Sedert een uur bevond Barine zich in het paleis. Het rijk gemeubelde
vertrek, waarin men haar had binnengeleid, lag boven de zaal waar
Cleopatra zitting hield, en nu en dan deed zich door den stillen nacht
de stem der Koningin of de luide toejuichingen der vergadering hooren.
Barine luisterde daarnaar, zonder zelfs te beproeven, den zin der
woorden, die tot haar doordrongen, te verstaan. Zij verlangde
alleen naar afleiding van de diepe, bittere aandoeningen die haar
hart vervulden. Ja, diep en bitter tot heftigheid toe, was haar
opgewondenheid in dit oogenblik, en zij gevoelde daarbij tegelijk hoe
deze driftige wrok geheel in tegenspraak was met haar eigenlijk wezen.
Het is waar, ook het gedrag van Philostratus had in den tijd van haar
ongelukkig huwelijk, haar kalme, heldere ziel dikwijls tot in haar
diepste diepte geschokt, en toen later zijn broeder Alexas haar met
schandelijke voorstellen tot wanhoop had gebracht, was bij die stormen
in haar ziel nog groote bitterheid gekomen. Maar daarover kon zij zich
nu verheugen, want zonder dien geweldigen opstand ten tijde van den
strijd, zou zij misschien door een smachtend verlangen naar rust voor
hem bezweken zijn.
Eindelijk, eindelijk was het haar en haar vrienden door groote
offers gelukt, haar uit dien nood te redden. Philostratus had zich de
toestemming, om haar de vrijheid te hergeven, laten afkoopen. Ook van de
herhaalde aanzoeken van Alexas had zij sinds lang rust gekregen, want
eerst was hij door zijn beschermer Antonius als gezant uitgezonden, en
later genoodzaakt hem te vergezellen in den oorlog.
Hoe had zij daarna genoten van de vreedzame dagen in het huis van haar
moeder. Aanstonds was de kalme tevredenheid, die zij reeds voor altijd
verloren waande, in haar gemoed teruggekeerd, en op dezen dag had
het lot haar den rijksten zegen geschonken, dien zij nog ooit had
ondervonden. Wel had zij daarvan nog maar enkele uren genot gehad,
want door den aanval der woeste jongelingen en de verwonding van haar
verloofde was er een donkere schaduw op gevallen. Alweder had haar
moeder gelijk gehad, toen zij met zulk een overtuiging voorspeld had,
dat op het eerste ongeluk een tweede zou volgen.
Midden in den nacht was men Barine uit haar vredige omgeving, en van
de legerstede waar haar gewonde minnaar lag, komen weghalen. Dit was
geschied op bevel van de Koningin, en in hare bittere verontwaardiging
erkende zij dat de mannen wel gelijk hadden wanneer zij de dwingelandij
vloekten, die een vrij mensch tot een willoos voorwerp verlaagde. Wat
haar te wachten stond, was zeker niets goeds. Dat bemerkte zij wel aan
de personen die haar op dit ongewone uur uit naam van Cleopatra kwamen
ontbieden. Dat waren immers hare ergste vijanden! Iras, die haar
verloofde voor zich zelve wenschte, zooals Dion haar had bekend, en
diezelfde Alexas, wiens aanzoek zij had afgewezen op een wijze, zooals
een man nooit vergeeft.
Hoe Iras te haren opzichte gezind was, had zij reeds ondervonden. Dat
slanke meisje met het smalle hoofd, den fijnen neus, de kleine kin en
de spitse vingers, leek haar een lange, scherpe doorn. Deze vreemde
vergelijking was al bij haar opgekomen op het oogenblik toen zij haar,
in stijve, trotsche houding, den last der Koningin met haar schrille,
hooge stem voorgelezen had. Alles aan dit harde, koude, vijandige
schepsel scheen puntig als een stekel, en gereed om haar in het verderf
te storten.
Haar overbrenging uit het huis harer moeder naar het koninklijk paleis
was vlug en eenvoudig in zijn werk gegaan. Na den aanslag, waarvan
zij eigenlijk weinig had gezien omdat zij, door vrees en ontzetting
overmand, de oogen gesloten had, was zij met haar gewonden geliefde naar
huis gereden. Daar had de arts hem verbonden, en vrouw Berenice had haar
eigen slaapvertrek spoedig en met zorg in een ziekenkamer herschapen.
Barine was geen oogenblik van zijne zijde geweken, doch eerst had
zij zich verkleed, want zij wist hoe hij gesteld was op uiterlijken
tooi. Toen zij vóór zonsondergang terugkwam van het bezoek bij haar
grootouders, was zij even alleen met hem gebleven. Hij had haar toen op
den arm gekust, en gezegd dat er geen fraaier waren, zoo ver er Grieksch
gesproken werd. De kostbare gesneden steen die hem sierde, was die eer
waard. Daarom had zij dan ook met opzet haar reiskoffer weder geopend
en den armband daaruit genomen, dien Antonius haar had vereerd. Deze
versierde nu haar bovenarm, toen zij weder bij hem in de ziekenkamer
kwam.
Hij had haar eens gezegd dat hij haar het liefste zag in het eenvoudige
witte gewaad, waarin zij hem, weinige dagen geleden, toen hij alleen met
Gorgias bij haar was, tot na middernacht zijn meest geliefde liederen
voorgezongen had, alsof die alleen voor hem waren bestemd. Daarom was
dan ook nu hare keus op dat kleed gevallen, en zij was daar nu blijde om
toen zij zag hoe innig gelukkig en dankbaar de gewonde de oogen op haar
liet rusten, terwijl zij zich tegenover hem neerzette.
De arts had hem het spreken verboden, en zooveel mogelijk slaap
voorgeschreven. Daarom had Barine maar stil bij hem gezeten en zijn hand
vastgehouden, om hem, als hij de oogen open deed, een hartelijk woord
van liefde en opwekking toe te fluisteren.
Urenlang had zij zoo bij hem gezeten, en was alleen van haar post gegaan
om hem geneesmiddelen toe te dienen of, met behulp harer moeder, nieuwe
omslagen op de wond te leggen. Als daarbij zijn mannelijk gelaat zich
van pijn vertrok, dan had dat haar ook pijn gedaan, maar toch was over
het geheel een stil en vredig gevoel van welbehagen over haar gekomen.
Zij had zich zoo veilig en geborgen gevoeld in het bezit van den
geliefden man, ofschoon zij zich ten volle bewust was van de gevaren,
die hem, en misschien ook haar zelve, bedreigden. Maar het veilig gevoel
in haar hart vervulde haar geheel en al, en drong allen angst naar den
achtergrond. Vóór hij de hare was, had zij vele anderen hoog gesteld
en hun aangenamen omgang gewaardeerd, enkele zelfs waren haar
begeerenswaardig voorgekomen, doch Dion was het geweest, die in hare
levendige, doch weinig hartstochtelijke ziel voor het eerst den warmen
gloed eener groote, ware liefde had gewekt. Het was als een heerlijk
wonder, wat in de laatste dagen met haar was gebeurd. Hoe lang had zij
gevreesd en gesmacht, totdat haar vurigste hartewensch werd vervuld!
Thans had Dion haar zijne liefde geschonken, en niets kon haar die meer
rooven.
Gorgias en de zoons van haar oom Arius hadden haar voor korten tijd in
hare rust gestoord. Nadat zij met goede tijdingen vertrokken waren, had
vrouw Berenice haar dochter ernstig verzocht te gaan liggen, en haar
hare plaats aan het ziekbed over te laten. Barine had daartoe echter
niet kunnen besluiten, en had juist de blonde haren losgemaakt en die
opnieuw laten vlechten en om het hoofd leggen, toen, te twee uur na
middernacht, met onbescheiden drift aan de vensterluiken werd geklopt.
Vrouw Berenice was op dat oogenblik juist bezig den omslag op de wond
te vernieuwen; daarom was Barine zelf naar het atrium gesneld om den
portier te wekken.
De oude man was nog niet in de rust, en haar daardoor vóór geweest, en
nu had zij met een gedempten kreet van ontzetting, in den eersten
persoon die de verlichte voorzaal betrad, Alexas herkend. Iras was hem
op den voet gevolgd, gesluierd, want buiten huilde nog altijd de storm.
Ten laatste was ook nog een lantaarndrager meê naar binnen gekomen.
De Syriër was de verschrikte jonge vrouw met een deftige buiging
tegemoet gegaan, maar Iras had, zonder haar te groeten, of een enkel
woord ter voorbereiding te zeggen, het bevel der Koningin herhaald, en
haar bij het licht van de lantaarn voorgelezen wat Cleopatra in het
wastafeltje had gekrast.
Daarop had Barine, bleek en nauwelijks zich zelve meester, de boden der
Koningin verzocht binnen te komen, en haar tijd te laten zich tot den
nachtelijken tocht voor te bereiden en hare moeder vaarwel te zeggen,
doch Iras had haar met geen antwoord verwaardigd, en alleen, alsof zij
hier te gebieden had, den poortwachter bevolen onverwijld den mantel
zijner meesteres te halen.
