Gedurende dezen rusttijd waren Iras en Charmion bij afwisseling in de
nabijheid der Koningin gebleven. Toen zij opstond bood de jongste van de
twee haar de behulpzame hand. Tot den avond toe mocht zij zich weiden
aan hare meesteres, want de gezellin, die haar de laatste dagen zoo in
den weg stond, zou eerst dan terugkeeren. Vóór dat Charmion heenging,
had zij intusschen gezorgd dat hare vertrekken, waarin Barine, op
aanwijzing der Koningin behandeld werd als een welkome gast, goed werden
bewaakt.
De bevelhebber der Macedonische jongelings-lijfwacht, die vele jaren
geleden vergeefs naar hare hand had gedongen, en eindelijk haar
trouwste, welmeenendste vriend geworden was, had de taak op zich genomen
Barine zorgvuldig te bewaken.
Toch had Iras zich den slaap harer gebiedster en de afwezigheid harer
oudere mede-kamervrouw ten nutte weten te maken. Zij had gehoord dat de
vertrekken van deze, en daardoor ook Barine zelve, ongenaakbaar voor
haar waren. Vóór zij iets tegen de gevangene ondernemen kon, moest zij
ook eerst allerlei dingen met Alexas bespreken. Nu hare verwachting haar
mededingster in het stof vernederd te zien, niet was vervuld, was haar
jaloersche wrok in haat veranderd, en al was zij Charmion's nicht, een
deel daarvan bracht zij op deze over, omdat zij zich beschermend
geplaatst had tusschen haar en haar slachtoffer.
Zij had den Syriër bij zich ontboden, maar hij was ook eerst laat ter
rust gegaan, en liet nu lang op zich wachten. De ontvangst, die hem
door het ongeduldige meisje was bereid, kon dan ook in het begin alles
behalve hartelijk heeten, maar spoedig werd zij vriendelijker jegens
hem.
Vooreerst beroemde Alexas er zich op, dat hij de Koningin had overreed
om Barine op genade of ongenade aan hem over te leveren. Wanneer hij
haar des middags in het verhoor nam en schuldig bevond, dan kon niets
hem verhinderen haar des avonds den giftbeker te laten drinken of te
doen worgen. Maar die zaak was gevaarlijk, daar de aanhangers der
zangeres vele in getal en niet van macht ontbloot waren. In den grond
wenschte Cleopatra zeker niets vuriger dan zich van de gevaarlijke
mededingster te ontslaan, maar hij kende de grooten der aarde. Als hij
krachtig optrad en er spoedig een eind aan maakte, dan zou de Koningin,
ter wille van haar goeden naam, de daad op zijne verantwoording stellen.
Op Antonius viel niet te rekenen, en van diens gunst hing al zijn wel en
wee af. De terechtstelling der zangeres van het laatste Adonisfeest kon
op het Alexandrijnsche volk de allergevaarlijkste uitwerking hebben. Het
was toch al zoo verontwaardigd en zijn broeder, die het volk goed kende,
had gezegd: hier verging het van rouw, en dáár was het op het punt in
dolle woede een bloedig oproer te verwekken. Van dit gepeupel kon men
alles verwachten; doch Philostratus verstond ook de kunst het tot
allerlei over te halen, en hij had zich te voren van zijn hulp
verzekerd.
Inderdaad, het werk der verzoening was Alexas goed gelukt. In den tijd
toen de improvisator met Barine gehuwd was, had zij haar zwager den
toegang tot haar huis ontzegd en haar echtgenoot was met zijn broeder
die zijn vrouw voor zich begeerde, in onmin geraakt. Nadat deze echter
zoo hoog was gestegen in de gunst van Antonius, en door diens altijd
geopende hand met goud was overladen, was Philostratus weder naar hem
toe gekomen om zijn deel te eischen van dien pas verkregen rijkdom. En
de bron, waaruit Alexas putte, vloeide zoo rijkelijk, dat het geven den
gunsteling in het geheel niet zwaar viel. Beiden waren even gewetenloos
als verkwistend, en bij hen werd de waarheid gestaafd, dat lage naturen
er altijd een pad op na houden, dat de tweedracht overbrugt. Is dat van
goud, dan wordt dat het spoedigste betreden. Zoo was het dan ook hier,
en in de laatste dagen had dat pad een bijzondere vastheid verkregen,
want wederkeerig hadden zij elkander noodig.
Alexas wenschte Barine te bezitten, terwijl Philostratus zich niet meer
om haar bekommerde. Daarentegen haatte hij Dion met zulk een fellen
dorst naar wraak, dat hij om dien te lesschen, zelfs de hoop op nieuwe
veroveringen zou hebben prijsgegeven. De vernedering, die hem door den
hoogmoedigen Macedonischen edelman aangedaan was, en de smaad, waarmede
hij door zijn schuld was bedekt, lieten hem evenmin rust als lasterende
vervolgers, en hij voelde dat hij zich van hen slechts tegelijk met
den veroorzaker daarvan, kon ontdoen. Zonder zijn broeder had hij zich
moeten vergenoegen met hen door zijne lastertong te benadeelen; met den
steun van diens veelvermogenden bijstand kon hij hem veel erger dingen
aandoen, ja zelfs de vrijheid en het leven benemen. Daarom hadden zij
zooeven een afspraak gemaakt, waarbij Philostratus op zich nam het volk
te verzoenen met alles wat Barine zou worden aangedaan, terwijl de ander
beloofd had zijn broeder te helpen om een bloedige wraak te nemen op
Dion.
Met den dood van Barine zou Alexas niet gediend zijn, want toen hij haar
had wedergezien, was hij opnieuw voor haar ontvlamd, en hij wilde haar
eindelijk de zijne noemen. In den kerker, misschien op de pijnbank,
zou zij gedwongen worden zijn reddende hand aan te grijpen. Doch dit
alles leed geen uitstel. Het moest alles afgeloopen zijn vóór Antonius
terugkwam, en hij kon ieder oogenblik verwacht worden. De verkwistende
beschermer had hem zoo rijk gemaakt, dat het hem thans onverschillig
liet of hij door dit geval bij hem in ongenade viel. Ook zonder hem zou
hij nu met Barine een weelderige huishouding kunnen opzetten in een der
steden van zijn Syrisch vaderland.
Toen de gunsteling verzekerde dat hij reeds den volgenden dag Barine
onttrekken zou aan de hoede van Charmion, werd Iras reeds vriendelijker
jegens hem gestemd. Tegen zijn beweren dat het nieuwe verhoor wel is
waar tot geene doodstraf zou kunnen leiden, maar wel tot een verwijzing
naar de steengroeven of iets dergelijks, had zij niets ernstigs in te
brengen.
Nu trachtte Alexas voorzichtig uit te vorschen hoe Iras dacht over den
doodvijand van zijn broeder. Zij droeg dezen geen goed hart toe, doch
zoodra hij er op zinspeelde dat ook hij aan de straffende gerechtigheid
kon worden overgeleverd, kwam zij daar zoo ijverig tegen op, dat hij
dat onderwerp liet rusten en het gesprek weder bracht op de vrouw,
die veroordeeld moest worden. Zij stelde zich weder met haar gewone
levendigheid tot zijn beschikking, en men besloot den volgenden dag,
terwijl Charmion des voormiddags dienst had bij de Koningin, de
gevangenneming te doen plaats hebben.
Iras wist goeden raad te geven, want in een der gevangenissen was zij
goed bekend. Zij had de poorten daarvan geopend voor menig ongelukkige,
van wien zij geloofde dat zijn verdwijnen de Koningin van dienst zou
zijn. Zij had het bij zulke gelegenheden als haar plicht beschouwd, hand
in hand met den zegelbewaarder haar gebiedster te voorkomen, wanneer het
deze, in hare goedheid, te moeilijk zou gevallen zijn een streng vonnis
uit te spreken. Cleopatra had zich dat dan laten welgevallen, zonder
zich er over uit te laten, noch het te beloonen. Wat binnen die muren
voorviel, drong, dank de stilzwijgendheid van den wachter, niet naar
buiten door. Het was wellicht in dien kerker niet fraai, en toch, als
Barine daar was en dan het leven verwenschte, had zij het altijd nog
beter dan zij. Iras, die in de laatste nachten, wanneer zij dacht aan
den man, die hare liefde had versmaad en haar had opgeofferd aan een
ander, aan den rand der wanhoop was geweest.
Toen de Syriër haar reeds de hand tot afscheid reikte, vroeg zij op
eens: »En Dion?"
