendin om haar naar het slaapvertrek te
vergezellen. Een deur leidde vandaar naar de kamer der kinderen, en een
onwederstaanbare behoefte drong haar die te openen, en in de leege,
donkere ruimte naar binnen te zien.
Een koude huivering ging haar daarbij door de leden. Zij nam eene der
kamervrouwen die haar volgden, den kandelaar uit de hand, en trad
daarmee naar de legerstede van den kleinen Alexander. Deze was leeg en
verlaten, evenals de andere. Toen zonk haar opgeheven hoofd op de borst;
de moedige kalmte, die uit den terugblik op haar vervlogen leven was
ontstaan, kon niet langer duren, en zooals de helderste lichttinten aan
den hemel, bij den schitterenden gloed van den avond, eensklaps plaats
moeten maken voor den nacht, zoo kwam er in de ziel van Cleopatra, na
de hooge geestvervoering der laatste uren, een plotselinge omkeer. Door
een diepe, pijnlijke neerslachtigheid aangegrepen, wierp zij zich voor
het bed der tweelingen neder. Daar bleef zij lang, stil weenend liggen,
totdat Charmion haar, bij het aanbreken van den dag, vermaande ter rust
te gaan. Toen richtte Cleopatra zich langzaam op, wischte hare tranen
af, en zeide: »Zooeven scheen het leven, dat achter mij ligt, mij een
prachtige tuin toe. Maar ach, hoeveel slangen strekten hunne platte
koppen met de glinsterende oogen en de gespleten tong naar mij uit! Wie
heeft de bloemen ter zijde geschoven, waaronder zij verborgen lagen?
Ik geloof Charmion, dat het de geheimzinnige macht was, die immers hier
bij de kinderen zich tegenover de kleinste zoo goed als de grootste
gemoedsbeweging zoo krachtig doet gevoelen,--het was--wanneer heb ik
dat huiveringwekkende woord toch voor het laatst gehoord?--het was het
geweten. Hier, in dit verblijf van onschuld en reinheid, valt alles wat
op een vlek gelijkt, sterk in het oog.--Hier.... o Charmion, waren de
kinderen maar hier!--Mocht ik maar...
»Doch neen, neen! Het is goed, het is zeer goed dat zij weg zijn! Ik
moet sterk blijven, en hun lieftalligheid zou mijn kracht breken. Maar
het wordt steeds lichter. Kleed mij voor den dag. Ik zou eerder kunnen
slapen in een instortend huis, dan met zulk een oproerig hart."
Men deed haar de donkere kleederen aan, die zij had uitgekozen, en
terwijl zij daarmede bezig waren, klonk in de koninklijke haven daar
beneden luid en vele malen herhaald het geluid der trompet en der andere
signalen, tot het bijeenroepen van de vloot en het leger, waarvan in den
nacht reeds een deel naar de heuvels aan de zee was gebracht.
Dat klonk krijgshaftig en stout. De goed uitgeruste schepen in de haven
boden een prachtig schouwspel aan. Hoe dikwijls had Cleopatra niet reeds
gezien dat er iets onverwachts gebeurde, en het schijnbaar onmogelijke
mogelijk werd. De overwinning van Octavianus bij Actium, was die ook
niet een wonder geweest? Wanneer het lot nu eens, als een grillig
heerscher, tegenspoed in voorspoed veranderde? Wanneer Antonius zich
heden weder eens een held betoonde, zooals gisteren, en een veldheer
zooals zoo menigmaal in vroeger dagen?
Zij had geweigerd hem nog eens te zien vóór het begin van den slag,
om hem niet af te leiden van de groote taak, die hij te vervullen had.
Doch toen zij hem op zijn vurigen Barbarijschen hengst in blinkende
wapenrusting, den oorlogsgod zelf gelijk, langs zijn troepen zag
rijden, en hen dien gullen, opgewekten groet zag toewuiven, waarvan
de warme vriendelijkheid zoo regelrecht uit zijn hart kwam, en die de
krijgslieden zoo dikwijls tot vurige geestdrift had ontvonkt, toen
moest zij zich geweld aandoen om hem niet tot zich te roepen, en hem
te zeggen dat hare gedachten met hem medegingen.
Zij deed dit echter niet, en zoodra zijn purperen mantel uit het gezicht
verdwenen was, liet zij haar hoofd weder zinken.
Hoe geheel anders hadden vroeger de toejuichingen der soldaten
geklonken, wanneer hij zich aan hen had vertoond! Die koele
beantwoording van zijn blijmoedigen, welgemeenden groet, was geen
voorteeken van overwinning.