De nacht bracht Cleopatra weinig slaap. De eene herinnering had zich aan
de andere geschakeld, en de overwegingen waren elkander opgevolgd. Wat
zij den vorigen dag besloten had, was het rechte. Heden moest met de
uitvoering er van reeds een aanvang gemaakt worden. Wat er nu ook mocht
komen, zij was op alles voorbereid.
Eer zij aan den arbeid ging, liet zij nog eens den bemiddelaar uit Rome
bij haar toe, en Timagenes nam bij dit onderhoud alles te baat wat hij
aan welbespraaktheid en overredingskunst, geest en scherpzinnigheid
bezat. Hij beloofde aan Cleopatra ook weder het leven en de vrijheid, en
aan hare kinderen den troon; daar hij echter volhield dat de uitlevering
of de dood van Marcus Antonius de eerste voorwaarde voor alle verdere
overeenkomsten was, bleef zij standvastig, en de onderhandelaar verliet
haar, teleurgesteld en zonder eenige toezegging te hebben ontvangen.
Na zijn vertrek zag de Koningin met Iras de plannen voor de graftombe
in, die Gorgias had gebracht, doch de diepe aandoeningen harer ziel
verhinderden haar de volle aandacht daaraan te schenken, en zij verzocht
hem er nog eens mede terug te komen. Toen zij alleen was, zocht zij de
brieven op, die Cæsar en Antonius haar indertijd geschreven hadden.
Hoe fijn, hoe verstandig en liefdevol waren de eerste, hoe gloeiend
overstroomend van liefde, en toch waar gevoeld, die van den sterken
veldheer, die als redenaar een geheele volksmenigte kon meesleepen, en
dien hare teere vrouwenhand geleid had, waarheen zij wilde.
Haar hart klopte sneller als zij aan het wederzien dacht, dat nu weldra
volgen zou, want Charmion was met de Nubische naar hem toe gegaan om
hem uit te noodigen zich weder met haar te vereenigen. Zij waren
reeds eenige uren weg geweest, en zij wachtte met toenemend ongeduld
hare terugkomst af. Zij had hem tot zich geroepen voor den laatsten,
gemeenschappelijken strijd. Dat hij komen zou, daaraan twijfelde zij
geen oogenblik. Als het haar dan nog eens gelukken mocht, zijn ouden
moed te doen herleven! Wie zóó innig verbonden waren, moesten ook als de
overwinning hen onthouden werd, vast met elkander vereenigd en in den
laatsten strijd samen bezwijken en sterven.
Op dit oogenblik werd Archibius aangediend. Het gaf haar rust juist
nu dat trouwe gelaat weder te zien, dat zoo velen van de beste
herinneringen bij haar wakker riep.
Zij legde dan ook zonder voorbehoud haar geheele ziel voor hem open,
verzekerde dat zij nooit of nimmer zichzelve bezoedelen zou met het
verraad van haar geliefden gade, en dat zij besloten was te sterven op
een wijze, die haar naam waardig was. Toen Archibius dat hoorde, richtte
hij zich op, alsof hij zich verjongd gevoelde, en in zijn blik las zij
zijn goedkeuring.
Vóór zij haar verzoek had gedaan dat hij de leiding en opvoeding harer
kinderen op zich zou nemen, sloeg hij uit eigen beweging voor aan hen
zijn beste krachten te wijden. Hij juichte het denkbeeld toe om den
tuin van Didymus te verbinden aan de Lochias, en dien af te staan ten
gebruike van de jeugd. Dat zij besloten had een grafmonument te laten
oprichten, wist hij reeds door zijn zuster. Het was te hopen, zeide hij,
dat het eerst vele jaren later voor haar geopend zou worden.
Daarop schudde zij weemoedig het hoofd, en riep uit: »Ik wenschte dat
ik in ieder gelaat zoo goed kon lezen als in het uwe! Zoo iemand, dan
wenscht mijn Archibius mij een lang leven toe; doch hij is even wijs
als trouw, en verliest daarom niet uit het oog dat het aardsche bestaan
in geenen deele louter geluk is. Daarbij zegt hij ook tot zichzelven:
deze Koningin en vrouw, die mijn vriendin is, staan dingen te wachten,
die het misschien geraden doen zijn gebruik te maken van het groote
voorrecht dat de goden aan de stervelingen geschonken hebben, om wanneer
het hen beter voorkomt, vrijwillig af te treden van het schouwtooneel
des levens. Laat zij daarom die graftombe doen oprichten!--Heb ik goed
gelezen in het oude, welbekende boek?"
