Gorgias zette nu zijn werk ijverig voort. Toen het standbeeld alleen
nog maar opgezet moest worden vóór het Dionysostheater, kwam Dion hem
opzoeken. Eer hij met zijn verloofde de stad verliet, wenschte hij nog
ééns zijn vriend te spreken. Sedert zij van elkander waren gegaan, had
deze handen vol werk gehad, want het bouwen van den door Antonius
verlangden muur op den Choma had een aanvang genomen, terwijl de
herstelling van het kleine paleis aan de spits daarvan, en nog veel meer
alles wat betrof de versiering der eerepoorten en triomfbogen, voltooid
was. Zijn bekwame opzichter had moeite zijne bevelen bij te houden,
terwijl hij het een na het ander op zijn schrijftafel voorschreef.
Het onderhoud met zijn vriend duurde dan ook niet lang, en Dion had
bovendien aan de vrouwen beloofd haar te vergezellen op haar tocht
naar het landgoed van Archibius. Het vertrek moest, in weerwil van de
verloving, nog heden plaats hebben, want in den loop van den dag was
Cæsarion nog tot tweemaal toe bij Barine aan komen rijden. Zij had hem
natuurlijk niet ontvangen, maar deze herhaalde pogingen van zijn kant
deden haar zelve aandringen op een verhaast vertrek.
Om alle opzien te vermijden wilden zij liever gebruik maken van den
grooten reiswagen en de Nijlboot van Archibius, hoewel Dion zelf een
dergelijke bezat, die even gemakkelijk was.
Op »Vrede-oord" zou de bruiloft worden gevierd. Het eigen schip van den
jongen Raadsheer, waarop het jonge paar later naar Alexandrië terug zou
varen, heette Peittho, naar de godin der overreding, omdat Dion gaarne
herinnerd werd aan zijn triomfen als redenaar in den Raad. Doch van nu
af aan zou het »Barine" heeten en veel worden verfraaid.
Dion vertrouwde zijn vriend nu ook toe wat hij gehoord had omtrent het
lot van de Koningin en de vloot, en hoe druk Gorgias het ook had, toch
luisterde hij vol belangstelling, zoodra Dion sprak over de toekomst
van hunne stad en hare bedreigde zelfstandigheid en vrijheid, want deze
dingen lagen ook hem het naast aan het hart.
»In tijd van voorspoed," riep Dion uit, »deed ik wat mij behaagde; nu
schijnt het mij de plicht van ieder rechtgeaard man, in zijn eigen huis
de gezindheid aan te kweeken die hij van zijne vaderen geërfd heeft, en
die niet mag uitsterven zoolang Alexandrië nog Macedonische burgers
heeft. Wij moeten ons laten welgevallen dat Rome's overmacht Aegypte
maakt tot een provincie der Republiek, doch wij zijn nog in staat het
beste deel van de vrijheid onzer stad en van haar Raad te behouden. Wat
er ook gebeuren moge, wij zijn en blijven toch de bron, waaruit Rome de
wetenschappen put, die zijn geestelijk leven verrijken."
»En vergeet niet de kunst," voegde Gorgias hier bij, »die de schoonheid
daaraan geeft. Als Rome ons zonder genade vernietigen wil, dan zal het
hun wellicht gaan als het meisje dat reeds haar voet oplichtte om een
schoone, zeldzame bloem te vertreden, maar dien terugtrok omdat het een
misdaad zou zijn zulk een kostelijk werk van de goden te verwoesten."
»En wat heeft dat meisje ook niet te danken aan die bloem!" riep Dion,
»en Rome aan onze schoone stad! Indien wij zijne eischen maar met
waardige standvastigheid beantwoorden, dan geloof ik dat wij nog niet
zulk een verschrikkelijk lot te duchten hebben."
»Laat ons dat maar hopen! Maar gij vriend, houd uwe oogen open, ook voor
andere vijanden dan die uit Rome alleen. Wees op uwe hoede voor Iras, nu
het een bekende zaak wordt dat gij haar versmaadt. Zij heeft iets, dat
mij somtijds aan een jakhals doet denken. Haar jaloerschheid!--Ik acht
haar tot alles in staat...."