»Hij zal zijne vrijheid wel verbeurd hebben," was het antwoord, »want
Barine is zijn geliefde; de dwaas was reeds op het punt haar als zijn
echtgenoot in zijn fraai paleis binnen te leiden."
»Is dat waar? zonder eenigen twijfel waar?" vroeg Iras, terwijl zij wel
hare kalmte bewaarde, maar niet verhinderen kon, dat het bloed uit haar
wangen en lippen verdween.
»Hij heeft het gisteren aan zijn oom, den zegelbewaarder, medegedeeld in
een brief, en hem daarbij bezworen voor zijne uitverkorene, die hij voor
altijd trouw gezworen had, het zijne te doen. Doch Zeno wil van deze
nicht niets weten. Wilt gij den brief zien?"
»Als dat zoo is," begon het meisje opnieuw, en haar hooge stem kreeg
weder een schrillen klank, »dan kan men hem ook niet vrij laten. Voor
zijn geliefde zet hij alles op het spel, en dat is veel--veel meer
dan gij, die hier half vreemd zijt, vermoeden kunt. De Macedonische
geslachten hangen alle aan elkander. Hij maakt deel uit van den Raad....
De ephebenvereenigingen staan als één man achter hem... En het volk...
Toen uw broeder onlangs handelde zooals ik hem had gezegd, heeft hij hem
in de wielen gereden op een manier die.... Men moest hem op het laatst
ophalen uit het bekken der fontein, druipend van water en van
schande...."
»Juist om dat alles zou men nu zijn mond moeten stoppen..."
Iras knikte hem goedkeurend toe, maar na een korte pauze viel zij uit:
»Ik zal u helpen, om hem tot zwijgen te brengen, doch niet voor altijd.
Vergeet dat niet! Dat gezegde van Theodotus, van de doode honden die
niet meer bijten, heeft bij ons geen zegen gebracht aan hen die hem dat
nazeggen. Er zijn andere middelen, om ons van dezen man te ontdoen."
»Een vogel heeft mij voorgezongen, dat gij hem wel lijden mocht."
»Een vogel? Dan zeker een uil, die bij daglicht niet ziet. Zijn ergste
vijand, uw broeder, zou liever een offer voor zijn welzijn brengen, dan
ik."
»Dan begin ik belangstelling te krijgen in dien Dion."
»Ik zag onlangs reeds hoe gij mij in medelijden overtreft. De dood is
niet de ergste van alle straffen."
»Dus daarom dat genadig uitstel?"
»Misschien wel. Maar wij hebben nog andere dingen te bedenken: vooreerst
welk een tijd het is, nu alles wankelt, zelfs de macht der Koningin,
die nog zoo kort geleden een muur gelijk was, die veel dekte, en voor
iederen aanval beschutte. Vervolgens den persoon van Dion. Ik heb al
opgenoemd wie al niet voor hem in de bres zal springen.... En de
Koningin kan, sedert Actium, het veelhoofdige monster »Volk" niet meer
toeroepen »gij moet", maar »ik verzoek u". Het andere...."
»Deze eerste bedenkingen zijn genoeg. Mag ik ook weten, wat mijn wijze
vriendin over den beklagenswaardigen man, dien zij haar gunst onttrok,
nu heeft beschikt?"
»Vooreerst gevangenschap hier op de Lochias. Hij heeft zijn hand
bevlekt met het bloed van den »Koning der koningen", Cæsarion. Dat is
hoogverraad, ook in de oogen van het volk. Gij moet nog heden het bevel
ter gevangenneming zien te krijgen."
»Wanneer het doenlijk is, de Koningin met zoo iets aan te komen."
»Het is niet voor _mij_, maar om _haar_ voor onheil te behoeden, dat wij
dat noodig hebben. Weg met alles wat in deze dagen der eindbeslissing
haar helderen geest benevelt! Eerst met Barine, die haar thuiskomst
bedorven heeft, en dan met den man, die in staat zou zijn terwille dezer
vrouw, te Alexandrië een oproer te verwekken. Aan haar de groote zorgen
voor staat en troon; aan mij de kleine die haar toilet en haar hart
betreffen."
Hier werd zij gestoord door eene der slavinnen van Cleopatra. De
Koningin was ontwaakt, en Iras haastte zich om op haar post te zijn.
Toen zij de vertrekken van Charmion voorbijkwam, en daarvóór twee flinke
krijgslieden uit de Macedonische jongelings-wacht ter bewaking op en
neer zag loopen, nam haar gelaat een sombere uitdrukking aan. Haar
mede-kamervrouw liet Barine bewaken alleen voor haar. Zij had zich van
de oudere vrouw, wier nicht zij was, een strenge berisping op den hals
gehaald, ter oorzake van de vrouw, die voor haar de oorzaak was van
zooveel leed, en daarbij had zij spijt gehad dat zij haar vroeger had
medegedeeld wat zij voor Dion gevoelde. Er mocht van komen wat wilde,
de giftboom, waaruit al deze ellende, deze vrees en ergenissen waren
opgegroeid, moest uitgeroeid, en zij uit de rijen der levenden geschrapt
worden.
Eer zij in het voorvertrek der Koningin binnentrad, had zij in stilte
het doodvonnis harer vijandin uitgesproken. Nu moest haar scherpzinnige
geest nog den Syriër weten over te halen om de voltrekking daarvan op
zich te nemen. Als deze steen des aanstoots eenmaal uit den weg was
geruimd, zou het ook weder mogelijk zijn in goede verstandhouding met
Charmion te leven, dan zou Dion weder vrij zijn, en dan.... Hoe hij
haar ook had gekrenkt, zij zou hem toch beschermen voor den haat van
Philostratus en diens broeder.
Met een verlicht hart kwam zij bij de Koningin. De vernietiging van het
leven eens veroordeelden greep haar in de nabijheid der straffende
Majesteit sinds lang niet meer diep in de ziel. Terwijl zij haar door
den slaap verkwikte gebiedster de eerste diensten bewees, verhelderde
zich haar gelaat hoe langer hoe meer, want de Koningin uitte ongevraagd
hare blijdschap, dat zij op dezen dag door haar werd bediend, en niet
altijd weder werd lastig gevallen met diezelfde onaangename zaak, die
overigens spoedig genoeg afgehandeld zou zijn.
Dit zag op Charmion, die in het bewustzijn dat geen ander aan het hof
dit wagen mocht, in weerwil van menige terechtzetting, niet moede
geworden was Barine's verdediging te beproeven. Doch eindelijk had
Cleopatra haar den vorigen dag toornig gelast, haar niet weder aan te
komen met die onheilstichtster.
Toen Charmion haar daarop had verzocht den volgenden dag den dienst
aan Iras te mogen overlaten, had de Koningin reeds berouw gevoeld over
dien uitval tegen haar vriendin. Zij had Charmion het gevraagde verlof
gaarne toegestaan, en haar zelfs vriendelijk verzocht hare drift toe te
schrijven aan de zorgen die haar drukten. »En als gij mij weder uw goed,
trouw gezicht vertoont," had zij tot besluit gezegd, »dan zult gij
hebben ingezien, dat een ware vriendin van een ongelukkige die zij
liefheeft, alles verwijderen moet wat haar toch al beneveld levenslicht
nog erger verduisteren zou. De enkele naam van deze vrouw klinkt mij als
een spotlied in mijn moeilijk verkregen rust. Ik wil dien niet meer
hooren."
Dat alles had zoo lief en innemend geklonken, dat Charmion's geraaktheid
was versmolten als sneeuw voor de zon. Toch had zij haar met angstige
voorgevoelens verlaten, daar Cleopatra, eer zij uit de kamer ging, in
het voorbijgaan had opgemerkt, dat zij de zaak der zangeres in handen
van Alexas had gegeven. Zij waardeerde nu dubbel dat zij een vrijen dag
vóór zich had, want zij wist, hoe deze gewetenlooze gunsteling omtrent
de jonge vrouw gezind was, en zij wilde met Archibius overleggen, hoe
zij haar voor het ergste behoeden zou.
Toen zij eerst laat ter ruste ging, hielp haar daarbij de bruine
kamervrouw, die uit haar ouderlijk huis meegekomen was naar het hof. Zij
was uit Nubië geboortig waar zij gekocht was, toen het gezin van Alypius
het kind Cleopatra naar het Isis-eiland Philae had gebracht.
Charmion, die in dien tijd een aankomend meisje was, had Anukis, zoo
heette de slavin, ten geschenke bekomen als eerste kamervrouw in haar
eigen dienst, en het meisje had zich zoo verstandig, geschikt, voor
ontwikkeling vatbaar en aanhankelijk getoond, dat hare meesteres haar
medegenomen had tot haar persoonlijke hulp in het Koninklijk paleis.
