TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Een rotsachtig plateau ten Noorden van de haven, niet veel grooter dan

de tuin van Didymus in den Muzenhoek, een verlaten stuk grond waarop

boom noch struik groeide, dat was het eigendom van den vrijgelatene

Pyrrhus. Het heette het Slangeneiland, hoewel de bewoners het sinds

lang hadden bevrijd van die gevaarlijke gasten, die daarentegen nog in

grooten getale huisden op de naburige klippen. De steenachtige bodem van

dit eiland bracht niet den geringsten zaadkorrel tot ontkiemen, en de

menschen die zich hier metterwoon gevestigd hadden, waren genoodzaakt

het drinkwater te halen van het vasteland.

Deze woestenij, waar meeuwen, zeezwaluwen en zeearenden om heen vlogen,

was nu reeds weken lang de verblijfplaats van het ontvluchte jonge paar.

De beide kamers die hen bij hunne aankomst waren afgestaan, waren nog

altijd hun woon- en slaapvertrek gebleven. Overdag brandde daarbuiten de

zon op den gelen kalksteen. Nergens was schaduw te vinden dan bij het

huis of aan den voet van een hoogen rotspilaar in het Zuiden van het

eiland, die de visschers tot wachttoren diende. Er was geen ander

gewrocht van menschenhanden dan een klein heiligdom van Poseidon, een

altaar van Isis, het groote, door Alexandrijnsche metselaars stevig en

doelmatig gebouwde huis van Pyrrhus, en een kleiner voor de getrouwde

zoons van den vrijgelatene en hunne gezinnen. Aan het strand stond een

lang houten raam, waarop netten te drogen hingen. Daar dichtbij en in

het noorden, aan de open zee, was de reede met het grootere zeeschip,

en verscheidene booten en schuitjes der visschers. Op een werf bouwde

Dionikos, de jongste ongehuwde zoon van Pyrrhus, nieuwe vaartuigen, en

herstelde de schade aan de oude.

Zijn beide stille broeders, met hunne vrouwen en kinderen, vader

Pyrrhus, diens echtgenoote en hunne jongste, zestienjarige dochter

Dione, eenige honden, katten en hoenders, maakten de bevolking van het

Slangeneiland uit.

Dat was de omgeving van het jonggetrouwde paar, van hen, die beiden

waren opgegroeid in de groote stad Alexandrië. In het begin hadden zij

nog aan vele dingen moeten wennen, doch met wat goeden wil was hen dit

gelukt, en zij hadden elkander sinds lang bekend, dat het leven hen nog

nooit zoo ongestoord vreedzaam was voorgekomen.

In de eerste week hadden de wond en de koorts van Dion nog reden tot

bezorgdheid gegeven, doch de voorspelling van Pyrrhus, dat de zuivere,

verkwikkende zeelucht den lijder goed zou doen, was vervuld, en voor de

jonge vrouw waren, onder het verplegen van haar geliefde, de eentonige

dagen omgevlogen.

De vrouw van Pyrrhus, »moeder," zooals allen haar noemden, had zich

daarbij een bekwame heelmeesteres getoond, en de schoondochters en de

jonge Dione waren trouwe en vaardige helpsters geweest. In den tijd

van zorg en verpleging had Barine vriendschap met haar gesloten. Zoo

traag in het spreken als de mannen waren, die ieder overtollig woord

achterwege lieten, zoo veel te liever waren de vrouwen tot praten bereid

en het was een waar genoegen met de aardige, op het eiland opgegroeide,

weetgierige Dione te spreken.

Dion had sinds lang zijn legerstede verlaten en ging weder uit. Hij zag

er nog altijd uit als een gelukkig mensch, die met zich zelf en zijn

woonplaats tevreden is.

Gedurende de eerste dagen hadden de koortsphantasieën hem telkens weder

zijn overleden moeder doen zien, die hem angstig op zijn jonge vrouw

wees, alsof zij hem voor haar waarschuwen moest. Nu herinnerde de

herstellende zich deze zinsbegoochelingen, en deze waren het alleen die

somtijds de vraag bij hem deden opkomen, of Barine het in de eenzaamheid

op deze woeste klip op den duur zou kunnen uithouden, en of zij de

opgeruimdheid harer ziel, die hem telkens opnieuw in verrukking bracht,

er niet bij verliezen zou? Zou het wonder zijn als zij hier van heimwee

verkwijnde, en ook lichamelijk zou moeten lijden onder zulke groote

ontberingen? Het deed hem goed op te merken dat de liefde haar nu nog

schadeloos stelde voor alles wat zij had achtergelaten, doch hij wilde

niet toegeven aan de hoop dat dit langen tijd zoo kon blijven. Alleen

een overdreven gevoel van eigenwaarde zou zich veroorlooven zoo iets

te verwachten. Maar hij moest toch zijn eigen aantrekkingskracht of

de liefde van Barine onderschat hebben, want met iedere nieuwe week

werd de vroolijke tevredenheid van haar stemming bestendiger. Hem

zelven ging het evenzoo, want in lang had hij zich niet zoo frisch,

zoo onbevangen en zorgeloos gevoeld. Het eenige wat hij betreurde was

de onmogelijkheid om in dezen moeilijken tijd deel te nemen aan het

staatkundig leven der stad. Somtijds verontrustte hij zich ook over het

lot en het beheer van zijn bezittingen, hoewel een aanzienlijk deel van

zijn vermogen, dat hij aan een vertrouwden wisselaar in bewaring gegeven

had, hem toch altijd zou overblijven, ook al werd er op zijn overige

goederen beslag gelegd. Barine stelde in alles wat hem betrof belang,

ook in dergelijke beslommeringen, en dit gaf hem aanleiding haar in te

lichten omtrent de zaken van de stad en den Staat, waarnaar zij vroeger

zoo weinig had gevraagd, en omtrent zijne bezittingen in Alexandrië

en in de provincie. Als hij zoo sprak luisterde zij gaarne en met

belangstelling toe, terwijl zij overdag van de reede aan de noordzijde

met hem een eind de zee invoer, of in de lange winteravonden netten

breide, een kunst die zij van Dione had geleerd. Men had haar uit de

stad ook haar luit medegebracht, en hoeveel genot kon zij met haar

gezang haar echtgenoot en haar zelve bereiden, en welke dankbare

toehoorders had zij in haar groote en kleine gastvrije vrienden!