Terwijl de oude zich met bevende knieën verwijderde, had Iras gevraagd
of de gewonde Dion zich daar bevond? Barine, die door deze vraag de
bezinning terugkreeg, had met een afwerend gebaar trotsch geantwoord,
dat het bevelschrift der Koningin haar niet gebood zich in haar eigen
huis aan een verhoor te onderwerpen.
De andere had hierop de schouders opgehaald, en op een schamperen toon
Alexas toegeroepen:
»Het is waar, ik heb te veel gevraagd. Wie zoovele mannen van iederen
leeftijd tot zich trekt, hoe kan die van ieder afzonderlijk weten waar
hij is?"
»Het hart heeft anders een goed geheugen," gaf de Syriër ten antwoord;
maar Iras riep verachtelijk: »het hart?"
Vervolgens bleef het stil, totdat in plaats van den poortwachter, vrouw
Berenice zelve met den mantel aan kwam loopen. Zij legde dien, bleek en
met witte lippen, om de schouders harer dochter, en fluisterde haar
daarbij met vochtige oogen en nauwelijks in staat om te spreken, eenige
teedere en geruststellende woorden toe. Iras maakte hier echter spoedig
een eind aan, daar zij Barine verzocht met haar in den wagen te stappen.
Moeder en dochter omhelsden en kusten elkander; daarna bracht de
gesloten wagen de vervolgde en beschuldigde vrouw door storm en
duisternis, naar de Lochias.
Totdat zij in het vertrek waren gekomen, waar Barine op de Koningin
moest wachten, was tusschen haar en Iras geen enkel woord gewisseld.
Hier trachtte de laatste haar aan het spreken te brengen, maar reeds op
de eerste vraag antwoordde Barine dat zij haar niets te zeggen had.
In het vertrek was het zoo helder licht, alsof het dag was, maar toch
flikkerden de vlammen onrustig heen en weder, daar de lucht aan beide
zijden van die hoekkamer door de reten der vensterluiken binnendrong,
en daardoor een sterke tocht ontstond. Barine sloeg haar mantel vaster
om zich heen, en de storm, die van den zeekant om het paleis gierde,
was in overeenstemming met de onrust harer ziel. Hetzij zij den blik
naar binnen of om zich heen sloeg,--niets kon haar rust geven dan de
zekerheid zich bemind te weten. Dat was het wat haar tot nu toe alle
vrees ontnomen had. Nu kwam er nog verontwaardiging bij, en zoodoende
kon de angst niet de overhand op haar verkrijgen. En toch, als zij kalm
nadacht, wist zij dat zij van alle zijden door gevaren werd bedreigd.
Dit bemerkte zij reeds aan de wijze waarop Iras en Alexas met elkander
fluisterden, zonder op haar te letten, want zóó onwellevend zijn lieden
die aan het hof verkeeren alleen jegens diegenen, van wie zij weten dat
hun de ongenade of ook de toorn van den heerscher boven het hoofd hangt.
Wel had Barine in haar huwelijk met den man, die zoo geheel zonder
fijngevoeligheid, en even boosaardig als welbespraakt was, véél leeren
verdragen wat haar in het begin zeer moeielijk viel, maar toen zij
Alexas, na een opmerking van Iras, die haar zelve gelden moest, luid
hoorde lachen, moest zij zich geweld aandoen, om haar vijandin niet in
het gezicht te zeggen hoe diep verachtelijk zij de laffe wreedheid van
haar gedrag vond. Toch gelukte het haar het stilzwijgen te bewaren. Maar
die verkropte toorn moest toch op de eene of andere wijze een uitweg
zoeken, en terwijl de smart harer gepijnigde ziel haar hoogste punt had
bereikt, vloeiden de heete tranen over haar wangen.
Ook dit had haar tegenstandster opgemerkt, en haar daarom tot een
mikpunt van haar geestigheden gemaakt. Ditmaal echter had de spot haar
uitwerking op den Syriër gemist, want in plaats van te lachen, was hij
ernstig geworden, en fluisterde het meisje iets toe, dat Barine voor
eene berisping of een waarschuwing hield. Doch Iras had hierop enkel met
een minachtend schouderophalen geantwoord.
Barine had al lang gezien, dat haar moeder haar, in den angst en de
verwarring van het oogenblik, haar eigen mantel, in plaats van den
haren, omgeslagen had; ook deze kleinigheid vond haar vijandin niet
te gering om er een beleediging aan vast te knoopen. Toch was al die
kinderachtige overmoed, die nu het anders geenszins onbeduidende meisje
geheel scheen te beheerschen, slechts een masker, waaronder zij haar
eigen bittere zielesmart bedekte. Aan de vroolijkheid, die de mantel
van haar slachtoffer bij haar scheen op te wekken, lag een ernstige
overweging ten grondslag. Het grijze, slecht passende kleedingstuk
misvormde Barine, en Iras wenschte voor de Koningin de zekerheid, dat
zij hare mededingster ook in uiterlijke bekoorlijkheid verre overtrof.
Niemand, zelfs Cleopatra niet, kon het in dien kouden tocht, zonder
een beschermend omhulsel doen, en haar zelve stond niets beter dan de
purperen mantel met de zwarte en gouden draken en grijpvogels, die in de
zachte stof waren geborduurd. Iras had dien voor haar klaar gelegd, en
Barine moest nu naast haar wel een bedelares gelijken, hoewel Alexas
volhield dat de blauwe hoofddoek haar allerliefst stond.
Hij was een laaghartig wellusteling, die, met rijke geestesgaven bedeeld
en daarbij zeer geleerd, geen middel had geschuwd om zich in de gunst
van Antonius, den mildste van alle beschermers, te dringen.--De
weigering zooals de verwende man niet gewoon was te ontvangen en die
hij van Barine had moeten verdragen, was voor hem moeilijk te verduwen
geweest, doch hij gaf het nog altijd niet op haar voor zich te winnen.
Nooit had hij haar aantrekkelijker gevonden dan in haar aandoenlijke
machteloosheid. Een weerlooze te zien martelen wekt zelfs bij de laagste
naturen weerzin op, en toen Iras nogmaals een giftigen pijl op haar
afschoot, veroorloofde hij zich, op gevaar af zijn bondgenoote te
ontstemmen, de zacht uitgesproken opmerking:
»Men zet anders altijd aan veroordeelden, vóór de terechtstelling, hun
lievelingsgerecht nog eens voor. Ik heb geen reden haar iets goeds toe
te wenschen, maar dat zou ik haar toch gaarne gunnen. U daarentegen
schijnt het te vermaken nog alsem op haar laatste beten te gieten."
»Zeker!" antwoordde zij stoutweg, terwijl hare oogen vonken schoten.
»Leedvermaak is het zuiverste van alle genoegens; ten minste voor mij,
tegenover deze vrouw."
De Syriër stak haar met een wonderlijken glimlach de hand toe, en zeide:
»Blijf mij maar genegen, Iras!"
»Want," ging zij smadelijk voort, »het kon wel eens slechte gevolgen
na zich sleepen mij tot vijandin te hebben. Dat geloof ik zelf ook.
Voor mij zelve ben ik anders zoo bijzonder gevoelig niet. Maar wie het
waagt,"--vervolgde zij met verheffing van stem--»aan ééne leed te doen,
die ik.... Hoor eens, dat gejubel! Hoe sleept zij weder allen mede!
Al had het noodlot een bedelares van haar gemaakt, dan nog zou zij de
eerste van alle vrouwen zijn. Zij is als de zon. De wolk die zij op haar
lichtend pad ontmoet, wordt opgelost en verdwijnt."
Bij deze laatste woorden had zij haar hoofd geheel naar de zijde van
Barine gekeerd, en Iras' scherpe stem drong weder als een doorn in
Barine's oor, toen zij haar eindelijk gebood zich gereed te maken
voor het verhoor. Op hetzelfde oogenblik viel de deur door den tocht
knarsend in het slot terug, nadat zij eerst geopend was door den
»binnenleider"[19] die na een snellen blik in het rond uitriep:
[19] Hofmaarschalk.
»Hier, waar alle vier de winden elkander tegelijk ontmoeten, kan de
Koningin u niet spreken. Hare Majesteit wenscht de late bezoekster in de
schelpzaal te ontvangen."
Hij verzocht Barine met een beleefde buiging met hem mede te gaan, en
leidde haar en de beide anderen door verscheidene gangen en zalen heen,
naar een goed verwarmd voorvertrek.
Hier waren alle luiken goed gesloten. Eenige lijfwachten en pages uit
het corps der »Koninklijke Knapen" stonden tot hunne ontvangst gereed.
»Hier is het goed," zeide Alexas tot Iras. »Moet de winter van daareven
ons niet met dubbele dankbaarheid vervullen voor de genietingen van de
zachte lente in deze heerlijke omgeving?"