»Maar," zeide Dion, »wat Iras mij zou willen aandoen, dat zal Charmion
verhinderen; en mijn oom Archibius, hoewel ik niet al te zeer op hem
rekenen wil, staat toch boven haar, en keurt mijn verbintenis met Barine
goed."
»Als dat zoo is," riep Gorgias met een verlicht hart uit, »dan wensch ik
u geluk!"
»En begint nu ook eens voor uw eigen geluk te zorgen," zeide Dion met
hartelijkheid. »Laat uw hart niet langer dat zwervende nomaden leven
leiden. Ik zou denken dat een bouwmeester niet op den duur genoegen
nemen kan met tenten, die de wind omverblaast. Bouw nu voor u zelf eens
een stevig huis, dat de stormen trotseert. Ik gun het u van harte, en
heb u immers reeds gezegd: de tijden vorderen het."
»Ik zal aan uw raad denken," antwoordde Gorgias, »doch daar zie ik
reeds weder zes oogen, die om inlichtingen vragen. Er is zooveel
gewichtigs te doen, en men besteedt zijn tijd aan het bouwen van
triomfbogen voor verslagenen, en tropeeën voor een nederlaag! Toch heeft
uw oom bevolen het werk zoo prachtig mogelijk uit te voeren. De wegen
van het lot en van de grooten der aarde zijn duister; dat de uwe door
een helder zonlicht bestraald worde! Wij hooren natuurlijk nog wanneer
gij bruiloft viert, en als ik kan, dan kom ik ook een lied voor Hymen
zingen. Gelukkige, die gij zijt! Daar word ik alweder geroepen. Mogen
Castor en Pollux en alle goden die de reizigers beschermen, Aphrodite en
alle Eroten uw tocht naar het land aan het meer en naar het rijk van
Eros en Hymen begunstigen!"
Hierop drukte de hartelijke man zijn vriend voor het eerst aan zijn
borst en Dion liet dit gaarne toe, en met den uitroep: »Tot weerziens in
Irenia op mijn trouwdag, mijn beste, trouwe vriend!" drukte hij hem de
vereelte rechterhand.
Dion vertrok in den wagen die voor hem gereed stond, terwijl Gorgias hem
met zorg nazag.
Nog was de purperen mantel, dien Dion ook heden droeg, niet uit zijne
oogen verdwenen, of hij hoorde vlak achter zich een luid gekraak, geraas
en gedreun. Een vluchtig opgeslagen steiger, die de katrollen droeg waar
mede het beeld moest worden opgeheschen, was ingestort. De schade kon
gemakkelijk worden hersteld, maar dit voorval maakte op den bouwmeester
toch een pijnlijken indruk. Hij was een kind van zijn tijd, en het was
dus zijn plicht als bedachtzaam man om op voorteekenen acht te geven.
Bovendien had de ondervinding hem ook geleerd, dat als hem bij zijn
werkzaamheden iets dergelijks overkwam, daarop gewoonlijk iets droevigs
voor een zijner vrienden volgde. Wat nu misschien het jonge paar dat hem
zoo dierbaar was, te wachten stond, was onder den sluier der toekomst
verborgen, maar hij besloot voor Dion goed uit de oogen te blijven zien,
en Archibius te verzoeken hetzelfde te doen.
Onder den arbeid werd dit onaangename gevoel echter weldra tot zwijgen
gebracht. De schade was spoedig hersteld, en daarna deelde Gorgias zijne
bevelen weer uit, nu eens met de eene, dan weder met een andere tafel of
rol in de hand.
De avond begon te vallen, en vóór den nacht, waarin storm en regen kon
komen, reed hij op zijn muildier nog eens naar het Bruchium, om te zien
hoe het werk daar vorderde en nieuwe beschikkingen te maken, want het
moest den geheelen nacht daar voortgezet worden. Het begon uit het
Noorden zoo hevig te waaien dat het moeite kostte de fakkels en lampen
aan te houden. De wind dreef hem den regen in het gelaat, en hij zag
tegenover de haven en den vuurtoren nog zware wolken hangen. Alles
voorspelde een kwaden nacht, en weder overviel hem dat sombere gevoel
alsof er een onheil te wachten stond. Toch was hij met ijver en
zorgvuldigheid bij het werk, en hielp zelfs mede waar dit noodig bleek.
