Ik verlangde, als natuurlijk, naar zoet, en, zoo wy het gewoon zijn te

noemen, drinkbaar water. Rivieren vond ik niet, zoo men op eene enkele

plaats eene opborling van een meer dan laauw, stinkend, onzuiver water,

dat een eind weegs langs een hellenden grond afvloeide, en daar staan

bleef, uitzondert, en dit dien naam dragen kan. Mijn dorst echter was

lijdelijk, wanneer ik my tusschen de bergen in de laagte bevond. Op de

hoogten vermeerde zy zeer aanmerklijk; en dit dreef my telkens naar de

valleien. Ik merkte dit naauwlijks op, of ik nam tevens waar, dat alles

tot zekere hoogte in een waterdamp stond, dichter dan die men by ons in

de zomer- of herfstavondstonden op de weiden gewaar wordt; en dien damp

heb ik altijd en zonder afwisseling op den grond gezien. Ik had echter

noodig te drinken, en moest my dus met het water der meeren behelpen;

doch allengs gewende ik, zeldzamer te drinken. Van de dieren heb ik wel

baden in 't water, doch geen kennelijk drinken gezien. Voedsel dat

dorstverwekkend was vond ik ook niet, zoo min als dat dorst versloeg.

Hoe zeer aan alles gewoon wordende, heb ik echter nooit eene hoogte van

slechts weinige vademen kunnen beklimmen, of de dorst werd my lastig, en

al spoedig onverduurbaar. Aan eenige struiken en heestergewassen vond ik

een soort van bezien met een taai vocht, maar met kleine wurmen vervuld,

en deze boomtjens zeer sterk met kruipend gedierte beladen, de grootsten

van een halve vinger lengte. 't Scheen my naderhand toe, dat de

boomgewassen alleenlijk voor het kruipend gedierte, de aardvruchten voor

de vogelen waren: viervoetige dieren vond ik niet.

Daar ik in de dieren geen roovenden, vleeschetenden, of beschadigenden

aart kon bespeuren (want noch de bek, noch de nagels droegen daar eenig

bewijs van), en de kruipende beestjens zich even zoo zeer op hun

heesters als de schelpdieren in 't water schenen te houden, verging mijn

bevreesdheid, en ik lei my, vermoeid zijnde, onbekommerd neêr; waar ik

dan ook doorgaands insliep, en, na de verkwikking des slaaps, mijnen weg

vervolgde. Aardvruchten vond ik alom, en meestal wezen de gemaakte holen

in den grond my den weg, waar zy rijklijkst en rijp waren. Ik had voor

het overige een fles met water gevuld, dat ik spaarzaam gebruikte. Zijn

brakheid beval het den smaak niet sterk aan; ik ontwendde het drinken

meer en meer; ik vermijdde de dorre hoogten, en hield my in de vochtige

laagten; ik voegde daar een veelvuldig baden by; en mijn fles duurde

lang.

Geen dieren schenen op elkander te azen. My ook verging dra de lust naar

het vleesch, en zoo ik somtijds den inval kreeg om te zien, dat ik eenig

gedierte verstrikte of ving, bedacht ik dat de prikkelende dierlijke

geesten my dorst mochten verwekken, waarvoor ik zeer vreesde. Ik begon

dit land te beschouwen als niet geschikt voor het vleescheten. Alles had

den schijn en het voorkomen van dit aan te kondigen, en ik onthield er

my van, zonder enig gevoel van ontbering.

Somwijlen dacht ik, zoo de dieren elkander niet eten, wat wordt van hun

lijken; en ik nam voor, aan dit voorwerp eene bijzondere opmerkzaamheid

te geven. Ik vond genoegzaam geen lijken van de struisvogels dan onder

de heesterstruiken, waarvan ik gemeld heb, als of zy hun tijd uitgeleefd

hebbende, zich daar eene sterfkoets zochten. Van de eendvogels geene

lijken in het geheel. Veellicht dat dezen zich ten zelfden einde in het

water lieten nederzijgen.