Ook waren er eenige boekrollen gekomen, en Dion vond er een genoegen

in, met Barine over den inhoud te spreken. Hij zelf las slechts weinig,

want overdag was hij zelden te huis. Reeds in de vierde week kon hij de

mannen bij het visschen, en Dionikos bij de scheepsbouw, met zijne in de

Palastra gestaalde armen behulpzaam zijn.

Bij dezen innigen, onafgebroken, en door niets gestoorden omgang van

de jonggehuwden, ontdekte de een bij den ander telkens onverwachtte

schatten, die bij het leven in de stad misschien voor altijd zouden

verborgen gebleven zijn. Hier was de een alles voor den ander, en door

dit ongehinderd in en met elkander leven, verkregen zij dat heerlijk

gevoel van onafscheidelijk één zijn, dat anders eerst na jaren het deel

wordt der gehuwden, als de schoonste vrucht van een op liefde

gegrondvest echtverbond.

Wel waren er ook uren, waarin Barine haar moeder en de anderen die haar

lief waren, o zoo gaarne weder zou zien, maar de brieven, die zij van

tijd tot tijd ontving, maakten dat dit gevoel geen pijnlijk verlangen

werd.

De voorzichtigheid gebood het verkeer met de stad zooveel mogelijk te

beperken. Doch zoo menigmaal Pyrrhus naar de markt voer, kwamen er ook

brieven mede terug, die Anukis, Charmion's getrouwe Nubische, den ouden

vrijgelatene overhandigde bij den vischafslag aan de haven.

Langzamerhand waren deze twee goede vrienden geworden.

Zoo was dan nu de tijd gekomen, dat Dion zonder zelfbedrog zich durfde

bekennen, dat Barine in deze woestenij volkomen tevreden was, en dat

zijn liefde en de omgang met hem haar geheel schadeloos stelde voor

het opwindende leven vol afwisseling in de hoofdstad. Als er een brief

kwam van haar moeder, haar zuster of Charmion, of van haar grootvader,

Archibius of Gorgias, dan kon toch geen van die allen haar wensch om die

stille schuilplaats te verlaten, in brandend heimwee veranderen; wel gaf

elke brief nieuwe stof tot gesprekken, en daaronder was veel wat hen des

te vaster verbond, omdat het hun beider belangstelling wekte.

In de tweede maand na hun vlucht kwam er een schrijven van Archibius,

waarin hij mededeelde, dat zij nu spoedig aan terugkeeren mochten

denken, want de Syriër Alexas was gebleken een laaghartig verrader

te zijn. Hij had de taak, die hem opgedragen was, om Herodes voor de

zaak van Antonius te winnen, niet volbracht, was zelf verradelijk zijn

beschermer afgevallen, en bij den Koning der Joden gebleven. Toen hij

met zeldzame onbeschaamdheid Octavianus zelf had opgezocht om hem de

geheimen van zijne Aegyptische weldoeners te verkoopen, was hij gevangen

genomen en in zijn vaderland Laodicea terechtgesteld.

Nu, vervolgde hun vriend, waren Cleopatra evenals haar gemaal de oogen

open gegaan voor den grootsten beschuldiger van Barine. Natuurlijk was,

ten gevolge van de snoode daad zijns broeders, ook het aanzien van

Philostratus geheel te niet gegaan. Toch moesten zij nog een weinig

geduld hebben, want Cæsarion had zich bij de epheben gevoegd, en

Antyllus was met de »toga virilis" bekleed. Nu konden zij allerlei

dingen ondernemen op hun eigen hand, en dat Cæsarion niet zou nalaten

Barine te vervolgen, kon men gemakkelijk opmaken uit vele zijner

gezegden.

Voor zijn eigen persoon vreesde Dion van den koninklijken jongeling

niets, maar ter wille zijner gade durfde hij de waarschuwing van zijn

vriend niet in den wind slaan. Dat was hard, want wel is waar voelde hij

zich nog gelukkig op het eiland, maar hij smachtte er toch naar, zijn

geliefde vrouw binnen te leiden in zijn eigen huis, en hij verlangde in

dezen rampspoedigen tijd met zijn geheele ziel naar de zittingen van den

Raad terug. Daarom vooral zou hij gaarne naar de stad zijn gegaan, doch

Barine verzocht hem zoo dringend, het zekere geluk dat zij hier smaakten

niet lichtvaardig prijs te geven voor een grooter, waarachter misschien

het ergste onheil verborgen lag, dat hij eindelijk toegaf. Een nieuwe

brief van Charmion bewees ook spoedig hoe noodzakelijk het nog altijd

was, voorzichtigheid te oefenen.

Zelfs van hun eiland af hadden zij kunnen opmerken hoe in Alexandrië

alles feestvreugde was, en hoe het hof en de burgerij zich liet

meesleepen in de meest woeste uitgelatenheid. Zoo dikwijls de wind

uit het Zuiden woei, droeg hij enkele tonen der vroolijke muziek of

onverstaanbare klanken van het luidruchtigste volksgejubel tot hen over.

De visschersdochter Dione riep hen ook somtijds naar den oever, om de

gondels te bewonderen, die met fabelachtige pracht gesierd, met bloemen

omwonden waren, en waaruit de tonen van een luit of van gezang opstegen.

Zeilen van geborduurde purperen zijde dreven de vaartuigen over den

gladden zeespiegel. Eenmaal zelfs zagen de toeschouwers uit de verte

op een scheepje, dat rijk met vergulde beelden was versierd, jonge

slavinnen, met loshangend haar en doorschijnende zeegroene kleederen,

als Nereïden de lichte sandelhouten roeiriemen hanteeren. Meermalen

bracht de wind de welriekende geuren, die de gondels omzweefden, tot

hen over, en in stille nachten gleden de feestelijke schepen in het

tooverachtige licht van veelkleurige lampen over het water. In de

opvarende ontdekten zij goden, godinnen en halfgoden, die in fraaie

groepen, in staande of liggende houding, tooneelen uit mythe en

geschiedenis voorstelden. Op het dek van het prachtige schip der

Koningin zag men de bekranste gasten op purperen rustbanken onder

bloemfestoenen, een feestmaal houden en gouden bekers ledigen.

Dan weder was des nachts de oever van het Bruchium daghelder verlicht.

