TIENDE HOOFDSTUK.

Een storm uit het Noorden woei over het eiland Pharus en de ondiepten

van Diabathra heen, in de haven van Alexandrië. Op het anders zoo stille

water waren nu golven te zien, en de lantaarn op den lichttoren van

Sostratus scheen zijne heen en weer gaande vlammen met vijandige woede

naar de stad te jagen. De vuren in de pekpannen en de fakkels aan de

kust schenen het eene oogenblik uit te gaan, maar in het volgende

flikkerden zij door den walm heen dubbel helder op.

De koninklijke haven, een uitgestrekt bekken dat het zuidelijk gedeelte

van de Lochias en een deel van het noordelijke strand van het Bruchium

in een halven kring omgaf, was iederen nacht sterk verlicht, doch heden

schenen de lichten aan de westzijde, bij de ligplaats der koningsvloot,

bijzonder bewegelijk. Kwam dat door den storm? Doch neen! Hoe had die

de eene fakkel op de plaats van de andere kunnen zetten, en lichten of

lantaarns tegen de richting van zijn onstuimige pogingen in, in beweging

kunnen brengen? Het waren echter slechts weinigen, die dit opmerkten,

want hoevelen ook vervuld waren van bange vrees, wie zou zich in zulk

een stormnacht naar buiten op de kade wagen? Bovendien zou niemand

toegang gekregen hebben tot de koningshaven, want zij was aan alle

zijden afgesloten. Ook de havendam, die de koorde was van den boog dien

het land ten westen vormde had slechts ééne opening, en die was, zooals

ieder wist, ook met een keten bespannen, evenals de groote havenmond

tusschen den Pharus en Alveus Steganus.

Twee uren vóór middernacht kwamen de lichten die zoo wonderlijk bewogen

werden, tot rust, hoewel de storm eer toegenomen dan verminderd was.

Maar het hart der menschen voor wie zij brandden, had zelden zoo

onrustig geklopt als nu. Het waren de regeeringspersonen en hofbeambten

die tot de naaste omgeving der Koningin behoorden: ongeveer twintig

mannen, en Iras was onder hen de eenige vrouw. Zij en de Regent Mardion

hadden deze allen hier bijeengeroepen, daar de brief van Cleopatra haar

toeliet deze gevolmachtigden in het geheim te ontvangen. Na lange

beraadslagingen waren zij overeengekomen de bevelhebbers der kleine

achtergebleven Romeinsche bezetting niet mede uit te noodigen. Het was

immers nog de vraag, of de verwachte personen reeds in dezen nacht

zouden terugkomen, en de Romeinsche krijgslieden, die in het oog van

Marcus Antonius iets beteekenden, waren met hem mede in den oorlog.

De overdekte doorgang in het midden der afgesloten aanlegplaats van de

koninklijke haven, waar zij verzameld waren, was met vorstelijke praal

ingericht, want de Koningin gebruikte die gaarne. Het ontbrak in de

groote ruimte niet aan gemakkelijke zetels, en menigeen had zich

uitgestrekt op een rustbank, terwijl anderen, door een inwendige onrust

gedreven, op en neer liepen.

Daar deze gang maanden lang gesloten was gebleven, hadden vledermuizen

er hun nest gemaakt, en toen de lichten ontstoken werden, zag men deze

boven de hoofden der vergaderden rondfladderen. Iras had den bevelhebber

der Mellakes, of jongelingen die een lijfwacht vormden uit de zonen

der edelste Macedonische geslachten, verzocht die lastige dieren te

verjagen, en het gaf den trouwen dienaar der Koningin eenige afleiding

voor zijne zwaarmoedige gedachten, dat hij met zijn zwaard daarnaar kon

slaan.

Anderen keken liever naar dit onbeduidend gevecht, dan toe te geven

aan de vrees die hen vervulde. De Regent zag sprakeloos naar den

grond, Iras luisterde bleek en verstrooid naar de uitleggingen van den

zegelbewaarder Zeno, en Archibius was naar buiten gegaan om, zonder zich

om den storm te bekommeren, over het onstuimige havenwater heen, naar de

verwachte schepen uit te zien.

De bedienden, van de fouriers tot de dragers der draagstoelen toe,

zaten bij groepen in een houten halfverlichte schuur, welker zoldering

gesteund werd door bontbeschilderde zuilen, waar de wind doorheen blies.

De Grieken zaten op houten zetels, de Aegyptenaars op matten op den

grond. Den grootsten kring vormden de fouriers, die voor de bagage der

Koningin moesten zorg dragen, benevens de hoogere slaven van het hof, en

eenige kamervrouwen.

Men had hen gezegd dat de Koningin reeds dezen nacht verwacht werd,

omdat het mogelijk was dat de sterke Noordenwind haar schip ongedacht

snel uit den slag naar huis drijven zou. Maar zij wisten wel beter,

want in paleizen zijn reten en spleten en gordijnen, en daarin woont een

echo van een bijzondere soort, die binnen de muren zelfs, het gefluister

voortdraagt van oor tot oor.