Het was nu geheel donker geworden, en geen enkele ster stond aan den
hemel. Zelfs werd het zoo koel, dat Gorgias eindelijk zijn lijfslaaf
veroorloofde hem zijn mantel om te slaan. Terwijl hij de kap over zijn
hoofd trok, zag hij een stoet menschen en draagstoelen naar de Lochias
trekken.
Misschien waren het de koningskinderen, die van een uitstapje
terugkeerden. Toch schenen het eerder gewone burgers te zijn, die zich
tot een feest der overwinning opmaakten, want op dit oogenblik geloofden
alle menschen aan een zegepraal en den goeden afloop van den oorlog. Dit
bewees het gejubel en de vreugdekreten dergenen die zich, in weerwil van
het slechte weder, nog altijd in den omtrek van de haven bevonden.
Juist was de laatste fakkel van den stoet Gorgias voorbij gedragen,
en had hij bij zichzelven overlegd dat de draagstoelen die tot het
koninklijk huis behoorden, niet zoo slecht verlicht moesten worden,
of een man met een lantaarn in de hand kwam snel van de andere zijde
aanloopen. Het flikkerende licht viel op een gerimpeld gelaat, en toonde
hem den ouden Phryx, den huisslaaf van Didymus, die hij had leeren
kennen in den tijd toen het opschrift voor het pas gebouwde Odeum door
den oude geleerde was vervaardigd. De grijze dienaar had hem toen
menigmaal veranderingen in het eerste ontwerp van zijn heer moeten
overbrengen, en Gorgias daaraan nog gisteren herinnerd.
De arbeiders hadden middelerwijl het standbeeld bij helder fakkellicht
en onder eentonig gezang, op het voetstuk gezet, en zij waren nu bezig
de touwen, katrollen en hefboomen op te bergen, toen de bouwmeester den
slaaf herkende.
Wat kwam die oude man daar zoo laat nog doen? Op eens kwam hem de
ingestorte steiger weder in de gedachte. Zocht de slaaf hulp voor iemand
van het gezin? Had Helene hem misschien noodig?
Hij hield den ouden man staande, en deze beantwoordde zijne vraag met
een diepen zucht en het spreekwoord: »een ongeluk komt nooit alleen."
Daarop ging hij voort: »Gisteren was er rede tot groote vrees, en toen
er heden zooveel blijdschap bij ons was om Barine, dacht ik dadelijk:
»na vreugde leed!" de tweede ramp zal ons niet gespaard worden. En zoo
is het dan ook!"
Gorgias vermaande hem alles wat er gebeurd was nauwkeurig te verhalen,
en nu kwam de oude naderbij en fluisterde hem toe dat de jonge Philotas
uit Amphissa, die een leerling en helper van Didymus was, en een
wellevend jonkman van goede familie, naar een gastmaal was gegaan,
waarop Antyllus, Antonius' zoon, eenige van zijn medestudenten genoodigd
had. Dat was wel meer gebeurd, en daarom had hij, de oude Phryx, hem
gewaarschuwd, want als de kleinen met de grooten omgaan, komen de eerste
er zelden zonder kleerscheuren af. De jonge man, die overigens niet
slechter was dan de andere epheben, was van zulke feesten altijd
teruggekomen met een rood gezicht en onvasten gang, maar heden had hij
zelfs zijn kamertje op de bovenverdieping niet kunnen wedervinden.
Alsof hij door vervolgers achterna gezeten werd, was hij het huis
binnengedrongen, en toen hij de trap wilde opvliegen--of eigenlijk was
het maar een vaststaande ladder--had hij een misstap gedaan en was
gevallen. Hij voor zich geloofde niet dat hij zich had bezeerd, want
geen enkel lid deed hem pijn als men het aanraakte of het uitrekte, en
de beschonkenen stonden immers in de hoede van Dionysos; maar het scheen
wel of er een booze geest in hem gevaren was, want hij deed niets dan
kreunen en weenen, en bleef op alle vragen het antwoord schuldig. Nu
wist hij wel van de Dionysosfeesten, dat deze jonge man als hij te
veel gedronken had altijd jammerde, maar ditmaal moest er toch iets
bijzonders met hem zijn gebeurd, want vooreerst was zijn gezicht zwart
gemaakt, en zag het er afschuwelijk uit nu de tranen het roet op vele
plaatsen hadden afgewischt, maar daarbij sprak hij enkel wartaal. Het
was iets verschrikkelijks!