Even innig als Charmion aan de Koningin was gehecht, was Anukis het aan
haar. Zij had een hartelijke, onbaatzuchtige liefde opgevat voor haar
meesteres, die iets jonger was dan zij, en haar sinds lang de vrijheid
gegeven had, en Charmion had haar met zooveel vriendelijkheid bejegend,
dat de belangen der Nubische bij haar eigene niet verre achterstonden.
Haar eenvoudig doch scherp verstand en haar natuurlijke geestigheid
hadden haar in het paleis een zekere vermaardheid doen krijgen.
Cleopatra had zich menigmaal verwaardigd een snedig antwoord van haar
uit te lokken, en ook Antonius had dat wel gedaan. Daar de licht
gekromde rug die zij in haar jeugd had gehad, langzamerhand een bult
geworden was, had hij haar den naam Aisopion gegeven, dat is de kleine,
vrouwelijke Aesopus. Thans noemde iedereen in de omgeving der Koningin
haar zóó, en ook, wanneer anderen, die lager geplaatst waren dan zij,
dat deden, liet zij zich dat welgevallen, ofschoon haar vlugge geest
haar menig scherp antwoord op een woord dat haar mishaagde, ingegeven
had. Doch zij kende de levensgeschiedenis en de fabelen van Aesopus, die
ook eens een slaaf was geweest, en vond het eervol bij hem te worden
vergeleken.
Toen Charmion Cleopatra verlaten had en ter ruste wilde gaan, vond zij
Barine reeds in vasten slaap, doch Anukis wachtte haar op, en hare
meesteres besprak met haar de droeve vrees voor Barine, die de Koningin
bij haar had opgewekt. Zij wist hoe de Nubische de jonge vrouw genegen
was, die zij als kind reeds op de armen had gedragen, en wier vader
Leonax dikwijls met haar geschertst had. Vol belangstelling had zij haar
in haar verder leven gevolgd, en sedert Barine de gast harer meesteres
was, had zij alles gedaan wat zij kon, om haar afleiding te geven en
gerust te stellen.
Iederen morgen had zij de moeder van Barine bezocht om naar den toestand
van Dion te vragen, en altijd goede tijdingen mee terug gebracht. Zij
kende ook den zaakwaarnemer Philostratus en diens broeder, en daar
zij Antonius, die zoo goedaardig met haar schertste, gaarne lijden
mocht, had zij het betreurd dat zulk een gewetenloos man als Alexas
zijn voornaamste vertrouweling was. Zij was ook op de hoogte van de
aanzoeken, waarmede de Syriër Barine had vervolgd, en toen Charmion haar
mededeelde dat de Koningin het lot van haar beschermeling in de hand van
dezen man had gelegd, kreeg haar bruin gelaat een vale tint, doch zij
bedwong zich om de ontzetting, die dit bij haar wekte, te verbergen.
Hare meesteres wist immers wat de keus van dezen rechter voor Barine
beteekenen moest. Het zou haar verkeerd toegeschenen hebben hare
nachtrust door de voorstelling van haar eigen zielsangst te storen.
Het was goed dat Charmion den volgenden morgen vroeg Archibius, dien
zij voor den wijsten van alle mannen hield, om hulp wilde vragen; maar
toch stelde dat haar nog in geenen deele gerust. Zij kende de fabel
van den leeuw en de muis, die men in haar land verteld had, al lang
vóór den tijd van den dichter, aan wien zij haar bijnaam te danken
had, en zij was zelve reeds meer dan eens in de gelegenheid geweest
om een gewichtigen dienst te bewijzen aan menschen die veel grooter en
machtiger waren dan zij. Om Charmion spoediger te doen inslapen en haar
op andere gedachten te brengen, vertelde zij haar nu van Dion, dien zij
heden veel beter gevonden had. Zij voegde er bij, hoe teeder hij Barine
scheen te beminnen, en hoe aandoenlijk geduldig en haar vader waardig,
zij de dochter van Leonax weder gevonden had.
Zoodra haar gebiedster sliep, ging zij naar de zaal, waar zij, in
weerwil van het vergevorderde uur, mocht verwachten een deel van het
dienstpersoneel te vinden, en overtuigd was als een zeer welkome gast
te worden begroet. Toen kort daarna de lijfslaaf van Alexas verscheen,
vulde zij zijn beker, zette zich naast hem neder, en zocht met alle
middelen die haar ten dienste stonden, zijn vertrouwen te winnen. Dat
gelukte de verstandige Nubische vrouw zoo goed, dat Marsyas, een aardige
jonge Liguriër, toen zij weg gegaan was, aan de anderen verzekerde dat
Aisopion met hare grappen en geschiedenissen de kunst verstond om de
dooden weer levend te maken; met dat bruine monster ernstig te praten,
zeide hij, was even prettig als te stoeien met zijn blonde geliefde.
Charmion ging den volgenden morgen weder van huis, en in dien tijd wist
Anukis Marsyas weer te vinden, en hoorde van hem, dat Iras Alexas bij
zich ontboden had, en op welk uur hij komen zou. Zijn heer scheen
tegenwoordig met die slanke Macedonische jonkvrouw veel geheimen te
moeten bespreken.
Voor Barine was het een teleurstelling, dat Anukis ditmaal geen nieuws
medebracht van haar moeder en Dion, doch de Nubische verzocht haar
geduld te hebben, en haalde boeken en een spinnewiel voor haar, om zich
daarmede in de eenzaamheid den tijd te verdrijven. Zij zelve moest in
de keuken gaan, omdat zij gisteren had gehoord dat de koks paddestoelen
hadden gekocht, die wel eens vergiftig konden zijn. Zij kende echter de
soorten goed uit elkander, en wilde ze daarom zelve in oogenschouw
nemen.
Daarop ging zij door Charmion's slaapvertrek, in de gang, die de
aangrenzende kamers der beide vertrouwelingen van de Koningin verbond,
en sloop de vertrekken van Iras binnen. Zoodra Alexas binnenkwam, had
zij zich verborgen achter een der tapijten, die de muren van de
ontvangkamer geheel bedekten.
Nadat de Syriër weder vertrokken en Iras uit haar kamers geroepen was,
keerde zij tot Barine terug en zeide dat er werkelijk vergiftige
paddestoelen onder geloopen hadden, en nog wel van de gevaarlijkste
soort. Men had die ook reeds gekookt, en daarom moest zij nu uitgaan om
voor tegengif te zorgen. Daar kon Barine zeker niets tegen hebben, als
zij wist dat meer dan één kostbaar menschenleven er mee gemoeid was.
»Ga gerust,« antwoordde deze vriendelijk. »Maar als gij nog de oude
dienstvaardige Aisopion zijt, dan vreest gij zeker niet een kleinen
omweg te maken.«
»En loopt eens aan in het huis naast den Paneumtuin,« viel de ander in.
»Dat had ik mij toch al voorgenomen. Een smachtend verlangen is voor een
minnend hart ook vergif, en dáárvoor is het tegengif: een goede
tijding.«
Met een lachend gezicht liet zij nu haar lieveling alleen, doch
nauwelijks was zij in de open lucht, of er kwamen diepe rimpels in haar
bruin voorhoofd, en zij bleef een poos peinzend stilstaan. Vervolgens
ging zij naar het Bruchium om een ezel te huren voor den tocht naar
Kanopus, waar zij Archibius wilde opzoeken. Het was intusschen zeer
moeielijk de plaats waar de ezels stonden, te bereiken. Op de kade
tusschen de Lochias en den Muzenhoek was een groote volksmenigte
bijeenverzameld, en troepen geringe lieden, matrozen en slaven stroomden
nog altijd toe. Toch kwam zij eindelijk en ten laatste bij den
ezelverhuurder, en terwijl de drijver haar hielp om het gekozen dier te
bestijgen, vroeg zij hem, wat daar toch te doen was.
»Zij halen het huis van Didymus, den ouden man van het Museum omver,"
was het antwoord.
»Hoe is dat mogelijk?" riep de Nubische vol schrik. »Die oude, kloeke
man."
»Kloek?" herhaalde de drijver smadelijk. »Hij is een verrader, die
aan al het onheil mede schuld heeft. Dat heeft de pleitbezorger
Philostratus, de broeder van den grooten Alexas en een vriend van Marcus
Antonius, zelf verzekerd. Hij wilde het ook bewijzen, en dus moet het
wel waar zijn. Hoor zij eens schreeuwen! en wat vliegen die steenen!