»In het algemeen ja," antwoordde hij ernstig. »Maar op die bladzijden
staat ook te lezen, dat het een groote vorstin en trouwe moeder eerst
dan veroorloofd is, de laatste reis te ondernemen, waarvan geen
terugkeeren is...."
»Wanneer," viel zij hem in de rede, »een smadelijk einde, als een
afschuwelijke zwerm sprinkhanen de lucht verduisterend en het veld
verwoestend, dreigt te vallen op het vriendelijk begin, het schitterend
midden, en het rampzalig slot. Ik weet het, en zal daarnaar handelen."
»En," voegde Archibius er bij, »gij zult ook aan dit slot,
overeenkomstig uwe natuur, een waarlijk koninklijken vorm geven.
Onderweg, dicht bij den Choma, ontmoette ik mijn zuster. Gij hebt haar
naar uw gemaal gezonden. Hij zal de aangeboden hand grijpen. Nu hij
alles op het spel moet zetten of ten onder gaan, zal de afstammeling van
Herakles zijn oude heldenkracht nog eens toonen. Wie weet of hij niet,
aangevuurd door de toespraak en het voorbeeld zijner geliefde, het
vijandige noodlot dwingt hem opnieuw gunstig te zijn."
»Het noodlot gaat zijn gang," sprak Cleopatra met overtuiging. »Maar
Antonius moet mij helpen, om het hinderpalen in den weg te leggen,
en zijn arm is sterk genoeg om geheele rotsmassa's weg te slingeren,
wanneer het hem behaagt zijn reuzenkracht te gebruiken."
»En indien uw verheven geest de paden voor hem effent, dan,
gebiedster...."
»Ook dan is de slotsom der tragedie de dood, en die van ieder tooneel
afzonderlijk: mislukking. Was het geen stout en veelbelovend denkbeeld,
om de vloot van de landengte naar de Arabische zee te brengen? Ook de
mannen van het vak hechtten er hunne goedkeuring aan, en toch bleek
het onuitvoerbaar te zijn. Het noodlot zelf heeft het graf daarvoor
gegraven. En daarbij, die verschrikkelijke voorteekenen vóór en na
Actium, en de sterren, de sterren! Alles wijst op een spoedigen
ondergang, alles! Ieder uur brengt de tijding dat weder een vorst
of bevelhebber afvallig is geworden. Thans overzie ik, als van een
wachttoren, alles wat er is opgegroeid uit het zaad, dat ik gezaaid heb.
Looze aren of giftkorrels, overal waar ik rondzie. En toch! Gij die mijn
leven kent, van het begin af aan,--zeg mij, moet ik mijn aangezicht met
schaamte bedekken, wanneer de vraag oprijst wat Cleopatra getoond heeft
aan geest en gaven, aan vlijt en geneigdheid tot het goede?"
»Neen, gebiedster, duizendmaal neen."
»En toch zijn de vruchten aan iederen boom, dien ik heb geplant, ontaard
en bedorven. Cæsarion kwijnt weg, reeds in den bloei zijns levens,--door
wiens schuld, weet ik maar al te goed. De opvoeding der andere kinderen
wilt gij nu op u nemen. Daarom is het nu aan u te bedenken wat mij tot
hiertoe heeft gebracht, en hoe hun scheepje behoed kan worden voor
afdwalen en schipbreuk lijden."
»Laat mij hen opvoeden tot menschen," hernam Archibius ernstig, »en hen
bewaren voor den wensch de goden op zijde te streven. Uit de eenvoudige
Cleopatra in den Epicuristentuin, die de wellust der goeden en wijzen
was, zijt gij de »nieuwe Isis" geworden, tot wie de menigte, bedwelmd
en verblind, oogen en handen ophief. Wij moeten de tweelingen Helios en
Selene, de zon en de maan, weder van den hemel op de aarde terugbrengen;
zij moeten menschen, Grieken worden. Ik wil hen overplanten, niet in den
tuin van Epicurus, maar in een anderen, waar een strengere lucht waait.
