geschreeuw ging van het midden van dit gevogelte uit, en een goed deel
viel stout op my aan en beet my verwoed in de beenen. Ik sloeg hen af;
maar nu vlogen zy alle, met uitgebreide vlerken, van alle kant toe, en
ik voelde my te gelijk in het aanzicht, van voren, van achteren, over
het geheele lichaam en aan alle leden, zoo wel met hun nagels als
snavels besprongen; en dit, onder een oorverdovend getier dat my vreemd
was, en zeer van de stem dezer dieren by ons verschilde. Ik zwaaide met
mijn stok dapper in 't rond, maar de aanranding was zoo algemeen, zoo
heftig, en zoo onverwacht, dat ik onder hun woede geloofde te moeten
bezwijken eer ik de helft van hun, buiten gevecht kon stellen; en daar
ik verre de grootste menigte voor my had, keerde ik my om, om door de
genen, van wie ik van achter bloedig in den nek en kuiten gebeten wierd,
heen te slaan, en my dus een te rug tocht te maken.
Ik stroomde, van 't afloopende bloed uit mijn wonden, die zelfs op mijn
borst door de kleederen heen het vleesch opgescheurd hadden; overal was
ik van kneuzingen bedekt: ja, geheele vlokken hairs, van mijn baard
uitgerukt, hingen my hier en daar in de plooien der kleederen. Ik
schaamde my voor my-zelven, door kalkoenen verjaagd te zijn. Maar my
docht, hier moest meer achter schuilen; en ik week ter zijde, baadde my,
en strekte my uit in de groente, waar ik een geruimen tijd toebracht,
alvorens ik mijn leden volstrekt tot mijn wil kreeg.
De zwelling en pijn was genoegzaam verdwenen, en er bleef my, by de
lidteekens, die ik altijd behouden zal, (die nog rood waren,) voor 't
overige een geweldige stramte, wanneer ik besloot om dit oord der
kalkoenen van rondom waar te nemen, en uit te vorschen, wat van deze
belachlijke maar gants niet verachtbare krijgsmacht toch zijn mocht.
Ik vond een van rondom rijzenden grond, tusschen heuvelen ingevat, die
met de zoo even gemelde stakkelbezien zeer dicht omzet waren, en geen
anderen open toegang verleenden, dan dien waar uit ik te rug was
gedreven. Ik wilde my eerst door het uitrukken van eenige dier heesters
een weg maken, maar vond het ondoenlijk door gebrek aan alle
gereedschap; te meer, daar de stammen en takken met dorens bezet waren,
en de uitgestrektheid van de diepte waarop zy stonden te groot was, dan
dat ik het met eenige vrucht ondernemen kon. Ik besloot dan, een niet
wijdgelegen rotsachtigen berg te beklimmen, of ik van daar in de
omperking, door de heuvelen ingesloten, eenig inzicht mocht hebben. Met
veel moeite besteeg ik den ruwen en weinig begroeiden steenberg, en
bloosde, dat de vrees van door kalkoenen mishandeld te worden, my dien
arbeid kostte. Dan, ik drong my op, dat het dit gevogelte niet was,
maar de plicht van voorzichtigheid, die my drong om wel toe te zien, wat
my uit eene zoo besloten natuurlijke verschansing, maar die wel door
kunst voltooid kon zijn, en die vooral niet het voorkomen had van aan
louter kalkoenen toe te behooren, onverhoeds opdagen mocht.
Ik zag van de rots werklijk een hoek der onbeperkte vlakte, en aldaar
koren, te veld staande, waarin en waaromtrent het van deze vogels
krioelde. Dit koren geleek op dien afstand naar gerst. Of het daar
natuurlijk groeide en dit soort van hoenders zich daar, om dit voedsel,
gezeteld had, dan of het gebouwd, en voor hun gebouwd was, kon ik niet
onderscheiden, maar het eerste kwam my het waarschijnlijkst voor.