Ja, zijn kleindochter en haar geliefde hebben samen Koning Caesarion
opgewacht, om hem het leven te benemen. Doch de wacht is bijtijds
toegeschoten, en nu ligt hij gewond op zijn legerstede. Als de groote
Isis niet te hulp komt, dan zal het wel spoedig gedaan zijn met den
jongen Koning."
Hierop keerde hij zich weder naar zijn ezel, gaf hem met zijn langen
stok twee flinke slagen rechts en links op zijn rug, en riep hem toe:
»Niet waar, grauwtje? het doet toch goed te hooren, dat er op een
koninklijken rug ook nog wel een plekje is, waar de slagen vallen."
Ondertusschen was de Nubische in tweestrijd of zij den ezel niet zou
doen omkeeren en eerst bij Didymus aangaan. Doch Barine dreigde een
grooter gevaar, en haar leven was kostbaarder dan dat van het oude paar.
Dat gaf den doorslag, en zonder verder oponthoud reed zij voort.
De ezel en zijn drijver deden hun uiterste best, maar toch kwamen zij
te laat. Anukis hoorde in het kleine paleis te Kanopus reeds van den
portier, dat Archibius naar de stad was gegaan met den geschiedschrijver
Timagenes, een oud vriend van hem, die tegenwoordig in Rome woonde, en
nu als afgezant scheen gekomen te zijn.
Charmion was daar ook reeds geweest, en zij had haar broeder evenmin te
huis gevonden. Daarom was zij hem in een wagen nagereden. Dat was slecht
nieuws, dat bovendien noodlottig kon worden door het tijdverlies dat er
van komen zou. Liep die ezel maar wat harder! Het is waar, Archibius had
zijn stal vol paarden, maar wie was zij, om te durven wagen zich daarvan
te bedienen. Toch had zij in verloop van tijd iets verworven dat haar
met vele vrij- en hooggeborenen gelijk stelde: den goeden naam van
betrouwbaarheid en verstand. Daarop rekende zij, en deelde den ouden,
trouwen huismeester mede, zoo goed en zoo kwaad het ging, waarom het
haar te doen was. Spoedig daarna geleide hij haar zelf met twee
muildieren naar de stad en de tuinen van het Paneum.
Hij koos den naasten weg daarheen, door de Zonnepoort en de Kanopische
straat. Daar wemelde het altijd van menschen op dezen tijd van den dag,
maar nu was het er niet bijzonder druk. Ieder die tijd en gelegenheid
had, was naar het Bruchium en de haven gegaan, om de teruggekomen
schepen van de verslagen vloot te zien, een nieuwstijding te hooren,
zich aan te sluiten bij de aankondigingen en optochten die te wachten
waren, en--als de fortuin gunstig was--de Koningin tegen te komen en het
volle hart lucht te geven in toejuichingen.
Toen de wagen links den hoek omgeslagen was en het Paneum naderde, werd
voor het eerst de doortocht bemoeielijkt. Een talrijke schaar was bijeen
aan den voet van den heuvel, op welks top het heiligdom van Pan zich
prachtig verhief boven de uitgestrekte tuinen die er omheen lagen. De
lange gestalte van den pleitbezorger Philostratus viel de Nubische in
het voorbij rijden dadelijk in het oog. Was die onheilstichter dan
overal tegelijk? Doch ditmaal scheen hij tegenstand te ondervinden, want
zijn rede werd door luid geschreeuw afgebroken. Juist toen het voertuig
hem vlak voorbij reed, wees hij op de rij huizen, waartoe ook dat van de
weduwe van den schilder Leonax behoorde, maar op deze beweging volgde
een hevige tegenspraak.
Anukis begreep nu ook wat de menigte terughield, want toen de wagen
bijna het doel van den tocht bereikt had, kwam hen een stoet gewapende
jongelingen tegen. Met hun flinken in de Palestra gestaalden
lichaamsbouw, en de krullende zwarte, bruine of blonde haren, boden zij
een schoon schouwspel aan. Het waren leden van den epheben bond, welks
hoofdman vroeger Archibius was geweest, en waartoe later Dion was
gekozen. De jongelingen hadden gehoord wat er met hem was gebeurd,
en dat hij door gevangenschap of misschien nog erger dingen werd
bedreigd. In vroeger tijd zou het niet mogelijk zijn geweest zich tegen
de handelwijze der Regeering te verzetten en over hun bedreigden vriend
te waken, maar in deze ongeluksdagen moesten de machthebbers rekening
met hen houden. Ofschoon zij innig gehecht waren aan de Koningin, en
besloten hadden, in weerwil van haar nederlaag, voor haar in de bres te
springen, zoodra dat noodig zou zijn, toch wilden zij niet dulden dat
Dion gestraft werd voor een vergrijp, dat hem in hunne oogen tot eer
verstrekte. Naarmate het hen meer ergerde dat de Raad der stad in dit
geval dat toch een van hun medeleden betrof, zoo aarzelend optrad, waren
zij zelve des te vaster besloten hem te beschermen. Zij waren het nog
niet eens geworden over de vraag of voor den man, die den »Koning der
Koningen" den zoon hunner gebiedster, had gewond, volledige vrijspraak
of enkel een zacht oordeel mocht worden geëischt. Ook had de stille
Cæsarion, die altijd gehoorzaam was aan zijn gouverneur, geenszins de
kunst verstaan om de epheben voor zich te winnen. De verwijfde jongeling
vertoonde zich nooit in de Palestra, al had zelfs de groote Marcus
Antonius niet versmaad daar een bezoek te brengen. Hij had daar
menigmaal aan de jongelingen proeven zijner reuzenkracht gegeven, en ook
zijn zoon Antyllus nam dikwijls aan de oefeningen deel. De slag dien
Dion aan Cæsarion gegeven had, was niet veel meer geweest dan een van
die vuistslagen, zooals ieder die in het worstelperk van tijd tot tijd
ontving.
Philotas van Amphissa, Didymus' leerling, had de jongelingen het eerst
van den aanval in kennis gesteld, en al het mogelijke gedaan om weer
goed te maken, wat hij tegen de kleindochter van zijn leermeester had
misdaan. Zijn oproeping had luiden weerklank gevonden. De epheben
voelden zich sterk genoeg een vriend, wie dat ook zijn mocht, te
beschermen, en zij wisten dat zij in het uiterste geval waren gedekt
door den Raad, den Exegeet, den bevelhebber der stad, een flinken
Macedoniër, die eenmaal een sieraad van hun bond was geweest, en ook
door het groote aantal cliënten van Dion en zijn geslacht. Geen enkele
zwakkeling werd in hun midden geduld. Zij hadden ook reeds gelegenheid
gehad hun naam te handhaven, want al waren zij ook te laat gekomen
om het eigendom van Didymus voor schade te behoeden, toch hadden zij
aan het tieren van het volk, dat door den pleitbezorger Philostratus
opgestookt was, een eind gemaakt, en de menigte teruggedrongen, toen de
Syriër die wilde leiden naar het huis van Barine om dat een zelfde lot
te doen ondergaan.
Vóór het huis van vrouw Berenice stond reeds een ander voertuig, toen
Anukis uit het hare stapte. Het was een van die, welke altijd ter
beschikking waren voor de beambten der Koningin. Waren hier handlangers
van Alexas aan het werk, of was hij misschien zelf reeds bezig Dion
in het verhoor te nemen, of zelfs zich van hem meester te maken? De
Nubische kende den wagendrijver, evenals allen die tot den dienst in het
paleis behoorden, en vernam van hem, dat hij den bouwmeester Gorgias
gereden had.
Anukis had dezen nog nooit ontmoet, hoewel zij gedurende de verbouwing
van Cæsarion's woonhuis, hem dikwijls gezien en veel van hem gehoord
had, ook dat het fraaie paleis van Dion zijn werk was. Hij was een
vriend van den gewonde, dus behoefde zij hem niet te vreezen.
Zoodra zij het atrium binnentrad hoorde zij dat vrouw Berenice met
Archibius en zijn Romeinsche vriend was uitgereden. De arts had den
gewonde verboden veel bezoek te ontvangen, maar toch was behalve de
bouwmeester nog een vrijgelatene van Dion bij hem toegelaten.