»Dat is wel mogelijk," antwoordde zij spijtig, en ging zachter voort:
»Hier op de Lochias houden de jaargetijden zich overigens niet aan hunne
gewone opeenvolging. Zij wisselen overeenkomstig den hoogsten wil. In
plaats van vier, zooals bij ons, hebben de Aegyptenaars, zooals gij wel
weten zult, er slechts drie;--daarentegen zijn zij in de paleizen aan
den Nijl ontelbaar. Wat of deze rassche overgang in den zomer wel
beteekenen zou? Ik had ditmaal den winter liever."
De Koningin had, zonder dat Iras wist waarom, hare schikkingen tot de
ontvangst van Barine veranderd. Dat verdroot het meisje, en hare trekken
waren dreigend en somber, toen de jonge vrouw zich van haar mantel en
hoofddoek ontdeed, en nu in het eenvoudige witte kleed, zoo fijn van
stof en edel van snit, de Koningin afwachtte.
De dikke blonde vlechten, die op kunstelooze wijze om haar welgevormd
hoofd lagen, deden er haar bijna kinderlijk uitzien, en bij dit
onverwachte gezicht, was het Iras te moede alsof men met haar en
Cleopatra een spel dreef.
In het halfdonkere atrium van het huis naast het Paneum had zij alleen
opgemerkt dat Barine iets wits droeg. Was dit haar nachtgewaad, des te
beter! Doch zóóals zij daar nu stond en heen en weer liep, had zij zich
zelfs op het Isisfeest kunnen vertoonen. Met alle overleg had men
onmogelijk een passender en smaakvoller gewaad kunnen vinden. Ging deze
ijdele vrouw dan met hare gouden sieraden ter ruste? Of hoe kwam anders
die band aan haar bovenarm? Al de bekoorlijkheden van Cleopatra waren
voor Iras, die ze zoo goed kende, als het ware haar eigendom. Het
verdroot haar ook maar de geringste daarvan door een ander overtroffen
te zien, en dat zij nu bij die vrouw vormen ontdekte die zij niet minder
schoon kon vinden, vertoornde haar, ja, sneed haar door de ziel.
Zij had Barine gehaat, van het oogenblik af dat zij wist hoe zij om
harentwil niets meer te hopen had van den man, op wiens liefde zij
van kind af recht meende te hebben. En tot alles wat hare vijandige
gezindheid nog deed toenemen, behoorde ook het onaangename gevoel, dat
zij zich in de laatste uren onwaardig tegenover haar gedragen had. Had
zij maar eerder gezien wat hare vijandin onder haar mantel verborgen had
gehouden, dan zou zij wel wegen en middelen gevonden hebben om er haar
anders te doen uitzien. Intusschen, zooals zij nu was moest zij blijven,
want daar kwam Charmion reeds binnen. Maar op dit uur zou een ander
volgen, en wanneer dit niet over het lot der gehate vrouw besliste, dan
zouden lateren dat toch doen.
Charmion, de zuster van haar oom Archibius, die tot nu toe zulk een
lieve gezellin en moederlijke vriendin voor haar was geweest, had zij
daarbij niet noodig. Doch wat had deze toch? Het scheen Iras toe, alsof
op haar vriendelijk gelaat iets afwerends lag, dat zij daar nog nooit
had gezien. Had de zangeres ook dááraan schuld? En wat zou het zijn?
Dit gedrag van haar oudere gezellin besliste de vraag, of zij de pas
teruggekeerde tante nog met dezelfde dankbare hartelijkheid tegemoet
zou gaan als vroeger. Neen! dat zou zij nu niet meer van zich kunnen
verkrijgen, Charmion moest voelen dat zij, Iras, dat voortrekken van
haar vijandin, als een persoonlijke beleediging opnam. Het lag niet in
haar aard, achter haar rug iets tegen haar te doen. Zij had moed genoeg
om haar afkeer aan haar tegenpartij duidelijk te laten merken, en zij
had voor Charmion niet zooveel ontzag, dat zij met haar anders zou
handelen. Zij wist dat de schilder Leonax, Barine's vader, in het hart
van haar gezellin een bijzondere plaats had gehad, maar daarom behoefde
zij toch niet partij te trekken voor de vrouw die haar, haar eigen
nicht, den man ontfutseld had, dien zij--haar tante wist daarvan--van
haar kindsheid af had liefgehad.
Wat Charmion betrof, zij had zooeven een lang gesprek met haar broeder
gehad en in het paleis gehoord dat Barine midden in den nacht bij de
Koningin was geroepen. Vast overtuigd, dat de jonge vrouw, die heden al
zoo velerlei geluk en ongeluk ondervonden had, niets goeds te wachten
stond, was zij ook in de wachtzaal gekomen. Haar goedig, niet meer
jeugdig gelaat, dat door het grijze haar zoo eenvoudig en aardig werd
omlijst, was op dat oogenblik voor Barine, wat het toewenkende land voor
den schipper in nood is.
Al de stormen harer ziel, alle gevoel van bitterheid en leed kwam tot
rust, en als een beangst kind dat op haar moeder toeloopt, ging zij de
zuster van haar vriend tegemoet. En Charmion zag haar dadelijk aan wat
er leefde in hare ziel. Haar in dit paleis en in deze omgeving te
kussen, ging niet aan; maar om Iras te toonen dat zij bereid was hare
beschermende hand te houden boven deze vervolgde vrouw, drukte zij de
dochter van haar vriend tegen zich aan. Barine zag met een smeekenden
om redding vragenden blik naar haar op, en fluisterde met tranen in
de oogen: »Help mij, Charmion. Met woorden en blikken heeft zij mij
gekweld, beleedigd, vernederd--zoo wreed, zoo boosaardig! Help gij mij,
ik kan het niet langer uithouden!"
Charmion schudde het vriendelijke hoofd en vermaande haar met zachte
stem zich te beheerschen. Zij moest bedenken, dat zij Iras ook haar
geliefde ontnomen had. Wat het haar ook kosten moest, zij mocht geen
enkelen traan meer storten. De Koningin was genadig. Zij, Charmion zou
haar bijstaan. Het voornaamste waar het op aan kwam was zich aan
Cleopatra te toonen zooals zij was, niet zooals de laster haar
afgeschilderd had. Zij moest haar maar antwoorden, alsof zij of
Archibius haar ondervroeg.
Zij streek haar daarbij met moederlijke teederheid over voorhoofd en
oogen, en het was de jonge vrouw alsof de goedheid zelve den storm in
hare ziel had doen bedaren. Alsof zij uit een boozen droom ontwaakte,
zag zij rond, en eerst nu bemerkte zij in welk een rijk versierd vertrek
zij zich bevond, welke goedkeurende blikken de jongelingen van de
Macedonische lijfwacht op haar wierpen, en hoe gezellig het vuur
brandde in den schoorsteen. Het gehuil van den storm versterkte nog het
welbehagelijk gevoel van onder een veilig dak te zijn, en Iras die den
»binnenleider" aan de deur iets toefluisterde, scheen haar nu niet meer
een stekende doorn, of een booze kwelgeest, maar een schoone vrouw, die
haar weliswaar afstootte, maar die zij dan ook zelve het grootste kwaad
had aangedaan dat men een vrouwenhart aan doen kan. Ook dacht zij nu
weder aan haar gewonden minnaar tehuis, en hoe zijn hart, wat er ook
gebeuren zou, aan haar alleen, en niet aan die andere toebehoorde. En
eindelijk viel haar nog in, hoe Archibius het kind Cleopatra beschreven
had, en deze herinnering wekte de overtuiging dat de alvermogende vrouw
haar noch wreed noch onrechtvaardig bejegenen zou, en dat het voor een
deel in haar eigen macht stond, haar voor zich in te nemen. Charmion was
immers ook een vertrouweling der Koningin, en zoo de handelwijze van
Iras en Alexas haar vrees had moeten aanjagen, dan mocht de hare haar
met vertrouwen vervullen.
Dat alles vloog met bliksemsnelheid door haar brein. Zij had dan ook
niet veel tijd tot nadenken meer, want reeds toen zij haar hoofd aan de
borst van haar beschermster neergevlijd had, was de »binnenleider" in de
kamer gekomen, met de aankondiging: »Binnen weinige minuten zal hare
doorluchtige Majesteit de opgeroepenen verwachten!"
Spoedig daarop verscheen een kamerdienaar, en wenkte met een pluim van
struisvederen. Nu gingen zij onder geleide der hofbeambten, door eenige
helder verlichte, prachtig getooide zalen.
Barine liep weder recht op en met verruimde borst voort. Daar gingen de
hooge, breede vleugeldeuren van ebbenhout open, tegen welker dofzwart
het ivoor der ingelegde tritonen, zeemeerminnen, schelpen, visschen en
zeemonsters zoo fraai uitkwam. Een schitterende aanblik verraste haar:
de zaal, die Cleopatra tot hare ontvangst had uitgekozen, was geheel en
al bedekt met de meest verschillende soorten van zeegewassen, van de
schelp af tot de koraal en de zeester toe.
