ELFDE HOOFDSTUK.

De Koningin had het bad verlaten, en Iras had haar altijd nog zwaar,

golvend donkerbruin haar in orde gebracht, en hielp haar nu met het

prachtgewaad, waarin zij de beambten ontvangen wilde, die zij nog in dit

nachtelijk uur wachtende was.

Zij had zich verwonderlijk goed gehouden. De tijd scheen het niet

te hebben gewaagd de hand te slaan aan dit volmaakte toonbeeld van

vrouwelijke gratie. Maar het scherpe oog der Grieksche ontdekte toch

hier en daar een spoor van het verdwijnen der betooverende jeugd. Zij

had hare gebiedster hartelijk lief, en toch kwam er een heimelijk gevoel

van blijdschap in hare ziel op, zoo menigmaal zij bij haar denzelfden

achteruitgang opmerkte, die zich ook reeds bij haar zelve eenigszins

vertoonde, ofschoon zij eerst zeven en twintig jaren oud was. Zij zou

in staat zijn aan Cleopatra alles af te staan wat zij bezat, maar het

was alsof zij de natuur moest prijzen voor hare rechtvaardigheid, zoo

dikwijls zij bespeurde dat zij de algemeene wet niet geheel ophief ten

gunste van haar koninklijke lieveling.

»Nu geen vleierij," verzocht Cleopatra met een weemoedigen glimlach. »De

menschen zeggen dat de werken der Pharao's hier aan den Nijl spotten met

den tijd. Maar dat laat die onverbiddelijke zich niet welgevallen van de

Koninginnen van Aegypte. Dit zijn grijze haren, en die zijn afkomstig

van mijn hoofd, hoe ijverig gij dat ook moogt tegenspreken. En dan die

rimpels aan de ooghoeken op mijn voorhoofd, van wie zijn die anders dan

van mij? En dan die tand, dien de lip toch niet zoo vriendelijk bedekt

als gij beweert? Het was op den avond vóór den ongelukkigen slag dat

hij die schade leed. Mijn lieve, trouwe, bekwame Olympus, de arts der

artsen, is de eenige die iets dergelijks onzichtbaar weet te maken.

Maar ik kon dien grijsaard toch niet mede in den oorlog nemen, en

Glaucus is veel minder handig dan hij. Hoe miste ik den ouden man in

die noodlottige uren! Ik leek in mijn eigen oogen een monster, en

hij.... Antonius' oogen zien dergelijke dingen maar al te goed. Wat is

de liefde van mannen? Een slechte tand kan daar afbreuk aan doen. Eén

kleinigheid die hun kritischen blik mishaagt, giet water op het heetste

vuur. Toen had ik moeilijke uren te doorworstelen, Iras! Menige blik van

hem was als een beleediging voor mij, en dan daarbij nog die martelende

onzekerheid. Ik voelde dat er iets tusschen ons gekomen was, daar was

geen twijfel aan!

»Het begon al spoedig, nadat hij Alexandrië verlaten had. Het knaagde

als een worm aan mijn ziel, en nu ik weder hier ben, moet ik weten

wat het is. Ik weet, dat hij mij binnen weinige dagen volgen zal. In

Parætonium waarheen hij zich begeven heeft, is Pinarius Scarpus nog met

versche troepen gelegerd. Te Tænarum had hij zich voorgenomen de wereld

die hem zooveel geschonken heeft vaarwel te zeggen, want hij haat haar,

omdat hij haar reden gegeven heeft het hoofd over hem te schudden....

Maar de oude geest begint al weder te ontwaken, en als de Fortuin hem

weder even gunstig wordt als van ouds, dan voegt zich weldra een groot

leger bij het nieuwe uit Afrika. De Aziatische vorsten.... maar het is

waar, de beheerscheres van den Staat moet zwijgen. Ik ben in dit vertrek

gekomen met het voornemen om aan de vrouw te geven wat haar toekomt, en

dat zal zij ook hebben! Hij zal spoedig hier zijn, want hij kan zonder

mij niet leven. Het is niet enkel de beker van Nektanebus, die hem tot

mij aantrekt!"

»Toen de grootste onder de grooten, toen Julius Cæsar te Alexandrië

naar uwe liefde dong en Antonius aan den Kydnos," merkte Iras op, »toen

hadt gij nog niets van die bokaal gehoord. Eerst twee jaren geleden

veroorloofde Anubis u om het wonderbare voorwerp uit de schatten van den

tempel te leenen, en binnen weinige dagen zijt gij gehouden die terug te

geven. Dat van den beker een geheime invloed uitgaat, is zeker, maar gij

zelve bezit in uw persoon een nog veel grooter toovermacht."