Dikwijls als ik nederzat, dacht ik over de wijs van eenige zekerheid

voor mijne reis_routes_ te hebben, of de plaats van waar ik vertrokken

was, weder te vinden. De volstandige hoogte der maan, die, hoezeer by de

plaatsverwisseling van mijn reis verandering ondergaan hebbende, echter

nog altijd zeer ongewoon bleef, dwong my de onderstelling af dat ik

tusschen de keerkringen moest zijn; en de onveranderde stand der zon

daarby, dat de aard by een wonderwerk stil stond. Ik had ook nog geen

aanmerklijk verschil tusschen haar beider betreklijken stand opgemerkt,

alhoewel het my somtijds voorkwam, of hare onderlinge afstand iets

minder wierd. Ik bleef ze dus als stilstaande houden. Het was en bleef

dag. Geen gestarnte, geen parallaxis, voor my waar te nemen. Alleen de

verwijdering van de zon kon (dus begreep ik 't) my deze onder den

horizont brengen en nacht geven. Ik was begeerig nacht te zien, en nam

mijne reis, zoo veel doenlijk, rechtlijnig van de zon af, de maan in

het zenith houdende. Ik merkte een bergspits op, die met my en de zon in

een rechte lijn stond, en ik stelde my deze ten doel om op af te gaan.

Al wandelende berekende ik ten ruwste, hoe veel uren gaans ik wel

afleggen moest, om de zon, nu, gelijk ik het schatte, omtrent 15° boven

den zichteinder, en daar staan blijvende, beneden de kim te krijgen. Het

getal was niet aanmoedigend; maar ik had den tijd. Echter geenerlei kans

ziende om den voortgang in tijd dien ik maakte, te erkennen, daar er

geen dag- en nachtverwisseling was, zag ik daadlijk dat mijn rekening my

niets baten mocht, en al het bewijs dat ik van mijn vordering hebben kon

in de werklijke daling der zon moest bestaan. Intusschen, het geen ik in

't eerst niet bemerkt had, naderhand flaauw, en onzeker of ik 't wel

opmerkte, werd my nu kennelijk en zeker: De zon en de maan naderden

zich; en het licht der laatste nam daarby zoodanig af, dat ik er slechts

een flaauwen en als schemerenden rand van te zien hield, die welhaast in

de meerder nabyheid der zon zich verloor. Doch in plaats van de zon te

zien dalen, zoo als ik door mijne verwijdering my verbeeld hadde, rees

zy en stond wanneer ik de maan niet meer zag na aan 't toppunt, het geen

zy weldra besteeg. De maan was welhaast weêr zichtbaar aan de andere

zijde der zon; en nu was mijn weg die eerst van de zon afgekeerd was

geweest, naar de zon toe: of liever, de zon was my voorgegaan. Ik kon

haar niet inhalen; en besloot, nu zy ging, stil te staan, en ter plaats

waar ik was, de nacht af te wachten, die ik eerst zoeken ging, maar die

my nu zelve wel haast stond op te komen.--Ik was nu overtuigd, dat er

wederom nacht en dag was; maar met één, dat zy veel langer duurden,

dewijl ik in één dag de maan afgaande en vernieuwd had gezien. En ik

merkte tevens op, dat de verlichting in die twee kwartieren geheel

omgekeerd was van het geen ik haar altijd gekend hadde. De horens hadden

te voren naar mijn linkerhand gekeerd gestaan, en nu stonden zy by de

herschijning naar mijn rechterhand heen gewend. Dit-alleen had my alles

moeten verklaren; maar ik was zoo verr' van het denkbeeld van buiten den

aardbol te zijn, dat al wat ik zag en opmerkte, my een raadsel bleef. Ik

maakte my nu geen tentbed, maar wat ruimer tentjen van takken om schaduw

te hebben, en toefde de nacht.