De tijd drong; lieden van één stand en gelijke gezindheid begrijpen
elkander. De oude portier en de Nubische waren beiden trouw gehecht aan
hunne meesters en daarenboven landgenooten, dus had zij maar weinig
woorden noodig om den poortwachter over te halen haar aanstonds aan de
legerstede van den gewonde te brengen. Vóór de deur der ziekenkamer
stond de vrijgelatene, een groote, donkerbruine, eenvoudig gekleede
grijskop, dien zij voor een stuurman aanzag. Hij had nog geen toegang
tot den lijder gekregen, maar dit scheen hem volstrekt niet te
verdrieten; hij stond bedaard tegen den muur geleund naast de deur der
ziekenkamer, en zag naar zijn breedgeranden schippershoed, dien hij
langzaam in de rondte draaide. Nauwelijks had Dion den naam Anukis
gehoord of hij riep door de half geopende deur met levendigheid: »Laat
zij binnen komen!"
Dat liet de Nubische zich geen tweemaal zeggen. Het scheen op haar bruin
gelaat geschreven te staan dat iets ernstigs en dringends haar daar
gebracht had, want op de eerste begroeting liet de gewonde dadelijk de
angstige opmerking volgen, dat zij zeker niets goeds mede te deelen had.
Tot eenig antwoord knikte zij veelbeteekenend met het hoofd en wierp een
zijdelingschen blik op den bouwmeester; Dion gaf hierop aan zijn vriend
een korte verklaring wie zij was, en verzekerde van den anderen kant
haar zelve dat hij alles, ook het grootste geheim, gerust hooren mocht.
Nu was dan ook alle vrees van haar geweken, en terwijl het zweet op haar
voorhoofd parelde, gaf zij op een toon van ernstige waarschuwing te
kennen dat zijn leven in groot gevaar was. Zij liet zich daarvan niet
afbrengen toen hij zijn vertrouwen op de epheben te kennen gaf, die
altijd bereid waren tot zijn bescherming, en op den Raad, die de zaak
van een der leden tot de zijne zoude maken, doch zwoer hem zich zoo
spoedig mogelijk in veiligheid te stellen, hetzelfde waarheen. Er
werden reeds handen naar hem uitgestoken door machten, waartegen geen
tegenstand baten zou. Maar ook deze verzekering bleek te vergeefs
gedaan, want hij was overtuigd dat de invloed van zijn oom den
zegelbewaarder, hem voor ieder wezenlijk gevaar behoedde. Nu besloot
Anukis eindelijk te bekennen wat zij afgeluisterd had, doch sprak
hierbij niet van Barine, noch van hetgeen haar dreigde. Ten slotte
bezwoer zij hem met al het vuur van een trouw, bezorgd gemoed, toch hare
waarschuwing niet in den wind te slaan.
Terwijl zij sprak, hadden de beide vrienden blikken van verstandhouding
gewisseld, doch nauwelijks had de Nubische het laatste woord geuit of
door de open gebleven deur trad de reuzengestalte van den vrijgelatene
binnen.
»Gij hier, Pyrrhus!" riep de gewonde hem vriendelijk toe.
»Ja heer, ik ben het," antwoordde de ander, en liet zijn schippershoed
nog sneller draaien. »Ik ben anders geen man om aan deuren te luisteren,
en kom ook nooit ongeroepen ergens binnen, maar wat daar zooeven
gesproken werd, moest ik wel hooren, en het gekras van dien ouden
ongelukskraai trok mij naar binnen."
»Ik wilde," hernam Dion, »dat gij verblijdender dingen hadt kunnen
hooren; die bruine ongeluksvogel zingt anders vriendelijke liederen,
en zij komen alle uit een trouw hart. Trouwens, als mijn stilzwijgende
Pyrrhus zijn mond zoo wijd open doet, dan komt er zeker iets gewichtigs
te voorschijn, en voor deze hier mag dat wel voor den dag komen."
De schipper kuchte eens, drukte zijn groven, vilten hoed met zijn
vereelte handen ineen, en zeide met zooveel ontroering en verlegenheid,
dat zijn zware kin op en neertrok en zijn stem hem somtijds begaf:
»Wanneer die bruinen vrouw te vertrouwen is dan moet gij van hier weg en
naar een veilige schuilplaats heer. Ik kwam toch reeds hier om u die aan
te bieden. Onderweg hoorde ik uw naam noemen. De menschen zeiden dat gij
den zoon der Koningin een wond toegebracht hadt en daarvoor het hoofd
zoudt moeten verliezen. Toen dacht ik: »dat zal niet gebeuren, neen,
zeker niet, zoolang Pyrrhus nog leeft, die eenmaal zijn jongenheer Dion
leerde de roeiriemen te gebruiken en de zeilen te hijschen,--Pyrrhus en
al zijn eigen volk." Waartoe zou ik herhalen, wat wij beiden lang genoeg
weten? Van mijn eerste schuitje en het stuk grond op ons eiland af, tot
aan de vrijheid toe, zijn wij alles verschuldigd aan uw vader en aan u.
Er rustte zegen op uw geschenk en op onzen arbeid, en nu is al het mijne
het uwe. Ik behoef er niets meer bij te zeggen. Gij kent immers onze
klip aan de andere zijde van den Alveus Steganus, ten Noorden der
groote haven; het Slangeneiland heet het. Voor iemand die het water
daar kent, is het gemakkelijk te bereiken, doch voor ieder ander even
ontoegankelijk als maan en sterren. Zij worden al bang als zij den naam
maar hooren, ofschoon wij dat ongedierte al lang hebben uitgeroeid. Mijn
jongens, Dionysus, Dionichus en Dionikus--gij ziet, ieder heeft wat van
Dion in zijn naam--wachten op de vischmarkt, en zoodra het donker
wordt..."
De gewonde liet hem niet uitspreken, hij stak hem de hand toe en dankte
hem hartelijk voor zijne trouw en goedheid, maar toch wees hij het
welgemeende aanbod van de hand. Hij moest bekennen dat hij geen veiliger
schuilhoek weten zou dan de klip, waaromheen altijd meeuwen vlogen,
en waar Pyrrhus met zijn gezin een overvloedig bestaan vond in de
vischvangst en den dienst als loods. Doch de bezorgdheid voor zijn
toekomstige gemalin hield hem van het verlaten der stad terug.
De vrijgelatene gaf het daarom toch niet op. Hij herinnerde hoe spoedig
men van zijn eiland in de haven kon komen en dat er dagelijks visch naar
de markt werd gebracht, zoodat het hem aan berichten nooit behoefde
te ontbreken. Zijn zoons waren precies als hij, en spraken ook geen
onnoodig woord, beweerde hij. Zij waren daar zelfs afkeerig van, terwijl
de vrouwen maar zelden het eiland verlieten. Zoolang zij de geliefde
gasten herbergen zouden, mochten zij geen stap daarbuiten doen. Als het
noodig was, kon zijn heer spoedig genoeg weder te Alexandrië zijn om
zijn plicht te doen.
De bouwmeester vond in dit voorstel veel goeds, en hij mengde zich dus
in het gesprek, om het verzoek van den vrijgelatene te ondersteunen;
doch Dion hield ter wille zijner geliefde, zijn weigering zoolang vol,
totdat Anukis die reeds lang verlangde naar Archibius te kunnen gaan, nu
ook voor haar gevoelen uitkwam.
»Volg dien man daarheen, heer!" riep zij uit. »Ik weet wat ik weet. Ik
zal aan onze Barine vertellen van uwe trouwe standvastigheid, maar hoe
kan zij u ooit hare dankbaarheid betoonen, zoo gij moet sterven?"
Dit laatste woord en de mededeelingen die er op volgden, hadden een
beslissende uitwerking, en zoodra Dion er in had toegestemd den
vrijgelatene te volgen, maakte de Nubische zich gereed haar verdere
plannen uit te voeren. Eerst echter hield de gewonde haar nog terug,
om haar allerlei dingen voor Barine op te dragen, en daarna ook de
bouwmeester, die geloofde dat hij in haar de rechte helpster gevonden
had voor alles wat hij nog in het schild voerde.
In den vroegen morgen was hij uit Heroonpolis teruggekeerd, waarheen hij
met andere vakgenooten had moeten gaan om te onderzoeken of de waterweg
weder bruikbaar gemaakt kon worden. De uitkomst was zóó slecht geweest,
dat hij bijna allen moed op de mogelijkheid verloren had, en op verzoek
der anderen was hij naar de Koningin gegaan, om haar te overreden het
veelbelovende maar in dien korten tijd onuitvoerbare plan te laten
varen.