"Indien die dan heden nog eens toonde wat zij vermag!" riep de Koningin

uit. »In ieder geval heeft Antonius zich door de kracht van den beker

tot allerlei dingen laten overhalen. Ik ben ook niet ijdel genoeg om te

denken, dat het alleen liefde, de tooverkracht mijner persoonlijkheid

was, die hem in dat ongelukkig uur tot mij trok. Ach, die slag, die

onbegrijpelijke, schandelijke nederlaag! Gij waart ziek in dien tijd,

en kondet onze vloot bij het uitzeilen dus niet zien: maar alle kenners

zeiden, dat er nooit fraaier en grooter schepen geweest waren. Ik was in

mijn recht toen ik vast geloofde dat aan haar de beslissing zou blijven.

Ik mocht haar immers de mijne noemen. Indien wij gezegevierd hadden,

met welk een trots zou ik dan tot mijzelve gezegd hebben: uwe wapenen

hebben den geliefden man de heerschappij over de wereld verschaft!

In de sterren had ik bovendien gelezen dat op de zee het geluk ons was

weggelegd. Aan Anubis die hier, en Alexas, die op het schip van Antonius

was, hadden zij hetzelfde verkondigd. En ook vertrouwde ik op de macht

van den beker, die Antonius reeds zoo dikwijls genoopt had tot iets

waarvan hij vroeger afkeerig was. Om al die redenen zette ik het plan,

om de vloot over ons lot te laten beslissen, door. Maar het was

verkeerd! _Hoe_ verkeerd, zou spoedig genoeg blijken!

»Had men mij maar vroeger, toen het nog tijd was, medegedeeld, wat ik

later vernam! Na de nederlaag sprak ieder zich meer uit. Dat ééne woord

van een veteraan onder de bevelhebbers van het voetvolk, zou al genoeg

zijn geweest mij de oogen te openen. Hij vroeg Marcus Antonius, waarom

hij toch al zijn hoop vestigde op het zwakke hout, en riep daarbij uit:

»Laat Pheniciers en Aegyptenaars te water strijden, maar laat _ons_ het

land, waarop wij gewoon zijn te overwinnen of te sterven!" Dat alleen,

durf ik zeggen, zou mij te rechter tijd van gevoelen hebben doen

veranderen. Doch het werd mij verzwegen.

»De slag begon toen de onzen hun geduld reeds verloren hadden. De

linkerlinie van de vloot kwam het eerst op. In het begin zag ik den

strijd aan met spanning en een kloppend hart. De groote schepen bewogen

zich trotsch vooruit. Alles ging voortreffelijk. Antonius hield een

toespraak, en verzekerde de strijders dat onze vaartuigen, zelfs zonder

hun toedoen, door hun grootte en hoogte alleen, noodlottig voor den

vijand moesten worden. Waar vind men een redenaar die zóó zijne

toehoorders medesleept? Ik was dan ook geheel zonder vrees. Hoe zou men

zich kunnen verontrusten, wanneer men zoo zeker de overwinning verwacht?

Toen hij een oogenblik te voren op zijn admiraalsschip gegaan was, en

mij minder hartelijk dan anders vaarwel gezegd had, was het mij veel

angstiger te moede geweest, want ik dacht toen duidelijk te merken dat

zijn liefde verkoelde. Wat was er ook niet van mij geworden, sinds wij

uit Alexandrië gingen, en Olympus niet meer voor mij zorgde! Zóó kon het

niet duren. Ik wilde het oorlogvoeren aan hem alleen overlaten, en hem

zelve niet onder de oogen komen. Het is waar, nog altijd, als hij in den

beker van Nektenebus keek, deed hij wat ik wenschte, maar niet zelden

geschiedde dat met tegenzin. Die duidelijk zichtbare, door niets te

verwijderen rimpels en de jaren, die wreede jaren!"

»Wat zijn dat voor gedachten!" riep Iras uit. »Laat mij u zweren,

gebiedster, dat gij, zooals gij daar vóór mij staat...."

»Dat ben ik aan deze toilettafel en de nieuwe middelen van Olympus in

deze doozen verschuldigd! In dien tijd, zeg ik u, kon ik schrikken van

mijzelve. Het verdriet maakt iemand ook niet schooner, en hoe hadden

de Romeinen zich niet uitgelaten over de vrouw die zich mengde in den

oorlog, die het werk der mannen moet zijn! Ik antwoordde in denzelfden

geest, doch ik wilde het niet langer dulden. Ik had al lang van te voren

besloten niet bij den slag te land te zijn, maar, hoewel de kans toen

goed scheen te staan; reeds bij het begin van het gevecht, werd ik er

toe gedreven, Antonius te verlaten en naar mijne kinderen terug te

keeren. Die vragen niet naar de kleur van het haar en de rimpels in het

voorhoofd hunner moeder. En hij--zoodra hij te vergeefs naar mij zou

uitzien zou hij eerst voelen wat hij in mij bezat. Hij zou mij missen en

de oude liefde zou, tegelijk met het vurig verlangen naar mij, weder in

zijn hart ontwaken. Zoodra de vloot de overwinning had behaald, wilde

ik heengaan, het schip doen koers zetten naar het zuiden, en zonder

afscheid naar Aegypte trekken, hem enkel toeroepend: »Tot wederziens in

Alexandrië!"