Op den achtergrond van de zaal bevond zich een diepe grot, gevormd door
een hoog en breed gebouw in druipsteenvorm, van natuurlijke rotsblokken
opgetrokken. Daaruit kwam het reusachtig groote hoofd van een monster
te voorschijn en zijn wijd geopende muil vormde den haard in den
schoorsteen. Daar brandde een vroolijk vuur van welriekend Arabisch
hout; uit de robijnglasoogen van den draak straalde een roodachtige
gloed, en smolt in de zaal samen met het licht der witte en rooskleurige
lampen, in den vorm van lotosbloemen, die tusschen gouden en zilveren
ranken en bosjes riet aan den muur en de zoldering bevestigd waren.
Zij vulden de groote ruimte met dat zachte licht, welks rozenroode
weerschijn de zachte gelaatstint van Cleopatra bijzonder voordeelig deed
uitkomen.
Eenige oppervoorsnijders, schenkers, jachtmeesters, ceremoniemeesters,
kamerdienaars, vrouwen die tot den dienst in het paleis behoorden,
eunuchen en andere hofbeambten wachtten hier de Koningin op, en de pages
van het Macedonische kadettencorps der »Koninklijke knapen" stonden
slaapdronken en met gebogen hoofd om den kleinen troon van goud, koralen
en barnsteen, tegenover den schoorsteen, waarop de Koningin zou plaats
nemen.
Barine had deze prachtige zaal en andere in het Sebasteum die nog
schitterender waren, vroeger reeds gezien; vandaar dat zij door al deze
praal geenszins van haar stuk werd gebracht. Alleen zou zij gewenscht
hebben, dat er niet zooveel hovelingen om haar heen waren. Zou Cleopatra
van plan zijn, haar ten aanzien van al die mannen, vrouwen en
jongelingen in het verhoor te nemen?
Zij was nu niet bang meer, maar toch klopte haar hart sneller dan
anders. Het was hetzelfde gevoel dat zij als aankomend meisje gehad had,
wanneer men haar vroeg om voor vreemden te zingen.
Eindelijk hoorde zij deuren opengaan, en door een onzichtbare hand
werd rechts van haar het zwarte voorhangsel ter zijde geschoven. Zij
verwachtte den Regent, den zegelbewaarder en de geheele rijk uitgedoste
legerschaar te zien, in wier gezelschap de Koningin zich bij plechtige
gelegenheden altijd in deze staatsiezaal vertoonde. Waarom zou zij die
anders tot het tooneel van dit nachtelijk verhoor gekozen hebben?
Maar wat was dat? Terwijl zij nog terugdacht aan haar optreden bij het
Adonisfeest, ging het voorhangsel reeds weder dicht. De hovelingen,
die om den troon stonden, richtten zich op; de pages vergaten hunne
vermoeidheid, en alle tegelijk riepen luide den Griekschen welkomstgroet
uit, waarmede de Aegyptenaars gewoon waren hun beheerschers in te halen:
»Leven, heil, gezondheid!"
Die vrouw van middelbare grootte, die zij vóór het voorhangsel zag, en
die haar nu, terwijl zij alleen en los van hare omgeving de ruime zaal
doorschreed, kleiner voorkwam dan vroeger in het bonte gewemel bij het
Adonisfeest, moest wel de Koningin zijn!
Ja, zij was het! Iras stond reeds naast haar, en Charmion ging haar
met den »binnenleider« tegemoet. De vrouwen beijverden zich om haar
te bedienen. Iras nam haar den purperen mantel met den zwarten rand
waarop de gouden draken geborduurd waren, van de schouders. Welk een
kostbaar meesterstuk van weefkunst moest dat zijn! In Barine's geest
verdrong zich nu achtereenvolgens alles, waartegen zij zich zou moeten
verdedigen; en toch voelde zij onder dat alles ook even den dwazen, echt
vrouwelijken wensch bij zich opkomen, om één oogenblik dien prachtigen
mantel van nabij te mogen zien en betasten. Maar Iras legde hem reeds
over den arm van eene der vrouwen, en nu zag Cleopatra om, en ging met
jeugdigen, veerkrachtigen tred naar den troon toe. Daar kreeg Barine
weder dat gevoel van angst, dat zij zich nog uit vroegere jaren
herinnerde, maar tegelijkertijd viel haar ook weder in wat Archibius
had verhaald van den Epicuristen-tuin, evenals zijne verzekering, dat
ook zij stellig warme geestdrift voor de Koningin zou voelen indien er
niets storends tusschen beide gekomen ware. Bestond er dan werkelijk zoo
iets storends?
Neen! niet anders dan in de jaloersche phantasie van Cleopatra. Zoo
zij haar wilde vergunnen zich uit te spreken, dan zou zij hooren dat
Antonius even weinig naar haar had gevraagd, als zij naar den jongen
Cæsarion. Waarom zou zij haar niet bekennen dat haar hart een ander
toebehoorde? Zij behoefde immers ook zijn naam niet te verzwijgen. Het
was Iras' eigen schuld, wanneer zij dien nu zonder mededoogen in haar
bijzijn uit moest spreken.
Thans richtte Cleopatra zich tot den »binnenleider," en wees op den
troon en allen die daar om heen stonden. Ja, wel was zij schoon! Hoe
helder en rustig was de blik uit haar groote, glanzende oogen, in
weerwil van de droeve dagen die zij pas had doorleefd, en den
doorwaakten stormnacht.
De goede ontvangst die haar plan tot redding bij de raadslieden
gevonden had, hield de Koningin nog steeds in opgewekte stemming en met
zachtmoedige gevoelens en bedoelingen kwam zij Barine tegemoet. Ook had
zij, in plaats van de zaal, die Iras voor deze bijeenkomst had bestemd,
een vriendelijker vertrek gekozen, want zij had voor iedere stemming
een bepaalde omgeving noodig. Zoodra zij bemerkte hoe vele hovelingen
zich om den troon hadden geschaard, gaf zij bevel die te laten gaan.
De »binnenleider" had hen uit eigen beweging, en om te voldoen aan de
gewone vormen, naar de gehoorzaal doen komen; maar hunne aanwezigheid
gaf aan deze samenkomst iets vormelijks, dat de Koningin op dit
oogenblik hinderde. Zij wilde slechts een onderzoek instellen, nog geen
vonnis spreken.
In zulke goede uren gevoelde zij behoefte genadig te zijn. Misschien
had zij zich toch zonder reden ten opzichte van deze vrouw verontrust.
Dit hield zij nu zelfs voor waarschijnlijk, want wie haar zóó liefhad
als Antonius, kon niet naar de gunst van een ander dingen. Een kort
onderhoud met een waardigen grijsaard, den opperste der wichelaars, had
haar daarin opnieuw bevestigd; want toen deze gehoord had hoe Antonius
haar bij Actium achterna gesneld was, had hij in geestvervoering gelaat
en handen naar boven gericht, en haar toegeroepen: »Ongelukkige
Koningin! Gelukkigste van alle vrouwen! Zóó vurig werd nog geene
bemind. Zoolang men verhalen zal van het edele Troje, dat om een vrouw
zooveel moest lijden en dat gewillig verdroeg, zoolang zal ook het
late nageslacht met lof gedenken aan de vrouw, wier onweerstaanbare
betoovering den grootsten man van zijn tijd, den held der helden, dwong
om overwinning en roem en de hoop op de wereldheerschappij als nietige
beuzelarij te versmaden."
De oude, wijze waarzegger had gelijk: het nageslacht, voor welks oordeel
zij eenmaal had gebeefd, zou haar prijzen als de vurigst beminde, de
begeerenswaardigste van alle vrouwen.
En Marcus Antonius? Al was het de tooverkracht van den beker van
Nektanebus geweest, die hem had gedwongen haar te volgen en den slag
te verlaten, dan bleef toch zijn testament bestaan, waarvan Zeno, de
zegelbewaarder, haar een afschrift had laten zien, dat hem uit Rome was
toegezonden. »Waar hij ook sterven mocht," heette het daarin, »wenschte
hij naast Cleopatra te worden begraven." Octavianus had dit ontnomen aan
de Vestaalsche maagden, die het in bewaring hadden, omdat hij de harten
der Romeinen en hunner echtgenooten daardoor met verontwaardiging tegen
hunnen vijand vervullen wilde. Dat was hem ook gelukt; maar haar
herinnerde nu dit geschrift, dat haar hart zijn eerste bloesems aan
dezen man geschonken had; dat de liefde tot hem de zonneschijn van haar
leven was geweest.
Zoo had zij dan met opgeheven hoofd den drempel overschreden van de
zaal, waarin zij de vrouw ontmoeten wilde, die zich vermeten had onkruid
te zaaien in haar tuin. Zij wilde aan dit onderhoud slechts weinig tijd
wijden, doch zij zag het tegemoet met het welbehagen van een sterke, die
zeker is van zijne overwinning. Zoodra zij bij den troon gekomen was,
verliet het gevolg de zaal, en niemand bleef achter dan Charmion en
Iras, de zegelbewaarder Zeno en de »binnenleider."
Cleopatra wierp een vluchtigen blik op den zetel, en een onderdanig
handgebaar van den hoveling noodigde haar uit, daarop plaats te nemen;
doch zij bleef staan en zag Barine aan.