Blijken van hutten of menschenbewoning zag ik er niet.--Ik oordeelde 't
voorwerp, niet belangrijk genoeg, immers niet dringend genoeg, om er my
langer by op te houden en ging voort.--Afklimmende, zag ik op eenigen
afstand een rook opgaan. Hier dacht ik nu menschen te vinden. Ik was,
eer ik het wist, aan de plaats; maar het was een rook uit den
moerassigen grond opgaande, die zwavelachtig stonk, en vrij heet was; en
ik verwijderde my van dien plek.
Nu zag ik de zon na aan den zichteinder, en vond dus de nacht spoediger
nu ik tegen de zon ingegaan was, dan ik langs den anderen weg gedaan
had, waar op zy my achterhaalde, en vooruit ging. Dit was my nu klaar,
door de kromte der loopbaan die mijn bol beschreef, en waardoor het punt
dat naar de aarde gekeerd was, zich in het tweede vierde deel van dien
cirkel naar de zon toewendde, de haar nadere punten afkeerende. Ik zag
schemering, duisternis, maar dit in een oord, niet naar de aarde
gekeerd, en waar dus de nacht donker was, haar verlichting ontbeerende.
Ook de maan was aldaar niet zichtbaar, want zy was zoo verr' niet
vooruitgeschoten dat zy op dit deel eenig licht had kunnen werpen,
zijnde haar duister gedeelte derwaart gekeerd, en zij in haar
parahelischen halven cirkel. De duisternis was dus aaklig. Ik zag nu de
starren flikkeren en herkende hare beelden; maar alles was niet te min
vreemd voor my daar de Noordpool my faalde. Ik kon my niet _orienteeren_
als men zegt, en had geen behulp van werktuigen. Ik verdwaalde met het
oog in den hemel, die eene andere beweging had dan ik gewoon was, en
alles werd verward voor mijn geest. Men begrijpt licht, dat ik nooit
sterk in de oefening van de Astronomie was geweest, noch er my eigenlijk
meê had opgehouden.
In die volle duisternis te willen voortwandelen om waarnemingen nopens
het land te doen, zou dwaasheid geweest zijn. Daar was niets by te
winnen. Ik nam het besluit, naar het daglicht te rug te keeren, maar
mijn weg zoo veel 't wezen kon, langs den boord der schemering te nemen,
het geen my door nieuwe velden moest brengen, en waarby ik mijn pad aan
de linkerhand liet. Intusschen werd ik toen ook een soort van
vleêrmuizen gewaar, die, het schijnt, aan het ander gedeelte des bols,
waar de nachten zoo helder zijn van het schijnsel des aardbodems, niet
gevonden worden, maar hier by de dieper duisternis t' huis zijn.
Ik had dan mijn weg in deze nieuwe richting ingesteld, en volgde die,
(als ik plach) met verpozingen, waarin ik my nederzette om uit te
rusten, en somwijlen insluimerde. Sints lang nam ik de voorzorg niet
meer van een bedtentjen op te rechten, maar wanneer de slaap my beving,
was de bloote grond mijn leger, meest overal door de natuur-zelve met
kruiden gespreid; en de bolle wind, die ik altijd gelijkmatig vond woei
over my heen. Vijanden of bespringers duchtte ik niet, en zelfs, had ik
niets dat ik vreezen kon te verliezen. Wat mijn voedsel betreft, zelden
was ik lang zonder aardvruchten weêr te vinden, en ook de onrijpe waren
eetbaar, en hadden iets van de kastanjes, doch minder hard zijnde.