»Ik riep Alexas, die bij mij gebleven was, en beval hem mij een teeken

te geven, zoodra de strijd in ons voordeel beslist zou zijn. Ik zelf

bleef op het dek. Ik zag hoe de schepen van den vijand een grooten boog

beschreven. De nauarch[17] zeide dat dit Agrippa was, die ons wilde

omsingelen. Dat wekte reeds een vreeselijk voorgevoel bij mij op, en het

begon mij al te spijten dat ik mij had ingelaten met dat mannenwerk.

[17] Scheepskapitein.

»Antonius stond op het admiraalsschip en zag naar mij uit. Ik gaf hem

een teeken om hem opmerkzaam te maken op het gevaar, doch in plaats van

mij zooals vroeger, levendig en hartelijk terug te groeten, keerde hij

mij den rug toe. Kort daarna hoorde ik een verschrikkelijk verward

rumoer om mij heen. Het eene schip kwam in aanraking met het andere.

Planken en ijzeren stangen braken met ijselijk gekraak. Het geschreeuw,

gejammer en gesteun der vechtenden en gewonden vermengde zich met het

gedreun der steenen die uit de catapulten vlogen, en den schellen toon

der signalen die als noodkreten klonken. Vlak naast mij vielen twee

krijgslieden door pijlen getroffen, op den grond. Het was ontzettend.

Maar ik verloor niet den moed, zelfs niet toen een eskader--onder

Aruntis--op onze vloot afkwam. Ik zag nog een geheele reeks andere

schepen naderen, en ook hoe een Romeinsch vaartuig door een der mijne,

dat ik Selene had genoemd, werd aangevallen, ter zijde overhelde en

zonk. Dat verheugde mij, en scheen een voorteeken van de overwinning.

Ik beval Alexas nog eens dat hij het schip moest doen wenden, zoodra aan

den afloop niet meer te twijfelen viel. Terwijl ik dit zeide verscheen

mijn dienaar Jason, dien gij wel kent, met eenige ververschingen. Ik nam

een beker, doch ik had dien nog niet aan mijn mond gezet, toen de man

met verpletterden schedel naast mij nederviel, en het vruchtennat zich

vermengde met zijn bloed. Toen voelde ik dat mijn hart ophield te

kloppen, en Alexas vroeg doodsbleek en met een bevende stem: »Beveelt

gij, dat wij ons buiten het gevecht begeven?"

»Alles wat in mij was drong mij dit te doen, doch ik raapte al mijn

geestkracht bijeen en vroeg eerst den nauarch, die vóór mij op de brug

stond: »Is het voordeel aan onze zijde?" Hij antwoordde met overtuiging:

»Ja!" Nu dacht ik dat de tijd gekomen was, en riep hem toe dat hij het

schip moest omwenden en naar het Zuiden sturen. Maar de man scheen mij

niet te verstaan. Het rumoer van den slag was dan ook steeds grooter

geworden. Ik zond dus, in weerwil van Charmion, die mij smeekte niet op

eigen gezag bevelen te geven, Alexas naar den bevelhebber op de brug.

Terwijl hij met den grijzen zeeman sprak, die hem, ik weet niet wat

toeschreeuwde, zag ik naar de omliggende schepen; ik kon niet meer

onderscheiden of het vriend of vijand was, en terwijl al die rijen

rustelooze roeiers vlak onder mijn oogen zich op en neder bewogen, was

het alsof ieder schip een verbazend groote spin geworden was, en de

lange houten roeiriemen haar pooten waren. Ieder van die ondieren scheen

mij in zijn vreeselijk net te willen vangen, en toen de nauarch bij mij

kwam om mij te bezweren dat ik blijven zou, gaf ik hem gebiedend te

kennen dat hij mij te gehoorzamen had.

»De ongelukkige man boog, en deed wat zijne Koningin bevolen had. Het

reuzenschip wendde den boeg, en baande zich een weg door al die

verschillende vaartuigen heen. Ik haalde vrijer adem. De dreigende

spinnenpooten werden weder roeiriemen. Alexas bracht mij onder een

afdak, waar geen werptuig mij bereiken kon. Mijn wensch werd vervuld.