De vrijgelaten lijfslaaf van den veldheer Seleukus voerde het hoogste

woord. Zijn meester was enkele uren geleden uit de grensvesting

Pelusium, waar hij het bevel voerde, in Alexandrië aangekomen. Een

geheimzinnig bevel van Lucilius, den trouwsten vriend van Antonius, dat

hem overgebracht was door een snelzeiler van Tænarum, had hem hierheen

gevoerd.

De vrijgelatene Beryllus, een welbespraakt Siciliër, die als

tooneelspeler beter dagen had gekend, eer de zeeroovers hem van zijn

vrijheid hadden beroofd, was menige nieuwstijding te weten gekomen, en

allen luisterden gaarne naar hem, want te Pelusium waren schepen uit het

Noorden aangekomen en deze hadden de slechte berichten, die men in het

Sebasteum had gehoord, bevestigd en aangevuld.

Als men hem gelooven kon, dan wist hij alles zoo goed alsof hij den

zeeslag zelf had bijgewoond, want hij verzekerde dat hij bij een gesprek

van zijn heer met vele scheepsbevelhebbers en boden uit Griekenland

tegenwoordig was geweest. Ook deed hij het voorkomen alsof hij een trouw

dienaar was die goed zwijgen kon, en enkel mocht bevestigen of ontkennen

wat de Alexandrijnen zelve reeds hadden vernomen. Intusschen bestond

zijn geheele wetenschap in een verward samenraapsel van ware en onware

feiten. Terwijl de Aegyptische vloot bij Actium was verslagen en

Antonius met Cleopatra eerst gevlucht waren naar Taenarum aan de

zuidpunt van den Peloponnesus, beweerde hij, dat het leger te land en

de vloot elkander aan de Peloponnesische kust hadden ontmoet, en dat

Octavianus Antonius vervolgde in de richting van Athene; Cleopatra zou

onderwijl reeds op weg naar Alexandrië zijn.

Deze »zekere berichten" had hij opgemaakt uit enkele woorden die hij

gehoord had onder den maaltijd, en ook terwijl de veldheer boden afzond

en ontving. In andere opzichten echter was hij geloofwaardiger. Daar de

haven van Alexandrië de laatste dagen afgesloten was geweest, hadden

alle schepen in die van Pelusium mogen binnenloopen, en de kapiteins

waren zoodoende verplicht geweest het eerst aan te komen bij Beryllus'

meester, die de kommandant dier belangrijke grensvesting was.

Eerst den vorigen nacht was hij uit Pelusium vertrokken. De sterke wind

had de triëre zoo snel voortgejaagd, dat de zeemeeuwen die bijna niet

hadden kunnen bijhouden. Dit wilden zijne toehoorders gaarne gelooven,

want de storm loeide steeds heviger, en gierde door de open ruimte

waarin de bedienden zich bevonden. De meeste fakkels en lampen waren

reeds uitgegaan; uit de pekpannen steeg een dikke zwarte walm omhoog,

waarin men de gele vlammen bijna niet meer kon onderscheiden, en alleen

de gesloten lantaarns gaven nog een flauw licht. Het was dus in die met

rook gevulde, akelige schuur somber genoeg.

Een der fouriers had voor wijn gezorgd om den tijd wat te korten; maar

men durfde dien niet anders dan in het geheim drinken, en er waren geen

bekers. Zoo gingen de kannen van mond tot mond, maar iedere teug werd

gretig genoten, te meer daar de rook de kelen prikkelde. Beryllus moest

dikwijls midden in zijn verhaal ophouden om al het gehoest, vooral van

de vrouwen. Van alles wat hij zeide beweerde hij echter dat hij voor de

waarheid instond, en vooral aan de voorteekenen die men te Pelusium aan

zijn meester had medegedeeld, hechtte hij zelf veel waarde.

Eene der kamervrouwen van Iras vertelde hierbij ook van de zwaluwen,

die op de »Antonias" het admiraalschip van Cleopatra, waren gezien.

Zij dacht dat dit nog het slechtste voorteeken van allen was geweest.

Maar Beryllus zag haar met zulk een medelijdenden glimlach aan, dat de

verwachting der anderen nog hooger gespannen werd. De opperfourier riep

dan ook op barschen toon den lastdragers een: »stilte!" toe. Nu hoorde

men in de open zaal een tijdlang ook niets anders dan het langgerekte

fluiten van den wind, nu en dan een commando aan de wachters vóór de

koningshaven, en de stem van den vrijgelatene. Hij sprak zacht, om

daardoor aan zijne geheimzinnige mededeelingen nog meer bekoring te

geven.

Hij begon met hoogdravende loftuitingen op Cleopatra en Marcus Antonius,

en herinnerde zijn toehoorders dat de imperator een afstammeling van

Herakles was. Daarbij zouden de Alexandrijnen zeker wel weten, zeide

hij, dat de Koningin »de nieuwe Isis" en Antonius »de nieuwe Dionysos"

wenschten genoemd te worden. Ieder moest dan ook erkennen, dat hij in

gelaat en houding veel meer op een god geleek dan op een mensch.

Voornamelijk te Athene had de imperator zich voor Dionysos uitgegeven.