Echter droeg ik er altijd eenige by my, in den doek geknoopt, die my
eenmaal voor wrong om mijn tulband diende, en dien ik nu om mijn middel
wond. Ik had daar mijn mes by, of het stak in mijn gordel; en mijn stok
was in mijn hand. Mijne Perzische pantoffelen waren lang doorgesleten,
maar mijn voeten hadden zich door het gaan, zonder mijn kosten, met eelt
verzoold. Mijn kruik of fles (want zy had een lange hals en was van
palmhout gedraaid) hong my aan een koord over de schouder, nu eens op
de rug wapperende, dan aan mijn linker heup, dan over den arm. Nu en dan
baadde ik my in de plassen of meeren die ik overal op mijn weg vond, en
dit gaf my by de vermoeidheid de meeste verkwikking: doch ook dan
behoefde ik voor mijn kleederen niet beducht te zijn. Overreed van het
eenig menschelijk schepsel te zijn in een land, dat ook geene
verslindende of anders gevaarlijke dieren bevattede, was ik voorlang t'
eenen maal zorgloos geworden, en ofschoon de ontmoeting met de kalkoenen
een zonderlingen indruk op my gemaakt had, en my ook wel eenige
achterdocht deed ontstaan, of er niet wellicht menschlijke bewoners in
den omtrek zijn mochten, ik had nog niet weder gedacht om my te
bedekken. Thands echter, ik weet niet door welk eene oorzaak, viel het
my in, en, zonder eenig besef uit wat hoofde, ving ik aan, eenige takken
af te snijden. Doch het was tot mijn groote schade en leedwezen; want ik
brak er mijn mes op, en had toen geen ander werktuig meer, hoe genaamd,
waar ik iets meê kon doorsnijden. Ik begreep nu eerst recht het belang
van dit zoo eenvoudig gereedschap, wond de stukken in mijn doek, en nam
voor, naar een bekwamen steen te zoeken, dien ik tot een mes of een bijl
slijpen mocht: dan, daar het hout dat ik vond, uitermate taai was, en
zich niet door liet breken, moest ik van het toestellen eener slaapstede
afzien. Ik deed dus, en sliep ook in zonder my te bekommeren.
Ik ontwaakte door een onaangenaam gevoel van knijping in den arm en in
't aangezicht; en terstond zag ik een' mijner vijanden; een zeer
donkergraauwen kalkoen, die op mijn borst stond en stout op my inpikte.
Ik bewoog my zoo dra niet, of hy was van mijn lijf: hy keek my boos aan,
vloog op, scheen zich te bedenken, vloog achterwaarts, en stapte voorts
met een fieren tred, en nu en dan omziende, van my af naar een kleine
hoogte, daar niet verr' van afgelegen. Ik begreep nu, aan de andere
zijde van het kalkoenenrijk te zijn, waar ik kort te voren zoo wel
onthaald was geworden. Ik stond een poos in beraad wat te doen; had geen
trek, om my andermaal dat geheele leger op 't lijf te schennen; maar was
echter brandend om dat verblijf van een anderen kant te beschouwen. Ik
besloot dan, het beest zachtkens en op eenigen afstand te volgen. Ik
deed zoo, en zette my by dien heuvel, die my voorkwam uit gevelde
boomstammen, die deels zelfs in de rondte behouwen waren, brokken steen,
en aarde te bestaan, en dus eene lang begroeide en oude ruïne aan te
wijzen, die gewrochten van menschlijke handen te kennen gaf. Alles
echter lag vast in een, en was door de lucht derwijze vergaan dat er
niets stelligs uit op was te maken. Ik stiet met mijn stok in dien hoop;
en na dit etlijke malen, nu hier, dan elders gedaan te hebben, klonk er
iets, als of men op metaal stiet. Ik wroette zoo wat in die opening, en
daar kwam een verroest stuk koper voor den dag, het geen, hoe verknaagd
en misvormd, echter duidlijk de gedaante van het blad van een bijl had.
Wel bezien bleek het dit inderdaad, en volkomen te zijn. Deze vond was
van groot gewicht voor my: ik eigende my dit stuk gereedschaps, en
wroette voort, nu met mijn stok, dan met mijne handen en nagels; maar
het was zonder eenig verder gevolg, dan dat ik met het afkrabben van
eenige door- en overwortelde aard, de punt van een kennelijk vierkanten
schoon genoegzaam verrotten en zich in splinters of vezels verdeelenden
balk van geringe dikte voor den dag deed komen. Te vergeest wenschte ik
om een spade of houweel; en alles zat te dicht en te stijf op een gepakt
om door my verwrikt te worden.