Dan prijkte in de Rhakotis de indrukwekkende koepel van het Serapeum,

met lampen bedekt, als het op aarde neergedaalde, met sterren bezaaide

hemelgewelf boven de platte daken der stad. Iedere tempel en ieder

paleis was veranderd in een reuzenluchter, en de reeksen lampen aan

de kade strekten zich uit als bonte lichtranken, van den verblindend

stralenden marmeren tempel van Poseidon af tot aan het paleis op de

Lochias, dat ook scheen te baden in een zee van licht.

Zoo vaak Pyrrhus en een van zijn zoons van de markt huiswaarts keerden,

verhaalden zij van de feesten en tooneelvoorstellingen, drinkgelagen,

wedrennen en pleziertochten zonder einde, die door het hof gegeven

werden, en de burgerij voortdurend bezig hielden. Het was een

voordeelige tijd voor de visschers, want alles wat zij vingen werd door

de koks der Koningin opgekocht en ruim betaald.

Het was al Januari geworden, toen de laatste brief van Charmion kwam.

Dion en Barine hadden op den geboortedag van Cleopatra te vergeefs

verwacht dat er iets ongewoons gebeuren zou, maar op dien van Antonius,

die enkele dagen later viel, was er buitengewoon veel muziek en gejuich

geweest, en in den avond een bijzonder prachtige verlichting.

Twee dagen later had Pyrrhus dien brief van zijne bruine vrienden Anukis

gekregen. Op hare vraag of hij het nu eindelijk voor mogelijk hield dat

de een of ander zijne beschermelingen kwam bezoeken, had hij ontkennend

geantwoord; want sedert Octavianus in Azië verblijf hield, wemelde het

in de haven van bewakers, en ééne onvoorzichtigheid kon alles bederven.

Intusschen was de brief van Charmion, nog meer dan de waarschuwing van

den visscher, geschikt om het toenemend verlangen van Dion naar zijn

vaderstad te beteugelen. Wel bevatte de aanhef goede tijdingen omtrent

de bloedverwanten van Barine, maar daarna kwam de mededeeling aan

Dion dat zijn oom de zegelbewaarder, tegenwoordig in weelde zwom.

Van zijn talent tot het bedenken van vermaken werd meer dan ooit

partij getrokken. Iedere dag bracht een feest, iedere nacht overdadige

gastmalen. De eene tooneelvoorstelling, pleiziertocht, of jachtvermaak

volgde op de andere. Zelfs in den tijd voor Actium waren er in de

theaters, het Odeum, het Hippodroom, geen schitterender voorstellingen,

wedrennen, spiegelgevechten op zee, gladiatorengevechten en jachten op

dieren geweest. Dion had zelf vroeger dergelijke vermaken bijgewoond

als lid van het gezelschap der »onnavolgbare kunstenaars om het leven

te genieten," dat zeer gezien was aan het hof. Dat was nu weder in het

leven geroepen, doch Antonius had hen de »metgezellen van den dood"

genoemd. Dat teekende. Ieder wist, dat hij zijn einde tegemoet ging,

en het voorbeeld van dien Pharao navolgde, wien het orakel nog zes

levensjaren had beloofd, en die dat logenstrafte en er twaalf van

maakte, door ook de nachten door te zwieren.

De wederontmoeting van de Koningin en haar gemaal waarvan zij vroeger

had gesproken, was hartverheffend geweest.

»Toen," schreef zij, »hoopten wij dat er weder een beteren tijd zou

aanbreken, en dat Marcus Antonius, medegesleept en opgeheven door een

nieuw ontwaakte liefde, de oude heldenkracht terug zou vinden; doch wij

hadden ons vergist. Cleopatra gaf zich wel-is-waar niet aan de rust

over, maar hij had met zijn verbazend grooten ruiker van rozen bewezen

dat hij alles wat de verhitte phantasie van een mensch, die voor genot

leeft, uitdenken kan, tot het uiterste dreef. De vertooningen der

»onnavolgbare kunstenaars van het leven," werden door de »metgezellen

van den dood" nog overtroffen.

»Antonius staat aan hunne spits, en de man, wiens reuzenlichaam de

ongeloofelijkste inspanning weerstaat, slaagt er in zich te bedwelmen,

en te vergeten dat hij zijn ondergang nadert. Wanneer wij hem na een

losbandig doorgezwierden nacht terug zien, dan stralen zijne oogen even

helder, en zijn stem heeft een even frisschen metaalklank als bij het

begin van het gastmaal. De Koningin is zijn godin, en wie zou er niet

van getroffen zijn, wanneer de reus zich gehoorzaam buigt voor den wenk

der tengere gebiedster en al het mogelijke uitdenkt en haar aanbiedt, om

daarmede een glimlach op hare lippen te tooveren. De tijd toen hij zoo

onstuimig en onrustig dong naar haar gunst, ligt nu immers reeds ver

achter hem; ik heb bij zijn huldeblijken, die de epheben van onze

dagen wellicht verouderd zullen noemen, echter altijd het gevoel alsof

zich een berg voor een ster buigt. De oningewijde, die haar in zijn

gezelschap ziet, houdt haar voor gelukkig. In den sprookjesachtigen

glans van den feesttooi, wanneer allen die om haar heen zijn haar

aanbidden, hulde brengen en met bloemen bestrooien, zou men zelfs kunnen

denken dat de zondige dagen van vroeger waren teruggekeerd, doch als

wij alleen zijn, hoe zelden zie ik haar dan glimlachen! Nu eens houdt

zij zich bezig met het grafmonument, dat onder de leiding van Gorgias

snel vordert; dan weder overlegt zij met hem hoe dat het best tot een

ontoegankelijke schuilplaats te maken. Alles, tot aan de beelden op den

steenen sarcophaag toe, kiest zij zelve uit.

»In de kelders en boven den grond worden vertrekken en kamers gemetseld,

waarin hare schatten bewaard moeten worden. Daaronder laat zij gangen

graven tot bergplaats voor het pik en stroo, dat in het uiterste geval

in brand moet worden gestoken. Dan wil zij haar goud en zilver,

edelgesteente en gemmen, ebbenhout en elpenbeen, kostbare reukwerken,

kortom alles wat zij aan kleinodieën bezit, aan de vlammen prijsgeven.