Daar was aan den gevel van het theater een voorstelling van den

gigantenstrijd in reliëf-figuren te zien, een beroemd werk van een ouden

beeldhouwer--dat hij goed kende--en uit dit aan beelden zoo rijk reliëf

was door den storm een afgerukt, en welk zou dat geweest zijn? Geen

ander dan dat van den god Dionysos, het afbeeldsel van Antonius, zooals

hij eens, vóór de oogen der Atheners, in een priëel door wijnranken

begroeid, had zitten drinken. De storm van heden was maar als de adem

van een kind bij den orkaan, die het beeld van het harde marmer waarop

het stond had kunnen losmaken. Maar de natuur spande dan ook al hare

krachten in, als zij de kortzichtige menschen verkondigen moest welke

wereldschokkende gebeurtenissen op handen waren.

Die laatste woorden sprak hij zijn heer na, die te Athene gestudeerd

had, en wien zij uit de diep ontroerde ziel geweld waren, toen hij van

een ander voorteeken hoorde, waarvan een schip uit Ostia de tijding

medebracht. De bloeiende stad Pisaura....

Doch hier werd hij weder in de rede gevallen, want velen hadden al weken

geleden gehoord, dat deze plaats in de zee verdwenen was, en zij hadden

alleen de ongelukkige bewoners der stad betreurd.

Beryllus liet rustig toe dat zij zich zuiverden van de verdenking, als

zou men te Alexandrië deze merkwaardige gebeurtenis minder spoedig

gehoord hebben dan te Pelusium. Toen men hem vroeg wat dat met den

oorlog te maken had, antwoordde hij eerst alleen met een stilzwijgend

schouderophalen, maar nadat ook de opperfourier zijn nieuwsgierigheid

had getoond, ging hij voort: »Dit voorteeken maakte een bijzonder diepen

indruk, want wij wisten wat Pisaura was, of liever hoe het is ontstaan.

De ongelukkige stad, die door den duisteren Hades verzwolgen is,

behoorde op geheel bijzondere wijze aan Antonius, want in de dagen van

zijn voorspoed had hij die zelf gesticht."

Bij deze woorden zag hij uitvorschend in het rond, en het ontbrak in

den kring zijner toehoorders ook niet aan teekenen van ontzetting; eene

kamervrouw zelfs gilde het uit, want juist op dat oogenblik had de storm

een fakkel uit den ijzeren ring in den muur gerukt, en die vlak naast de

luisterende schaar neergeworpen. De spanning scheen nu haar hoogste punt

bereikt te hebben, en toch was het Beryllus aan te zien, dat hij zijn

laatsten pijl nog niet verschoten had. De kamervrouw, die ook de anderen

aan het schrikken had gemaakt, werd weer kalm. Zij scheen nu nog het

allermeest te verlangen naar iets nieuws en verschrikkelijks, en zij bad

den vrijgelatene met een smeekenden blik, dat hij toch niets van wat hij

wist zou verzwijgen.

Hij zag echter hoe het angstzweet op haar voorhoofd stond, en zeide:

»Van het hooren alleen zijt gij reeds buiten u zelve. De steenen beelden

zijn van een hardere stof dan gij, en toch bezitten ook zij een ziel.

Zij zijn of hard of zacht van gemoed, en brengen ons rampen of heelen

onze smart naar dat zij ons goed of slecht gezind zijn. Ieder die zijne

handen smeekend naar hen opheft, ondervindt dat. Zulk een standbeeld

staat ook te Alba. Het stelt Marcus Antonius voor, tot wiens eer de

stad het heeft opgericht. En dit beeld heeft vooruit gezien wat den

man, wiens steenen dubbelganger het is, te wachten stond. Ja, luistert

maar goed! Een dag of vier geleden liet zich bij mijn meester een

scheepskapitein aandienen, en die man heeft in mijn bijzijn, zoo bleek

als een doek, verhaald wat hij zelf had gezien. Het standbeeld van

Antonius te Alba had zweetdroppelen op het gelaat gekregen; de geheele

burgerij was er van ontzet; mannen en vrouwen kwamen met doeken om ze af

te wisschen, maar steeds waren er meer gekomen, en dat dagen en nachten

achtereen. Zoo had dus het steenen beeld vóórgevoeld wat den levenden

Antonius overkomen zou. Het was vreeselijk geweest om te zien, zeide die

man."

Hier hield de verhaler een oogenblik op, en door den geheelen kring der

toehoorders liep een koude rilling. Te gelijk hoorde men in de lucht een

geluid alsof er op een metalen schijf geslagen werd, en een oogenblik

later vlogen allen op hun post.

Ook in den versierden doorgang waren de wachtenden opgestaan. Hier had

men enkel zacht gefluisterd of gezwegen, de aangezichten hadden sinds

lang angstig en somber gestaan, doch thans werden de meesten doodsbleek,

en men durfde elkander bijna niet aanzien.

Archibius had het eerst van allen den rooden schijn van het licht op den

vuurtoren ontdekt, die het sein was van een naderend koninklijk schip.