Ik was onttrokken aan den blik van Antonius, en nu voeren wij naar

Alexandrië en de kinderen terug. Toen ik eindelijk waagde nog eens om

te zien, bespeurde ik dat ook mijne overige schepen mij volgden. Dat

was niet mijn bedoeling, en ik schrikte niet weinig daarvan. Alexas was

verdwenen. De centurio dien ik beval den nauarch te gebieden signalen te

geven om de andere schepen te doen terugkeeren naar het tooneel van den

strijd, antwoordde mij, dat men zoo even het lijk van den kapitein had

weggedragen; doch mijn bevel moest daarom toch gehoorzaamd worden. Hoe

men dat deed, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval werkte het niets

uit, en mijn angstig wuiven kon men op dien afstand niet meer zien.

»Wij hadden het admiraalschip van Antonius, die altijd nog op de

kommandobrug stond, achter ons gelaten. Terwijl wij dicht langs hem heen

voeren, had ik hem gegroet. Op dat oogenblik kwam hij naar beneden, om

mij, over de verschansing leunende, iets toe te roepen. Ik zie nog hoe

hij zijn handen, tegen elkaar gelegd om een spreekbuis te vormen, aan

zijn gebaarden mond bracht. Maar wat hij zeide, kon ik niet verstaan,

en ik wees alleen naar het Zuiden, dezen kant uit, als het doel van

mijn tocht. In gedachte wenschte ik hem de overwinning toe, en dat deze

scheiding tot heil van onze liefde mocht dienen. Hij schudde het hoofd,

drukte de hand tegen zijn voorhoofd als een wanhopige, en zwaaide met

zijn armen, alsof hij mij een teeken wilde geven; doch de Antonius liet

zijn schip steeds verder achter zich en hield recht op het Zuiden aan.

»In het heerlijk gevoel van een tweevoudig gevaar ontkomen te zijn,

ademde ik vrijer. Indien Antonius mij lang voor oogen had gehad zooals

ik toenmaals was, hij zou.... Maar welk een jammerlijke dwaling van

een beklagenswaardige vrouw! zeg ik nu.... Op dat tijdstip kon ik nog

niet vermoeden, welk een vreeselijk lot ik in dat uur over ons, onze

kinderen, misschien over de geheele wereld had gebracht, en zoo bleef ik

verdiept in zorgen en gedachten betreffende mijn eigen kleine wereld,

totdat ik vele gewonden mij voorbij zag dragen. Dat gezicht deed mij

pijn; gij weet immers hoe gevoelig ik ben, en hoe slecht ik de smart kan

verdragen en mede aanzien.

»Charmion bracht mij in de kajuit. Daar werd het mij eerst recht helder

wat ik had gedaan. Ik had gehoopt den gehaten vijand te helpen

vernietigen, en nu was ik het misschien geweest die de brug gelegd had

die hem leidde tot overwinning, heerschappij en tot vernietiging van ons

zelven. Zulke gedachten vervolgden mij als de Erinnyen[18], terwijl ik

in de groote kajuitzaal op en neder liep.

[18] Wraakgodinnen.

»Plotseling kwam er leven op het dek. Een stoot, gepaard met een

dreunend gekraak, scheen het kolossale schip te doen wankelen. Men

vervolgt ons! Een Romeinsch schip entert het mijne! dacht ik, en greep

reeds naar den dolk, dien Antonius mij ten geschenke gegeven had.

»Maar daar kwam Charmion met een bericht, dat nauwelijks beter was dan

onnoodige vrees. Ik had haar toornig gelast mij te verlaten omdat zij

mij al te oneerbiedig had willen overhalen mijn bevel tot den terugtocht

in te trekken. Nu kwam zij mij doodsbleek mededeelen dat Antonius het

admiraalsschip had verlaten, ons op een klein vijf-roeiersvaartuig

gevolgd was, en zooeven bij ons aan boord was gekomen.

»Van schrik voelde ik mijn bloed verstijven. Daar komt hij, dacht ik,

om mij te dwingen tot terugkeer naar den slag! Doch toen haalde ik diep

adem, en een trotsch gevoel van eigenwaarde drong mij hem te toonen dat

ik Koningin was, en alleen gehoorzaamde aan mijn eigen wil. Tegelijk

echter voelde ik in mijn hart een neiging om aan zijn voeten te vallen

en hem te smeeken geen acht te slaan op mij, doch alleen bevelen te

geven, die tot de overwinning konden leiden.