Was het de gekleurde glans uit de robijnglas-oogen van den draak aan den
schoorsteen, die nu dien rooden gloed over Cleopatra's wangen wierp?
Zeker is het, dat het de schoonheid verhoogde van haar gelaat, dat thans
maar al te vaak, wanneer het blanketsel niet te hulp kwam, vaal en
kleurloos was; en Barine begreep op eens de gloeiende geestdrift van
Archibius voor deze buitengewone vrouw, toen Cleopatra haar verzocht
naderbij te komen.
Men kan zich onmogelijk iets innemenders voorstellen dan de
ongekunstelde, van trotsche neerbuigendheid hemelsbreed verwijderde
vriendelijkheid dezer machtige vorstin.
Daar Barine allerminst zulk een ontvangst verwacht had, was zij er zeer
door getroffen; hare oogen werden vochtig van dankbare ontroering,
hetgeen ze een verhoogden glans schonk. Daarbij stond de blijde
verrassing haar zoo goed, dat de Koningin vond, dat de zangeres in de
maanden, die sedert hare eerste ontmoeting verloopen waren, nog veel
schooner was geworden.
Hoe jong was de beschuldigde dan ook nog! Cleopatra ging vluchtig na,
hoeveel jaren Barine als gade van Philostratus, en daarna aan het hoofd
van een veel bezocht gastvrij huis moest hebben doorleefd, en zij
kon het uiterlijk van dit jeugdige, frissche schepseltje maar niet
overeenbrengen met de uitkomst van deze berekening. Ook kon men niet
ontkennen dat in de geheele verschijning der schildersdochter iets
voornaams was, dat haar verraste. Dat zag men zelfs aan haar kleeding,
en toch had Iras haar midden in den nacht in haar rust gestoord, en haar
zeker geen tijd gelaten om aandacht te schenken aan haar uiterlijk.
Zij had gedacht bij deze vrouw, van wie men haar had gezegd dat zij zoo
vele mannen tot zich trok, iets uittartends te vinden, iets dat niet
fijn beschaafd was, maar daarvan kon haar bitterste vijand zelfs geen
spoor bij haar ontdekken. Integendeel; de verlegenheid die zij nooit
geheel overwonnen had, gaf haar iets jonkvrouwelijk schuchters. Alles
bij elkaar genomen was Barine een bekoorlijk wezen, dat de mannen
stellig aantrok door vroolijkheid, bevalligheid en haar heerlijk gezang,
en niet door behaagzucht en driestheid. Dat zij ook door geestesgaven
uitmuntte geloofde Cleopatra niet. Slechts één ding had Barine op
haar vóór: haar jeugd. De tijd had aan deze vrouw nog niets van de
betoovering daarvan ontroofd, maar aan haar zelve reeds veel; hoe veel,
dat wisten alleen zij zelve en hare vertrouwde vriendinnen. Doch op dit
uur miste zij dat niet.
Barine trad nader met een diepe, eerbiedige buiging voor de Koningin, en
deze begon het gesprek met een vriendelijke verontschuldiging van het
late uur, waarin zij haar bij zich had doen komen. »Doch," ging zij
voort, »gij zijt immers een van die filomeelen, die juist in den nacht
het liefst en schoonst aan anderen te hooren geven, wat er in hen
omgaat."
Een oogenblik zag Barine zwijgend naar den grond, en toen zij haar blik
weer opsloeg, antwoordde zij zacht en nog bedeesd: »Ik kan wel zingen
edele Koningin, doch met een vogel heb ik thans niets meer gemeen. De
vleugels, die mij, toen ik een kind was, brachten waarheen ik wilde,
hebben hunne kracht verloren. Het is niet, dat zij mij geheel en al den
dienst ontzeggen, maar tegenwoordig zijn er maar enkele uren waarin ik
ze kan uitslaan."
»Dat had ik van uwe jeugd, die uw schoonste bezit is, niet verwacht,"
sprak de Koningin. »Doch het is goed zóó. Ook ik, al is het lang
geleden, was eens een kind, en mijn verbeeldingskracht steeg in dien
tijd hooger dan de vlucht eens adelaars. Dat mocht zij ook straffeloos
wagen. Maar nu.... wie midden in het leven staat, doet wél de wieken
te laten rusten. Een sterveling die zich iets anders onderstaat, komt
licht te dicht bij de zon, en dan gaat het hem als Icarus, en het was
smelt er van weg. Neem dit van mij aan: Voor een kind is de phantasie
als voedzaam brood. Later moet men haar alleen als zout, kruiden, of
opwekkenden wijn gebruiken. Wel wijst zij ons vele wegen aan, en waarop
die uitloopen, maar van de honderd zwerftochten, waartoe zij hem roept,
kan de mensch maar één tegelijk ondernemen. Geen lastiger parasiet wordt
met meer volharding en stelliger afgewezen dan zij. Wie zou het die
verstooteling daarom misduiden, wanneer zij met de jaren minder gaarne
in onzen dienst treedt? De wijze houdt altijd een open oor voor haar,
doch zelden leent hij haar de helpende hand. En toch, haar uit het leven
te verbannen, zou hetzelfde zijn als aan de plant haar bloei, aan de
roos haar geur, aan den hemel zijn sterren te ontnemen."
»Iets dergelijks heb ik ook dikwijls als het leven mij bedroefde, tot
mijzelve gezegd, hoewel in minder heldere en schoone bewoordingen,"
hernam Barine licht blozend; want zij voelde dat deze toespraak toch wel
bestemd was om haar te waarschuwen, voor al te hoog vliegende wenschen.
»Maar edele vrouw, ook hierin hebben de goden u, de groote Koningin,
boven ons allen bevoorrecht. Ons leven zou bedroevend arm worden, zonder
de phantasie, die ons denkbeeldige goederen schenkt. Gij bezit de macht
uzelve duizend dingen te verschaffen die ons, kleinen, alleen door de
macht der phantasie bereikbaar voorkomen."
»Gij denkt," hervatte de Koningin, »dat het met het geluk evenzoo gaat
als met den rijkdom, en die mensch de gelukkigste is, die den meesten
voorspoed geniet. Ik geloof echter dat ik u spoedig genoeg het tegendeel
zou kunnen bewijzen. Het gezegde: »hoe meer iemand heeft, des te minder
behoeft hij te wenschen" is ook onwaar, ofschoon hier op aarde slechts
een bepaald aantal begeerenswaardige zaken te vinden is. Wie van de tien
solidi die er te verdeelen zijn, er reeds één bezit, moest eigenlijk nog
maar negen solidi's begeeren, en zou dus één wensch armer zijn dan die
andere, die er geen heeft. Maar zóó gaat het in de wereld niet. Dat de
goden mij met ettelijke vergankelijke gaven meer belast of bevoorrecht
hebben dan u en vele anderen, valt niet te loochenen. Gij schijnt u
daarvan een hoog denkbeeld te vormen. Misschien is er ook wel de eene of
andere onder, die gij u alleen met de hulp der verbeeldingskracht zoudt
kunnen toe eigenen. Mag ik vragen welke u het allerbegeerlijkst
toeschijnt?"
»Ik verzoek u," zeide Barine verlegen, »mij van deze keus te
verschoonen. Uit uwen voorraad heb ik niets noodig, en wat andere zaken
aangaat.... Er ontbreekt mij nog zooveel; het is ook niet zeker hoe het
edelste en hoogste uit den schat van de wondervol begaafde lieveling
der goden passen zou bij het geringe en kleine, dat ik het mijne mag
noemen en ik weet niet...."
»Dat is een zeer gerechte twijfel," viel de Koningin haar in de rede.
»Een lamme, die een paard wenschte te bezitten, ontving dat, en bij den
eersten rit brak hij zijn nek. Het eenige--het is ook het hoogste--dat
zeker tot gelukzaligheid leidt, laat zich niet wegschenken, en van den
een op den ander overbrengen. Wie het verworven heeft, dien wordt het
mogelijk in het volgende oogenblik al weder ontroofd."
Die laatste zin had de Koningin zacht en nadenkend uitgesproken, doch
Barine herinnerde zich het verhaal van Archibius en zeide op bescheiden
toon: »Gij denkt aan het hoogste goed van Epicurus: de volmaakte rust
der ziel."
Op eens kwam er in Cleopatra's oogen een nieuw helder licht en zij vroeg
met levendige belangstelling: »Gij kleindochter van een denker, kent gij
ook de leer van dien meester?"
»Slechts oppervlakkig, groote Koningin. Mijn geest is van een geringere
soort dan de uwe. Het kost mij moeite mij in een geheel philosophisch
leer-gebouw tot in den kelder en de verst afgelegen kamers toe, tehuis
te gevoelen."
»Maar hebt gij het wel eens beproefd?"
»Veeleer hebben anderen zich moeite gegeven mij binnen te leiden in de
Stoa. Het meeste ben ik vergeten, maar één ding is mij bijgebleven, en
ik weet wel waarom: het behaagde mij."
»En wat is dat ééne?"