Toen men hem naar zijn kamer had willen brengen, had hij zich met handen
en voeten verweerd. Daarom geloofde Didymus zelf, dat demonen zich van
hem hadden meester gemaakt, zooals niet zelden gebeurde wanneer iemand
van de trap was gevallen en op zijn hoofd neergekomen, en daardoor bij
de aardgeesten aangeklopt en hen gewekt had. Wel zeker, demonen zouden
het wel zijn, maar zooals hij dacht, geen andere dan die van den wijn.
De student had zich zeker daaraan te buiten gegaan. Maar de oude
philosoof hield bijzonder veel van dezen leerling, en had hem bevolen
Olympus te gaan halen, die zoo lang hij zich herinneren kon, de arts van
het huis was.
"De oude lijfarts van de Koningin?" vroeg Gorgias afkeurend, en toen de
slaaf dit bevestigde, zeide hij: »Dat is in mijn oogen niet goed, dien
eerwaardigen grijsaard met zulk een fellen Noordenwind ter wille van
zoo iets te laten uitgaan. De ouderdom is tegenover den ouderdom nooit
bijzonder barmhartig. Ik kan, nu dat ding daar eindelijk op zijn plaats
staat, wel voor een half uurtje mijn post verlaten, en ik ga met u mede.
Ik zou denken dat om deze demonen te bezweren, geen lijfarts noodig
is."
»Dat is goed, heer," riep de slaaf, »maar Olympus is een vriend van ons.
Hij bezoekt nog maar weinig zieken, maar bij ons komt hij door alle weer
en wind. Hij bezit ook draagstoelen, wagens en prachtige muildieren. De
Koningin geeft hem alles wat het beste en gemakkelijkste is. Hij is wijs
en kan misschien spoedig helpen. Wat men krijgen kan, daar moet men
gebruik van maken."
»Alleen als het noodig is," hernam de bouwmeester. »Daar staan mijn
beide rijdieren, volg gij mij op het tweede, en als ik met de booze
geesten niet klaar kom, dan is het nog altijd tijd genoeg om den
lijfarts te halen."
Deze voorslag behaagde den ouden man, en korten tijd daarna trad Gorgias
het tablinum van den philosoof binnen.
Helena heette hem welkom alsof hij een oud vriend was. Zoodra hij maar
verscheen, dacht zij, was het gevaar reeds half voorbij. Ook Didymus was
blijde hem te zien, en leidde hem het kleine vertrek binnen, waar de
jongeling op een divan lag.
Hij steunde en jammerde nog steeds. De tranen liepen hem over de wangen,
en zoodra een lid van het gezin hem naderde, stootte hij hem weenend van
zich af. Toen Gorgias echter zijne beide handen vasthield en hem streng
beval te bekennen wat hij zich te verwijten had, toen zeide hij snikkend
dat hij de ondankbaarste booswicht op aarde was. Zijn slechtheid had
zijn goede ouders, hem zelven en zijn vrienden te gronde gericht. Daarop
beschuldigde hij zich, dat door zijn toedoen Didymus' kleindochter in
her verderf werd gestort. Hij zou zeker niet weder naar Antyllus zijn
gegaan, als deze hem niet kort geleden door zijne grootmoedigheid
opnieuw tot zich getrokken had.
Maar nu moest hij er voor boeten, ja boeten.... en hij stamelde dit
woord »boeten" zoo onophoudelijk, dat er vooreerst niets anders uit hem
te krijgen was.
Intusschen bezat Didymus den sleutel op dit raadsel. Enkele weken
geleden was Philotas met andere leerlingen van den rhetor wiens lessen
in het Museum hij volgde, door Antyllus op een ochtendmaaltijd
uitgenoodigd. Toen de student de fraaie gouden en zilveren bekers
waaruit gedronken werd, zoo luide bewonderde, had de overmoedige jonge
gastheer gezegd: »Welnu, zij zijn voor u, neem ze maar mede!" Philotas
had dit eerst niet voor ernst opgenomen, maar bij het heengaan had de
schenker hem aangemoedigd het geschenk aan te nemen. Antyllus had hem
immers de bokalen vereerd? Maar hij raadde den jongen man aan, zich de
waarde in geld te laten betalen, want er waren eenige oude kunstig
bewerkte stukken onder, die Antyllus' vader, Antonius, misschien
ongaarne zou missen.