Aan de poort daarvan mag niet te lezen staan: »Hier is het hoogste goed
het genot," maar: »dit is een worstelschool voor het karakter." Wie
dien tuin verlaat, mag daaruit niet het streven naar geluk en welzijn
medenemen, maar een onwrikbare zedelijke gezindheid. Uwe kinderen zijn,
evenals gij, geboren in het morgenland, waar men het ontzettende, het
bovenmenschelijke, het overdrevene liefheeft. Als gij hen aan mij
toevertrouwt, dan moeten zij leeren zich binnen de perken te houden.
Aan het roer behoort de zedelijke ernst te staan, die de vroolijke
levenslust van ons volk niet buitensluit; de gematigdheid, het edelste
voorrecht der Grieken-natuur, de zeilen te hijschen."
»Ik begrijp u," zeide Cleopatra, en boog het hoofd. »Met datgene, wat
gij tot heil mijner kinderen wilt doen dienen, houdt gij hunne moeder
voor oogen wat haar heeft ontbroken. Juist omdat het haar ontbrak,
gelooft gij dat haar vaartuig schipbreuk heeft geleden, en misschien
hebt gij gelijk. Ik weet dat gij reeds lang hebt gebroken met de
leerstellingen van Epicurus en met die der Stoa tegelijkertijd, en dat
gij, met een ernstig doel voor oogen, uw eigen weg zoekt. Mij hebben de
stormen des levens mijlen ver weggevoerd van de rust in den tuin, waar
wij streefden naar het reinste genot. Nu heb ik de gevaren leeren kennen
die dengenen bedreigen, die in de gelukzaligheid het hoogste goed ziet.
Zij staat voor sterfelijke menschen te hoog, want te midden van het
bonte gewoel des levens blijft zij onbereikbaar voor hem, en toch staat
zij te laag om het doelwit van zijn worstelstrijd te zijn; daarvoor
bestaat wel een waardiger prijs. Maar één woord van Epicurus namen wij
beiden toch ter harte, en het is ons tot nu toe te pas gekomen; het is
dit: »de wijsheid kan geen kostelijker bijdrage verkrijgen voor het
geluk van het geheele leven, dan het bezit van vriendschap.""
Hierop stak zij hem de hand toe, en terwijl hij die ontroerd aan zijn
lippen bracht, ging zij voort: »Gij weet, ik ga den laatsten wanhopigen
strijd te gemoet--indien de goden het zoo beschikken, schouder aan
schouder met Antonius. Daarom is het mij niet gegeven uw opvoedingswerk
met aandacht te volgen, maar toch wil ik medewerken tot het welslagen
er van. Wanneer de kinderen naar hunne moeder vragen, zult gij u geweld
moeten aandoen om niet te zeggen: »in plaats van te streven naar
smartelooze zielsrust, het edele genot, van Epicurus, dat haar eenmaal
als hoogste goed voorkwam, jaagde zij met een onverzadelijken begeerte
naar snel voorbij gaande genietingen; de vrouw uit het Oosten verspilde
roekeloos de schoone gaven van haar geest en de goederen haars volks,
omdat zij slaafsch gehoorzaamde aan de driften van haar hartstochtelijke
ziel." Maar gij zult hen ook mogen antwoorden: »Het hart uwer moeder was
vol vurige liefde; zij verachtte al wat laag was, zij worstelde om het
hoogste te verkrijgen, en toen zij viel, verkoos zij den dood boven
schande en verraad.""
Hier hield zij op, want zij meende naderende voetstappen te hooren, en
riep angstig uit: »Ik wacht steeds vergeefs. Misschien kan Antonius zich
toch niet losmaken uit de armen der verlammende wanhoop. Mijn laatsten
strijd te strijden zonder hem, en terwijl toch zijn sombere, toornige,
eens zoo zonnige blik op mij rust--dat, Archibius, zou de grootste smart
van mijn leven zijn. Aan u, mijn vriend, die in mijn kinderhart de
liefde voor dezen man zaagt ontkiemen, mag ik het wel bekennen.... Doch
wat is dat?.... Een oproer?.... Is het volk opgestaan? Gisteren nog
hebben alle priesters, de geleerden van het Museum, de aanvoerders van
het leger mij van hun onveranderlijke trouw en liefde verzekerd. Dion
was een van de Macedonische leden van den Raad.... doch ik heb immers
al naar waarheid betuigd dat ik er nooit ernstig aan heb gedacht hem te
vervolgen, om dat geval met Cæsarion. Ik weet zelfs niet waar hij zich
tegenwoordig met zijn jonge vrouw bevindt en wil het ook niet weten.
