Dat Abaris, de Noordsche reiziger, die uit zucht om wetenschap te

verzamelen verre landen bezocht, Natuurkundige begrippen had, welke de

Grieken nooit gekend hebben en die by ons nog zoo nieuw zijn, behoeft

niet te verwonderen. Wat zijn onze kundigheden, dan het geen van sedert

kort voor onze jaartelling uit de Grieken tot ons overgebracht was? En

hoe deerlijk was de vervallen, verwoeste, en verwilderde staat van de in

woedende horden verkeerde volken, afschrik van het zuidelijk deel van

ons warelddeel, geworden. Een staat, die te minder verwonderen moet, als

men de geweldige natuurschokken die de grond van dat Noorden blijkt

ondergaan te hebben, in aanschouw neemt. De Grieken stelden er den

_ouden Hof van Febus_, [Grieks: Phoibou palaion kêpon] (als Sofokles

zegt by Strabo VII, 1); roemden de schoonheid der Hyperboréën[6]: en dat

zy van hun, zelfs godsdienstplechtigheden hadden overgenomen, is

kennelijk. Doch wat ook de Grieken daarvan hielden, kinderen in verstand

en in volksouderdom, en die toch bekennen dat zy van Anacharsis (een

Noordlander) den vuurslag, het anker, en het pottenbakken geleerd hebben

(Strab. ib. 8.): dat oudtijds in het Noorden een machtig en zeer

beschaafd volk gebloeid heeft, onmiddelijk uit het Oosten daar heen

gewandeld, en dat in verstand en kennissen uitmuntende, de leeraar des

overigen menschdoms geweest is, dit getuigt heel het Oosten, dat aan hen

zijn beschaving en de mededeeling van de belangrijkste kennissen dankt.

En dat ook dit volk Natuurkundige en Chemische kennissen had, waar van

men twijfelen mag of zy de onzen niet in vele opzichten te boven gingen,

maakt alles waarschijnlijk. Tot in het diepste van Indien, is niet de

algemeene overlevering onder de Bramannen alleen, maar zijn de

geheiligde boeken vol van een (om het dus uit te drukken) heilig ontzag

voor het Noorden. Daarin wordt het Noorden, bestendig voorgesteld en met

levendige kleuren geschilderd, als de zetel van welvaart en rijkdom.

Daar stellen zy sedert onnagaanbare eeuwen den wonderbaren berg _Meru_,

waarin _Kuvero_, de God van den rijkdom, zijn throon heeft gebouwd. De

rijkheid der mijnen van het (eertijds een geheel ander aanzien hebbende)

Scandinavie, mag dit laatste denkbeeld verwekt hebben; maar het bewijst,

dat men, van zoo oud als dien narichten, vertellingen, en haar

aanteekeningen of overleveringen heugt, aldaar deze mijnen bewerkte en

sints lang met veel vrucht bewerkt had; en zoodanig een volk kon niet

missen in Natuurkundigheden en Scheikundige wetenschap alle andere verre

te boven te gaan; maar het kon ook, daarin gants oorspronkelijk zijnde,

vorderingen gemaakt hebben, die wy, naar systemaas geleerd, die wy van

Arabers en Grieken ontleenden (zelve onkundige en uit nabootsing en

naprating denkende en handelende volken), niet dan na eeuwen op eeuwen,

en dan nog niet anders dan door een gelukkig toeval, bereiken konden.

[6] Men zie, by voorbeeld, Kallimachus in zijnen Hymnus aan Delos.

Diogenes Laërtius verhaalt, dat Pythagoras om zijne uitstekende

welgemaaktheid niet slechts een _Apollo_ genoemd, maar voor den

_Apollo van uit het Noorden_ door zijn leerlingen gehouden werd.

[Grieks: Kai autou hoi mathêtai doxan eichon peri autou, hôs heiê

Apollôn ex Hyperboreôn hyphigmenos.]