Daarop had hij den verbaasden jongeling verscheidene rolletjes
goudstukken in de hand gegeven. Doch dit geld had hem niet veel goeds
gebracht, want daardoor was het hem mogelijk geworden met rijke,
aanzienlijke mede studenten om te gaan en deel te nemen aan hunne
uitspattingen. Toch had hij bij Didymus altijd trouw zijn plicht gedaan.
Al had hij dikwijls den nacht tot dag gemaakt, tot nu toe had zijn
gedrag geen ernstige reden tot klagen gegeven. Kleine zonden zag men hem
gaarne over het hoofd, omdat hij een aardige, vroolijke jonkman was, die
de kunst verstond zich bij ieder lid van het huisgezin, ook bij de
vrouwen, aangenaam te maken.
Maar wat was den beklagenswaardigen jongeling nu toch overkomen? Didymus
had het grootste medelijden met hem, en hoewel hij Gorgias dankbaar was
voor zijn komst gaf hij hem toch te verstaan, dat het wegblijven van den
arts hem verdroot.
De bouwmeester was echter in zijn veeljarig jonggezellen leven in het
Dionysos-vereerende Alexandrië vertrouwd geraakt met ziekten als die van
Philotas, en wist hoe men dergelijke lijders behandelen moest. En nadat
men Gorgias verscheidene kannen water gebracht en eenigen tijd met den
lijder alleen gelaten had, verheugde de philosoof zich in stilte toch
ook dat hij den lijfarts niet door het stormachtige weer had laten
komen. Spoedig bracht Gorgias zijn leerling met natte haren, maar
overigens in een toestand van snel vorderend herstel weder bij hem.
Het fraaie gelaat van den jongeling was nu ontdaan van het roetzwart,
doch hij zag beschaamd naar den grond, en sloeg zich nu en dan voor het
hoofd. De philosoof had al zijn redeneerkunst noodig om hem aan het
spreken te brengen, en Philotas verzocht vóór hij begon, dat Helena hem
met de mannen alleen zou laten.
Hij was van plan zich stipt aan de waarheid te houden, doch vreesde dat
de onzinnige streek, waartoe hij zich had laten overhalen, noodlottige
gevolgen kon hebben voor zijn geheele leven. Hij hoopte echter op goeden
raad, vooral van den bouwmeester, die hem nu zoo goed geholpen had, en
wiens vriendelijke persoonlijkheid hem vertrouwen inboezemde. Den
grijsaard was hij zooveel verplicht, dat hij hem nu ook oprechtheid
schuldig was,--en toch durfde hij hem één der beweegredenen zijner dwaze
handelwijze niet bekennen.
De aanslag, waarin hij zich had laten meeslepen, was op Barine gemunt
geweest. Hij had reeds lang gedacht dat hij haar beminde met al den
gloed van zijn twintigjarig hart. Kort vóór hij naar dat noodlottige
gastmaal ging, had hij evenwel gehoord, dat zij hare hand aan Dion had
beloofd. Dat had hem diep gegriefd, want in menig stil uur had hij het
voor mogelijk gehouden haar voor zich te winnen, en haar als echtgenoot
binnen te leiden in zijn ouderlijk huis te Amphissa. Hij was immers
maar weinig jonger dan zij, en als zijne ouders haar maar eerst hadden
gezien, zouden zij zijn keus zeker billijken. En de andere menschen te
Amphissa hadden Barine voor een godin moeten houden!
Doch nu was de voorname heer gekomen, die zijn hoop den bodem ingeslagen
had. Zeker, er was nooit van liefde tusschen hem en Barine sprake
geweest, maar hoe vriendelijk had zij hem altijd aangezien, en hoe
gaarne zijne kleine diensten aangenomen! Nu was zij voor altijd voor hem
verloren.