Zóó vroeg had niemand dat nog verwacht, en daar voer het nu reeds

voorbij den toren de koninklijke haven binnen. Het kon wel het

admiraalsschip Antonias zijn, hetzelfde waarop de oude zwaluwen hunne

jongen doodgebeten hadden.

Hoe hoog de golven ook gingen in de wel-beschermde haven, toch brachten

zij het groote gevaarte slechts weinig in beweging. Een ervaren stuurman

moest het voorbij de ondiepten en klippen aan de oostzijde der reede

sturen; want in plaats van, zooals anders, om het eiland Antirrhodus te

varen, zette het koers tusschen dit en de Lochias in, en naderde zóó in

rechte lijn den ingang van de kleine koninklijke haven. Aan weerszijden

daarvan werd in de pekpannen nieuwe hars en werk aangebracht om den weg

beter te verlichten, en de menschen die aan wal stonden, konden nu

duidelijk het schip onderscheiden.

Het was de Antonias, en toch weder de Antonias niet. De zegelbewaarder

Zeno, die naast Iras stond terwijl zij haar mantel dichter om haar heen

sloeg, maakte haar daarop opmerkzaam en fluisterde haar in het oor: »Het

heeft iets van een vrouw die haar ouderlijk huis in bruidstooi heeft

verlaten, en nu als een arme weduwe daarin terugkomt."

Bij deze woorden richtte Iras zich in haar volle lengte op, en

antwoordde scherp: »Of van de zon, die door de nevelen omsluierd is,

maar binnen korten tijd weder zoo heerlijk stralen zal als ooit."

»Dat hebt gij mij uit het hart gesproken," zeide de oude hoveling met

warmte, »voor zoover het de Koningin betreft. Ik bedoelde natuurlijk

niet haar, maar het schip. Gij waart ziek, en kondt dus niet zien hoe

rijk met bloemen gesierd het was, toen de purperen zeilen geheschen

werden, en het vertrok. En nu! Zelfs bij dit onzekere flikkerlicht kan

men zien welk een schade het geleden heeft. Gij behoeft mij waarlijk

niet te herinneren dat onze Cleopatra-zon hare oude kracht spoedig weer

herwinnen zal, maar voor het oogenblik is het hier aan het water en in

dien storm recht ijzig koud, en als ik aan het eerste wederzien

denk...."

»Ach, was dit maar voorbij!" mompelde Iras, en wikkelde zich nog meer in

haar mantel. Op eens overviel haar een huivering, want het kletterend

geluid der zware kettingen die van den havenmond werden weggenomen,

klonk akelig door de nachtelijke stilte, het was alsof een nachtmerrie

alle aanwezigen benauwde, want het houten gevaarte, dat nu de haven

binnenliep, kwam langzaam en stil als een spookschip nader. Er scheen

geen leven meer te zijn op dat reusachtige, van menschen wemelende

vaartuig, alsof de geheele bemanning aan een vreeselijke pestziekte

bezweken was. Nu en dan een kommando en seinfluit der roeiers was

het eenige teeken van leven aan boord. Op het onafzienbaar lange dek

brandden slechts enkele lantaarns, omdat de schitterende verlichting die

het anders had, de blikken van alle Alexandrijnen zou getrokken hebben.

Thans was het vlak bij de aanlegplaats gekomen. De toeschouwers volgden

iedere beweging in ademlooze spanning, en zoodra het eerste touw aan de

slaven toegeworpen werd, drongen eenige mannen in Grieksch gewaad

tusschen hen door.

Zij brachten een gewichtige tijding die geen uitstel duldde bij

den Regent Mardion, die voor den zegelbewaarder en Iras stond, het

somber gelaat naar den grond gericht. Hij dacht er over na in welke

bewoordingen hij de Koningin zou aanspreken, en het was mogelijk dat

Cleopatra reeds binnen enkele oogenblikken aan wal stappen zou. Niemand

die den lichtgeraakten, grilligen man kende, zou het wagen hem hierin te

storen. En toch deed dat de Macedoniër, die zoo even alle blikken tot

zich getrokken had. Het was de nachtstrateeg, het welbekende hoofd der

politie van de stad.

»Een enkel woord slechts, heer," fluisterde hij den Regent toe, »al komt

het u op dit oogenblik ongelegen."

»Dat komt het werkelijk zéér," antwoordde Mardion streng.

»Laat ons maar zeggen even ongelegen als uwe spoedige uitspraak

noodzakelijk is. De koning Cæsarion en Antyllus hebben met eenige

makkers een vrouw aangevallen. Zij hadden hun gezicht zwart gemaakt, en

er is gevochten. Cæsarion en de geleider der jonge vrouw, een man die

zeer gezien is in den Raad, zijn licht gewond. Te rechter tijd kwamen er

lictoren bij. De jonge lieden worden aangehouden. Eerst weigeren zij

hunne namen op te geven...."

»Cæsarion licht gewond? Toch niet gevaarlijk?" vroeg nu de Regent

ongeduldig.

»Dat niet. Zoo spoedig mogelijk wordt de arts Olympus ontboden. Hij

vindt een gat in het hoofd. De aangevallene had hem in den strijd

onzacht op de straatsteenen geworpen."