Ik ging het heuveltjen om, en zag daar in de laagte twee of drie kleine
vogels, die ik niet wist of ik voor by uitstek schrale en kleine
hoenders moest houden, dan voor iets anders, op iets wits pikken het
geen uit de aarde of groente scheen uit te steken. Ook dit trok mijn
nieuwsgierigheid, door de vorige ontdekking ontvlamd geworden. Het was,
zoo ik dra bemerkte, de knokkel van eens menschen dijbeen, zeer wit van
de lucht uitgebleekt, half vergaan, en als verkalkt. Het been-zelf lag
hellend, met de geleding der knie opwaarts gestoken. De schenkel met de
knieschijf, een overblijfsel van 't kuitbeen, en een stomp van den voet,
waar de teenen en het meest van den metatarsus aan ontbraken, lag wat
lager, meest bedekt door kleine heesterplanten daarover gewassen. Ik
trok de struiken en planten rondom uit, en het geheele geraamte ontdekte
zich dus, vrij volkomen wat de deelen of leden betrof, doch, even als de
geleding des dijbeens, krijtachtig wit, en meestal geheel sponsachtig
geworden; ook op vele plaatsen met een fijn mosch begroeid. Daar ik 't
omkeeren wilde, brak de ruggegraat in haar wervels af, en de ribben
stortten in, met het borstbeen en de sleutelbeenen. Doch by dit
breken rammelde iets, dat wederom metaalachtig klonk. 't Was een
koperen plaatjen, door de roest zeer afgeknaagt, maar dat kennelijke
overblijfsels van letters of naar letters gelijkende teekens droeg. Meer
kon ik hier niet ontdekken; doch van eenige der zwaarste boomstammen die
ik tot nog gezien had, en die daar by één stonden, was op gelijke hoogte
niet slechts een goed deel van de schors, maar het hout daar binnen tot
op een derde der dikte uitgekapt, en ik zag daar ook sporen van letters
op. Vele dier boomen stonden dood in den grond; anderen lagen
omgeworpen; eenige droegen een verouderde en zeer schrale kruin. Mijn
zucht om dit na te sporen groeide. Ik streek met de handen en met den
gevonden bijl over deze vlakte of uitholling der boomen, om er het mosch
en de kleine takjens die er zich opgezet hadden, van af te vegen. Doch
het grootst gedeelte der oppervlakte was week, en tot dieper dan de
insnijding verrot. Op slechts weinige plaatsen had de ingesneden grond
zoo veel vastheid, dat zy zich samenhield. Ik zag dus op den eersten
boom by het lijk Grieksche letters van een zeer oude form, en die my
woorden schenen op te leveren en ik las:
[Illustratie]
de overige schrappen verdwenen. Op den tweeden boom las ik [Illustratie],
niets meer. En op de vijf overigen (want het waren er zeven die dus
uitgekapt waren) was niets overig dat zich herkennen liet. Ik maakte
hiervan:
[Grieks: xene (xeine), tis an eiês hos.....]
_vreemdeling, wie gy zijn moogt, die..._
Dat dit [Grieks: tis an eiês] slecht Grieksch was, bekommerde my niet:
het behoefde geen taalkundige te zijn die het gesneden had. 't Was
genoeg, docht my, dat het iemand was, die een vreemdeling, welke daar
aan mocht komen, iets had willen meêdeelen.
Het geen dit behelsde was weinig, maar ik trok er groote gevolgen uit.
't Scheen my nu zeker genoeg, dat ik in dit oord van den bol ten minste,
en hoogst waarschijnelijk nergens, geene menschen vermoeden mocht.
Iemand, die, daar gestorven, aan een vreemdeling, wien het geval na
verloop van eeuwen derwaart moest voeren, een bericht wilde nalaten, en
ook in dit tijdverloop niet ontdekt en naar de algemeene menschelijkheid
begraven geworden was, was daar zeker alleen, en hy vond zich op een
land van geen menschdom bewoond; het zij dan dat dit land geen
menschenvaderland was, of dat het door een der ontzachlijkste
omwentelingen ontvolkt geworden mocht zijn, en dees doode zijn
geslachtgenooten overleefd had. Dat hy daar alleen geleefd had, en zich
eene woning, een akker, met eene omperking voor gevogelte gebouwd had,
kwam my voorts zeer waarschijnlijk voor; zoo wel, als dat het graan zich
daar zelf had voortgeplant, en 't gedierte na zijn dood verwilderd
geworden was, schoon het, van een tammen aart zijnde, zich by een, en
aan een plaats waar het zijn voedsel vond en gewoon was, bleef ophouden.