In het eerst had hij dit alleen bedroevend gevonden, maar toen hij
veel wijn had gedronken en Antyllus bij den maaltijd, waarvan Cæsarion
symposiarch[14] was, Barine beschuldigd had de harten door magische
kunsten te betooveren, toen was hij op eenmaal tot de overtuiging
gekomen, dat zij die ook op hem had toegepast.
[14] Leider van het gastmaal.
Hij had zichzelven wijs gemaakt dat hij haar òf als speelgoed had
gediend, òf dat zij van hem had gehouden en alleen de voorkeur gegeven
had aan Dion om zijn rijkdom. In ieder geval geloofde hij reden genoeg
te hebben om op haar vertoornd te zijn, en bij iederen beker dien hij
ledigde, nam zijn wrok toe.
Juist toen had men hem verzocht mee te doen aan de dwaze streek, die nu
zoo zwaar op zijn geweten drukte, en hij had gretig daarin toegestemd,
om haar te straffen voor het onrecht, dat hem in zijn verhitte
verbeelding door haar was aangedaan.
Dit alles verzweeg hij echter voor de oude lieden, en verhaalde alleen
in het kort van het prachtige gastmaal, dat Cæsarion zoo bleek en
onverschillig als altijd, geleid had, en dat vooral door den dollen
overmoed van Antyllus opgevroolijkt was.
De »Koning der koningen" en de zoon van Antonius hadden, onder
voorwendsel van op de jacht te gaan, zich van hunne gouverneurs bevrijd.
Zij hadden gezegd dat de opperjachtmeester hun dit genoegen wilde
verschaffen en dat zij hem beloofd hadden 's morgens vroeg gereed te
zullen zijn voor een tocht in de woestijn. Toen na den maaltijd de
mengvaten neergezet en de bekers nog sneller gevuld werden, had Antyllus
met Cæsarion allerlei dingen in stilte besproken en het gesprek gebracht
op Barine, de schoonste der schoonen, die door de goden bestemd was
voor den grootste en hoogstgeplaatste van allen. Dat was immers »de
Koning der koningen" Cæsarion, en daarom mocht hij rekenen op de gunst
der hemelsche machten. Maar men wist ook dat Aphrodite zichzelve voor
nog grooter hield dan den hoogsten koning, en daarom waagde Barine
het, voor den symposiarch hare deur te sluiten, op een wijze die niet
alleen voor hem, maar voor de geheele jeugd van Alexandrië krenkend
zijn moest. Alles wat zich »ephebe" noemde moest de vuist ballen van
verontwaardiging, als hij hoorde dat de overmoedige jonge vrouw de jeugd
op een afstand hield, omdat zij alleen oudere mannen hare aandacht
waardig keurde.
Dat mocht zoo niet blijven! Veeleer moesten de jongelingen van
Alexandrië haar hunne macht doen gevoelen. En dit werd des te dringender
bevolen, daar Cæsarion hierdoor het doel zijner wenschen bereiken zou.
Barine zou dien avond de stad verlaten. De beleedigde Eros zelf wees
hen daardoor den weg. Hij gebood hun haar wagen aan te houden en haar
te brengen bij den jongeling, die in naam der geheele jeugd op zich
nam haar te bewijzen dat de hartstocht der epheben, die zij van zich
verwijderde, vuriger was dan die der oudere mannen die zij om zich heen
duldde.
Hier viel Gorgias den verhaler in de rede met een luiden uitroep van
misnoegen, en de oogen van den ouden Didymus schenen uit hunne kassen te
willen komen, toen hij zijn leerling met barsche stem een ongeduldig »ga
voort!" toeriep.
En Philotas, die nu weder geheel ontnuchterd was, schilderde met
levendige kleuren hoe wonderbaar de stille Cæsarion veranderd was. Hij
scheen werkelijk betooverd te zijn, want nauwelijks hadden Antyllus'
makkers hem toegejuicht en zich bereid verklaard de jeugd van Alexandrië
aan Barine te wreken, toen »de Koning der koningen" eensklaps opstond
van de rustbank, waarop hij tot zoolang bijna onverschillig gelegen had,
om met fonkelende oogen uit te roepen dat, wie zich zijn vriend noemde,
hem bij dezen aanval helpen moest.