De paarlen alleen zijn vele koninkrijken waard. Wie kan het haar euvel

duiden wanneer zij die liever ten vure doemt dan ze den vijand na te

laten?

»De tuin, waarin gij zijt opgegroeid Barine, is thans het tooneel der

vroolijke werkzaamheid van de tweelingen en van Alexander. Daar stoeien

zij, bouwen en graven, onder de leiding van mijn broeder. Het is een

allerliefst, rijkbegaafd klaverblad. Tot hen neemt zij tegenwoordig haar

toevlucht, wanneer zij, op haar jacht naar genietingen, die dat voor

haar niet meer zijn, naar rust smacht.

»Toen Antonius eergisteren, als de nieuwe Dionysos, met klimop bekranst,

op een met tamme leeuwen bespannen wagen langs den Koningsweg kwam

aanrijden, om haar van de Lochias af te halen tot een rit op een

lotusbloem van zilver en wit geslepen glas, door vier sneeuwwitte

schimmels getrokken, toen wees zij op dien schitterenden stoet en

zeide: »tusschen de stilte van den philosofen-tuin waar ik begonnen ben,

en mij nog altijd het behagelijkst voel, en het graf, waar niets de

verbeurde rust meer storen zal, loopt de Koningsweg met dit bedwelmend

geraas en deze nietige praal. En dat is mijn weg."

»O kind, eens was dat anders! Zij beminde Marcus Antonius met

hartstochtelijken gloed. Hij was voor haar de eerste man op aarde,

en toch boog hij zich voor de overmacht van haar wil. Het smachtend

verlangen van haar ontwakend hart, de brandende eerzucht, die reeds

als kind in haar ziel was ontvlamd, zij hadden toen beide bevrediging

gevonden, en de wereld zag het aan, hoe de sterfelijke vrouw Cleopatra

dit arme leven hier op aarde, voor haar geliefde en zichzelve,

verzadigde met het genot der Goden. Dankbaar gaf hij zich hier aan over,

en de grootmoedigste aller grootmoedigen legde aan de voeten van »de

groote koningin van het Oosten" zichzelven, de macht over Rome, en van

de koningen over twee werelddeelen, neder.

»Die jaren vlogen hen beiden als in een droom voorbij. Zijn huwelijk

met Octavia bracht het eerste ontwaken mede. Dat viel haar zwaar te

dragen. Doch hij had Cleopatra niet verlaten, ter wille van een andere

vrouw, maar tot behoud van zijn bedreigde macht en heerschappij. De

niet-beminde Octavia dwong hem echter met achting en bewondering tot

haar op te zien; ja eindelijk werd zij hem zelfs dierbaar.

»Nu ontspon zich een felle strijd tusschen haar beiden om hem en zijn

hart. Die werd met zeer verschillende wapenen gevoerd, en Cleopatra

overwon. Toen begon de bedwelming, de droom op nieuw. Daar kwam Actium,

de ontgoocheling, het ontwaken, de val, de vlucht uit de wereld. Thans

moest zij zorgen hem niet weder in verdooving te laten vervallen, den

moed en de kracht van den held wakker te houden, en hem uit liefde tot

medestrijder te maken voor de gemeenschappelijke zaak.

»Hij was er echter aan gewoon geraakt haar te beschouwen als de persoon

die hem in dezen toestand van bedwelming bracht. Het eenige wat hij nog

begeerde was in vereeniging met haar den beker van het genot te ledigen,

totdat alles voorbij zou zijn. Dat ziet zij, dat smart haar. Zij laat

niets onbeproefd om hem tot nieuwe werkzaamheid op te wekken, doch maar

zeer zelden spant hij zich tot ernstigen arbeid in.

»Terwijl zij echter de monden van den Nijl en de grenzen van het

land versterkt, tal van schepen voor de nieuwe vloot bouwt, uitrust

en bemant, kan zij hem toch niet weerstaan als hij haar tot nieuwe

genietingen oproept. Hoeveel er ook verloren ging van de begaafdheden,

die hem groot en beminnenswaardig maakten, zij heeft de kracht niet

haar oude liefde op te geven, en blijft hem getrouw, omdat--omdat....

Ik weet niet waarom. Een liefhebbend vrouwenhart handelt nu eenmaal

niet volgens vaste regels en wetten. Hij is dan ook de vader van

haar kinderen, en terwijl hij met hen speelt vindt hij zijn oude

aantrekkelijke vroolijkheid weder.

»Sedert Archibius voor hen zorgt, kunnen zij hun gouverneur Euphronion

missen. Die verstandige man kent Rome, Octavianus en diens omgeving

goed; daarom hebben zij hem tot gezant gekozen. Hij moest den

overwinnaar overreden om de heerschappij over Aegypte op te dragen

aan de beide knapen, Antonius Helios en Alexander; doch de Cæsar

verwaardigde den bemiddelaar in de zaak van Antonius niet met een

antwoord; hij wilde hem zelfs niet aanhooren.

»Aan Cleopatra beloofde Octavianus een vriendelijke behandeling en

de vervulling van den wensch omtrent de knapen, indien zij--en hier

herhaalde hij zijn vroegeren eisch--haar vriend uit den weg wilde

ruimen, of aan hem uitleveren.

»Dit voorstel, dat een snood verraad behelsde, was voor hare edele ziel

onaannemelijk. Sedert zij besloten heeft het grafmonument op te richten,

behoort het voldoen aan dien wensch tot de onmogelijkheden. Toch stelde

Octavianus alles in het werk om haar tot die schandelijke daad te

verleiden. De dood van dien eenen man zou trouwens veel bloedvergieten

hebben voorkomen. De Cæsar weet zijne lieden te kiezen. Hierheen zond

hij als onderhandelaar een knappen jongen man, rijk begaafd naar lichaam

en geest. Wat zou hij wel onbeproefd gelaten hebben om de Koningin in

te nemen tegen haar gemaal, en haar over te halen tot verraad. Hij ging

zelfs zóó ver, van aan Cleopatra te verzekeren dat zij reeds in vroeger

jaren het hart van Cæsars neef veroverd had, en dat hij haar nog altijd

liefhad. Zij nam deze betuigingen voor hetgeen zij waren, en bleef

onwrikbaar.