Veel ware er nog aan te merken, over de verkeerde wijze, waarop deze

wetenschap altijd behandeld is geweest, en vooral over de tot in onze

dagen altijd verwaarloosde beoefening der uitzettende vloeistoffen, door

het welke al onze ontbindingen altijd onvolkomen gebleven zijn, en het

allergewichtigst werkmiddel in de hand der natuur en in die van haar

nabootster, de kunst, nutloos bleef. Men verongelijkt een beter, een

wijzer, een minder vervallen menschengeslacht, dat ons op zoo groot

eenen afstand, zoo reusachtig voorging, wanneer men het de onnoozele

verkeerdheden aanwrijft, die in het nietige, ijdelhoofdige Griekenland

of Arabie de opkomst der wetenschappen, die er niet geboren waren, of in

Italie hare overbrenging uit Griekenland of Arabie, zoo vele eeuwen

later vergezeld hebben. Gewis kenden zy de uitzettende vloeistoffen, die

wy daadlyk gekend hebben, zoo dra wy op 't rechte pad raakten om de

Scheikunde recht te beoefenen. En kenden zy die, hoe konden zy niet,

daar eenige aanwending van maken op de Weegkunde? Hoe kon het missen, of

een doorzichtig, een recht wijsgeerig brein moest er een middel in zien,

om zich in de lucht op te heffen, en op het geleide van den wind, van

oorden en landstreken te verwisselen.

Het is ongetwijfeld ook door de verwantschapping en het verband der

Schei- en Natuurkundige kennissen met Genees- en Heelkunde, dat de

Noordlijke volken by de Grieken-zelf in dit laatste vak zoo beroemd

waren. Plato maakt daar, op meer dan één plaats, gewag van. Hy spreekt

van Zamolxis Artsen, die den naam hadden de onsterflijkheid te kunnen

meêdeelen, en wien het bygeloof der vertellers, by 't aanwenden hunner

bereidingen of artsenyen, bezweeringen toedichtte, waar in Plato-zelf

onnoozel genoeg was om de heelkracht te stellen; dan die niemand

zekerlijk thands in aanmerking nemen zal.

Abaris is ook de eenige Schyt of Hyperboreër niet geweest, die de

Grieksche wareldstreken bezocht. Verscheiden worden er door de

Historieschrijvers der Grieken, door Dichters en Filozofen, genoemd;

alle als liefhebbers van wijsheid, en verlichte verstanden. Zoodanige

reizen toonen beschaafdheid en kunde by 't volk waartoe zy behoorden; en

dit volk woonde diep in het Noorden, als de hun gegeven naam medebrengt.

Geen wilde, reist om kundigheden op te doen. Maar de beschaafde geest

der genen die van uit dit volk tot de Grieken kwamen, bewijst, op wat

punt van verlichtheid en kunde, zoo wel als rechtschapenheid dit volk

toen gesteld wierd. Zy boezemden alom door hunne hoedanigheden verbazing

en achting in, en gingen voor toovenaren, bovenmenschlijke verrichtingen

machtig.

Niets overzulks is er onwaarschijnlijks in, dat zoo my deze hachlijke

reis naar een planeetbol, die in onzen dampkring met den zijnen als

samensmelt, toevalliger wijze heeft kunnen gebeuren, zy ook Abaris den

luchtreiziger gebeuren kon, wiens naam niet alleen als reiziger, maar

ook meê als Natuur- en Scheikundige of als Arts der toenmalige tijden

bekend staat. En natuurlijker wijs berust ons verstand in de opschriften

die geen ander dan hem schijnen aan te kondigen.

Ik zal voorts mijnen Lezer met geenen geleerden Commentarius over deze

inscriptien ophouden. Ik wil alleen aanmerken, dat de Alpha daarin

voorkomende, zichtbaar de oude Fenicische form heeft, die naar het

getuigenis van Plutarchus den ploegenden os afbeeldde, en nergens zoo

duidelijk voorkomt: Dat er geen onderscheid tusschen de [rho] en de

[stigma] is: Dat de [kappa] haar standaart niet heeft, welke dus van een

later tijd schijnt, maar de omgezette Oostersche [kaf] is, als de

Roomsche C: en de N de form der [pi] heeft. In een byzonder Hoofdstuk

hoop ik by de nader ontwikkeling dezer byzonderheden de geschiedenis der

letterfiguren niet weinig toe te lichten, wanneer ik mijn uitvoeriger

reisverhaal en beschrijving in 't licht geve.

In de middelste regel van het Grieksche opschrift van 't plaatjen

verbeeldde ik my ook het woord [Grieks: ODOPOROS] ([Grieks: hodoiporos])

op te maken, doch de plaats was zeer uitgevreten, en mijne lezing

onzeker.

Van de tegenzijde wist ik niets uit te brengen. De taal, voor zoo verre

ik iets gewaar werd, was my onverstaanbaar, en het plaatjen had daar

ongelijk meer geleden.