Dit echter, indien ik het zeggen zal, was loutere weelde van my, want de

zon was my in der daad niet te heet op het hoofd, en de wind altijd vrij

gematigd, zoo dat ik zoo min storm of onweêr als eenige regen beproefd

heb, al den tijd van mijn verblijf op dien aardbodem. Ik zag er zelfs

geene eigenlijke wolken; alleen nu en dan was de lucht iets minder

helder, en alsdan de warmte grooter; doch te gelijker tijd vond ik my

dan de borst beter, en my minder spoedig door 't gaan afgemat. Het

scheen of de dampen, die gewoonlijk slechts eenige voeten hoog rezen,

en waaraan ik het toeschreef dat de beenen my opzwollen, alsdan hooger

rezen; doch nooit in die maat, dat zy den hemel-zelf plaatslijk

bedekten. Ook het onderscheid van hitte toen de zon in het toppunt was,

van toen zy vrij laag stond, merkte ik naauwlijks op. De dampkring

waarin ik hier leefde, was blijkbaar verschillend van die ik ooit

beproefd had. Dit werd my steeds duidelijker.

Ik was hier in eene vallei van groote uitgebreidheid die halvemaanswyze

zich boog om een meer, waar ik voor het eerst andere dan schelpvisch

zag. Deze was een soort van platvisch, en daar ik bepaald had hier te

blijven tot de zon onder mocht gaan, en den dag die my langer dan

veertien dagen gevallen was, eindigen, kwam ik op den inval van te

visschen. Ik dacht dezen platvisch gedroogd te kunnen nuttigen, en mijn

vrees voor de dorst zweeg. Ik had echter noch net, noch touw om een net

te vervaardigen. Ik stak een aardvrucht aan een boomtak, maar de visch

wilde niet aanbijten, alschoon hy op de brokken aasde die ik in 't water

uitstrooide. Mijn oogmerk derhalve verviel. De soort van eendvogels

waarvan ik gemeld heb, vlogen hier af en aan. Nu, zich in het nat

dompelende, dan zwemmende, dan weêr op den oever omhuppelende, dan weêr

wegvliegende, hielden zy my door de verscheidenheid van hun soorten,

hoezeer allen graauwgevederd, en door de meerdere zachtheid van hun

kreet, die in sommigen zelfs iets zangerigs had, bezig. Ik teekende

hier wat ik zag, in mijn zakboekjen af, zoo veel 't weinige wit papier,

dat daar nog in overig was, toeliet; en het zijn deze afbeeldingen die

ik in mijne uitvoerige reisbeschrijving zal meêdeelen, ten welken einde

zy werklijk in het koper gebracht worden.

Hier herinnerde ik my ook, dat ik tot nog geene eieren, het zij van de

eenden, hetzij van de struissen, ontmoet had; die echter misschien een

goed voedsel konden opleveren. Ik besloot er naar om te zien. Sedert

vond ik eenige eendvogeleiers, maar zonder harden schil en alleen in een

vlies omvat, en veel te verr' heen om eetbaar te zijn, aan een oever van

't meertjen. Van de struisvogels heb ik er geene in 't geheel gezien,

ook geen geheel kleine kiekens. Het schijnt dat zy zich om te leggen en

te broeden wisten af te zonderen waar ik hen nooit beloerd of betrapt

heb, en van daar niet wederkeerden dan wanneer hunne jongen reeds vrij

wat in grootte en krachten gewonnen hadden.

Het duurde nu niet lang of 't werd avond, en, na eenen zeer langzamen

overgang, nacht. Doch die nacht, door den onbegrijplijken luister der

maan verlicht, was vrij helderer dan menige wintersche dag. Ik kon my

niet genoeg verwonderen over de grootte der maan, die al voller werd

naar mate de nacht groeide. Het was thands dat ik den overgang der

vlakken, en door dezen, de omwenteling, kennelijker onderscheidde. Lang

staarde ik dit nieuwe schouwspel met verwondering aan. De geheele

schijf had echter minder verscheidenheid van licht dan wanneer zy minder

vol was, en de vlakken waren dus gedeeltelijk flaauwer. Het had iets van

het achterste van een mappemonde, waarvan de voornaamste trekken

doorgedrukt zijn. Slechts twee der planeeten vielen my in het oog:

Venus, die ik duidlijk herkende, en, waarschijnelijk, Mars. Ik zag ook

de gestarnten, maar flaauw en zeer onduidelijk, daar de glans der maan

haar verdoofde. In een vrij geruimen tijd, en na een herhaalde

waarneming in die nacht, die niet heel veel minder lang was dan de dag

die haar voor had gegaan, en die ik in verscheiden waak- en

sluimertijden verdeelde, bespeurde ik nu ook de algemeene beweging des

hemels, maar zeer flaauw en langzaam, en ik vond niet dat hy om den

pool- of noordstar draaide. Deze star-zelve beschreef een aanmerkelijken

kring, en de pool scheen veranderd. Eindelijk, alles wees my, dat het

middelpunt der beweging, zoo veel ik zonder gereedschap of toestel, met

het oog na kon gaan, ongevaar 20° van haar verschilde.

* * * * *

Eens, terwijl ik zeer oplettend op het luisterrijk hemellichaam

staarde, dat ik nog voor de maan hield, en waarin ik echter de maan

niet herkennen kon, zag ik een vlak, die trager dan de overige dreef.

Hy deed zich slechts als een klein stipjen voor, dat in de glans van

het licht der schijf verzwolgen wierd, en verdween spoedig, zoo dat

ik het naauwlijks bespeurde. Het scheen my iets van een soort van

maanverduistering te hebben; als of een tusschen beide geplaatst

lichaam, door den bol waarop ik my bevond overschaduwd wierd, en dus

tegen den helderen grond van de maanschijn zichtbaar wierd, tot het deze

schaduw door was gegaan. Het verschijnsel was mijn gezicht wel niet

klaar (want ook dit had in mijn kort verblijf in dit vreemde land gants

niet weinig geleden), en wellicht was het bloote verbeelding, of iets in

den dampkring, dat my voor 't oog zweefde, maar het herriep my de

tusschen- of ondermanen, waar van in mijne Inleiding, en waar ik in

langen tijd niet aan gedacht had.

Nu begon ik alles, wat ik waargenomen had by een te trekken, en het was

of my in eens een lichtstraal opging by het denkbeeld: het is niet de

maan, maar de aardbol dien ik voor oogen heb; en die aardbodem, waarop

ik my thands bevinde, is de maan. Dit eene loste my alle verschijnsels

op. Maar nog naauwlijks in gepeins geraakt over de mogelijkheid hoe ik

met mijn luchtbol tot den maanbol had kunnen naderen, werd ik door een

ander schouwspel getroffen: Een tweede maan, kleiner dan ik de maan in

mijn leven gezien had, maar volkomen met hare vlakken geteekend, deed

zich op naast de groote en van achter haar, bleeker dan ooit. Zy

verwijderde zich van de grootere, scheen my in die verwijdering zelve,

in grootte iets toe te nemen, zoo wel als in de kracht van haar licht,

even als of zy my nader by kwam; en wanneer de grootere, die ik nu voor

den aardbol hield, begon te verminderen, nam zy desgelijks af, tot zy,

na eenige mijner nachtwaken overgeduurd te hebben, in het ander gedeelte

des hemels verdween.

Thands had ik de maan-zelve herkend, en dit bevestigde my te gelijk in

het denkbeeld, dat de groote luisterrijke bol, de aardbol-zelf was, en,

dat ik my niet op de maan vond. Waar dan ben ik? vroeg ik my, of wat is

de bol van mijn tegenwoordig verblijf?--De verschijnselen hadden my

overtuigd, dat hy een loop om de aarde had, die met die der maan

overeenkwam; dat deze loopbaan tusschen de aarde en de maan was; en dat

hy deze loopbaan in iets langer dan de maan haren kring, afleide.--Ik

zal deze weinige punten kortelijk opnemen.

Vooreerst dan: de bol waarop ik was, had een loop om de aarde

als die der maan. Want hy was nu achtereenvolgende tegen de linker

halfverlichte, de duistere, de rechter halfverlichte, en de

geheelverlichte zijde der aarde overgesteld geweest. In den

eerstgemelden stand had hy de zon ter linkerzijde; in den tweeden, boven

zich; in den derden, ter rechterzijde; en in den vierden onder zich. En

deze standen zijn zoo in haar opvolging als anderzins even als die van

de maan.