»Dat was Dion, de zoon van Eumenes," zeide Iras, die oplettend

toegeluisterd had, »en de vrouw is: Barine, de dochter van den schilder

Leonax."

»Wist gij dat reeds?" vroeg de nachtstrateeg verbaasd.

»Dat schijnt zoo," antwoordde de Regent, en zag daarbij het meisje

veelbeteekenend aan. En terwijl hij zich meer tot haar dan tot den

Macedoniër richtte, voegde hij er bij: »Mij dunkt, wij moesten de jonge

boosdoeners in vrijheid stellen en zoo stil mogelijk naar de Lochias

brengen."

»Naar het paleis?" vroeg de beambte.

»Natuurlijk," verzekerde Iras. »Ieder naar zijn eigen vertrekken. Daar

moeten zij dan afwachten wat er van komt."

»Het overige eerst na de verwelkoming," voegde de Regent er bij, en de

nachtstrateeg verliet hem met een zelfbewusten groet.

»Al weder een onheil!" zuchtte Mardion.

»Jongensstreken," liet Iras er snel op volgen. »Maar nog erger rampen,

als die bestaan, zouden minder dan niets zijn zoolang zij ons maar niet

duidelijk voor den geest staan. Dit onaangename voorval moet voor de

Koningin verzwegen blijven. Het is nu nog maar een kleinigheid, en dat

moet het blijven. Het staat in onze hand den vergiftigen boom, waarvan

het de vrucht is, met wortel en tak uit te roeien."

»Gij ziet er uit, alsof niemand dat beter zou doen dan gij," zeide de

Regent, »en daarom draag ik het bij dezen aan u op. Het is het laatste,

wat ik in de afwezigheid der Koningin te bevelen heb."

»Het zal niet ontbreken aan mijn ijver," verzekerde zij.

Nu zag zij naar de landingplaats en ontwaarde Archibius, die daar alleen

en zich in zich zelven gekeerd naar den grond staarde. Een oogenblik

dacht zij er aan haar oom te vertellen wat zij zoo even had gehoord;

maar spoedig kwam zij van haar voornemen terug, en van de fijne lippen

klonk het vastberaden: »neen!"

Haar vriend was een steen op haar weg geworden, en als het dan zoo zijn

moest, zou zij wel middelen vinden om ook hem uit den weg te ruimen, in

weerwil van zijn zuster Charmion en de oude banden die hem aan Cleopatra

hechtten. Hij was zwak geworden met de jaren, doch Charmion was dat

altijd geweest. Ware Iras' harteleed niet zoo groot geweest, dan zou

zij nu tijd genoeg gehad hebben, reeds nu te bedenken hoe zij dat

bewerkstelligen zou.

Toen het groote admiraalschip reeds vastgemeerd lag, duurde het nog

eenige minuten eer de eersten die het verlieten, den steiger betraden.

Dat waren twee pastophoren[16] van Isis, die den beker van Nektanebus,

die tot de tempelschatten der godin behoorde, bewaakten en in een

beschilderde kist droegen. Op deze volgde de eerste kamerdienaar van

Cleopatra. Hij meldde met gedempte stem de komst der Koningin, en gaf

bevel om ruimte voor haar te maken. Van de landingsplaats tot aan de

poort van het Bruchium en die aan de noordzijde, tegenover de paleizen

op de Lochias, werd een dubbele rij fakkeldragers opgesteld, want men

wist niet waar Cleopatra aan wal stappen zou. De kamerdienaar verzekerde

intusschen dat zij althans dezen nacht zou doorbrengen op de Lochias,

waar hare kinderen woonden, en hij beval dat men de meeste fakkels

uitblusschen zou.

[16] Aegyptische priesters.

Mardion, de zegelbewaarder, Archibius en Iras stonden vóór al de

overigen bij de brug, toen er eindelijk beweging ontstond op het schip,

en de Koningin verscheen, voorafgegaan door eenige lantaarndragers, en

met een groot gevolg van hofbeambten, pages, kamervrouwen en slavinnen.

Met haar kleine hand op den arm van Charmion, trad zij met hoog

opgericht hoofd aan land. Een dichte sluier bedekte haar hoofd en

aangezicht, een donker wijd opperkleed haar tengere gestalte. Doch hoe

veerkrachtig was nog altijd haar tred, hoe trotsch en bevallig haar

houding en gang, terwijl zij Mardion en Zeno een groet toewuifde.

Aan Iras, die voor haar op de knieën gevallen was, stak zij hare hand

toe, ten teeken dat zij op moest staan, en terwijl zij haar op het

voorhoofd kuste, fluisterde zij: »Hoe is het met de kinderen?"

»Alles goed," antwoordde het meisje zacht.