Hier werd hij door een tweede ongeduldig »ga voort!" tot grooter
spoed gedrongen, en nu verhaalde hij minder uitvoerig hoe zij hunne
aangezichten zwart gemaakt en zich met zwaarden en lansen gewapend
hadden. Tegen zonsondergang waren zij in een overdekte boot door het
Agathodemonkanaal naar het Mareotische meer gevaren. Het bleek dat alles
goed van te voren beschikt was, want zij waren precies op het aangegeven
uur aangeland.
Daar zij zich op het water steeds met krachtigen wijn hadden versterkt,
had hij al moeite gehad om aan wal te stappen en had zich door de
anderen laten voortsleepen. Verder wist hij niets meer, dan dat hij zich
te gelijk met hen had geworpen op een groote harmamaxa[15], en daarbij
gevallen was. Toen hij opstond was alles voorbij.
[15] Gesloten Aziatische reiswagen op vier wielen.
Als in een droom had hij gezien hoe Scythen en andere bewakers der
veiligheid Antyllus hadden aangegrepen, en hoe Cæsarion op den grond
met een ander lag te worstelen. Als hij zich niet vergiste, den was
dat Barine's verloofde, Dion geweest! Al deze mededeelingen waren door
menigen uitroep van ongeduld en verontwaardiging afgebroken, en nu
stootte Didymus, buiten zich zelven van angst, de vraag uit: »En het
kind--en Barine?"
Doch Philotas kon geen antwoord geven dan een sprakelooze hoofdbuiging,
en de toorn overmande daardoor zoo zeer den ouden philosoof, dat hij
zijn leerling bij den chiton greep, hem schudde, en toornig toeriep:
»Weet gij het niet, booswicht? In plaats van haar te beschermen zooals
het uw plicht was tegenover een kind van mijn huis, hebt gij medegedaan
met lichtzinnige verkrachters van zeden en recht, als een handlanger van
deze schaamtelooze aanranders in het koninklijk purper gekleed?"
De bouwmeester bracht den vertoornden grijsaard in eerbiedige
bewoordingen onder het oog, dat op het oogenblik alles moest achterstaan
bij de noodzakelijkheid om Barine en Dion te laten opsporen. Zijn hoofd
liep om van al zijn werk, maar toch wilde hij spoedig met zijn opzichter
alles bespreken en daarna zelf beproeven zijn vriend weder te vinden.
»En ik," riep de oude man, »moet aanstonds naar mijn ongelukkig kind.
Breng mijn mantel Phryx, en mijn sandalen!"
En toen Gorgias hem vermaande aan zijn leeftijd en het stormachtige weer
te denken, ging hij driftig voort:
»Ik ga, zooals ik heb gezegd. Al moest de storm mij op den grond
werpen en de bliksemstraal van Zeus mij treffen, wat geef ik daarom!
Op een onheil meer of minder komt het niet aan, in een leven dat ééne
aaneenschakeling van rampen is. Drie zonen heb ik begraven in den
bloei van het leven, en twee heb ik verloren in den oorlog. Barine was
mijn oogappel, en dwaas die ik was, heb ik haar zelf geketend aan den
booswicht, die haar zonnig leven voor goed verduisterd heeft, en nu ik
haar gelukkig dacht, en beveiligd voor zorg en miskenning, aan de zijde
van een voortreffelijk man, wordt misschien haar verloofde gewond of
zelfs vermoord door die vervloekte booswichten, die door hunne hooge
geboorte aan mijn wraak ontsnappen! Zij sleepen haar goeden naam en
mijne grijze haren door het slijk. Mijn tuinhoed Phryx, en mijn staf!"
Sinds lang woedde de storm om het huis aan de zee, en het zeil dat
gespannen was boven de opening van het impluvium, rukte met luid geraas
aan de metalen ringen die het vasthielden. Nu kwam er zulk een hevige
windvlaag, dat twee vlammen van de drie-armige lamp uitwoeien. Tegelijk
werd de huisdeur geopend, en de Nubische portier van vrouw Berenice kwam
binnen, druipend van den regen, en met de kap van zijn mantel over zijn
bruine hoofd. Hij was in een deerniswaardigen toestand, en kon in het
eerst niet den groet en al de vragen der mannen beantwoorden. Helena
had zich bij hen gevoegd en hield den arm van haar grootmoeder vast. De
bode was geheel buiten adem van het loopen, doch eindelijk kon hij zijn
boodschap overbrengen. Het was niet veel. Barine liet hen enkel weten,
dat, wat zij ook mochten gehoord hebben, haar moeder en zij ongedeerd
waren. Dion had een wond aan den schouder gekregen, maar dat was niet
erg. Zij verpleegde hem met hare moeder. Haar grootouders konden zonder
zorg zijn; de aanslag die tegen haar ondernomen was, was volkomen
mislukt.