Ten anderen: de bol bevindt zich tusschen de aarde en de maan, want zijn

nachtgetijde was naar de volle maan toegekeerd, wanneer deze in haar

versten afstand van de zon was, en wanneer zy tot haren naasten afstand

van die geraakte, werd haar duistere zijde zichtbaar, en grooter tot zy

verdween, terwijl echter de bol-zelf zich tusschen de zon en de aarde

bevond.

Ten derde: de bol voltrekt zijne loopbaan in iets langer dan de maan de

hare afloopt. Zoo lang de bol in den stand 1, 2, 3, 4, 5 ten opzichte

van den aardbol was, die hier in het middelpunt wordt vertoond, werd

geen maan gezien. In het punt 6 werd zy gezien van achter de aarde

uitkomende. Zy stond dus, niet meer rechtlijnig achter dezelve. In 5 was

zy nog niet gezien, zy was dus toen door de aarde bedekt, en tot in den

stand van den bol in 6 bedekt gebleven. Zy had dus een gelijk gedeelte

van loopkring met den bol afgelegd, maar nog zoo veel daarboven dat zy

nu uit de bedekking der aarde was in het punt _a_. En dit stemt overeen

met het begin van haar afnemen toen de bol in 7 was. De bol had toen,

van het zelfde punt 5 te rekenen, een dubbeld deel afgelegd, en de maan

dus by haar dubbel deel ook een dubbel gewonnen in _b_, en alreeds kon

haar begin van afnemen zichtbaar zijn. Toen de bol in 8 was, had de maan

op gelijk cirkeldeel driemaal haar vordering gewonnen in _c_, en eer de

bol tot het punt 1, waarvan wy zijn loop afrekenen, te rug kwam, moest

met gelijke vordering de maan, in _d_ zijnde, reeds niet meer van hare

verlichte z[^ij] aanbieden.

[Illustratie]

Ik begreep dan nu op eene dier ondermanen te zijn, die ik my zoo lang

tusschen de aarde en de maan had verbeeld, en meende in den stip dien ik

over de aarde had zien gaan, nog een even dergelijken satelliet te

erkennen.

Nu begon ik in het onderzoek van dit bolletjen, (want het was inderdaad

klein, als ik dra uit alles bevond) een geheel nieuw belang te stellen.

De nacht was weldra voorby, en weêrhield my niet meer. Want de

duisternis zou my wel niet verhinderd hebben, daar ik voor een

zoodanigen maneschijn geenen dag zou verkiezen, en tot mijne

waarnemingen, van wat aart ook, geen helderer licht wenschen kon; maar

door het omgaan der nacht, bleven die waarnemingen, welke zy alleen op

kon leveren, voor zoo lang opgeschort, als de nu aangebroken dag duren

moest. Dat is, er moesten nu, eer ik my wederom met de verschijning der

verlichte aarde in haar vollen luister verheugen kon, naar onze aardsche

rekening ruim drie weken verloopen. Ruim drie weken, zeg ik; want de

loop van mijn bol wat trager dan die der maan zijnde, en zoo ik toen

vermoedde in de reden van 3 tot omtrent 4, moesten nacht en dag voor my

zeven en dertig etmalen duren, en het samenstemmend tijdstip van _volle

aarde_ of _middernacht_ zes en twintig dezer etmalen van my verwijderd

zijn; welke ik voornam geheel aan den staat van den bol-zelven te koste

te leggen.