»Antonius liet den intrigant aanvankelijk zijn gang gaan. Doch toen hij

hoorde welke middelen hij gebruikte en hoe hij zelfs de uitlevering van

een der moordenaars van Cæsar, waarvan hij zelf al lang spijt had, er

bij haalde om hem als een ondankbaren verrader te brandmerken, toen

had hij zichzelf niet moeten zijn, wanneer hij dit kalm had opgenomen.

Hij was weder geheel en al de oude Antonius, toen hij dezen listigen

knaap, hoewel hij als gezant van den machtigen overwinnaar was gekomen,

eenvoudig liet geeselen, hem terug zond naar Rome, en een brief schreef

aan Octavianus, waarin hij zich over de vermetelheid en aanmatiging

van dezen jongeling beklaagde, en er bijvoegde--hoe gedrukt ik ook

ben, ik moet toch glimlachen als ik er aan denk--dat het ongeluk hem

buitengewoon prikkelbaar had gemaakt; wanneer echter zijne handelwijze

den Cæsar mishagen mocht, dan kon hij met zijn eigen vrijgelatene

Hipparchus, dien Octavianus in zijn macht had, even zoo doen als hij met

Thyrsus had gedaan.

»Gij ziet dat de jeugdige overmoed hem nog niet geheel heeft verlaten.

Het leed glijdt weder langs hem neer als de regen van den groven

soldatenmantel, dien hij in den oorlog met de Parthen droeg, en daarom

kan het hem ook nooit zijn louterende kracht bewijzen.

»Als men bedenkt, dat deze man, nog maar enkele jaren geleden zichzelven

als het ware verdubbelde, zoo vaak het gevaar op het hoogste was

geklommen, dan is zijn gedrag nu, vóór de eindbeslissing, alleen

te begrijpen door hen, die hem zoo goed kennen als wij. Wanneer

hij strijdt, doet hij dat niet meer om zich te redden, of wel om te

overwinnen, maar met eere te sterven. Als hij nog geniet van wat er te

genieten valt, dan denkt hij daarmede de grootte van zijn nederlaag

voor zich zelven te verkleinen, en voor den overwinnaar den omvang van

zijn zegepraal te verminderen. In het oog der wereld ten minste, is

iemand die nog kan feestvieren als Antonius, slechts half overwonnen.

Ondertusschen werden zijne edele bedoelingen toch nog in twijfel

getrokken. De uitlevering van dien moordenaar van Cæsar--Turullius heet

hij--bewijst dat.

»En dat, Barine--zeg het ook aan uw echtgenoot--dat is het, wat mij met

vrees vervult en mij dringt u te smeeken nog niet aan terugkeeren te

denken.

»Antonius is op het oogenblik de makker van zijn zoon geworden. Wat hij

zelf geniet, daarin laat hij Antyllus deelen. Natuurlijk heeft hij ook

van den hartstocht van Cæsarion gehoord, en is geneigd om den armen

knaap te helpen. Meermalen heeft hij beweerd dat niets beter geschikt

was om den droomer op te wekken uit zijn slaap, dan uwe lieftallige

vroolijkheid. Daar men toch moeielijk denken kon dat de aarde u had

verzwolgen, zou men u wel weten te vinden; hij verlangde er zelfs naar

u nog eens te hooren zingen.

»Ik weet dat hij u reeds laat zoeken. Hoe gebiedend u dit vermaant

voorzichtigheid te oefenen, begrijpt gij van zelf. Daarentegen zal het

bericht dat Cleopatra van plan is Cæsarion met zijn gouverneur Rhodon

over het eiland Philae naar Aethiopië te zenden, tot uwe geruststelling

dienen.

»Archibius heeft namelijk door Timagenes gehoord dat Octavianus den zoon

van Cæsar, wiens gelaat zoo verwonderlijk op dat van zijn vader gelijkt,

voor gevaarlijk houdt, en in deze gedachte ligt het doodvonnis van den

jongeling opgesloten. Ook Antyllus gaat op reis. Hij moet naar Azië, om

Octavianus genadiger te stemmen en hem nieuwe aanbiedingen te doen. Hij

was immers, zooals gij weet, met zijne dochter Julia verloofd.

»De Koningin houdt al sinds lang niet meer de overwinning voor mogelijk,

en toch arbeid zij, ondanks al het tijdroovende van de vermaken der

»metgezellen van den dood", met onvermoeiden ijver aan de verdediging

des lands. Zij is dan ook zeker het eenige lid dier vereeniging die het

met zijn naderend einde ernstig opneemt.

»Nu het grafmonument vordert, denkt zij dikwijls aan den dood. Zij, die

reeds van Epicurus heeft geleerd te streven naar volkomen afwezigheid

van smart, en die zoo gevoelig is voor de minste lichamelijke pijn,

zoekt nu naar een weg om zonder pijn te komen tot de eeuwige rust,

waarnaar zij smacht. Iras en de jongere leerlingen van Olympus helpen

haar daarbij. De oude man levert de meest verschillende soorten van

vergift. Zij nemen proeven op allerlei dieren, ja onlangs ook op ter

dood veroordeelde misdadigers. Daarnaar te oordeelen, schijnt het alsof

de dood het snelst en op de minst pijnlijke wijze wordt teweeggebracht

door den beet van de uraeusslang, die aan de Aegyptische kroon het

zinnebeeld is van de geduchte macht des Konings over leven en dood.

»Hoe verschrikkelijk is dat alles! Hoe smart het te zien hoe een zoo

geliefd wezen, de moeder der liefste kinderen, zich het afscheid zoo

wreed verzwaart, en midden onder de bedwelmendste vermaken den dood als

het ware tot reisgenoot kiest. Zij ziet al de verschrikkingen daarvan

dagelijks in het aangezicht; en toch versmaadt zij trotsch de brug, die

het haar mogelijk zou maken, dat spook misschien nog voor geruimen tijd

te ontvluchten. Dat is groot en harer waardig, en nooit heb ik inniger

liefde voor haar gevoeld.

»Gij ook moet met vriendschap aan haar blijven denken. Zij verdient het.

Een edel hart dat zich gedrongen ziet zijn vijand te beklagen, schenkt

hem gemakkelijk vergiffenis; en was zij eigenlijk ooit uwe vijandin?