»Hij kwam echter niet, en ik zond Charmion weder naar boven. Hij was

niet in staat geweest van mij gescheiden den strijd door te zetten. Daar

zat hij nu aan den ingang der kajuit met zijn hoofd in de handen, als

een zinnelooze naar de planken van het dek te staren. Hij.... Marcus

Antonius! De dapperste van alle ruiters, de schrik zijner vijanden--als

een herdersknaap, wien door een wolf zijn schapen zijn ontroofd, liet

hij nu zijn armen vallen. Marcus Antonius, de held die duizend gevaren

had getrotseerd, had nu het zwaard weggeworpen! En dat waarom? Omdat een

vrouw had toegegeven aan ijdele vrees, omdat zij naar het verlangen van

haar moederhart geluisterd had en heengegaan was! De man, dien zijne

vermetelheid dikwijls tot roekeloosheid had gebracht, was van alle

menschelijke zwakheden het minst van lafhartigheid te beschuldigen...

En nu?... Maar neen, duizendmaal neen! Eerder laten zich water en vuur

vereenigen, dan Marcus Antonius en lafhartigheid. Hij stond onder de

macht van een boozen geest, een geheimzinnige kracht dwong hem...."

»Ja, de sterkste van allen, de liefde," viel Iras de spreekster hier vol

vuur in de rede. »Een liefde, grooter en machtiger dan ooit de ziel van

een man bedwongen heeft."

»Zoo is het," antwoordde Cleopatra met zachte stem.

Toen vloog er een spottende glimlach over hare lippen en een bittere

twijfel klonk uit hare stem, terwijl zij voortging: »Ware het slechts

die liefde geweest, die twee zielen tot één versmelt, die het hart van

den een verplaatst in dat van den ander, en mijn zielsangst wellicht

overgoot in zijne heldenziel!... doch neen! Vóór den slag waren er

hevige stormen geweest, en dan is het niet altijd mogelijk ons zóó te

toonen als wij zouden wenschen dat onze geliefde ons zag. En zelfs nu,

nadat uwe vaardige hand het hare aan mij heeft gedaan..... dáár in den

spiegel.... dat beeld--het schijnt mij nu slechts als goed onderhouden

overblijfselen...."

»Maar gebiedster!" riep Iras uit, en hief daarbij hare handen smeekend

op, »moet ik u nogmaals zweren, dat noch de grijze haren, die al lang

weder bruin zijn, noch de enkele rimpels, die Olympus spoedig weder

onzichtbaar zal maken, noch iets anders dat u misschien beangst, aan

uwe schoonheid ook maar de minste afbreuk doet? Ik verzeker u dat de

betoovering van uwe goddelijke schoonheid, van hare overwinning

zeker...."

»Houd op!" riep Cleopatra. »Ik weet wat ik weet. Geen sterveling kan

ontkomen aan de groote, eeuwige wetten. Even zeker als de geboorte de

aanvang van het leven is, gaat alles wat leeft en bloeit, de verwelking

tegemoet."

»Maar," zeide Iras, »de goden geven aan al hunne werken een

verschillenden levensduur. Gij kent de waterlelie, die slechts één dag

bloeit. Daarentegen staat de duizendjarige sycomore in den tuin van het

Paneum nog altijd frisch en krachtig. Tot nu toe is geen blaadje van uw

bloesem afgevallen, en zoudt gij dan gelooven dat de liefde van den man

die alles voor u heeft opgeofferd, en die u geen week, geen dag meer

missen kan, ook maar het minste verkoelen kan?"

»Had hij mij maar kunnen missen!" zeide Cleopatra smartelijk. »Maar weet

gij zoo zeker dat het liefde was, die hem mij volgen deed? Ik ben van

een ander gevoelen. De echte liefde verlamt niet, maar verdubbelt al wat

groot is aan een man. Dat ondervond ik toen Caesar in dit paleis door

een overweldigende overmacht ingesloten werd gehouden, zijn schepen

verbrand werden, en het water afgeleid werd. Ook bij hem, bij Antonius

mocht ik twintig--wat zeg ik? honderdmaal van dat heerlijke schouwspel

genieten, zoo lang hij mij nog beminde met al de kracht van zijn vurige

ziel. Doch wat bij Actium gebeurde? Die schandelijke vlucht van den

doffer om de duif te achtervolgen, waarop het nageslacht nog na eeuwen

met den vinger wijzen zal.... dat onzalige vergeten van plicht, eer,

roem, het tegenwoordige en de toekomst,--wie niet dieper ziet, zal dat

wel aan den waanzin der liefde toeschrijven, maar ik, Iras--en dat is

het, wat al het haar op mijn hoofd zal doen wit worden, en het overschot

der vroegere schoonheid van uwe meesteres in slapelooze nachten spoedig

verwoesten zal--ik weet het beter! Het was geen liefde, wat Antonius

drong mij te volgen; niet zij was het, die zijn schitterende, trotsche

persoonlijkheid in het stof vertrad; niet zij dwong den halfgod het

onbeduidende spoor te volgen van een voortvluchtige vrouw."