»Het is het gebod om verstandig te leven, dat is: zóó als onze eigen
natuur ons voorschrijft. Het bevel, om alles te vermijden wat in
tegenspraak is met de eenvoudige manier van doen, die ons oorspronkelijk
eigen is, trok mij aan, en overal waar ik iets gekunstelds, gemaakts,
opgesierds zag, daar voelde ik mij afgestooten. Uit al de lessen van
mijn grootvader leidde ik deze wet af: dat ik voor mijzelve en alle
verstandige lieden niets beters kon doen dan, voor zoover het leven
toelaat, zoo te blijven als ik als kind was geweest, eer ik nog het
eerste woord van philosophie gehoord en den dwang gevoeld had, dien de
samenleving en hare vormen ons opleggen."
»Dus ook dáártoe komt men door de Stoa?" riep de Koningin opgewekt uit,
en terwijl zij zich naar de deelgenoot van haar eigen studies keerde,
voegde zij er bij: »Hebt gij het gehoord, Charmion? Ware het ons maar
gelukt, de redelijkheid en ongestoorde, doelmatige orde van het leven
in de wereld te erkennen, waaraan de Stoa, die zooveel verkeerds,
ziekelijks, tot tegenspraak uitlokkends eischt, bijna al het andere
vastknoopt. Hoe kan ik, om verstandig te leven, doen als de natuur,
wanneer ik in haar worden, zijn en werken, zooveel ontmoet wat met mijn
menschelijke rede, die een deel der goddelijke is, zoo beslist in
tegenspraak is?"
Hier hield zij op, en haar gelaat veranderde plotseling van uitdrukking.
Zij was dicht naar Barine toe gegaan, en toen zij tegenover haar stond,
was haar blik op den gesneden steen gevallen, die haar bovenarm
versierde.
Was het dit gezicht, dat Cleopatra op eens zóó heftig bewoog, dat hare
stem alle liefelijke welluidendheid verloor, toen zij ruw en misnoegd
voortging: »Dat is dus de bronwel van al dit onheil? Reeds als kind was
ik afkeerig van die willekeur, die verstandig moest heeten, en die in de
wereld voor zedelijke strengheid doorgaat. Ja, dat is het! Hoort gij den
storm wel huilen? Evenals daarbuiten, zijn er ook in de menschelijke
natuur onweders en verwoestende vulkanen, en het eigenlijke wezen van
een sterveling is even vol van zulke woeste krachten als de streek van
den Vesuvius of den Etna. Wat er van komt als men daaraan toegeeft,
daarvan zien wij hier een levend voorbeeld. Wel zeker! Den Stoïcijn is
het verboden de harmonie en de schoone orde der dingen van het leven,
en ook die welke de staat, als bijzondere godheid, voorschrijft, te
verstoren. Maar onze natuur te volgen waarheen zij ons ook voert--dat is
een waagstuk, zóó gevaarlijk, dat wie de macht heeft daaraan bijtijds
paal en perk te stellen, verplicht is dat te doen.--En ik bezit die
macht, en ik zal er gebruik van maken!"
Daarop ging zij met ijzeren strengheid voort: »Evenals het tot de
eischen uwer natuur, vrouw, schijnt te behooren, dat gij alles wat man
heet tot u lokt en doet ontvlammen, zelfs al droeg het nog niet het
ephebengewaad, zoo lijkt het ook gesteld te zijn met uw welbehagen in
ijdele versieringen. Of"--en zij strekte de hand uit naar den schouder
der jonge vrouw--»of hoe komt in dit middernachtelijk uur deze armband
aan uw arm?"
Barine had met toenemenden angst de groote verandering in de houding en
den toon der Koningin opgemerkt. Zij zag nu een herhaling van hetgeen er
op het Adonisfeest was gebeurd, en ditmaal wist zij wat de jaloezie van
Cleopatra opwekte. Zij, Barine, droeg een geschenk van Antonius aan haar
arm. Doodsbleek zocht zij naar een gepast antwoord, doch vóór zij dat
gevonden had, trad Iras op de opgewonden Koningin toe en zeide: »Deze
armband is de wedergade van dien, welke uw doorluchtige gemaal u heeft
vereerd. Ook deze is zeker een geschenk van Marcus Antonius, ditmaal aan
de zangeres. Zij houdt, evenals iedereen, den edelen imperator voor den
grootsten man van zijn tijd. Wie kan het haar dan ten kwade duiden dat
zij zijn geschenk waardeert, en dat zelfs in den slaap niet afgelegd?"
Barine had bij deze woorden weder de gewaarwording alsof een doorn haar
stak. Met hoeveel kracht echter de bitterheid van straks weder bij haar
opwelde, toch dwong zij zich de gepaste kalmte te bewaren en spande zich
in om een geschikt wederwoord te vinden. Maar zij vond het rechte niet,
en zweeg.
Wat zij gezegd had, was de waarheid. Van jongsaf had zij, zonder naar
het oordeel der menschen te vragen, zooals de Stoïcijnsche leer haar
voorschreef, haar eigen aard gevolgd, en dat had zij gerust kunnen doen
omdat deze aard zuiver was, waar, op het schoone gericht, en daarbij
vrij van die onbedwingbare, vulkanische driften, die de Koningin
bedoelde. Die opgeruimde gemoedsgesteldheid was tevreden geweest in het
beoefenen van haar kunst en den gezelligen omgang met mannen, die haar
vergunden deel te nemen aan hun opgewekt geestelijk leven. Eerst op
dezen dag had zij ondervonden, dat de eerste groote liefde van haar hart
beantwoord werd. Thans was zij aan haar geliefde vast verbonden, en
zij wist, rein en vrij van schuld als zij zich gevoelde, dat zij meer
gerechtigd was achting te vorderen, ook van de strengste zederechters,
dan de Koningin die haar vonniste, en die andere boosaardige vrouw die
niet opgehouden had bij Dion met hare liefde aan te komen.
Het smartelijke gevoel van misverstaan en onrechtvaardig veroordeeld te
worden, paarde zich nu aan de vrees voor het schrikkelijk lot, dat de
alvermogende vrouw, wier heldere geest nu door lage jaloezie en den wrok
van een gekwetst moederhart beneveld werd, over haar kon doen komen, en
deed haar geheel verstommen. Bovendien bracht haar het vijandige gevoel
dat het gezicht van Iras bij haar opwekte, in verwarring. Twee- driemaal
raapte zij haar geestkracht bijeen om een verklaring, een verdediging te
beproeven, doch haar tong weigerde haar geheel en al den dienst. Toen
Charmion eindelijk naar haar toekwam om haar toe te spreken, was het
reeds te laat, want de vertoornde Koningin had haar den rug toegekeerd
en Iras toegeroepen: »Zij moet op de Lochias blijven. Haar schuld is
bewezen;--doch het komt de beleedigde partij, de aanklaagster, niet toe
haar vonnis uit te spreken. Dat blijft overgelaten aan den rechter, in
wiens handen wij haar stelden."
Nu kreeg Barine haar spraakvermogen terug. Hoe kon Cleopatra beweren
dat zij overtuigd was van een misslag, zonder hare verdediging aan te
hooren? Zoo zeker als zij zich onschuldig voelde, moest zij ook kunnen
bewijzen dat zij dat was, en in deze overtuiging riep zij de Koningin
op roerend smeekenden toon achterna: »O, mocht Uwe Majesteit niet
heengaan zonder mij gehoord te hebben! Zoo waar ik geloof aan uwe
rechtvaardigheid, mag ik van u vragen mij nog éénmaal het oor te
leenen. Geef mij niet over aan de willekeur van deze vrouw die mij haat,
omdat ik de uitverkorene ben van den man, dien zij...."
Hier viel de Koningin haar weder in de rede. De vorstelijke waardigheid
verbood haar te luisteren naar de jaloersche beschuldigingen van vrouwen
onderling, doch met het fijne gevoel, waarmede de eene vrouw de
gezindheid der andere doorziet, hoorde zij duidelijk in den klagenden
uitroep van Barine, dat deze oprecht geloofde, dat zij te streng
beoordeeld werd. Zij had misschien ook reden om aan den haat van Iras te
gelooven, en Cleopatra wist hoe haar jonge vertrouweling allen die haar
mishaagden, zonder mededoogen vervolgde. Haar raad, om de zangeres uit
den weg te ruimen, had zij ook reeds moeten van de hand wijzen, en
daarvoor beefde zij ook nog altijd terug, want alles wat in haar was,
waarschuwde haar, om hare ziel niet juist nu met een nieuwe misdaad
te belasten, die haar rust verstoren kon. Daarbij was er in dit
eigenaardig, bevallig schepsel veel wat haar in den aanvang had
aangetrokken; maar de grievende gedachte, dat Antonius haar en de
dochter van den schilder, één en hetzelfde geschenk gegeven had,
beheerschte haar nog in zulk een mate, dat zij de uiterste grens van
genade en zelfbeheersching meende bereikt te hebben, toen zij, zonder
zich tot een bepaalde persoon te wenden, nog eens in de zaal uitriep:
»Op dit verhoor zal nog een ander volgen. Als de tijd daarvoor gekomen
is, moet de beschuldigde ter beschikking van den rechter zijn, en daarom
blijft zij op de Lochias in verzekerde bewaring. Ik wil, dat haar geen
leed worde gedaan. Gij zijt haar genegen, Charmion. Voorloopig vertrouw
ik haar aan u. Alleen," voegde zij er met verheffing van stem bij,
»vrees mijne ongenade, wanneer haar de mogelijkheid wordt gegeven het
paleis, al is het maar voor één oogenblik te verlaten, en omgang te
hebben met een ander, wie dat ook zij."