Met mijn nieuwe denkbeeld vervuld, dacht ik aan geen menschen, noch aan

eenig gebrek. Ik gaf mijn planeet den naam van _Selenæa_; maar bedacht

my welhaast en bewaarde dien voor een hoogere ondermaan, die ik my

voorstelde weldra te zullen ontdekken, en nam dien van _Selenion_ voor

de mijne aan, terwijl ik de lagere en zekerlijk kleinere, die ik meende

beneden my en in mijn schaduw over de aardschijf te hebben zien

doorgaan, _selenidion_ noemde. Hier meê was de geheele nomenclature voor

de toekomstige _Maankunde_ die nu welhaast (dacht ik) geboren moest

worden, in volkomen orde. Mijn bol maakte een verdeeling en vestigde die

door de haar-alleen eigen naam _selenion_. Al wat boven dezen was of

ontdekt stond te worden, zou _selenæa prima_, _secunda_, _tertia_

heeten; al wat tusschen hun en de aarde, _selenidion primum_,

_secundum_, enz. Recht van harte verheugde ik my in deze uitbreiding der

Astronomische kennissen, en de oneindige reeks die ik my voorstelde van

al hare toepassingen, invloeden, en uitbreidingen. Hoe weder te keeren

naar de aarde, kwam niet in my op: want ik gevoelde daar in die

oogenblikken de behoefte niet van. Hoe hier, waar ik was, voort te leven

van enkel aardvruchten, zonder middel om mijne kleederen of te

vernieuwen of te onderhouden, viel in het geheel in den kring mijner

bevattingen niet. Alleen wenschte ik my wel eens papier, 't geen me

ontbrak, en gereedschappen van Meet- en Starrekunst; en, met dezen, had

niets aan mijn wenschen gemangeld.

Het was ondertusschen verre van daar, dat ik niet in den grond van mijn

hart naar menschen gewenscht zoude hebben. Ik stelde in mijn hoofd

alreeds allerlei berichten voor geleerde tijdschriften op. Ik streelde

my met mijne ontdekkingen in betrekking tot Starrekunde en Zeevaart. Ik

zocht er een nieuw licht in voor de Natuurkunde. In 't kort, het geheele

systema mijner gedachten onderstelde de bekendwording, de mededeeling,

de overbrenging mijner ontdekking, op den aardbol, zonder dat mijne

verbeelding zich met dat punt eenigzins bezig hield. Punt, dat my

naderhand als ik er bepaald op begon te denken, zoo vele bekommering

maakte!

Wanneer ik my op mijn vorig reisjen, in het gebergte bevond, en de lust

opvatte om de nacht op te zoeken, had ik my van de zon afgekeerd, en in

die richting, zoo veel de grond toeliet, mijn weg genomen. Ik was

vervolgens te rug gekeerd, maar de aardbol was toen mijn leidstar

geweest, en een geheel andere weg had my onder zijn meridaan of laat ik

zeggen, hem in mijn zenith gebracht. Maar de plaats, waar ik den aardbol

als in 't zenith geplaatst kon beschouwen, was om zijne grootte, by zijn

afstand niet zeer bepaald. Ik had dus het plekjen, waar de overblijfsels

van mijn luchtvaartuig te vinden waren, niet weder gevonden, en wist

niet, hoe het ooit weder te vinden. Het ware natuurlijk, ten minste

verstandigst geweest, daar naar om te zien, en mijne eerste stappen aan

te wenden om dit weêr te ontdekken, en dan eenige maatregel te nemen ten

einde die overblijfsels die daar op het veld in den vochtigen nevel of

waassem vergeten lagen, en door wie alleen, zoo de zaak ooit te wagen

was, mijn te rug reis naar de aarde geschieden kon, op wat wijze dan

ook, voor het spoedig bederf te bewaren. Maar dit kwam niet by my op. De

stand van den bol was nu, als by mijne aankomst van de aarde. Ik was

toen rechtsaf gegaan, en nu wilde ik daartegen de linkerhand volgen. Ik

had een deel van de helft des bols, die naar de aarde toegekeerd was

bezocht, nu wilde ik de andere helft zien aan te doen, alwaar ik

veellicht heel iets anders dan struissen en eenden ontmoeten kon.