Of zou de nieuwe belasting, het gebod de schatten van den tempel te
gebruiken, hen tot het uiterste drijven? Wat moet ik doen? Wij hebben
goud noodig om het hoofd te bieden aan den vijand, om voor troon, land
en volk de onafhankelijkheid te bewaren. Of zou men misschien uit
Rome?.... Het wordt ernst--het gedruisch komt nader."
»Laat mij gaan zien wat zij willen," viel Archibius haar bezorgd in de
rede, en hij haastte zich naar de deur, maar juist werd zij geopend door
den hofmaarschalk, die haar toeriep: »Marcus Antonius nadert de Lochias,
en half Alexandrië volgt hem!"
»De groote imperator komt terug," klonk het, eer de hofmaarschalk nog
had uitgesproken, van de gebaarde lippen van den oppersten trawant, en
op hetzelfde oogenblik drong Iras hem voorbij en schreeuwde, buiten zich
zelve, haar gebiedster toe: »Hij komt! hij is er al! Ik wist wel, dat
hij komen zou. Hoe juichen en jubelen zij! Verwijdert u, gij mannen! Als
het u goeddunkt, gebiedster, dan gaan wij van het terras van Berenice af
hem tegemoet. Hadden wij nu slechts...."
»De tweelingen, de kleine Alexander!" viel Cleopatra in, doodsbleek en
met heesche stem. »Hunne feestkleederen aantrekken!"
»Ga dadelijk naar de kinderen, Zoë," voegde Iras aan dit bevel toe,
en klapte daarbij in de handen. Daarop richtte zij zich weder tot de
Koningin met het verzoek: »Houd u kalm, gebiedster, ik bezweer u, houd u
kalm! Er blijft ons altijd nog tijd genoeg over. Hier hebt gij reeds de
gierenkroon van Isis, en hier het andere. Zooeven is zijn lijfslaaf Eros
ademloos komen binnen loopen. Hij zeide dat de imperator als de nieuwe
Dionysos zou verschijnen. Het zou zijn heer zeker genoegen doen--maar
dat had hij hem niet opgedragen--als gij hem begroette als de nieuwe
Isis. Help mij, Hathor. Gij Nephoris, moet den hofmaarschalk zeggen
te zorgen dat de waaierdragers en de overige hofbedienden, vrouwen en
mannen, op hunne post zijn. Hier zijn de paarlen en diamanten snoeren
voor uw hals en borst. Voorzichtig met het gewaad! De doorzichtige zijde
is teer als een spinnerag, en als gij die scheurt... Neen, gij moogt
niet weigeren! Wij weten immers allen hoe het hem verblijdt als hij
zijne godin in goddelijke pracht en schoonheid terugziet!"
Zonder verder te wederstreven, met gloeiende wangen en een kloppend
hart, liet Cleopatra zich het feestgewaad aandoen, dat met schitterende
paarlen en fonkelend edelgesteente was bezaaid. Het zou beter gepast
hebben bij haar gevoel en haar daarom liever zijn geweest, den
terugkeerende tegemoet te gaan in het eenvoudige donkere kleed, dat zij,
sedert haar tehuiskomst, alleen bij plechtige gelegenheden voor een
rijker had verwisseld; doch Antonius kwam als de nieuwe Dionysos, en
Eros wist wat zijn heer zou behagen.
Acht vaardige vrouwenhanden, waarbij zich nog dikwijls de vlugge vingers
van Iras voegden, repten zich, en weldra kon het meisje haar den spiegel
voorhouden en haar uit den grond van haar hart toeroepen: »Als de uit
schuim geboren Aphrodite, en de gouden Hathor!"