Hierop verliet zij de zaal, en begaf zich naar hare eigen vertrekken.
Zij had den nacht tot dag gemaakt, niet alleen om spoedig af te doen wat
in hare oogen geen uitstel duldde, maar nog meer omdat zij sedert gruwde
van de rustelooze uren op hare eenzame legerstede. Die wilden nooit een
eind nemen, en zoo zij zich vroeger gaarne al de pracht en weelde te
binnen riep waarmede zij haar leven met Antonius had omringd, zoo
verweet zij zich nu, dat zij het geluk van haar volk roekeloos had
verspeeld. Het tegenwoordige scheen haar ondragelijk toe, en uit de
toekomst zag zij een heirleger droeve zorgen op haar aanstormen.
De volgende dagen brachten allerlei bezigheden meê, en de Koningin
sleet halve nachten op de sterrenwacht. Naar Barine had zij nog niet
weder gevraagd. Op den vijfden avond liet zij zich door Alexas naar de
kleine sterrenwacht brengen, die haar vader op de Lochias had doen
oprichten. De gunsteling van Antonius wist haar daar te bewijzen dat een
ster, die de hare sinds lang bedreigd had, de planeet was der vrouw, die
zij nu even zorgeloos scheen vergeten te hebben, als vroeger zijne
waarschuwing voor dezelfde vijandin.
De Koningin gaf dit niet toe, maar hij ging vol ijver voort:
»In den nacht na uwe terugkomst, beweest gij weder uwe goedheid in
hare onuitputtelijke, voor ons, die niet zoo edel zijn als gij,
onbegrijpelijke volheid. Met diepe ontroering woonden wij toen onder dat
belangwekkend verhoor, het treffend schouwspel bij, hoe het grootste
van alle harten zich van zijn eigen maatstaf bediende om het kleine
en nietige te meten. Doch vóór gij tot een tweede verhoor overgaat,
gebieden mij de toekomst-voorspellende zwervelingen daar boven, u nog
éénmaal te waarschuwen. Iedere gelaatstrek van die vrouw was vooruit
berekend, ieder woord had zijn bedoeling, iedere klank harer stem moest
iets uitwerken. Wat zij ook gezegd heeft, en nog zeggen zal, het kan
niets anders bedoelen dan mijne verhevene gebiedster te bedriegen. Nog
is het tot geen eigenlijk verhoor gekomen. Doch als gij daartoe zult
overgaan, dan.... Wat zal zij niet maken van de geschiedenis van Marcus
Antonius, Barine, en de beide armbanden? Dat zal een meesterstuk
worden!"
»Weet gij hoe het zich werkelijk toegedragen heeft?" vroeg Cleopatra, en
hare vingers sloten zich vaster om de stift, die zij in de hand hield.
»Als dat zoo was," antwoordde Alexas met een veelbeteekenenden glimlach,
»dan zou de stilzwijgende heler den steler niet mogen verraden."
»Ook niet wanneer de bestolene, uwe Koningin, u beveelt het onrechtmatig
verkregen goed terug te geven?"
»Tot mijn spijt moet ik zelfs in dat geval gehoorzaamheid weigeren; want
zie, edele vorstin! er zijn slechts twee heldere hemellichamen, waarom
mijn donker leven zich draait. Zou ik de maan verraden, als ik er zeker
van ben dat ik daardoor niets uitwerk dan de warme lichtkracht der zon
te verduisteren?"
»Wil dat zeggen dat uwe mededeeling mij, de zon, krenken zou?"
»Ja, wanneer uwe groote ziel ten minste niet te hoog staat om bereikt te
worden door de schaduwen, die vrouwen van veel geringere soort dan gij,
met onbegrijpelijke zucht tot zelfkwelling op zich neer doen dalen."
»Denkt gij dat uwe woorden aangenamer worden door de sluiers die gij
er over heen hangt? Trouwens, zij zijn doorschijnend, en hinderen het
oog maar weinig. Gij gelooft dat mijne ziel vrij van jaloerschheid en
van andere zwakheden van mijn geslacht zou zijn? Daarin vergist gij u.
Ik ben een vrouw, en wil dat zijn en blijven. Zooals de Chremes van
Terentius zegt, dat hij een mensch is, en niets wat menschelijk is
hem vreemd, zoo aarzel ik niet mijn aandeel te bekennen in alles wat
vrouwelijk is. Anubis heeft mij verteld van een Koningin uit den ouden
tijd, van wie de opschriften niet mochten zeggen: »Zij," maar »hij
kwam," of: »hij, de heerscheres, overwon!" Die dwaze! Wat mij betreft,
mijne vrouwelijkheid staat in mijn schatting niet minder hoog dan de
kroon. Ik was vrouw, eer ik Koningin werd. De menschen knielen nu zelfs
voor mijn ledigen draagstoel neer, maar toen ik in jonger jaren met
Antonius in dollen overmoed, verkleed door de straten liep om een
feestterrein uit te zoeken, toen keken de jongelingen hunne oogen naar
mij uit, en telkens hoorde ik achter mij: »Een schoon paar menschen!"
Ja, dan mocht ik met fieren moed naar huis gaan. Maar er was nog iets
grooters voor de vrouw te ondervinden. Wanneer het hart der Koningin
troon en scepter vergat; wanneer in de heerlijke uren die door Eros
waren gewijd, van mijn eigen ik niets overbleef dan de vrouw, dan was er
een zaligheid te genieten, zooals de man die niet kent, daar hij enkel
gelukkig wil zijn, terwijl wij.... Doch wat kunt gij mannen, die slechts
vraagt en begeert, van de zaligheid van het geven en de toewijding
weten?.... Ik ben een vrouw, en boven geen enkele aandoening van het
vrouwengemoed verheven, want ik zou het niet willen zijn. En daarom, wat
ik nu vraag, dat vraag ik u niet als Koningin, maar als vrouw."
»Als dat het geval is," viel Alexas in, met de hand op het hart, »dan
legt gij mij geheel en al het stilzwijgen op; want indien ik aan de
vrouw Cleopatra bekennen wilde wat in mijn ziel omgaat, dan zou ik
mij aan een dubbele misdaad schuldig maken. Ik zou mijn belofte van
geheimhouding verbreken, en den vriend verraden, die zijn verheven
gemalin mede aan mijne bescherming heeft toevertrouwd."
»Nu wordt de duisternis mij al te groot," antwoordde Cleopatra en hief
daarbij trotsch het hoofd op. »Of, indien het mij behaagde den sluier op
te lichten, dan moest ik u wijzen op de grenzen...."
»Die aan de Koningin zijn gesteld," voltooide de Syriër den volzin,
terwijl hij onderdanig boog. »Daar ziet gij het al! Het behoort
werkelijk tot de onmogelijkheden, de vrouw af te scheiden van de
vorstin. Wat mij betreft, ik wil de eene niet in het harnas jagen
tegen den al te vermetelen vereerder, en tegelijk jegens de andere de
verschuldigde gehoorzaamheid in acht nemen. Daarom verzoek ik u, van den
armband en al wat daar pijnlijks aan verbonden is, op iets anders over
te gaan. Wellicht zal de schoone Barine zelve u dat alles nog eens
bekennen, en voegt zij er dan nog bij, hoe zij den beminnelijken zoon
van den grootsten aller mannen en de bewonderenswaardigste aller
moeders, den jongen koning Cæsarion, in hare netten gevangen heeft."
De oogen der Koningin begonnen te fonkelen, en misnoegd riep zij uit:
»Zooeven zag ik den knaap als van demonen bezeten. Hij wilde het verband
van zijn wond rukken, indien men hem de vrouw, die bij beminde, niet
gunde. Het ligt voor de hand aan een tooverdrank te denken, en zijn
gouverneur wijt natuurlijk alles aan magische kunsten. Charmion
verzekert daarentegen dat zijne bezoeken de verleidster verdroten en
haar zelfs beangstigd hebben. Alleen door een streng verhoor zal daarin
licht te krijgen zijn. Wij zullen eerst de terugkomst van den imperator
afwachten. Denkt gij, dat hij weder de zangeres zal bezoeken, als hij
terug is? Gij zijt het meest in zijn vertrouwen. Beoogt gij zijn
welzijn, en is u ook aan mijne gunst iets gelegen, dan aarzelt gij nu
niet langer en beantwoordt mijn vraag."