»Ik heb lang over dezen brief geschreven, om uwe afzondering uit de

wereld te veraangenamen en mijn eigen hart te verlichten. Hebt nog een

poos geduld. De tijd is nu niet ver meer, dat het lot zelf u uit uwe

verbanning bevrijden zal. Al de uwen, ook Archibius en Gorgias, dien ik

tegenwoordig veel bij de Koningin zie, verlangen er dikwijls naar u op

te zoeken, doch zij vreezen dat zij u daarmede vooreerst nog in gevaar

zouden brengen."

De slechte tijdingen die deze brief bevatte, werden nog bevestigd door

een anderen van Archibius, en spoedig daarna hoorden zij dat Cæsarion

werkelijk met zijn gouverneur Rhodon den Nijl opgevaren was naar

Aethiopië, en dat Antyllus naar Azië tot Octavianus was gezonden. Deze

had hem wel is waar ontvangen, doch ook weder weggezonden, zonder zich

tot iets te verbinden.

Dit laatste vernamen zij niet uit een brief, maar van Gorgias zelf, die

hen eens, laat op een avond in Maart, met een bezoek verraste. Zelden

werd een gast met hartelijker blijdschap ontvangen dan hij. Toen hij het

eenvoudige vertrek binnentrad was Barine juist bezig een net te breien,

terwijl zij daarbij aan de visschersdochter Dione van de zwerftochten

van Odysseus verhaalde. Dion luisterde ook opgeruimd en aandachtig toe,

en bracht nu en dan eens eene verbetering of opheldering in het midden,

onder het snijden van een Poseidonkop voor de voorsteven van een pas

gebouwde boot.

Op het oogenblik dat Gorgias zoo onverwacht hun drempel overschreed,

scheen het alsof het matte schijnsel van de kiki-olielamp, die het

vertrek slechts spaarzaam verlichtte, plotseling in zonneschijn

veranderde. Hoe blijde schitterden aller oogen, hoe helder klonken de

uitroepen van verwelkoming en verrassing! Dat was een vragen, antwoorden

en vertellen! Gorgias moest deelnemen aan den avondmaaltijd der familie,

want men had daarvoor de thuiskomst van den vader afgewacht, en nu had

deze ook den gast medegebracht. En de versche oesters en zeekreeften, en

wat er verder opgedragen werd, smaakten den stedeling beter dan de

overdadigste feestmalen der »gezellen van den dood", waartoe hij

tegenwoordig dikwijls door de Koningin genoodigd werd.

Wat Pyrrhus sprak en aan zijn zoons vroeg, was daarbij zoo verstandig,

en betrof dingen die Gorgias zoo veel belangstelling inboezemden, juist

omdat zij hem onbekend waren, dat hij, toen de goede wijn van Dion zou

gedronken worden, beweerde dat, indien Pyrrhus ook aan hem huisvesting

wilde verleenen, hij ook wel vervolgers zou willen hebben, en zich

hierheen laten verbannen.

Toen zij later met hun drieën alleen bij de eenvoudige leemen mengkruik

zaten, was het voor het eenzame, jonge paar alsof het beste deel van het

stadsleven, dat zij den rug toe gekeerd hadden, naar hen toe gekomen

was. Wat hadden zij elkander niet al te vertellen, Dion en Barine van

hun kluizenaarsleven, Gorgias van de Koningin en het gedenkteeken, dat

tegelijk een schatkamer zou worden. De schuine muren waren zoo stevig

opgemetseld, alsof het gebouw bestemd was duizenden jaren te blijven

bestaan, en een krachtigen aanval te kunnen weerstand bieden. Het

binnenste gedeelte van de benedenverdieping was een hooge zaal, van

verbazende afmetingen. In het midden daarvan moesten de groote marmeren

sarcophagen worden geplaatst. Thans werd er ijverig gewerkt aan de

reliëf-figuren, die de zijden en deksels daarvan moesten versieren. Deze

zaal, waarvan de lichtgewelfde zoldering gedragen werd door drie paar

dikke zuilen, moest worden ingericht als woonvertrek. De rustbanken,

luchters en offertafels waren ook reeds in bewerking gegeven. Charmion

had aan de gevluchten alles nauwkeurig beschreven. In de ledige ruimte

naast de zaal, en in de bovenverdieping, waaraan eerst na de voltooiing

der zoldering kon worden begonnen, moesten inderdaad kamers gemaakt

worden, en daaronder en er naast, kokers voor den doortocht der lucht en

tot berging van brandstoffen.

Het speet Gorgias, dat hij zijn vrienden die zaal niet kon laten zien,

want zij was misschien het prachtigste en fraaiste wat hij ooit tot

stand had gebracht. De edelste bouwstoffen waren er voor gebruikt: bruin

porfier, zwartgroene serpentijnsteen en donkere marmersoorten; en de

mozaïeken en bronzen deuren, nu bijna voltooid, waren meesterstukken

van Alexandrijnsche kunst. Het was een vreeselijke gedachte dat alles

te zien vernietigen, doch nog ondragelijker was het te denken dat het

bestemd was om weldra het lijk der Koningin te bergen.

Weder liet Gorgias zich door zijne verrukking over deze grootste en

heerlijkste van alle vrouwen, tot de geestdriftigste ontboezemingen

verleiden, totdat ook ditmaal weder Dion hem tot bezadigdheid vermaande,

en Barine verlangde nog wat te hooren van hare moeder, grootouders en

zuster. Van die allen viel niets dan goeds te berichten.--Wel had de

bouwmeester alle dagen te strijden met den grijzen philosoof, want deze

noemde het de gastvrijheid misbruiken, om zoo lang met zijne geheele

gezin bij zijn jongen vriend in te wonen, maar Gorgias had toch nog

altijd overwonnen, ook tegenover vrouw Berenice, die wilde dat hij en de

zijnen in haar eigen huis hun intrek zouden nemen.

Cleopatra, verhaalde de bouwmeester verder, had het huis en den tuin van

Didymus gekocht, en er driemaal de waarde voor betaald. Daardoor was hij

een rijk man geworden, en had Gorgias opgedragen een nieuw huis voor hem

te bouwen. Het stuk grond was daar al voor gevonden; het lag aan de zee,

in de nabijheid der bibliotheek, doch daar het een groot gebouw zou

worden, zou hij het pas in den zomer kunnen betrekken. Het zou in de

droge, Aegyptische lucht wel spoediger onder dak zijn gekomen, indien

hij niet aan de vele, meest zeer verstandige wenschen van Helena gevolg

had willen geven.