Terwijl Iras bezig was met het tooien van haar geliefde meesteres, had
zij haar eigen liefdesmart, haat en nijd vergeten, en midden onder de
drukke bedrijvigheid vond zij nog tijd tot een kort, innig gebed om
een gelukkigen afloop van deze ontmoeting. Daarop opende zij de breede
vleugeldeuren zoo wijd, alsof zij aan de vrome menigte in den tempel het
godenbeeld toonen moest, dat uit het Allerheiligste te voorschijn trad.
Een langgerekte kreet van verrassing en verrukking klonk haar tegen;
want buiten werd zij reeds opgewacht door het snel bijeengeroepen
gevolg, van den grijzen epistolograaf af, tot den jongsten page toe.
Feestelijk versierde vrouwen in den dienst van het paleis hieven den
langen, slependen mantel op, anderen in priestergewaad beproefden de
beweegbaarheid der ringen aan de staven van het sistrum, de mannen
en knapen schaarden zich naar rangorde in rijen, en de opperste
waaierdrager gaf het sein tot vertrek. Na eenige zalen en gangen te zijn
doorgegaan, kwam de stoet aan het eerste binnenplein, en besteeg daar
langs enkele trappen het breede terras bij den ingang, vanwaar men het
geheele Bruchium en den Koningsweg kon overzien, waarlangs de verwachte
komen moest.
Uit de verte had het geschreeuw der menigte dreigend geklonken, doch
nu kon men in het oorverdoovend geraas duidelijk alle welkomstgroeten
en kreten van vreugde, verrassing, goedkeuring, bewondering of hulde
onderscheiden, waaraan de taal der Hellenen en Aegyptenaren zoo rijk
is. Men kon alleen het midden en het eind van den optocht zien. Het
begin werd aan het gezicht onttrokken bij den Muzenhoek, waar hij zich
voortbewoog tusschen den Isistempel en het stuk grond van Didymus. Het
einde reikte altijd nog tot aan den Choma, vanwaar hij was vertrokken.
Geheel Alexandrië scheen zich daarbij te hebben aangesloten. Groot en
klein, hoog en laag, oud en jong, kreupel en lam, mengden zich onder de
menigte, en lieten zich met wagens en paarden, lastdieren en karren als
door een woesten, naar het dal spoedenden bergstroom voortsleuren. Hier
hoorde men een luiden gil uit een omgevallen draagstoel, waarvan de
dragers waren ineengezakt, dáár schreeuwde een op den grond gevallen
kind, ginds hief een onder den voet geraakt hondje een erbarmelijk
gehuil aan. Zoo luid en sterk was het gejuich, dat het de fluiten en
tamboerijnen, de cymbalen en luiten der muziekkorpsen overstemde,
waardoor de naderende man, die een god moest voorstellen, gevolgd werd.
Thans waren de eerste rijen van den stoet den Muzenhoek voorbij, en
werden van het terras af zichtbaar. Er was geen twijfel aan ter eere van
wien de optocht zich gevormd had, want de terugkeerende veldheer stak
hoog boven al de anderen uit. Van zijn gouden troonzetel af, die door
twaalf zwarte slaven op de schouders werd gedragen, groette hij met
zijn langen thyrsusstaf de jubelende menigte. Voor den bacchanten-stoet
die hem vergezelde, en achter de koren die hem volgden, liepen twee
olifanten, waartusschen als een lichte last iets zweefde dat met een
purperrooden doek bedekt, en daardoor niet herkenbaar was. De optocht
was nu door de hooge poort gegaan, die gevormd werd door de pylonen, die
het paleis scheidden van den Koningsweg; en nu hield hij stil tegenover
het terras.
Terwijl trawanten, Scythen en lijfwachten van alle kleuren, te voet en
te paard, de opdringende volksmassa, als vriendelijke vermaningen niet
hielpen, met geweld terugdreven, zag Cleopatra haar vriend van zijn
troon afdalen en een teeken geven aan den Indischen slaaf, die de
olifanten leidde. Het doek vloog op zijde, en de verbaasde omstanders
zagen een bloemruiker, zooals nog geen Alexandryn er ooit een had
gezien. Zij bestond uit geheele rozenstruiken, die één en al bloem
waren. De roode bloemen vormden een kring in het midden, de witte
omgaven dien als een breede, lichtere krans. Het geheele reuzenvoorwerp
rustte, als een ei in een dop, in een bloemdrager van palmwaaiers, die
het met bevallige golvingen als het ware omlijstten. Meer dan duizend
bloemen waren in dezen weergaloozen ruiker bijeen, en dit zeldzame
reuzengeschenk was geheel in overeenstemming met den gever.