De Syriër liet het voorkomen alsof hij het na een moeielijken inwendigen
strijd eindelijk met zichzelf eens geworden was, en gaf met vastheid ten
antwoord: »Zeker en stellig zal hij Barine bezoeken, wanneer gij hem
daarvan niet terughoudt. Alles zou zeker op de allereenvoudigste manier
uitgemaakt worden, wanneer men...."
»Nu?"
»Wanneer men hem dadelijk bij zijn landing meedeelde dat zij niet meer
te vinden is. Ik zelf zou bijzonder gaarne deze opdracht van mijn
koninklijke Zon ontvangen."
»En denkt gij dat het een weinig het licht van uwe maan benevelen zou,
indien hij haar hier te vergeefs zocht?"
»Even zeker als het tegendeel het geval zou zijn, indien hij de
onvergelijkelijke heerlijkheid zijner Zon steeds zoo dankbaar besefte
als zij het verdient. Zoo lang Helios aan den hemel prijkt, duldt hij
geen andere sterren naast zich. Zijn glans dooft dien van alle anderen
uit. Mijne Zon gebiedt, en het kleine sterretje Barine verdwijnt."
»Houd op! Nu weet ik wat gij bedoelt. Maar een menschenleven is niet zoo
gering te tellen, en deze vrouw heeft een moeder. Daarom moet ik eerst
overwegen en bepeinzen of er ook nog iets anders is dan dit uiterste
redmiddel. Het moet met allen mogelijken spoed en met goeden wil
geschieden.... Maar ik.... Nu, terwijl het lot van mijn land, van
mijzelve en mijne kinderen op het spel staat, nu geen kwartieruurs
mijzelve toebehoort, en er geen eind komt aan het schrijven en
raadplegen, mag ik mijn tijd niet met dergelijke dingen verbeuzelen.
De werkzame geest...."
»Dien moet het vergund zijn zich ongehinderd op zijn vleugelen te
verheffen," riep de Syriër met vuur. »Laat de oplossing van kleinere
vraagstukken gerust aan vertrouwde vrienden over."
Hier werden zij gestoord door den »binnenleider" die de komst van den
Regent Mardion meldde. Hij liet zeggen, dat hij kwam voor zaken, die
geen uitstel konden lijden, ofschoon het reeds zoo laat was.
Alexas geleidde de Koningin in het tablinum, waar zij den eunuch reeds
vonden. Een slaaf droeg hem een zak vol briefrollen na, die hem zooeven
gebracht waren door twee boden uit Syrië. Daar waren eenige onder,
die onmiddellijk moesten beantwoord worden. Met hem wachtten ook
de zegelbewaarder en de Exegeet. Deze waren zoo laat gekomen om te
overleggen, welke maatregelen er moesten genomen worden tegenover de
opgewonden burgerij. Den vorigen dag hadden allen die op de vloot waren
overgebleven, op versierde schepen alsof er een overwinning was behaald,
hun intocht in de haven gedaan. Eerst waren de terugkeerenden luide
toegejuicht, maar met de snelheid van den wind had zich de tijding van
de nederlaag bij Actium verspreid. Thans waren er samenrottingen onder
de menigte; vóór het Sebasteum waren al allerlei bedreigingen geuit; op
het Serapeumplein had men de hulp der troepen moeten inroepen, en er was
reeds bloed gevloeid.
Daar lagen de briefrollen. De zegelbewaarder maakte de opmerking dat ook
voor het kanaal nieuwe volmachten noodig waren, en de Exegeet verzocht
dringend om een beslist antwoord.
»Het is wel veel!" mompelde Cleopatra bij zich zelve. Maar daarna
richtte zij zich hooger op, en riep: »Welaan dan, aan het werk!"
Doch Alexas liet het daartoe nog zoo spoedig niet komen, want hij
naderde ootmoedig, en terwijl zij zich aan de groote schrijftafel zette,
fluisterde hij: »En kan mijn hooge gebiedster onder al die gewichtige
zaken nog tijd en denkkracht verspillen aan die rustverstoorster? Uwe
goddelijke Majesteit lastig te vallen met deze beuzeling, is misdaad,
maar zij moet worden gepleegd, want als deze zaak onafgedaan blijft, dan
kan uit het sijpelende beekje een bergstroom worden...."
Cleopatra, wier blik juist op een noodlottigen brief van Koning Herodes
gevallen was, keerde haar gelaat ten halve naar den gunsteling van haar
gemaal, en riep met gloeiende wangen hem enkel toe: »aanstonds."
Vervolgens liep zij den brief vluchtig door, schoof dien driftig ter
zijde, en liet den wachtenden Alexas gaan, met den ongeduldigen uitroep:
»Zorg gij dan maar voor het verhoor, en wat daarbij behoort. Geen
onrechtvaardigheid, maar ook geen ongepaste goedertierenheid. Ik zal
zelf nog een blik slaan in deze onaangename zaak, eer de imperator
terugkeert."
»En de volmacht?" vroeg de Syriër weder met een diepe buiging.
»Die hebt gij. Hebt gij iets op schrift noodig, wend u dan tot Zeno.
In een rustiger uur spreek ik u weder."
De Syriër trok zich terug, doch Cleopatra keerde zich tot den eunuch
en riep gloeiend van opgewondenheid, terwijl zij op den brief van den
Koning der Joden wees: »Hebt gij ooit schandelijker ondankbaarheid
gezien? De ratten denken dat het schip zinkt, en dat het voor hen tijd
wordt het te verlaten. Als wij er in slagen het boven water te houden,
dan komen zij bij troepen terug, en dat moet, moet, moet geschieden,
ter wille der zelfstandigheid van dit dierbare land... En de kinderen,
de kinderen!--Alle krachten moeten worden ingespannen, alle middelen
uitgedacht en gebruikt. Op ieder wankelend vertrouwen zullen wij zoolang
hameren, totdat het aan het harde staal der zekerheid gelijk wordt.
Wij zullen de nachten veranderen in dagen. Het kanaal zal onze vloot
behouden, in Afrika zal Marcus Antonius zeker Pinarius Scarpus vinden
met nog versche, trouwe legioenen. De zwaardvechters zijn ook op onze
hand. Die zullen wij gemakkelijk voor ons winnen, en nog allerlei andere
gedachten dwarrelen in mijn hoofd. Maar eerst naar de Alexandrijnen.
Geen geweld!"
Nu volgde nog het ééne bevel op het andere, en zij beloofde, als het
noodig was zich aan het volk te zullen vertoonen.
De Exegeet aanvaardde vol bewondering hare heldere en verstandige
opdrachten. Nadat hij zich met zijn metgezellen verwijderd had, richtte
de Koningin zich weder tot den Regent, en zeide: »Het was toch goed,
dat wij hen eerst verblijdden met dit bericht van de overwinning. De
onverwachte ongelukstijding zou hen, ik weet niet tot welke waanzinnige
daad hebben gebracht. Ontgoocheling is een meer alledaagsche pijn,
waartegen minder sterke middelen reeds helpen. Buitendien was hier veel
te regelen, vóór zij wisten dat ik er reeds was. Wat hebben wij niet al
ten uitvoer gebracht, Mardion! Maar ik heb mij dan ook nog niet eens
recht het genot van mijn kinderen gegund! Mijn oudste vrienden, zelfs
Archibius, moest ik afschepen met de belofte van later met hem te
zullen spreken. Als hij terugkomt, moet hij bij mij worden toegelaten.
Ik heb reeds last daartoe gegeven. Hij kent Rome. Ik moet hem hooren
over de zaken, die ik behandeld wil hebben."
Plotseling overviel haar een huivering; zij drukte de hand tegen het
voorhoofd en riep: »Octavianus de overwinnaar, Cleopatra de overwonnene!
Ik, die voor Cæsar alles was, genade afbedelend van zijn erfgenaam! Ik,
ik een smeekeling voor den broeder van Octavia! Doch neen, neen!.... Er
zijn nog honderd manieren mogelijk om zoo iets vreeselijks te voorkomen.
Wie het veld wil dwingen vruchten voort te brengen, moet echter vlijtig
graven, water scheppen, ploegen en zaaien. Aan het werk dus, aan het
werk!.... Als Antonius terugkomt, moet hij alles gereed vinden. Bij den
eersten goeden uitslag krijgt hij zijn verloren kracht tot handelen
terug. Ik heb dien brief dààr reeds doorgevlogen terwijl ik met den
magistraat der stad sprak.... nu zal ik het antwoord dicteeren."
En zoo zaten zij te lezen en te schrijven, liet zelve schrijven,
luisterde, gaf antwoord en deelde bevelen uit, totdat het licht werd
in het Oosten, de morgenster verbleekte, en de afgematte Regent haar
dringend verzocht te denken aan haar eigen kracht en zijn jaren, en hem
eenige uren rust toe te staan.
Toen liet zij zich eindelijk naar haar slaapvertrek leiden, waar het zoo
donker mogelijk gemaakt was. Ditmaal sloot een zoete, droomlooze slaap
spoedig haar oververmoeide oogen, en hield die gesloten, totdat zij
gewekt werd door het luide geschreeuw der menigte, die gehoord had dat
de Koningin teruggekeerd was, en daarom naar de Lochias was geijld.