Ik heb gezegd, dat ik my onder 't ontcijferen van de opschriften, en in

het gewoel van de denkbeelden, die dit in my deed opkomen, gelukkiger

vond, dan ik op mijn planeet nog geweest was. Dit ging zoo verr', dat

ik, lang genoeg, my met niets anders ophield dan wat hier betrekking toe

had. Ik stelde my mijnen Schytschen lotgenoot voor in zijne oprichting

van de ingestorte woning en van zijne huishouding. Ik dacht om hem

daarin na te volgen, terwijl ik zijn bijl op een steen scherpte, of er

een boomtak mede afscheidde die ik er tot een steel in vastmaakte. Ik

dacht, hoe my best van de kalkoenbende meester te maken. Ik bedacht, hoe

deze weerbare vijanden te beloeren, te verstrikken, by kleine partyen

aan te vallen en t' onder te brengen. Ik rekende uit, hoe velen er om

moesten komen, om my heer van de overigen te maken; nam maatregelen om

dezen op te sluiten, en de jongen die zy voort zouden brengen,

vervolgens te voederen en daaruit een nieuw tam geslacht te vormen. Nu

dacht ik my in Abaris plaats, als zijn opvolger, gevestigd, en wilde my

_Abaris den tweede_ noemen. Zelfs was het my geen gering voorwerp van

overleg, of ik my _Abaris_ op zijn Grieksch, dan (gelijk mijne

opschriften als den eigenlijken naam medebrachten) _abra_ of _abir_ zou

heeten. Indien ik geweten had hoe _de tweede_ in datzelfde Schytsch waar

ik _abra_ of _abir_ toe bracht, uit te drukken, ik had ongetwijfeld het

laatste verkozen als ongemeener. Nu helde ik meer tot het eerste, en

[Grieks: Habaris ho deuteros] klonk my al vrij welluidend in de ooren,

Maar nu schoot my in, dat de ouden de personen van éénen naam zoo niet

onderscheidden. Dat dit niet _Abaris de tweede_, in den hedendaagschen

zin, zijn zoude, maar _de tweede Abaris_, en een vergelijking met Abaris

als met een model of voorbeeld, te kennen geven, waarmede ik veel minder

gekuifd was.

Dit alles was goed en wel. Ik had daar, op een planeet waar ik geen

mededinger had, koning kunnen zijn even als Adam; maar het schortte my,

waar het Adam aan faalde. En hier was geen hulpmiddel voor. Mijn rijk

moest als dat van mijn Schytschen voorzaat eindigen, zijne nagedachtenis

in my verdwijnen, en de mijne verloren gaan. Want hoe kon ik my

vleien, dat spoedig weder een ander luchtreiziger hier mocht aanlanden,

en dat er met de aarde eene gemeenschap ontstaan zou. Ja was die

gemeenschap-zelve wel eens zoo te wenschen voor den wareldkoning wiens

eenige legermacht in het overschot der kalkoenen bestaan moest, die hy

om zijn throon te bestijgen, op zeer weinige na, uit moest roeien. Deze

denkbeelden kwamen niet op, of zy kregen vat by my.----En echter, altijd

alleen en ellendig, hier om te komen als Abaris, de oogen misschien

uitgepikt door mijn hoenders! mijn beenders voor 't minst door hen

uitgepikt als zy dor wierden!----En geheel geene nagedachtenis van

my!----Ja, wist men op den aardbol, daar is hy, daar leeft hy, daar

woont hy, daar geneert hy zich als een klein onafhanklijk prinsjen, 't

waar wel. Maar daar was ter wareld geen uitzicht op.

Ik gevoelde nu eerst in volle kracht, dat alleen voor zich-zelven te

bestaan, geen bestaan is; dat men niet leeft, dan wanneer men in anderen

leeft, en dezen in ons; en nu werd ik in een groote mate naargeestig.

Alle lust verging my om waarnemingen te doen. Ik zag den hemel niet meer

aan; ik bereisde mijn planeet niet meer. Ik raakte al meer en meer in

mijmeringen verzonken, die hoe langer hoe onduidlijker waren, en van

langzamerhand in een stompe gevoelloosheid overgingen, die niet

afgebroken werd dan door slaap, of door 't zoeken van aardvruchten,

wanneer de behoefte van voedsel my daartoe aanprikkelde.