Hij ging te voet naar het terras, en zijn gestalte stak boven de bruine,
blanke en zwarte vrijen en slaven, die hem volgden, uit, evenals op de
gedenkteekenen der Pharao's het beeld van den heerscher dat der
onderdanen en vijanden in grootte overtreft.
Zelfs op de allergrootsten zag hij neder, en de breedte van zijn
machtige schouders was in evenredigheid met zijne lengte. Een lang,
saffraankleurig, met goud doorwerkt purperen gewaad, dat tot op de
enkels afhing, verhoogde nog den indruk van zijn grootte, en hij strekte
zijn forsche armen met de gewelfde athletenspieren, die uit den mantel
zonder mouwen te voorschijn kwamen, naar de geliefde Koningin uit.
Bij deze indrukwekkende gestalte behoorde een welgevormd hoofd met zwaar
donker haar en een prachtigen, vollen baard.
Eens had het hoofd van den jongeling geprijkt met een haardos zoo
blauwzwart als ravengevederte; nu kon het overvloedige grijs dat er zich
in mengde, alleen door verf aan den blik worden onttrokken. Een volle
wingertkrans lag om zijn hoofd, en rijkbebladerde wijnranken, waarvan
enkele donkere druiven droegen, hingen af op zijn breede schouders en
rug, die als door een mantel werd gedekt door de huid, niet van een
luipaard, maar van een Indischen koningstijger, van zeldzame grootte,
door hem zelven in de arena gedood. De kop en de klauwen van het vel
waren van goud, de oogen twee sterk fonkelende, prachtige saffieren.
Het slot van de ketting, waaraan het vel hing, was evenals de groote
gesp aan den gouden gordel, dien de imperator om de heupen droeg, met
robijnen en smaragden bezet. Aan de breede banden aan zijn bovenarm, de
sieraden op de gewelfde borst, ja zelfs van de roode marokijnen laarzen,
blonk en glinsterde schitterend edelgesteente.
Even verblindend als eenmaal zijn geluk, was nu het prachtige gewaad van
dezen machtigen, gevallen held, die zich nog den vorigen dag beschroomd
en gedrukt aan de oogen zijner medemenschen had onttrokken. Groot, edel
en fraai gevormd was ook zijn gelaat; doch hoewel de bleeke wangen nu
prijkten met den geleenden blos der jeugd, toch had een halve eeuw van
de wildste jacht op genietingen, en de pijnlijke opgewondenheid der
laatste weken, er maar al te duidelijke sporen op nagelaten, want onder
de oogen waren groote blazen gekomen. Bochtige lijnen doorploegden zijn
voorhoofd en verspreidden zich uit de ooghoeken stersgewijze over de
slapen.
En toch kwam het in niemand op om in dezen rijk uitgedosten vijftiger,
een ouden, opgesierden gek te zien; het was hem nu eenmaal ingeschapen
zich met praal en glans te omringen, en daarbij had zijne geheele
verschijning iets zoo overweldigends, dat spot en hoon schuw voor hem
terugdeinsden.