Hij had den nacht tot dag gemaakt, en was ook, zoodra Cleopatra was
opgestaan, bij haar ontvangen. Er was een wagen voor hem beschikbaar
gesteld, want hij had nog veel te doen gehad in het arsenaal en bij
verschillende bouwwerken. Hij was toen uitgereden van de Lochias, om
den muur te gaan bezichtigen, dien hij voor Antonius op den Choma had
opgericht, en ook den Isistempel bij den Muzenhoek, waaraan Cleopatra
een nieuw gedeelte wenschte toegevoegd te zien. Doch nauwelijks had hij
het schiereiland verlaten, of hij werd in het Bruchium opgehouden door
een woeste menigte die het huis van Didymus berende met balken en
masten, en zich daarbij te verweren had tegen de epheben die haar
aanvielen.
Eindelijk was hij door dien woedenden troep heen gedrongen, om het oude
echtpaar en hunne kleindochter te hulp te komen. De slaaf Phryx was al
bezig geweest om de booten, die in de haven lagen in gereedheid te
brengen. Gorgias had moeite genoeg den grijzen philosoof te bewegen om
met de zijnen hem naar den zeekant te volgen. Hij was integendeel juist
voornemens zich vóór die woestelingen te plaatsen, en hen, zelfs al zou
het zijn leven kosten, toe te roepen, dat zij jammerlijk misleid waren,
en zich schuldig maakten aan een schandelijke euveldaad. Gelukkig kon
de bouwmeester hem overreden met de opmerking, dat het een Didymus
onwaardig zou zijn, als hij zijn leven, waarop de hulpelooze vrouwen
en de geheele wereld, voor wie zijn geschriften wegwijzers waren
naar het rijk der waarheid, recht hadden, wilde prijs geven aan ruwe
barbaarschheid. Toch zouden de grijsaard en zijn gezin nog bijna in de
handen der woedende menigte zijn gevallen, daar Didymus niet eerder
wilde heengaan, dan nadat hij het een en ander, vooral een twintig of
dertig kostbare boeken, in veiligheid had gebracht. Bovendien begreep
zijn oude doove levensgezellin, die er anders gaarne in berustte wanneer
haar zwak gehoor haar verhinderde de dingen te verstaan, nu volstrekt
niet, wat er toch gebeurde. Zij wilde daarom dat ieder die in haar
nabijheid kwam, haar dat zou uitleggen, en hield daardoor haar
kleindochter Helena op, die er voor zorgen wilde dat de kostbaarste
zaken van het huis gered werden. Door dat alles werd het vertrek
vertraagd, en het was alleen te danken aan het flinke optreden van
Philotas, Didymus' helper, en aan eenige epheben die zich bij hem
voegden, dat zij nog ongedeerd ontkwamen.
De Scythische wacht die ten laatste een eind maakte aan het onzinnige
woeden van het opgeruide volk, kwam te laat om het sloopen van het huis
te voorkomen, doch zij redde Philotas en de epheben uit de handen en van
de steenen der volksmenigte.
Eerst toen de booten een eindweegs de haven uitgezeild waren, was de
vraag bij hen opgerezen waarheen de philosoof en zijn gezin de wijk
zouden nemen. Het huis van Berenice werd evenzeer bedreigd, en de wetten
van het Museum verboden dat dáárin vrouwen werden opgenomen. Vijf van
zijn bedienden waren hun heer gevolgd, en in de huizen der geleerde
vrienden van Didymus ontbrak het voor zoovele gasten aan ruimte.....
Terwijl de grijsaard en Helena alle huizen waar zij wisten dat zij een
onderkomen konden vinden, opsomden, kwam Gorgias met het verzoek aan, of
men het verblijf in het zijne voor lief zou willen nemen. Hij had dit
van zijn vader geërfd. Het was zeer groot en ruim, stond zoo goed als
leeg, en was gemakkelijk te bereiken, daar het ten Noorden van het forum
aan de zee lag. De vluchtelingen konden zich daar geheel vrij bewegen,
daar hem nog zooveel arbeid te wachten stond, dat hij alleen den nacht
onder zijn eigen dak zou kunnen doorbrengen. Hij wist de kleine
bezwaren, die zijne beschermelingen opperden, spoedig uit den weg te
ruimen, en een kwartier nadat zij den Muzenhoek verlaten hadden, mocht
hij reeds de poort van zijn woning voor hen openen en hij deed dit met
ware vreugde. De oude huisbezorgsters en de bewaarder die reeds in den
dienst van zijn vader was vergrijsd, zetten een verbaasd gezicht, maar
gingen ijverig aan het werk, zoodra Gorgias zijn gasten aan hun zorg had
toevertrouwd. De gewichtige bezigheden die hem riepen, verhinderden hem
zelf de plichten van een gastheer waar te nemen.
Didymus en zijn gezin had alle reden hem dankbaar te zijn, en toen
de oude philosoof in de groote boekerij, die de bouwmeester hun tot
verblijf had aangewezen, vele goede geschriften en daaronder vele van
zijn eigen hand vond, staakte hij eindelijk het op en neder loopen, en
ging rustig zitten. Daarbij viel hem ook weder in dat hij, op raad van
een vriend, zijn vermogen aan een vertrouwd bankier ter bewaring gegeven
had, en het leven scheen hem nu wel is waar nog donkergrijs, maar toch
niet meer zoo zwart als eerst.
Gorgias had in korte woorden de Nubische van alles op de hoogte
gebracht, en daarop had Dion haar medegedeeld dat zij Archibius met den
Romeinschen vriend bij den broeder van vrouw Berenice, den philosoof
Arius zou vinden. Deze lag even als hij, gewond op zijn legerstede,
tengevolge van een overmoedige streek van Antyllus. Zij zou ook Barine's
moeder bij Arius vinden. Zij kon hen dan in kennis stellen van het lot
van Didymus en de zijnen, en hen mededeelen dat hij, Dion, van plan was
een uur na zonsondergang hun huis en de stad den rug toe te keeren.
»Doch waarheen gij gaat," viel Gorgias hem in de rede, »mag niemand, ook
vrouw Berenice en Arius niet vernemen. Gij vrouw, ziet er naar uit alsof
gij zwijgen kunt."
»Hoewel zij," viel Dion hierop in, »haar naam Aisopion aan de vlugheid
harer tong te danken heeft."
»Maar die tong," verzekerde de Nubische, »is toch maar als de
zilvervischjes met de roode stippels in den tuin der koningskinderen.
Zij schieten rad genoeg voort, doch zoodra zij een gevaar duchten,
liggen zij in het water zoo stil alsof zij vastgenageld waren. En, bij
de groote godin Isis!--aan gevaren is in dezen droevigen tijd geen
gebrek. Wenscht gij vrouw Berenice en de anderen nog voor uw vertrek te
zien?"
»De moeder, ja;--Arius' zonen zijn flinke jongens, maar heden is het
toch beter, dat zij hier niet aan huis komen."
»Zeker!" zeide Gorgias. »Ook hun vader zou goed doen als hij een
schuilplaats zocht. Hij is nog altijd in goede verstandhouding met
Octavianus. Het is echter wel mogelijk dat de Koningin hem wenscht te
gebruiken. In dat geval kan hij misschien nog van nut zijn voor Barine,
die toch het kind zijner zuster is. Timagenes, die uit Rome als
bemiddelaar komt, krijgt ook veel invloed."
»Op diezelfde gedachte" zeide Anukis »is mijn arm hoofd ook al gekomen.
Nu ga ik mijn heer het gevaar aantoonen dat de jonge vrouw bedreigt, en
als het mij gelukt.... Maar wat zou een dienares, die er uitziet als ik,
kunnen uitrichten? En toch... mijn huis staat dichter bij den oever van
den stroom dan dat van de meeste anderen, en als ik er een blad in werp,
dan draagt hij dat misschien naar de goddelijke zee."
»Die wijze Aisopion!" riep Dion uit; maar de wakkere Nubische haalde
haar hooge schouders op, en zeide: »Men behoeft niet vrij geboren te
zijn, om zich te verheugen in hetgeen recht is, en als wijs zijn
beteekent: zijn hoofd gebruiken om te denken, en met zijn wil alles
bevorderen wat goed en rechtvaardig is, dan moogt gij mij, wat mij
betreft, zoo noemen. Dus na zonsondergang vertrekt gij?"
Zij wilde zich verwijderen, doch de bouwmeester, die iedere uitdrukking
van haar gelaat had bespied, had een besluit genomen, en verzocht haar
hem te volgen.