Haar stem daalde; zij greep met vastheid de hand van het meisje,

trok haar naar zich toe, en fluisterde haar in: »de beker van

Nektanebus is er bij in het spel. Ja, schrik maar! De krachten,

die van dit wonder-voorwerp uitgaan, zijn inderdaad even vreeselijk

als onnatuurlijk. De magische toovermacht van de bokaal veranderde,

zoo dikwijls ik hem daarin den blik liet slaan, den heldhaftigen

afstammeling van Herakles, den bovenaardschen mensch, in een jammerenden

bloodaard, in dien ineengezonken, gebroken man, dien ik terugvond op het

dek. Gij zwijgt? Uw vlugge tong vindt nu geen enkel gepast antwoord.

Gij zult ook nog niet vergeten zijn hoe gij mij de weddenschap hielpt

winnen, die Antonius noodzaakte in den beker te zien, eer ik dien voor

hem vulde. Hoe dankbaar was ik, toen Anubis eindelijk toe stond dat ik

het wonderwerk uit den tempelschat een tijdlang houden mocht, toen de

eerste proef gelukte, en Antonius op mijn bevel, den schoonen krans

dien hij droeg, op het hoofd van den ouden, norschen leerling van

Aristoteles, Dimodes zette, van wien hij in zijn ziel een afkeer had.

Dat is nog geen jaar geleden, en gij weet hoe zelden ik in het begin de

kracht van het vreeselijke voorwerp te hulp riep. Bovendien gehoorzaamde

mijn geliefde toch ook wel den wenk mijner oogen. Doch later, vóór den

slag.... dat was een verschrikkelijke tijd. Ik voelde dat hij mij, die

alles bederven kon, gaarne naar huis teruggezonden zou hebben. Ik wist

ook, zooals ik reeds zeide, dat er iets tusschen ons gekomen was. Doch

hoewel hij dikwijls op het punt was mij aan de voortdringende Romeinen

op te offeren--ik behoefde hem maar in den beker te laten zien, en toe

te roepen: »Zend mij niet weg; wij behooren bij elkander. Waar een van

ons heengaat, daar gaat de ander mede!" of hij smeekte mij, dat ik hem

niet zou verlaten. Nog op den morgen vóór den slag, gaf ik hem den beker

aan, en drukte hem op het hart, dat hij, wat er ook gebeuren mocht bij

mij blijven moest. En hij heeft mij gehoorzaamd, al was zij, aan wie hij

door tooverkracht gebonden was, een vluchtende vrouw. Het is ontzettend!

Maar heb ik daarom het recht de toovermacht van den beker te vloeken?

Neen! Want zonder dat blinkende voorwerp van den magiër--dat heb ik wel

duizendmaal in slapelooze nachten mij zelve voorgehouden--zou hij in

mijne plaats een andere mede op het schip genomen hebben. Ik geloof ook

dat ik die andere wel ken. Ik bedoel de vrouw wier gezang, vóór ons

vertrek, bij het Adonisfeest ook mijn hart heeft bekoord. Ik merkte bij

die gelegenheid reeds op, hoe hij haar blik zocht. En nu weet ik zeker,

dat het niet alleen mijn oude bedriegelijke vijandin de jaloerschheid

was, die mij waarschuwde. Ook heeft Alexas, de trouwste van zijn

getrouwen, mij alles bevestigd wat ik vreesde. Ach, hij deelde mij nog

meer mede, dat hij uit de sterren gelezen had! Hij kende de sirene ook

wel, want zij is de vrouw van zijn eigen broeder geweest. Om zijne eer

te redden heeft hij de behaagzieke Circe verstooten."

»Barine," klonk het beslist van Iras' lippen.

»Wist gij het reeds?" vroeg Cleopatra in spanning.

Het meisje hief nog eens hare handen smeekend naar de Koningin op, en

riep uit:

»Ik weet van deze vrouw maar al te veel, en mijn hart krimpt ineen,

o gebiedster, als ik bedenk dat ook ik moet medewerken om dit uur zoo

bedroevend voor u te doen zijn. Maar toch moet ik u alles bekennen. De

geheele stad weet dat Antonius die zangeres heeft bezocht, en ook tot

tweemaal toe zijn zoon bij haar heeft gebracht. Toch is dat nog niets,

want een Barine mededingster van u! dat zou al te belachelijk zijn.

Maar wat kan paal en perk stellen aan de begeerlijkheid van deze vrouw?

Geen rang, geen leeftijd is haar heilig. Het was haar te stil in de

afwezigheid van het hof en het leger. Er waren geen mannen genoeg die

haar de moeite waard schenen, om tot zich te trekken en daarom lokte zij

jongelingen naar zich toe, en geen liet zich sterker door haar boeien

dan de Koning Cæsarion."