Daarop begroette de aangekomene ook de anderen met een minzaam

handgebaar, maar zij sprak niemand toe, alvorens de Regent naderbij

trad om het woord tot haar te richten. Met een kort: »Dat later!" ging

zij hem echter voorbij. En toen Zeno het portier van haar draagkoets

opende, klonk het met gedempte stem: »Ik ga te voet. Na al dat

dobberen op de golven, kan ik mij van geen draagstoel bedienen. Er is

nog veel te overleggen, en onderweg is mij iets ingevallen. Ik moet den

haven-admiraal en zijn voornaamste raadslieden, de krijgsbevelhebbers,

en de bestuurders der land- en zeemacht bij mij zien; vooral ook den

aristarch en Gorgias. Er is haast bij. In twee uur, neen, in anderhalf,

moeten zij hier zijn. Ik moet hunne plannen en kaarten van de Oostelijke

grens nazien. Vooral de vertakkingen der rivier en de kanalen van de

Delta zijn van belang."

Vervolgens wendde zij zich tot Archibius, die bij den draagstoel stond,

en legde haar hand op zijn arm. De sluier verhinderde hem den glans

harer oogen te zien, maar toch was het hem op dit oogenblik alsof die

hem wonderbaar toeblonken, terwijl zij hem met die welluidende stem, die

reeds zoo menigmaal zijn ziel had gevangen, toeriep: »Laat ons voor een

gunstig voorteeken houden, dat _gij_ het weder zijt, die mij in dezen

moeilijken tijd naar het paleis brengt."

Hij antwoordde met warmte: »In welken tijd ook, altijd, altijd behooren

deze arm en dit leven u toe." »Dat wist ik", liet de Koningin op een

toon van vaste overtuiging daarop volgen.

Zij liet hare hand nog op zijn arm rusten terwijl zij verder ging, en

hij vroeg haar of er werkelijk aanleiding was om van moeilijke dagen

te spreken; maar zij viel hem in de rede en zeide: »Nu niet. Laat ons

daarover zwijgen. Het is erger dan erg--zoo slecht als het kan. Maar

neen, dat is niet waar, want het is maar weinigen vergund te steunen op

een zóó trouwen arm als de uwe."

Hij voelde daarbij hoe haar kleine hand zacht zijn arm drukte, en op dat

oogenblik was het of zijn hart weder geheel jong werd. Spreken mocht hij

niet, want haar wensch was bevel, en zoo liepen zij zwijgend verder,

eerst langs den zeekant, toen door de havenpoort, en eindelijk over

de marmeren steenen, die naar het koninklijk paleis leidden. Het was

Archibius te moede alsof hij, in plaats van naar het gesluierde hoofd

der Koningin, opzag naar het met blonde krullen omgeven kopje van een

gelukkig kind. Hij zag in den geest weder de kleine meesteres van den

Epicuristentuin. Hij zag den blik uit hare groote blauwe oogen, die niet

ophield te vragen, en die toch reeds het geheim dezer wereld scheen te

verstaan. Hij geloofde weder den zilverhelderen klank harer stem en den

betooverenden kinderlach te hooren, en hij moest zich geweld aandoen om

niet te vergeten wat er nu van haar geworden was.

Door dit alles aan het tegenwoordige ontrukt, en toch met het besef dat

hij in dezen moeilijken tijd de gunst van het lot genoot, ging hij naast

haar voort, en geleidde haar door het hoofdportaal tot in het binnenhof

van het paleis. Op den achtergrond opende zich de hooge poort, die

toegang gaf tot de woonkamers en feestzalen der Koningin, en waar

reeds de Regent, Iras, en hare begeleiders gereed stonden om haar te

ontvangen. Links was nog een kleinere deur, waardoor men in het verblijf

der kinderen kwam.

Archibius was van plan Cleopatra te vergezellen over het verlichte

binnenplein, maar zij wees op de poort van den vleugel der prinsen, en

hij begreep haar.

Op den drempel liet zij zijn arm los, en toen hij met een diepe buiging

heen wilde gaan, zeide zij vriendelijk: »Daar staat Charmion reeds.

U beiden komt het toe mij dáárheen te geleiden waar de jeugd droomt,

en zielsrust zonder smart gevonden wordt. Ik geloof dat gij uit

eerbied voor de Koningin elkander nog niet als broeder en zuster hebt

verwelkomd, na zulk een lange scheiding. Doet dat dan nu, en komt daarna

met mij mede."

Met jeugdig-vluggen tred ging zij het atrium binnen en daarna de trap

op, naar de slaapkamer der prinsen en prinsessen.

Archibius en Charmion deden wat zij gezegd hadden. Zij omarmden elkander

hartelijk, en zij deelde hem in enkele woorden en met de oogen vol

tranen mede, dat alles verloren scheen te zijn. Antonius had gehandeld

op een manier, waarvoor zij geen woorden en geen afkeuring genoeg had.

Waarschijnlijk zou hij Cleopatra wel spoedig volgen;--de vloot, en

misschien ook het leger waren geheel vernietigd. Haar lot berustte in de

handen van Octavianus.

Nu ging zij hem vooruit de trap op. Daar stond Iras, en naast haar een

Syriër van lange gestalte, die in het oogvallend geleek op Philostratus,

den voormaligen echtgenoot van Barine. Het was diens broeder Alexas, de

vertrouwde gunsteling van Marcus Antonius, bij wien nu ook zijn plaats

moest geweest zijn, en Archibius vroeg met een snellen blik aan zijn

zuster, hoe deze man bij de Koningin kwam?