Hoe open, goed en beminnelijk was het gezicht van dezen man, hoe oprecht
de aandoening van zijn hart, die uit zijne nog altijd jeugdig-heldere
oogen de lang ontbeerde geliefde tegemoet blonk. Uit iederen trek sprak
voor de hooge vrouw die hij naderde, zulk een overstroomend warme
teederheid, en om den mond van dezen forsch gebouwden man wisselde zoo
snel de uitdrukking van een ootmoedige, droeve gemoedsgesteldheid met
die van dank en vreugde, dat door dien aanblik zelfs zijn vijanden
getroffen werden. Toen hij eindelijk zijne hand drukte op de breede
borst, en de Koningin naderde in zulk een diep gebogen houding, als
wilde hij hare voeten kussen; toen hij zelfs zijn reuzengestalte voor
haar op de knieën wierp, en zijn sterke armen naar haar uitstrekte met
zulk een innige overgave als een om hulp smeekend kind--toen overkwam de
vrouw die hem haar leven lang met al den gloed eener hartstochtelijke
vrouwenziel had bemind, het gevoel alsof alles wat zich tusschen hen
beiden had geplaatst, en wat zij tegen elkander hadden misdreven, in het
niet verzonk. Daar ontwaarde hij den zonnigen glimlach die zich over
haar dierbaar, nog altijd schoon gelaat verbreidde, en toen, toen klonk
hem ook zijn eigen naam tegen, van de lippen waaraan hij de grootste
wellust te danken had, die de liefde hem had verschaft. En toen hij
nu, als verbijsterd door den klank van haar stem, die voor hem in
welluidendheid het gezang der Muzen overtrof, half glimlachend over de
scherts, waarvan hij ook bij den diepsten ernst geen afstand kon doen,
half geroerd door de overmaat der weder nieuw ontwakende zaligheid na
zulk een zwaren kommer, op den reuzenruiker wees, die door drie slaven
van de olifanten afgenomen en naar de Koningin was gebracht, toen werd
ook Cleopatra door een groote, diepe aandoening overweldigd.
Dit bloemengeschenk bootste, vele malen vergroot, den kleinen ruiker na,
dien de gevierde jonge aan voerder der ruiterij eenmaal voor de poort
van den Epicuristentuin, haar vader uit de hand genomen had, om dien aan
haar, als zijn eerste geschenk te overhandigen. Daarin waren ook roode
rozen geweest, omgeven door witte. Wel was die andere, in plaats van
door waaierpalmen, slechts door varenbladen omlijst geweest. Het was een
van die schoone geschenken, die hij, met zijn vriendelijk gemoed, altijd
zoo goed had weten te kiezen. Deze ruiker was een zinnebeeld van de
ongeëvenaarde grootmoedigheid, die hem, den buitengewonen man, eigen
was. Geen wonderdoende beker had hem nu met tooverkracht gedwongen haar
met zulk een huldeblijk te naderen; het was alleen zijn overvol hart, de
altijd groene, onverwelkelijke liefde, die dit had gedaan.
Als verjongd, als door betoovering terug verplaatst in de gelukkige
dagen der ontluikende jeugd, vergat zij hare koninklijke waardigheid en
de honderden oogenparen die zich als geboeid op haar bleven richten, en
gehoorzamende aan een onwederstaanbaren drang van het hart, zonk zij aan
de breede, diep ademende borst van den geknielden man. Hij lachte haar
zalig toe met dien zilverhelderen lach, die gewoonlijk alleen aan de
jeugd behoort, omvatte haar met zijn reuzen-armen, lichtte hare tengere
gestalte op tegelijk met den golvenden purperen vorstenmantel, kuste
haar op oogen en lippen, hield haar lang omhoog in de zwevende houding
der godin van de overwinning, als om de aanwezigen zijn geluk recht
duidelijk te maken, en liet haar eindelijk behoedzaam neder, alsof zij
een zorgvuldig te bewaren kleinood was.
Daarop wendde hij zich tot zijn kinderen, die hem naast hunne moeder
hadden opgewacht, en hief eerst den kleinen Alexander, daarna de
tweelingen op, om hen te kussen. Terwijl hij de beide tienjarigen, die
door de blijdschap van het wederzien voor hem geen gewicht meer schenen
te hebben, op zijn sterke armen hield, duurde het gejubel nog voort, dat
reeds was aangevangen toen de Koningin aan zijne borst was gezonken.
De oude muren van het Lochiaspaleis hadden nog nooit iets dergelijks
gehoord. Het plantte zich voort van hoofd tot hoofd, van honderden tot
honderden, en al wisten de verstverwijderden niet wat het beteekende,
toch stemden zij er mede in. Op de geheele uitgestrektheid tusschen de
Lochias en den Choma verhief het zich als één enkel, hartverheffend,
ondeelbaar geheel, en klonk over de haven, de voor anker liggende
schepen en hooge masten heen, tot op de klip aan de zee, waar Barine
haar jongen echtgenoot verpleegde.