Het had mogelijk om het bezit van dit erf en het graan dat er groeide,
alreeds dikwijls met de struissen of eendvogels gevochten, en my in het
zelfde daglicht beschouwd en als roover en vrijbuiter afgekeerd.----Maar
wat had alle sporen van menschen zoo geheel kunnen verdelgen, en dien
eenigen kunnen doen overblijven?----Het was waar, ik had den geheelen
bol niet doorzocht; maar ten minste een groot gedeelte; vooral, waar
menschen woonden, daar moesten zich wijd en zijd blijken van hun
aanwezen opdoen: vooral, daar noch koude, noch overmatige hette, noch
moeielijkheid van gebergten, ja niets, hunne verwisseling van verblijf
of hun doorreizen verhinderde.---Alleen mocht ergens in een groot meer,
eenig eiland besloten zijn, waaruit zy zich niet begeven konden, het zij
by gebrek van boomen of verstandelijk doorzicht; en van daar kon die
doode afkomstig en door eenig onnagaanbaar toeval over het water
gebracht zijn.--Maar die doode schreef Grieksch--wist den bijl te
hanteeren--gaf door die omsluiting en het geen uit de gevonden ruïne
besloten kon worden, een bewijs van beschaafdheid, grooter dan by dus
bepaalde eilanders van een meertjen te stellen was.--Dit verbijsterde
my.----Honderdmaal drong ik my op, dat het geen ik voor Grieksche
letters gehouden had, vormlooze en niets beteekenende schrappen waren,
door de lucht, door gewormte, en wat niet al, in de boomen veroorzaakt.
Nu zette ik my om het koperen plaatjen met alle my mogelijke
opmerkzaamheid te beschouwen. Dat mijne gedachten te vlug waren om
hierbij stil te staan, moet hier niemand verwonderen, die den aart van
zijn geest kent, en weet welke de drift is, waar meê de verbeelding als
voortbruischt, wanneer zy, eens met een geliefd voorwerp bezig, zich een
nieuw open ontsloten ziet, waar zy door wil breken. Alsdan wacht zy den
geleibrief noch de reiskaart des verstandigen overlegs niet af, noch
het geen haar op den tocht die zy aangaat, het noodigst zal zijn.
Ongelaarsd, ongeschoeid, vliegt zy voort; maar het is om, by de eerste
hindernis van den weg, neêr te storten, of op hare treden te rug te
komen.--Ik onderzocht dan het koperen plaatjen.
Het was, hoe zeer door de roest rondom afgevreten en ongelijkvormig
geworden, van eene langronde gedaante, en had nagenoeg de groote eener
handpalm. Daar was een oogjen of gaatjen in, als ware 't, om een snoer
door te trekken, en ik twijfelde niet, of het was geschikt om het op de
borst te dragen. Ik hield het dus in het eerst voor een _amuleet_, of,
gelijk men in 't Oosten zegt, _talisman_. Ik wiesch het zorgvuldig af,
krabde de verhevenheden van het spaangroen daar af, voor zoo verre ik
dit met mijn nagels vermocht, en niet schroomde zoo veel van de
oppervlakte weg te schrappen, dat de letters daar mede verloren gingen.
't Was aan beide zijden beschreven, of liever diep ingekrast, hier en
daar als ingehouwen, elders meer oppervlakkig als ingevijld; en alles
droeg het voorkomen van blijken zoo van het gebrek aan bekwame
werktuigen voor dit beschrijven, als van het belang dat men moest
gesteld hebben in er kennelijke en duurzame lettermerken in te groeven.
Beide zijden hadden de zelfde soort van letters, en deze letters kwamen
overeen met die van de opschriften der boomen: beide hadden onder het
oogjen dat voor het snoer scheen gediend te hebben, de letters
[Illustratie]
en lager, twee en een halve regel, waar van ik aan de eene zijde niets
maken kon, doch die aan de andere dit opleverden:
[Illustratie]
Het geen ik met uitlating van het onvolkomen woord in de middelste
regel, dus las:
[Grieks: Abr, ho kaloumenos Abaris..... houtos egô.]