»Zijn kunst om in de sterren te lezen," was het antwoord, »en zijn

vleiende tong. Hij is een indringer van de ergste soort, maar hij

bewijst haar veel dienst en geeft haar afleiding; vandaar dat zij hem

bij zich houdt."

Zoodra Iras had gezien waarheen Cleopatra hare schreden richtte, was

zij haar nageijld om met haar mede naar de kinderen te gaan. De Syriër

Alexas had haar slaande gehouden, om haar te verzekeren van zijn

blijdschap dat hij haar wederzag. Reeds vóór de oorlog begon, had

hij haar duidelijk zijne liefde doen blijken, en gedurende de lange

scheiding was hij te haren opzichte niet bekoeld. Evenals bij zijn

broeder, was ook bij hem het hoofd te klein in verhouding tot het

lichaam, doch in het welbesneden gelaat blonken een paar oogen, waaruit

groote scherpzinnigheid sprak.

Ook Iras zelve scheen verheugd bij het wederzien van den gunsteling,

doch vóór Archibius en zijn zuster de trap op waren, liet zij hem staan

om Charmion, hare tante, met de teederheid van een dochter te omarmen.

In de voorzaal van de woning der prinsen vonden zij de Koningin. De

gouverneur van de kinderen, Euphronion, wachtte haar daar reeds op, en

deed spoedig en in de meest vleiende bewoordingen allerlei verrassende

mededeelingen omtrent de kinderen en de verwonderlijke gaven, waarmede

zij bedeeld waren. Steeds duidelijker toonden zich die bij ieder

afzonderlijk, nu eens als erfenis hunner moeder, dan weder als die van

hun vader.

Cleopatra viel hem te midden van dien woordenstroom dikwijls in de rede,

en trachtte daarbij den sluier dien zij om haar hoofd droeg los te

maken, maar dat wilde aan de kleine handen, die aan zulk werk niet

gewoon waren, maar niet gelukken. Zoodra Iras dat bemerkte, was zij zoo

vlug als zij kon de trap opgegaan en bevrijdde haar nu met hare fijne

handige vingers van het lange kanten weefsel.

De Koningin dankte haar met een genadigen hoofdknik, doch toen de

opper-eunuch de deur van de slaapkamer der kinderen opendeed, riep

zij alleen Archibius en Charmion vriendelijk toe: »Komt mede!" De

gouverneur, die de slaapkamer toch steeds aan de eunuchen en de vrouwen

moest overlaten, trok zich terug, en Iras gevoelde zich zeer beleedigd

dat zij van dit bezoek uitgesloten werd. Zij verschoot van kleur, en

hare dunne lippen klemden zich vaster op elkander. Zij tuurde daarbij

zoo strak naar den mozaïeken vruchtkorf aan hare voeten, alsof zij de

kersen daarin tellen moest. Plotseling streek zij het krullende haar

van haar hoog voorhoofd weg, liep snel de trap af, en riep den pas

aangekomen Alexas aan, die juist het atrium verlaten wilde.

De Syriër kwam dadelijk bij haar, en prees zich gelukkig dat in dezen

nacht voor de tweede maal zijn zon voor hem opging. Doch zij viel

ongeduldig in: »Geen dwaze vleierijen op dit oogenblik! Het zou voor ons

beiden beter zijn in vollen bitteren ernst bondgenooten te zijn en te

blijven. Ik voor mij ben daartoe bereid."

»En ik dan!" riep de Syriër in verrukking uit, en drukte de hand op

zijn hart.

Intusschen was Cleopatra in het vertrek gekomen waar de kinderen

sliepen. Het was een hooge zaal met veelkleurige tapijten behangen,

terwijl drie lampen van lichtrood glas er een zacht licht verspreidden.

Er heerschte een diepe stilte. Door een boog, die op zuilen rustte van

bont Libysch marmer, werd het ruime vertrek in tweeën gedeeld. In het

eene stonden dicht bij het hooge, door gordijnen afgesloten venster,

twee bedden van ivoor, rustende op den rug van gouden kinderfiguren. Aan

het hoofdeinde prijkten kronen van goud en zilver bezet met paarlen en

turkooizen, en in den geheelen rand van elpenbeen had een kunstvaardige

hand dartele kleine geniën gesneden, dansende bij het gezang der

vroolijke vogels in de bloeiende struiken.

Een zwaar gordijn hing tusschen de beide bedden, doch de eunuchen hadden

dat bij de komst der Koningen opgetrokken. Nu kon zij beide met één blik

overzien, en het was een liefelijk beeld van zeldzame bekoorlijkheid,

want op die fraaie legersteden sluimerden de tienjarige tweelingen die

Cleopatra Antonius geschonken had: Antonius Helios en Cleopatra Selene.

Het meisje blank en rood, blond en van groote bevalligheid, de knaap

niet minder schoon, doch met gitzwart haar, evenals zijn vader. Beide

gekrulde hoofdjes lagen op zijde en rustten op de hand, die in het

zijden kussen was gedrukt.