Toen zij in het zijvertrek waren, verlangde hij van haar een nauwkeurig
verslag omtrent Barine en wat haar dreigde. Nu beraadslaagden zij
te zamen over hetgeen er te doen stond alsof zij zijnsgelijke was,
en daarop reikte hij haar de hand tot afscheid, en zeide: »Als het
mogelijk is, om haar zonder dat zij herkend wordt naar den Isistempel
te brengen, dan kan deze duisternis nog licht worden. Van het eerste
uur na zonsondergang af ben ik te vinden in het heiligdom. Ik heb
daar opmetingen te doen. Wanneer gij beweert te weten dat de hemelsche
machten zich erbarmen over de onschuldigen, die zij tot aan den rand van
den afgrond hebben gebracht, dan hebt gij in dat geval misschien gelijk.
Het komt mij voor, alsof de dingen hier samenloopen op een wijze, die
door degenen die het hoorden vertellen, niet geloofd zou worden."
Toen Aisopion weg was, ging Gorgias naar zijn vriend terug, en verzocht
den vrijgelatene dat hij met zijn schuit gereed zou liggen op een plek
aan den oever, die hij hem nauwkeurig aan gaf. Daarna waren de vrienden
weder alleen.
Gorgias had handen vol werk, maar hij kon toch niet nalaten aan Dion
zijn verbazing te kennen te geven over de kalmte die hij bewaarde.
»Alsof zij naar Kanopus moesten om oesters te eten," besloot hij, en
schudde daarbij zijn hoofd, als over iets, dat hem te hoog was.
»Wat wilt gij dan?" vroeg de andere. »U kunstenaars, laat de
gevleugelde phantasie altijd een toekomst zien, die aan uwe bewegelijke
stemming beantwoordt. Zijt gij vol hoop, dan maakt gij een aardigen tuin
tot de Eliseesche velden; vreest gij iets, dan ziet gij, als het dak
brandt, de geheele wereld opgaan in de vlammen. Wij, aan wier wieg
de Muze niet verschenen is, en die alleen ons overleggend verstand
gebruiken om te zorgen voor ons eigen welzijn en dat van ons huis
en den Staat, wij zien de dingen zooals zij zijn, en behandelen de
omstandigheden als de getallen in een rekenopgaaf. Ik weet dat Barine
bedreigd wordt. Dat zou mij het verstand kunnen doen verliezen; maar
achter haar zie ik Archibius en Charmion staan, als met uitgespreide
vleugelen om haar te beschermen. Ik zie ook de vrees van al mijne
vrienden, met inbegrip van het Museum, van den Raad, waartoe ik
behoor, van mijn cliënten en de tijdsomstandigheden, die verbieden de
misnoegdheid der burgerij te wekken.--En nu het resultaat dat ik uit
de juiste bijeenvoeging van al deze bekende grootheden verkrijg...."
»Dat zal even lang het ware zijn," viel zijn vriend in, »als de
onberekenbaarste van alle factoren, de hartstocht, er zich niet in
mengt, de hartstocht eener vrouw, en de Koningin behoort tot het, op het
gebied van den hartstocht, stellig sterkere geslacht."
»Toegegeven! Doch zoodra Marcus Antonius terugkeert, zal het blijken,
dat haar jaloerschheid haar heeft doen dwalen."
»Dat willen wij hopen. Het is ook alleen de op dwaalsporen geleide,
bedrogen, verkeerd ingelichte Cleopatra, die ik vrees, want in den grond
heeft zij in goddelijke goedheid haar gelijke niet. De vriendelijkheid
waarmede zij aller harten wint, is onbeschrijfelijk. En dan die ijzeren
kracht van haar geest! Ik zeg u Dion...."
»Vriend, vriend!" viel deze hem glimlachend in de rede, »wat vliegen uwe
wenschen weer hoog! Sedert drie jaren heb ik al de branden in uw hart
opgeteld. Ik geloof dat wij aan de zeventiende gekomen waren, maar deze
laatste telt dubbel."
»Dwaasheid!" riep de bouwmeester verachtelijk. »Zou men niet meer mogen
erkennen wat heerlijk, wonderbaar, éénig is? Dat is zij! Kort
geleden--wanneer was het ook weer?--kwam zij mij tegemoet in een glans
van schoonheid...."
»Dat gij ditmaal wel zorgen moogt uwe oogen te bewaken. En toch spraakt
gij nog zooeven zoo vurig over uwe jonge gast, van de liefdevolle zorg,
de bevallige bedaardheid die Helena midden in het dreigende gevaar...."
Nu viel de bouwmeester knorrig in: »Alsof ik één syllabe daarvan wilde
terugnemen! Helena wordt door geen enkele Alexandrijnsche jonkvrouw
geëvenaard, maar die andere, zij, Cleopatra.... Zij is nu eenmaal in
haar goddelijke majesteit boven al het menschelijke verheven. Dien
spottenden trek om uw mond kondet gij mij en uzelven ditmaal wel sparen!
Als zij u even als mij aangezien had met die vochtige, diepe, weemoedige
oogen, en over haar ongeluk gesproken had, dan zoudt gij hand aan hand
met mij voor haar door water en vuur gaan. Ik behoor juist niet tot de
lichtbewogen menschen, en sedert mijn vader gestorven is, heb ik enkel
bij anderen tranen gezien; doch toen zij sprak van het mausoleum, dat ik
voor haar bouwen moest, omdat het noodlot haar, wie weet hoe spoedig,
zou kunnen noodzaken een toevlucht te zoeken in de armen van den dood,
toen was het met mijn zelfbeheersching gedaan. En zooals zij mij toen
telde onder de vrienden, op wie zij zich verliet, en mij haar hand
toestak--die hand, zooals er geen tweede is--toen, ja lach maar, als gij
den moed daartoe hebt, ik weet zelf niet wat mij toen bezielde, maar ik
voelde mij tot haar aangetrokken, en terwijl ik haar--de hand bedoel
ik--kuste, werd zij misschien nat van mijn tranen. Ik schaam mij niet
over die aandoening, en mijne lippen schijnen mij gewijd door de
aanraking van die bleeke, kleine godenhand, die haar eigen taal spreekt,
en die mij, waarheen ik den blik ook sla, voor oogen zweeft."
Gorgias streek zich het zware haar uit het gelaat, schudde het hoofd
alsof hij ontevreden over zichzelf was, en ging op een anderen toon
voort: »Maar de tijd is slecht gekozen voor zulke ontboezemingen. Ik
sprak van het mausoleum, dat de Koningin wil laten bouwen. Morgen
wenscht zij het eerste vluchtige ontwerp er van te zien. Ik zie het
reeds duidelijk voor mij. Het moet naast den tempel van Isis, haar eigen
godin staan... Ik sloeg voor het te plaatsen in het groote heiligdom in
de Rhakotis bij het Serapeum. Dat keurde zij niet goed... zij wilde het
dicht bij het paleis op de Lochias hebben. Zij had zich den tempel in
den Muzenhoek in het hoofd gesteld; maar het huis van Didymus stond een
gebouw van grooter omvang in den weg. Als men dit weg dacht, dan zou
men een weg kunnen aanleggen door den tuin van den ouden man heen,
misschien zelfs langs de zee. Wij zouden ruimte gekregen hebben voor
een reusachtig gebouw, en er zou toch nog altijd een fraaie tuin over
gebleven zijn. Maar wij hadden gehoord hoe Didymus gehecht is aan zijn
oude eigendom. Het zou de Koningin stuiten den grijsaaard met geweld te
dwingen... Zij is rechtvaardig, en wellicht wordt zij gedreven door
redenen die ik niet ken.... Ik heb daarom beloofd naar een andere
plek uit te zien, hoewel ik zag, hoe zij er op gesteld was dat haar
grafteeken met het heiligdom der godin verbonden zou zijn.... En
ziet.... Ik heb het aan die slimme bruine heks al verteld--daar lieten
de hemelsche machten, de goden, het noodlot, of hoe men anders de kracht
noemen wil die de wereld en ons bestaan naar eeuwige wetten en naar
haar eigen, geheimzinnigen, almachtigen wil bestuurt, een schelmstuk
gelukken, waaruit redding voor u, en voor de Koningin iets wat in dezen
moeilijken tijd haar zeer welgevallig zal zijn, schijnt te zullen
voortkomen."
»Mensch, mensch!" viel Dion weder in. »Waarheen zal deze nieuwe
hartstocht u nu weder voeren? Daarbuiten trappelen de wachtende paarden,
de plicht roept den plichtmatigsten van alle menschen, en alsof hij een
ziener ware, vermeit hij zich in duistere uitspraken!"