_Abr, die genoemd wordt Abaris... deze (ben) ik._
Nu dacht ik dadelijk aan den Hyperborischen Abaris, die voor derdhalf
duizend jaren (zoo de Chronologie in dit punt juist is) in Griekenland
gereisd heeft, en wien men den naam gaf, dat hy op een pijl door de
lucht reisde.--Deze hier! Dit gaf mijn verbeelding een nieuw en een
vruchtbaar veld om door te draven, en zy was niet traag om het zich ten
nutte te maken.
Ik zal hier niet ophalen, al wat my al inschoot; al wat ik voor of na,
't zij terstond by den inval, het zij na er een poos aan gefatsoeneerd
te hebben, verwierp; en dat, het een somtijds belachlijker dan het
ander, my echter in my-zelven een soort van onderhoud verschafte, waarin
ik my gelukkiger gevoelde dan ik sedert mijne aanlanding in die wareld
nog gedaan had. Een voorwerp te hebben waarover men denken mag, en dat
ons belangrijk genoeg is om de aandacht wel vast te houden, is zeer veel
in de eenzaamheid. Maar mijn lezers zijn niet in het zelfde geval, en ik
heb hun verveling te ontzien. Ik zal dus alleenlijk dat aanvoeren, wat
het uitsluitsel van al die bedenkingen en overwegingen wierd. En dit
bestond in de volgende punten, die ik den geleerden als gissingen
voorstelle, waarop zy, behaagt het hun, nadenken mogen. Misschien zijn
zy sommigen onder hen deze moeite waardig.
1^o. Dat de Noordlijke Reiziger Abaris hier aangeland en gestorven was
en deze opschriften van hem waren.
2^o. Dat die Abaris een naam had, in 't Oosten bekend (het geen by een
Schyt gants niet vreemd zijn kan), en dat deze naam, by de Grieken door
hun uitspraak en den uitgang dien zy er, naar hunne gewoonte, aan gaven,
dus als wy hem plegen te noemen, veranderd, in wezen de zelfde was met
het Oostersche _Abram_, of wel, met de wortel [Hebreeuws: abr].
3^o. Dat deze Abaris niet slechts by de Grieken den naam had van door de
lucht te reizen, maar ook de daad. Van waar misschien de naam _Aber_, in
de beteekenis van _Vlieger_, in de Noordlijke taaltakken nog over in
_Eber_ en _Adebaar_ (nu in het Hollandsch _Ooievaar_), aan hem gegeven
en door hem aangenomen is.
4^o. Dat hy, naamlijk, den luchtbol, en wel niet slechts de
_Montgolfiere_, maar dien met de brandbare of eene andere
gelijksoortige, en ons mooglijk onbekende lucht, gekend heeft, en zich
van dien bediende.
5^o. Dat de oorsprong van het fabeltjen van zijn vliegenden pijl, waar
hy op reed, of, te zoeken is in het zeggen, dat hy _als een pijl_ door
de lucht vloog; of wel, dat men den naam van _bol_, (_baul_), _bal_, of
_bel_ (alle talen oorspronklijk gemeen), waarmeê hy zijn voertuig
benoemde (by de Grieken veellicht tot [Grieks: balos], of [Grieks:
bolos], of [Grieks: bêlos], gemaakt), met hun Grieksche woord [Grieks:
belos] verwarde.
6^o. Dat hy op gelijke wijze als ik, op dien planeet aangekomen, by zich
in zijn vaartuig eenige gereedschappen gehad heeft, die ik miste;
waarvan de bijl, die een Grieksche of Oostersche gedaante had, en van
zeer hard koper was[5].
[5] Dat de Oostersche Schyten koperen bijlen gebruikten, meldt Strabo,
XI, 10.