Barine en Dion zagen elkander hierbij veelbeteekenend aan, doch de

bouwmeester bemerkte dit, en riep uit: »Ik begrijp uwe oogentaal zeer

goed, en ik wil u ook wel bekennen dat reeds vijf maanden lang Helena in

mijne oogen de begeerenswaardigste van alle jonkvrouwen is. Ik zie ook

wel, dat ik ook haar niet onverschillig ben. Doch zoodra ik _haar_, ik

bedoel de Koningin, weder vóór mij zie, en hare stem hoor, dan is het

alsof een stormwind iedere gedachte aan Helena doet vervliegen en het

ligt niet in mijn aard om iemand, wien ook, te bedriegen. Hoe kan ik

aanzoek doen om de hand eener vrouw die ik zoo hoog stel als haar, en

wier zuster gij zijt, Barine, wanneer het beeld van eene andere mijn

geheele ziel inneemt?!"

Hier herinnerde Dion hem aan zijn eigen gezegde, dat men de Koningin

enkel liefhad als een godin, en bracht, zonder zijn antwoord af te

wachten, het gesprek op andere zaken.

Het was te drie uur in den nacht, dat Pyrrhus hem vermaande tot

vertrekken. Terwijl de bouwmeester op het snelste vaartuig van den

visscher naar de stad terugvoer, vroeg hij zich zelven af, of meisjes,

die voor haar huwelijk in zulk een ongestoorde rust leefden als Helena,

wel betere huisvrouwen zouden kunnen worden, en zich beter in alles

zouden voegen dan Barine, die toch altijd zoo was bewonderd en gevierd,

en die door Dion midden uit het drukste gewoel van het leven in de

wereldstad, naar de grootste afzondering was overgebracht.

Op dezen heerlijken avond volgde een dag van opwinding en groote

spanning, want het jonge paar moest zich verschuilen voor de mannen die

de belasting kwamen innen, en wien Pyrrhus een gedeelte van het geld

moest afstaan, dat hij in dat jaar had opgespaard, en ook zijn nieuwe,

groote schuit, waarmede hij de volle zee wilde bevaren. De nieuwe

uitrustingen van het leger eischten namelijk aanzienlijke geldsommen,

en voor de vloot werd beslag gelegd op alle vaartuigen die eenigszins

daarvoor konden dienen. Hetzelfde lot als den visscher trof de geheele

bevolking van stad en land. Zelfs de schatten van den tempel werden ten

bate daarvan gebruikt, en toch wist ieder, dat de groote sommen, die

door deze meedoogenlooze afpersingen in de staatskas vloeiden, even goed

dienden ter voldoening aan de zucht tot vermaak van het hof, als tot de

uitrusting van leger en vloot.

Met dat al kwam het volk niet in opstand. Zóó groot was de liefde voor

hunne Koningin, zóóveel prijs stelde men op de onafhankelijkheid van

Aegypte, zóó bitter was de haat tegen de Romeinen.

De bannelingen konden zelfs van hunne klip af zien, hoeveel ernst

Cleopatra met hare toebereidselen maakte, midden onder al de

buitensporige genoegens, waaraan zij zich niet altijd onttrekken kon.

Op alle scheepstimmerwerven heerschte dag en nacht een koortsachtige

bedrijvigheid, en de haven vulde zich steeds meer met schepen.

Onophoudelijk gingen en kwamen oorlogsvaartuigen. Op het Slangeneiland

kon men voortdurend, dikwijls nog bij het licht der sterren, de

oefeningen zien van roeiers of geheele eskaders, in de open zee.

Van tijd tot tijd zagen zij ook een prachtig schip van den Staat, met

Antonius aan boord, die de zoo snel gevormde vloot in oogenschouw kwam

nemen. Hij richtte dan tot het nieuw aangeworven scheepsvolk een van die

geestdriftwekkende toespraken, waarin hij nog altijd een onovertrefbaar

meester was. Tot de bemanning der pas gebouwde oorlogsschepen behoorden

nu ook twee zoons van Pyrrhus. In April had men hen opgeroepen tot den

dienst, en hoewel Dion hun vader een groote som gegeven had om hen vrij

te koopen, was hem dit niet gelukt.

Van nu af aan werden er in den kring van die tevreden menschen op de

eenzame klip, veel tranen vergoten, en als Dionysos en Dionichos eens

een vrijen dag hadden om de hunnen te bezoeken, dan gaven zij hun hart

lucht in klachten over de wreede haast, waarmede de jonge manschappen

werden gedrild, en onbarmhartig afgebeuld. Zij vertelden van de burger-

en boerenzonen, die men met geweld uit hun dorp, van hunne ouders en

hunne zaken had weggehaald, om hen tot zeelieden op te leiden. In hunne

gelederen heerschte groote verontwaardiging, en men leende maar al te

gaarne het oor aan opruiers, die verhaalden hoeveel beter de lieden op

de schepen van Octavianus werden behandeld.

Pyrrhus bezwoer zijn zoons niet mede te doen aan pogingen tot muiterij;

de vrouwen daarentegen zouden alles goedgekeurd hebben wat maar

eenigszins beloofde de jongelingen te bevrijden uit hun harden dienst,

en hare vroolijke levenslust ging in zwaarmoedige bezorgdheid over.

Barine was ook dezelfde niet meer. Zij had haar opgeruimdheid en

bedrijvigheid verloren. Hare oogen zwommen menigmaal in tranen, en als

men haar met gebogen hoofd zag rondloopen, zou men denken dat zware

zorgen haar drukten.

Was het de April-hitte met hare woestijnwinden, die zulk een verandering

had teweeg gebracht? Zou eindelijk het verlangen naar de afwisselende en

opwekkende levenswijze van vroeger tijd haar te machtig worden? Begon de

eenzaamheid haar te zeer te drukken? Was de liefde van haar echtgenoot

niet meer genoeg om haar schadeloos te stellen voor zoovele goede

dingen, die zij voor hem had opgegeven?--Neen! dat kon het niet zijn.

Nooit had zij dien geliefden man met inniger teederheid in het gelaat

gezien, wanneer zij soms op een beschaduwde plek geheel alleen met hem

was. Zij, die in zulke uren het verpersoonlijkte geluk en welvaren

geleek, was zeker niet ongelukkig of ziek.