Vrouw Doris die zeer doof was, had te vergeefs met de hand aan haar
oor getracht iets van dit alles op te vangen, en nu zeide Didymus wat
Helena hiervan aan hare grootmoeder overbrengen moest. De oude vrouw
placht naar de lippen van het meisje te zien, en verstond haar beter
dan een ander. Het verheugde Didymus natuurlijk dat zijn lieveling
aan het gevaar ontkomen was, maar toch was hij nog niet geheel gerust.
Ook Gorgias vreesde het ergste nog. Hij wilde zelfs uitgaan op nadere
berichten, en verzekerde den grijsaard dat hij, zoodra hij die
ingewonnen had, bij hem terugkomen zou. Daardoor alleen kon hij hem
afhouden van een nachtelijken tocht door den storm.
De student Philotas vroeg smeekend met betraande oogen of men hem als
bode wilde gebruiken, doch Didymus beval hem ter rust te gaan. Hij zou
later wel een gelegenheid vinden om goed te maken wat hij door zijn
lichtzinnigheid bedorven had.
In het stille huis van den geleerde werd dien nacht niet aan slapen
gedacht. Gorgias vertrok, en Helena uitte den wensch om door den ouden
portier naar hare zuster gebracht te worden, maar dien kon Didymus niet
inwilligen. Hij bleef nu met zijn vrouw in het tablinum alleen. Men had
haar enkel gezegd dat Barine door dieven was aangevallen, die haren
verloofde licht hadden gewond; maar haar hart en het gedrag van haren
man maakten het haar duidelijk dat haar iets verborgen werd. Zij
zou er gaarne meer van weten, maar Didymus vond het op dit oogenblik
bezwaarlijk haar met zoo luide stem nog meer mede te deelen, en daarom
moest zij haar verlangen nu tot zwijgen brengen. Doch niemand ging ter
ruste, omdat zij eerst de terugkomst van den bouwmeester wilden
afwachten.
Didymus was in een leunstoel neergevallen, en vrouw Doris zat in een
hoek aan haar spinnewiel, zonder den draad van het spinrokken af te
winden. Toen zij haar echtgenoot hoorde zuchten en het hoofd in zijn
handen zag verbergen, stond zij op, ging op haar stokje geleund naar
hem toe, en streek hem met de hand over het bijna kale hoofd. Zij sprak
hem daarbij troostend toe, en toen zij de bedroefde uitdrukking toch
nog niet uit zijn gelaat verdwijnen zag, herinnerde zij hem op hare
hartelijke, vriendelijke manier hoe menigmaal zij reeds de wanhoop nabij
geweest waren en toch alles altijd weer goed afgeloopen was.
»Zie oude," zeide zij, »ik weet wel dat er weder dikke, zwarte wolken
boven ons huis hangen, al weet ik het rechte er niet van. Ik voel alleen
dat een zware slag ons dreigt. En toch, wat kunnen de menschen ons
aandoen, als wij beiden maar bij elkander mogen blijven, wij beiden
oudjes, en dan de kinderen der kinderen die Hades ons heeft geroofd. Als
men zoo samen oud wordt, leert men dat het leven een hoofd heeft met
vele aangezichten. Het kwade van het heden kan evenmin lang duren als
die diepe rimpels in uw voorhoofd. Gij behoeft u voor mij geen geweld
aan te doen, beste man. Laat het maar zoo. Ik behoef mijn oogen maar toe
te doen, om te zien hoe glad en schoon het eens was in uw jeugd, en hoe
vriendelijk gij er weder uit zult zien, zoodra de betere dagen zeggen:
daar zijn wij weer!"
Hij kuste haar met een weemoedigen glimlach op het grijze haar, en riep
haar toe aan het linker oor, dat beter hooren kon: »Hoe jong blijft gij
nog altijd, oudje!"