»Cæsarion!" riep Cleopatra uit, en over hare bleeke wangen vloog een

donkere blos. »En zijn gouverneur Rhodon? En mijn strenge bevelen?"

»Antyllus bracht hem heimelijk bij haar," antwoordde Iras. »Doch ik

hield mijne oogen open. De knaap vatte een hevigen hartstocht voor

Barine op. Ik kon niet anders doen dan haar uit de stad te verwijderen,

en Archibius heeft mij daarbij geholpen."

»Dan behoeven wij haar niet verder weg te zenden."

»Helaas ja! dat is toch nog noodig; want onderweg is Cæsarion met eenige

makkers haar overvallen."

»En gelukte die dwaasheid?"

»Neen, gebiedster. Doch ik wilde, dat zij gelukt ware. Een andere

dwaas, die haar ook bemint, verdedigde haar. Hij verhief zijne hand

tegen Cæsars zoon, en wondde hem. Stel u gerust, gebiedster. Ik bid u,

ik bezweer u.... de wond is niet gevaarlijk! De hartstocht van den

jongeling geeft meer reden tot ernstige bezorgdheid."

De Koningin sloot hare roode lippen zoo vast op elkander, dat haar mond

daardoor al de liefelijkheid die hij anders bezat, verloor, en zeide

beslist en streng: »Het is de plicht der moeder, om haar zoon te

beschermen voor de verleidster! Alexas heeft gelijk! Haar ster is in de

baan der mijne gekomen. Dat zulk een vrouw een zwarte schaduw werpen kan

op den weg eener Koningin! Daartegen moet gewaakt worden. Zij is het,

die zich tusschen ons heeft geplaatst, die Antonius.... Maar neen!

waartoe mij zelf een rad voor de oogen gedraaid? De tijd, en wat hij de

vrouw aan bekoorlijkheid ontneemt, is machtiger dan twintig van zulke

kleine verleidsters. En dan de omstandigheden, die verhinderen de schade

te bedekken, die de meest verwende van alle oogen kwetste. Dat alles was

in het voordeel van de zangeres. Ik zie het duidelijk! Haar stonden alle

middelen ten dienste, die ons vrouwen helpen het onaantrekkelijke te

verbergen, en te doen uitkomen wat het oog bekoort,--doch mij niet,

terwijl ik u niet had, noch de beproefde kunst van Olympus. Het

godenbeeld moest zich in den storm op het schip, aan haar aanbidder meer

dan eens vertoonen zonder krans, hoofdtooi of wierook."

»Maar gebiedster!" riep Iras. »Al had zij alle kunsten van Aphrodite en

Isis te zamen te baat genomen, toch zou zij zich niet kunnen meten met

u, die immers onvergelijkelijk zijt? Hoe weinig is er toe noodig om een

jongen man, die nog half een kind is, het hoofd op hol te brengen!"

»Arme knaap!" zuchtte de Koningin, en schudde langzaam haar hoofd. »Ware

hij niet gewond, en deed het niet zooveel pijn te ontberen wanneer men

bemint, dan zou ik er mij in verheugen dat hij ook in staat is wakker te

zijn en te handelen. Wellicht--o Iras, indien dat eens gebeurde! komt,

nu de poort eenmaal opengebroken is, in dit evenbeeld van Cæsar wat het

uiterlijk betreft, ook nog eens de geest en de kracht tot handelen van

dien grooten man voor den dag. Evenals de Aegyptenaars Horus den "wreker

van zijn vader" noemen, groeit uit hem misschien nog eens de verdediger

en wreker van zijn moeder. Hij zal dien gluiperige Octavianus, den

zusterszoon, die hem, den eigen zoon, het erfdeel ontstal, dat weder

afnemen, zoodra Cæsars geest geheel in hem is ontwaakt. Durft gij mij

zweren dat het slechts een lichte wond is?"

»Dat hebben de artsen mij verzekerd."

»Welaan, dan mogen wij hopen! Dan mag hij in de wereld optreden.

Wij moeten hem ruim baan maken om zijn eigen weg te gaan. Geen dwaze

hartstocht mag hem, als hij hersteld is, verhinderen om zijn vader

te volgen naar de hoogte van roem en eer. Maar laat de vrouw die hem

met hare netten omstrikt, de overmoedige, wier wenschen zich durven

verheffen tot hen die mij het dierbaarst zijn, eens hier komen! Dan

zullen wij eens zien welk een figuur zij maakt nevens mij!"

»Het zijn zware tijden," klaagde Iras, verbaasd dat zij de groote

oogen der Koningin eensklaps zag stralen, in het bewustzijn van haar

zegepraal. »Gun aan uw voeten wat ze toekomt: doe ze haar vertreden! Er

zijn op uwen weg reeds genoeg monsters, die gij met uwe schoenzool niet

bereiken kunt. Als zich iets, in zulke dagen van strijd niet op zijde

laat duwen, dan maar in den Hades er mede!"