Op een derde bed, aan de andere zijde van den boog, sliep Alexander, de

jongste prins, een aardige zesjarige knaap, de lieveling der Koningin.

Nadat zij een geruime poos van den aanblik der tweelingen had genoten,

en ieder een zachten kus had gedrukt op de wangen die gloeiden van den

slaap, keerde zij zich naar haar jongste, en zonk bij zijn bedje neer

alsof een visioen, dat de hemel haar op dit oogenblik te zien gaf, haar

drong de knieën te buigen. De tranen stroomden uit hare oogen, terwijl

zij het kind behoedzaam naar zich toe trok, het kuste op mond, oogen en

wangen, en het toen weder zachtjes op de kussens legde. Maar de knaap

kon niet weder dadelijk in slaap komen; hij sloeg de ronde armpjes om

den hals zijner moeder, en mompelde daarbij eenige onverstaanbare

woorden. Met genot liet zij dit toe, totdat de slaap hem weder overmande

en zijne handjes terugvielen op het bed.

Nu drukte zij haar voorhoofd een oogenblik op het elpenbeen van het

ledikant. Zij bad voor dit kind en zijne broeder en zuster. Toen zij

weder opstond, waren hare wangen nat van tranen, en zij drukte de hand

op haar borst. Daarop wenkte zij Charmion en haar broeder om naderbij te

komen, wees hen eerst op den kleinen Alexander, toen op de tweelingen,

en zeide, daar zij beider oogen vochtig zag: »Ik weet het wel, gij

beiden ontbeert dit geluk om mijnentwil. Voor een van deze kinderen zou

een groot rijk mij niet te duur zijn, voor hen allen.... wat is er in de

wereld, dat ik voor hen niet zou willen opofferen? Maar wat is er nog,

dat ik het mijne kan noemen?"

Bij deze vraag werd haar lachend gelaat plotseling verduisterd. Zij

dacht weder aan den verloren slag. Haar eigen macht was verspeeld,

verloren, en de vrijheid van het vaderland dat zij liefhad, verbeurd.

Reeds strekte Rome de hand er naar uit, om het als een nieuwe

provincie bij de overigen te voegen. Doch dat mocht niet zoo zijn! Het

tweelingpaar dat daar rustte onder de kronen, moest die eenmaal mogen

dragen. En die knaap daar op het kussen? Antonius had reeds zoovele

rijken weggeschonken; wat bleef haar thans nog te geven over?

Nog eens boog zij zich over het kind. Er moest een schoone droom op hem

nedergedaald zijn, want hij glimlachte in zijn slaap. Een warme stroom

van moederliefde welde eensklaps op in haar ontroerd gemoed, en toen zij

zag hoe ook de speelmakkers harer jeugd met aandoening en teederheid

neerzagen op den kleinen slaper, dacht zij aan haar eigen kindsheid en

aan het stille geluk dat zij gesmaakt had in haar Epicuristen-tuin.

Macht en grootheid waren voor haar eerst begonnen toen zij dien had

verlaten; maar naar mate die hooger geklommen waren, scheen het

gevoel der zaligheid, die zij eenmaal genoten, en waarnaar zij altijd

terugverlangd had, des te verder verwijderd en des te moeilijker terug

te bekomen. Terwijl zij op dit oogenblik het slapende kind, dat nog geen

smart of onrust kende, in het vredig glimlachende gelaat zag, was het

alsof al de liefde van haar hart in vollen stroom hem tegengolfde, en de

vraag kwam bij haar op, of niet misschien juist deze knaap, voor wien

zij geen kroon meer had, bestemd was de eenige gelukkige van allen te

worden,--gelukkig, in den zin zooals de meester had bedoeld.

Onder den diepen indruk dezer gedachten wendde zij zich tot Archibius

en Charmion en zeide, om de slapenden niet te wekken, op zachten toon:

»Wat er ook over ons beschikt moge worden, dit kind beveel ik aan uwe

bijzondere liefde en zorg. Wanneer het lot hem den glans der kroon en

het trotsche gevoel van macht ontzegt, leert gij hem dan dat hoogere

geluk kennen, dat--hoe lang is het reeds geleden!--uw vader aan zijne

moeder ontvouwde."

Tot antwoord drukte Archibius een kus op haar gewaad en Charmion op hare

handen, maar Cleopatra haalde diep adem, en zeide: »Reeds te lang liet

de Koningin de moeder aan het woord. Ik had verboden dat men Cæsarion

van mijne aankomst verwittigen zou. Dat was ook goed. Vóór dat ik hem

wederzie, moeten de gewichtigste zaken afgehandeld zijn. Binnen een

uur moet ik geheel en al den Staat toebehooren. Maar eerst.... behalve

moeder en Koningin, ben ik ook nog iets anders. Ook de vrouw heeft hare

rechten. Tot morgen mijn vriend, als ik tijd voor u vind! Eerst naar

mijn slaapkamer, Charmion. Doch gij hebt de rust meer noodig dan ik. Ga

met uw broeder mede, en zend mij Iras. Zij zal blijde zijn als zij voor

hare meesteres weder eens haar vaardige handen gebruiken mag!"

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 18 / 46 题