Inderdaad verbeeldde ik my de mooglijkheid van iets zeer ongemeens. Ik

had in mijn jongen tijd eenig werk van de Oostersche talen gemaakt, en

by die gelegenheid met de schriften van ouder en later Rabbynen

bekendschap gekregen. Bekendschap, die ik, zeker (als 't gaat) weinig

heb aangekweekt, maar waar uit my echter altijd nog denkbeelden en

herinneringen door den geest bleven waren. Ons oordeel over de zaken

verschilt naar de omstandigheden waarin wy zijn. Het is met de

denkbeelden als met kamermeubelen. Wanneer wy ze niet weten te plaatsen

waar zy voegen, of er geen gebruik van zien te maken, zoo brengen wy ze

op den zolder, en vergeten ze. Daar raakt dan wel eens iets verloren, en

het zeggen van den Dichter wordt bewaarheid:

_Exilis domus est, ubi non et multa supersunt,

Quæ dominum latent, et prosunt furibus._

Deze dieven zijn tijd en volstrekte vergetelheid. Doch, ontstaat er

iets, waar door wy gelegenheid vinden of nemen, om een ledig vakjen te

meubileeren, of een vertrek anders dan eerst te stoffeeren, zoo worden

zy voor den dag gehaald, geboend, en opgekuischt, en zy worden ons door

de plaats die zy nu verkrijgen, van belang en waarde, schoon ze ons

eerst in den weg stonden.--Onder het geen my in vroeger tijden als eene

belachlijkheid voorkwam, was het gevoelen van eenige dier Joodsche

Geleerden, dat het Paradijs, by de omwenteling des zondvloeds, van den

aardbodem weggenomen en op zekere hoogte in de lucht was gevestigd en

daar nog bestond. Men heeft dit gevoelen in de Geologische stelsels

somtijds aangevoerd als eene bevestiging dat het paradijs op een

hoogeren grond dan de tegenwoordige aardbodem gelegen had, maar die door

den zondvloed verzwolgen is. Thands kwam het by my, als een stem uit de

diepte of een licht uit den afgrond, weêr op, en te gelijk het

denkbeeld: Zou ook op een dezer ondermanen het paradijs kunnen zijn? zou

een van die ook dat afgescheiden brok des eersten aardbodems kunnen

zijn, niet (als het overige) verzwolgen door den watervloed, maar van

den rotsgrond, waar het paradijs op geplant was, losgebroken? En zou het

ook misschien op dezen zelfden bol waar ik my nu tegenwoordig bevinde,

bestaan?---Zoo ongerijmd het my-zelven voorkwam, iets dergelijks te

stellen, zoo bleef het my echter door 't hoofd malen; het hield mijne

inbeelding bezig, en dreef my, als ware 't, mijns ondanks, om toch mijn

planeetjen wel en ter deeg te doorzoeken.

Ik had tot dus verre geen voetspoor of schijn van iets dat menschen kon

doen vermoeden, ontwaard. Ik had geene verslindende dieren gezien, maar

alleen onschadelijke soorten. Ik ging dus in de allervolmaaktste

gerustheid op weg, overkruiste eene bergrij en eene breede vlakte daar

achter, waar ik overvloed van aardvruchten vond, en eenig geboomte dat

my nog niet was voorgekomen; maar mede onvruchtbaar, anders dan van een

soort van stakkelbezien, en met een byzonder ras van torren of kevers

bezet. Ik had my nu een stok afgesneden, ten einde de diepten des waters

te kunnen peilen; nadien ik my voorstelde, dat verscheiden meertjens die

ik telkens ontmoette, wellicht waadbaar zijn mochten; in welk geval ik

begreep vele omwegen te kunnen afsnijden. Ik vond my echter bedrogen, en

nergens zoodanige doorgaande en gelijkmatige ondiepten als waarop ik my

wagen dorst. Nu stapte ik een opgehoogd en geëffend pad, als het scheen,

op, doch waarvan my echter het byzondere niet in het oog viel, en ik

kwam na een kleine bocht, tusschen struiken en heesters en eenige

grootere dikgestamde boomen door, op een soort van hoenderwerf als het

zich aan liet zien, waar een menigte van kalkoenen, graauw van

gevederte, door elkaâr liepen.

Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking · 第 2 / 4 段