»Bedoelt gij moord?" vroeg Cleopatra, terwijl haar edel voorhoofd zich

fronste.

»Als het zoo zijn moet, ja!" antwoordde Iras met vastheid. »Zoo mogelijk

verbanning op een eiland of naar een oase, maar zoo noodig, dan den

arbeid in de groeve voor de sirene!"

»Zoo noodig?" herhaalde de Koningin. »Dat moet dus beteekenen: als het

blijkt dat zij de allerzwaarste straf verdient."

»Die heeft zij reeds op zich geladen, op het oogenblik toen zij mijne

Koningin bedroefde. In de groeven vergaat iemand de lust om strikken te

spannen voor mannen en jongelingen."

»En daar kwijnt men onder vreeselijke pijnen weg, totdat de dood een

einde maakt aan de ellende," voegde Cleopatra er bij, op een toon van

verwijt. »Neen meisje, deze overwinning is mij te gemakkelijk. Tot nu

toe was het voordeel aan hare zijde, nu komt de beurt aan mij. Maar

zelfs mijn vijand zou ik niet ter dood veroordeelen zonder hem te

hooren, allerminst in dezen tijd, nu ik uit alles leer, wat het zeggen

wil het oordeel af te wachten van een die machtiger is dan wij. Nu deze

vrouw mij, als het ware zelve tot den strijd heeft uitgelokt, zal zij

haar zin hebben. Ik verlang er al naar de zangeres weerom te zien, en de

middelen te leeren kennen, waardoor het haar gelukte zoovelen, zoowel

jongelingen als bezadigde mannen, aan haar zegekar te hechten."

»Gebiedster!" riep Iras vol ontzetting, »gij wilt toch niet..."

»Ja, ik wil," viel Cleopatra haar gebiedend in de rede, »ik wil de

dochter van Leonax, de kleindochter van Didymus, die ik beiden

hoogschatte, spreken, eer ik over haar lot beslis. Ik wil een blik slaan

in het hart en de gezindheid van mijn tegenstandster, en dan overwegen

en rechtspreken, eer ik veroordeel. Ik wil den strijd met haar wagen,

waartoe zij immers zelve de minnende vrouw en de moeder uitdaagde! Maar,

het is mijn recht en ik zal er haar toe dwingen, dat zij mij zich zóó

vertoont, zooals Antonius mij in deze laatste weken zoo dikwijls heeft

gezien, niet schooner of jonger gemaakt door de kunst, waarover wij

beiden beschikken."

Zonder verder acht te geven op Iras, trad zij aan het venster, en ging

met een snellen blik op den hemel, kalmer voort: »Het eerste uur na

middernacht spoedt ten einde. Al dadelijk zal de beraadslaging een

aanvang nemen. Zij betreft een poging, die nog veel zou kunnen redden.

De zitting zal twee uur duren, misschien ook maar één. De zangeres kan

nog wachten. Waar woont zij?"

»In het huis van haar vader, den schilder Leonax, naast den tuin van het

Paneum," antwoordde Iras met heesche stem. »Indien gij nog eenige waarde

hecht aan mijn gevoelen, gebiedster....."

»Op dit oogenblik raadpleeg ik niemand, doch eisch alleen dat mijne

bevelen worden ten uitvoer gebracht!" riep de Koningin met vastheid uit.

»Zoodra de verwachtte personen er zijn....."

Juist kwam een kamerdienaar binnen, en meldde de aankomst dergenen, die

zij bij zich geroepen had. Cleopatra liet hen zeggen, dat zij terstond

bij hen verschijnen zou. Daarop wendde zij zich weer tot Iras, en

gelastte haar, met een waren woordenvloed, onverwijld in gezelschap van

een vertrouwd man in een gesloten wagen naar Barine te gaan. Iras zou

wel begrijpen, dat zij onmiddellijk bij haar moest gaan, desnoods haar

uit den slaap wekken. »Alsof de storm haar gedwongen had op het dek van

het schip te gaan," besloot zij, »zóó wil ik haar zien!"

Zij greep een tafeltje dat op de toilettafel lag, en kraste in vliegende

haast in het was: »Koningin Cleopatra wenscht Barine, Leonax' dochter,

onverwijld te spreken. Geen oogenblik talmens wordt haar gegund. Zij

moet iedere opdracht van Iras, Cleopatra's afgevaardigde, en van haar

geleider, stipt gehoorzamen."

Daarna sloeg zij het tafeltje toe, gaf het aan het meisje over en vroeg:

»Wien neemt gij mede?"

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 19 / 46 题