»Maar waarvan de zin en inhoud," hernam Gorgias, »u, met al uw
koele berekeningen van gegeven omstandigheden, spoedig niet minder
wondervol schijnen zal dan mij, al is het, volgens u, mijn onstuimig
kunstenaarsbloed, dat mij parten speelt. Nu nog slechts dit ter
verklaring: het huis van Didymus wordt aanstonds door mijne bouwlieden
in beslag genomen, en ik onderzoek de benedenruimte van den Isistempel.
Ik heb de volmacht bij mij om daar naar welgevallen te werk te
gaan. Cleopatra heeft mij zelve de bouwplannen laten zien, ook dat
geheimzinnige, waarop de loop der onderaardsche gangen aangeduid wordt.
Er zal nu ook voor u eenig licht vallen op mijn duistere uitspraken, als
ik u later door een van die geheime gangen aan uwe vijanden ontvoer.
Men heeft u terecht verzwegen aan welk een dunnen draad het zwaard
boven uw hoofd heeft gehangen, ondanks uw rekenopgaaf. Thans, nu ik de
mogelijkheid inzie het op zijde te schuiven, mag ik het u aanwijzen.
Morgen reeds zoudt gij reddeloos in de handen van wreede vijanden zijn
gevallen en door uw eigen zwakken oom smadelijk prijsgegeven zijn,
wanneer de onverzoenlijkste van allen zich niet het schandelijke
genoegen had gegund de hand te slaan aan het huis van den grijsaard.
Gij weet wat ik meen, wanneer niet de Koningin door een verpletterenden
tijding op de gedachten gekomen was, voor zich zelve een mausoleum te
laten bouwen. De gang," en hij liet zijn stem dalen, »waarvan ik sprak,
komt uit vlak bij het stuk grond van Didymus aan de zee; daar leid ik u
door, en als het kan en noodig is, ook Barine. Op den gewonen weg zou
men zoo iets slechts met het grootste gevaar kunnen bewerkstelligen. Als
wij de gang gebruiken, dan komen wij ongezien aan een donkere plek aan
het strand, en de vlucht blijft, als er geen bijzonder ongeluk gebeurt,
onopgemerkt. De draagstoel en uw waggelende gang zouden, indien wij
ergens anders aan de haven in de boot wilden gaan, alles verraden."
»En dan willen wij, verstandige menschen, aan geen wonderen, gelooven!"
riep Dion, en stak zijn vriend zijn witte hand toe. »Hoe zal ik u genoeg
danken, gij lieve, verstandige, trouwste vriend van uw vrienden, met
het hart zonder trouw voor uw vriendinnen. Voeg dit booze woord bij de
andere van vroeger, waarvoor ik u nu om vergeving vraag. Wat gij voor
mij en Barine wilt doen, geeft u het recht, mij uw leven lang al het
kwaad aan te doen en te hooren te geven, wat gij maar wilt. Bezorgdheid
voor haar zou mij heden avond, als het ernst geworden was met onze
poging tot ontvluchten, zeer zeker aan dit huis en deze stad geboeid
hebben gehouden, want zonder haar heeft het leven nu geen waarde meer
voor mij. Doch wanneer ik mij voorstel dat zij mij zou kunnen volgen
naar die klip van Pyrrhus..."
»Vlei u niet met die hoop," verzocht de bouwmeester. »Daar zou zij
misschien wezenlijk hinderpalen ontmoeten.--Overigens, ik moet later nog
eens met de Nubische overleggen. De anderen niet te na gesproken, houd
ik haar raad toch voor den besten. Zij weet hoe het bij de grooten
toegaat, en behoort zelve tot de kleinen. Buitendien heeft zij door
Charmion toegang tot de Koningin, en niets wat er aan het hof geschiedt,
ontgaat haar. Zij deed mij ook inzien dat wij de uitlevering van Barine
aan Alexas als een geluk moesten beschouwen. Hoe licht had het niet
kunnen gebeuren dat zij, wier wenschen altijd daden worden, wanneer zij
den al te grooten ijver harer levende werktuigen niet beteugelt, door
jaloerschheid tot een gruwelijke misdaad ware gedreven! Iemand die zelf
door het lot met zoo harde slagen getroffen wordt, haast zich maar
zelden anderen daarvoor te behoeden, wanneer de zorgen, die als een
berg op haar drukken, zich maar tusschen de Koningin en de jaloersche
verbolgenheid plaatsen, die voor hare groote ziel werkelijk te klein
is!"
»Wat is groot of klein voor het hart eener minnende vrouw?" vroeg Dion.
»In ieder geval doet gij wat gij kunt om Barine buiten de macht der
vertoornde vorstin te brengen, dat weet ik."
Gorgias drukte zijn vriend met warmte de hand, en door een plotselinge
ingeving gedreven, kuste hij hem daarbij op het voorhoofd, en haastte
zich naar de deur. Op den drempel werd hij door een zacht steunen van
den gewonde teruggehouden. Zou hij zich dienzelfden avond reeds sterk
genoeg gevoelen den langen tocht door de onderaardsche gang te doen?
Dion verzekerde, dat hij dat stellig geloofde, maar tegelijk verried
zijn hooger gekleurd gelaat dat de reeds verdwenen koorts teruggekeerd
was.
Gorgias sloeg den blik nadenkend naar den grond. Vele zieken die
genezing behoefden, werden naar den tempel der godin gebracht, daarom
kon de verschijning van Dion op die plaats niet bijzonder de aandacht
trekken. Daarentegen scheen het gevaarlijk aan vreemden op te dragen den
zieke door de gang te leiden. Hij zelf was sterk genoeg, maar het zou
voor den allersterkste een onmogelijkheid zijn het zware lichaam van
den langen man in gebukte houding tot aan de zee te dragen; want de
gang was laag en van aanzienlijke lengte. Maar als het noodig was, dan
zou hij het beproeven. Hij riep hem vertroostend toe: »Als uw kracht
niet toereikend is, dan vinden wij er wel iets anders op!" en nam
daarmede afscheid. Vervolgens schreef hij aan Barine's kamervrouw en
den lijfslaaf van den gewonde voor, wat zij moesten doen, beval den
poortwachter iederen bezoeker, wien ook, met uitzondering van den arts,
den toegang te weigeren, en kwam eindelijk weder in de open lucht.
Voor het huis liep een kleine schaar epheben heen en weder. Anderen
hadden zich neergezet op een grasperk, langs de struiken van den
Paneumtuin naast het huis, en deden den edelen wijn eer aan, dien Dion's
keldermeester, op bevel van zijn heer, hen hier geschonken had.
Het was een vroolijk tooneel; want cliënten van den lijder, die nadat
zij hunne deelneming betuigd hadden, door den portier waren afgewezen,
en aardig gekleede meisjes hadden zich bij de epheben gevoegd. Het
ontbrak daarbij niet aan scherts en lach, en wanneer een bevallige jonge
moeder of slavin voorbij kwam met kinderen, die in dezen tuin altijd bij
voorkeur speelden en stoeiden, dan werd menig dartel woord gewisseld.
Gorgias wuifde de jongelingen vroolijk toe, verheugd over de frissche
levenslust, waarmede de flinke knapen de plichtsvervulling tot een feest
maakten, en menige ephebe hief den beker op om den beroemden kunstenaar,
die nog niet zoo lang geleden een der hunnen was, een vroolijk »Io" en
»Evoë" toe te drinken.
Een der eersten daarbij was een slank jongeling, de student Philotas uit
Amphissa, Didymus' helper, dien Gorgias vóór enkele dagen uit de macht
der demonen van de wijn had helpen verlossen. Terwijl de bouwmeester
hem, uit zijn tweewieligen wagen, vriendelijk groette, viel de gedachte
hem in, dat die aardige jongen, die zoo ernstig tegen Barine en Dion had
misdreven, wel de rechte kon zijn om zijn vriend door de onderaardsche
gang naar de zee te dragen. Als Philotas de man was, voor wien Gorgias
hem hield, dan moest het hem als een geschenk voorkomen, wanneer hij
zijn misdrijf bij de betrokken personen weer goed kon maken, en hij had
zich daarin niet vergist. Nadat de jongeling eerst plechtig gezworen had
dat hij, tegen ieder, wie het ook mocht zijn, er van zou zwijgen, vroeg
de bouwmeester hem af, of hij hem bij de redding van Dion terzijde wilde
staan. Overvloeiend van dankbaarheid toonde Philotas zich dadelijk
daartoe bereid, en beloofde dat hij op het bepaalde uur aan de opgegeven
plaats bij den Isistempel op hem zou wachten.