Dion daarentegen droeg steeds het hoofd zoo hoog, en zag zoo fier en

trotsch rond, alsof het leven hem een allervriendelijkst gelaat toonde.

En toch had hij gehoord dat zijne goederen in beslag genomen waren, en

dat hij het alleen aan Archibius en den invloed van zijn oom te danken

had, dat zijn geheele vermogen nog niet, zooals dat van zoovele anderen,

in de koninklijke schatkist terecht gekomen was--maar welken tegenspoed

zou hij in dezen tijd niet gemakkelijk te boven gekomen zijn?

Een groot geluk, het allergrootste dat de hemelsche machten een mensch

kunnen schenken, begon voor hem en zijne jonge vrouw te ontluiken, en

toen de Meimaand gekomen was, deelden ook de vrouwen op het eiland in de

hoop, die haar zalig maakte.

Pyrrhus bracht uit de stad een offeraltaar voor haar mede, en een

marmeren beeld van Ilythyia, de godin der geboorte, die door de Romeinen

Lucina werd genoemd, dat zijn vriendin Anukis hem uit naam van Charmion

had overhandigd. Het gesprek was daarbij weder op de slangen gekomen,

die op het naburige eiland zoo talrijk moesten zijn. Zij had gevraagd of

het moeilijk zou zijn er eene levend te vangen? En de vrijgelatene had

dit ontkennend beantwoord.

Het beeld der godin en het altaar kregen een plaats bij de andere

heiligdommen, en hoe dikwijls goot Barine en ieder der andere vrouwen

zalf op den steen!

Dion beloofde aan de godin, die de vrouwen in hare verwachting ter zijde

stond, een fraaie kapel op de klip en een in de stad, indien zij zijn

geliefde jonge vrouw genadig wilde bijstaan.

Eens, in Juni, als de middagzon op het heetst is, bracht de visscher des

avonds twee welbekende vrouwen op de klip mede: Helena, de jongere

kleindochter van Didymus, en Chloris, de voedster van Dion, die reeds

zijne moeder trouw had gediend, en later het opzicht gekregen had over

de slavinnen van zijn huis.

Recht dankbaar en blijde strekte Barine de armen naar hare zuster uit.

Haar moeder had zich alleen laten terughouden door de verzekering,

dat haar verdwijnen de aandacht der verspieders trekken zou. De

gerechtsdienaars waren inderdaad waakzaam, want Marcus Antonius liet nog

altijd de zangeres opsporen, de zaakwaarnemer Philostratus had zijn

afkondiging, dat op de gevangenneming van Dion twee talenten belooning

stonden, niet weder ingetrokken, en de dienaren hielden daarom het

paleis van den ontvluchte, evenals Berenice's huis, voortdurend

zorgvuldig in het oog.

Het scheen voor de stille Helena moeilijker te zijn zich in de

eenzaamheid te schikken, dan voor haar meer levendige zuster. Hoe

duidelijk zij ook hare liefde voor Barine deed blijken, toch verzonk zij

dikwijls in mijmerij, en iederen avond ging zij, zoodra de schaduwen

zich begonnen te verlengen, naar den zuidelijken rand van het eiland, en

tuurde naar de stad, waar hare grootouders, hoe goed zij ook in het huis

van Gorgias bezorgd waren, haar toch zeker wel zouden missen.

Acht dagen waren sedert hare aankomst verstreken, en het eenzame leven

scheen haar nu nog meer te drukken dan op den eersten en tweeden dag.

Het verlangen naar hare grootouders scheen ook nog toe te nemen, want

dien dag was zij zelfs in de brandende middagzon naar het strand gegaan,

om een enkelen blik op de stad te werpen.

Hoe lief had zij die oude lieden toch!--Maar Dion vermoedde dat de

vochtige oogen, waarmede Helena heden in de schemering weder bij hen

binnengekomen was, een jongeren bewoner der wereldstad golden, en in

weerwil van de tegenspraak zijner vrouw, scheen hij toch goed geraden

te hebben. Slechts korten tijd daarna lieten zich vóór het huis heldere

stemmen hooren, en toen er een luide, hartelijke lach klonk, sprong Dion

op en riep Barine toe: »Zóó kan alleen Gorgias lachen, wanneer hem iets

zeer buitengewoons is overkomen."

Hij ijlde naar buiten, zag rond, doch er was in den helderen maneschijn

niets meer te zien dan vader Pyrrhus, die naar de ankerplaats terug

ging.

Maar Dions oor was scherp, en nu meende hij aan de andere zijde van het

huis gedempte stemmen te hooren. Hij ging daar aanstonds op af, en toen

hij den hoek van het gebouw omsloeg, bleef hij verrast staan, en riep,

toen hij dicht bij zich een gesmoorden kreet hoorde: »Goeden avond,

Gorgias. Tot weerziens! Ik wil u niet storen."

Met enkele vlugge stappen was hij bij Barine terug. Hij fluisterde haar

in het oor: »Daarbuiten in den maneschijn heb ik Helena aan de borst

van Gorgias haar verlangen naar haar grootouders zien stillen!" en zij

klapte daarbij in de handen, en zeide glimlachend: »Zóó gaan in deze

woestenij de goede oude zeden verloren. Een minnend paar te storen bij

hunne eerste ontmoeting! Maar het is waar, dat heeft Gorgias ons, midden

in Alexandrië, ook gedaan, en nu moet hij daarvoor boeten."

Spoedig daarna kwam de bouwmeester met zijn verloofde aan den arm de

kamer binnen. Van uur tot uur had hij Helena meer gemist, en op den

achtsten dag had hij het onmogelijk bevonden, nog langer den last des

levens te dragen zonder haar. Hij verzekerde nu met een goed geweten,

dat hij bij hare moeder en grootouders eerlijk aanzoek om haar had

gedaan, want reeds op den derden dag na het vertrek van Helena was de

verhouding tusschen de Koningin en hem veranderd. In de tegenwoordigheid

van Cleopatra was hem, namelijk het beeld van Helena, nog duidelijker

voor den geest gekomen dan vroeger tegenover haar dat der nog altijd

onvergelijkelijke Vorstin. Een smachtend verlangen zooals dat, waardoor

hij in de laatste dagen werd gekweld, was hem tot dusver alleen maar

bekend geweest uit de wereld der verdichting.

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 29 / 46 题