7^o. Dat hy veellicht uit eenig Oostersch landschap, waar de kalkoenen
inlandsch zijn, ook een paar of meer vogels met zich meêgenomen had, met
voornemen om die in zijn vaderland voort te telen. En dat hy veellicht
op gelijke wijze en met het zelfde voornemen de garst en nog andere
vogels en zaden of granen by zich had, wanneer hy op mijn bol aanlandde:
alwaar zich de vogels voortplantten, de garst in wezen bleef, en het
overige met den tijd in den vreemden grond en lucht weêr uitstierf.
8^o. Dat hy door behulp zijner gereedschappen, zich daar eene woning, en
akker- en vee- of vogelteelt maakte, welke echter zeer gebrekkig waren,
als alleen kunnende bestaan uit de soorten die hy daar vond, of
toevallig by zich had.
9^o. Dat hy, zijn voertuig misschien verongelukt zijnde, niet weder te
rug kon, en zijn leven aldaar heeft moeten eindigen.
10^o. Dat hy de hem mooglijke voorzorgen genomen heeft, om door middel
van opschriften de gedachtenis of kennis van dit zijn lot te bewaren en
over te brengen aan den gene, die op gelijke wijze daar aanlanden
mocht.
11^o. Dat hy zich hiertoe beide van de Grieksche, en van zijne eigen
taal bediend heeft, en dat deze beide talen toen ter tijd de zelfde
letters hadden, doch het Schytsch als het Oostersch, waarmeê het nog
zeer veel gemeen had, in omgekeerde richting van 't Grieksch geschreven
wierd.
Het is zeker, dat Herodotus en de verdere oude Grieken niet altijd
liegen, wanneer men het daar voor houdt. Wanneer zy verhalen, dat in het
Noorden de lucht dikwijls geheel vervuld is met neêrvallende vederen, 't
geen het reizen aldaar moeilijk maakt, is het zeker, dat zy van de
sneeuw spreken, waarvan die hun dit meêgedeeld had zich geen denkbeeld
had kunnen maken dan uit vergelijkende beschrijvingen, die het uiterlijk
aanzien der vlokken betroffen. Even weinig konnen zy, of die genen, van
wie zy het overnamen, zich het reizen door de lucht voorstellen; maar
het naaste denkbeeld was, als een vogel, of als een pijl. Als een vogel
geschiedde het niet, want er waren geen vleugels by, door wier middel de
opheffing geschiedde: zie daar al wat men wist. De pijl bleef dus
overig, en het denkbeeld van een ingedrukte beweging als een afgeschoten
schicht eigen is. Men plaatste hem dus in verbeelding op zijn pijl,
waartoe zelfs de naam van zijn voertuig, als gezegd is, iets doen kon.
Dit inbeeldsel was zoo belachlijk als onmooglijk; maar de bol maakte
zijn luchtreis, waar van toch getuigen en blijken waren, voor hun
allen even zeer onmooglijk, en veel beter nog wist de verbeelding
zich van een pijl dan een bol te bedienen, om van deze vlucht eenig
schijntafereeltjen te vormen. De ongeloovigheid der menschen, waarin zy
bewijs van verstand stellen, is veelal niet dan een gevolg hunner
onkunde. De eenoogigen van Herodotus (Arimaspen) zijn in een volk van
schutters, dat zich gewend heeft het eene oog te sluiten--; de menschen
met de oogen in de borst, in de zwaar gekarpoesde Eskimaux of
Tsuchties--; de meermannen in de half in hun schuitjens genaaide en
daarmeê in en onder het water omtuimelende ijskustbewoners weêrgevonden.
Voor weinige jaren nog werd Abaris reizen door de lucht als een bloot
verdichtsel aangezien. Latere ontdekkingen zullen nog meer verhalen der
oudheid, waarmeê wy nog thands den spot drijven, bewaarheden. En
wellicht wordt _de ware geschiedenis_ van Luciaan (hoe zeer ter
beschimping, uit loutere ongerijmdheden saamgesteld) zoo de wareld
slechts voortduurt, nog eens vol van zeer wezendlijke en t' eenigen tijd
algemeen bekende waarheden bevonden, en hy, tegen zijn' dank, een
[Grieks: alêthographos]. _Il ne faut desesperer de rien_.