Dus had ik verscheiden malen den aardbol vol en nieuw, en in zijn

kwartierstanden gezien, en derhalve (naar de tijdrekening, op hem

gebruiklijk) etlijke maanden doorgebracht; wanneer ik, zonder oogmerk of

doel omwandelende, op den plek gronds kwam waar ik 't eerst aangeland

was, en mijn bol en vaartuig weêrom vond. Dit gezicht wekte my hevige

aandoeningen op, en ik raakte aan het schreien. De zucht om op het

gemeene vaderland aller menschen, de aarde, weder te keeren, verhief

zich in my. Ik zag daar geene mooglijkheid op. Echter onderzocht ik mijn

bol en bootjen. De eerste was ledig, gelijk men begrijpen kan, maar had

slechts een geringen scheur van niet meer dan twee vingers lengte, in

een van de naden. Het schuitjen was gaaf, behalven dat de onderkielbalk

er af gestoten was, het geen tot de zaak weinig deed. En, daar ik al het

ijzervijlsel en al de vitrioolgeest die ik van mijn Perzianen gevorderd,

maar niet half gebruikt had, in verscheiden tonnetjens, en glazene met

hout overtogen bussen, by my in het schuitjen genomen had, had ik dezen

deels in, en gedeeltelijk in de rondte om dat bootjen op den grond

wedergevonden, en ook weder by een gepakt.----Wat (dacht ik nu) zoo ik

de breuk van mijn bol herstelde, en op nieuw opging? Eens tot eene

genoegzame nabyheid der aarde genaderd, zou deze my wederom tot zich

trekken; en, men moet iets wagen in een' staat als de mijne is.

Het denkbeeld echter van zoodanig eenen overgang was zoo weinig klaar by

my, als dat van mijn vorigen overgang naar _Selenion_. Tusschen de twee

aantrekkingen opgaande, begreep ik in het punt des evenwichts (daar

naamlijk waar de nabyheden der bollen hunne aantrekkingen gelijk

maakten) te moeten blijven staan, en zoo had ik zeker moeten doen by

mijn opgang van de aarde. Doch ik had toen mijn bol veel te licht

gemaakt, en dit had my een geweldige vaart naar de hoogte gegeven, en

deze vaart moest geduurd hebben tot over en door dat evenwicht van de

twee tegenstrijdige aantrekkingen heen: als wanneer de aantrekking des

naasten schoon kleineren bols over moest wegen. Mijn schuitjen, als

zwaarder, onderging die aantrekking sterkst, de bol minder, maar hy had

veellicht alreeds een gedeelte van zijn lichter lucht verloren; en het

was op deze wijze dat ik was overgeraakt. Een duidelijker denkbeeld wist

ik er my niet van voor te stellen; maar zoo duister en onvolkomen dit

denkbeeld was, ik vergenoegde my daar meê. Ik meen opgemerkt te hebben,

dat de Selenische lucht voor mijn denkvermogen niet gunstig was, en ik

was in mijn naargeestigheid en verstrooiing voor geene Logische netheid

meer vatbaar. Ik was, zonder zelfs my veel te bekommeren of ik de zaak

wel dan kwalijk begreep, tot het waagstuk gereed, zoo ik 't vullen van

den bol op nieuw in het werk kon stellen. Wat ongeluk toch, zoo ik

omkwam? Zoo te leven, was in der daad geen leven, dat eenig genoegen

meer had of hebben kon. En beter, door een halsbrekenden val uit de

hoogte verpletterd, dan door de ontzetlijke langzame dood eener krankte,

of, by eenig toeval van verlamming, door den neep des hongers verteerd!

Ik ontrafelde dan een lap van mijn kleed, en zocht kleine dorentjens om

voor naalden te dienen. Het was een werk van geduld, en dat my ten

hoogste onhandig afging, den geopenden naad van mijn bol weder te

heelen. Het gelukte. De stof was zeer vochtig, en de bol werd in de

hoogte in zon en wind te droogen gehangen. Nu zocht ik naar eenige

klevende taaie stof. Ik vond niets dan een soort van smerige of

vetachtige lijm van een moeras. Met dezen bestreek ik, tot meerder

zekerheid, zoo dezen vernieuwden als de overige naden. Ik begreep, dat

het gelukken mijner reis van de snelheid der vaart in het opgaan moest

afhangen. Dit deed my zoo veel ik maar kon, van de zwaarte van mijn

schuitjen verminderen. Het had den kielbalk onder den bodem verloren: de

ribben naamlijk zaten slechts in een dunnen balk, welke met dezen

versterkt was. Ik brak nu het tafeltjen met de twee zitplaatsen af, nam

den vlakken bodem uit, waar onder ik by mijn eerste opgaan, de ballast

had willen vastleggen. Van den voor- en achtersteven kapte ik weg wat ik

kon, en stelde daarvoor slechts een soort van horde, uit lichte takken

bestaande, in de plaats.

Nu begon ik te overleggen of het my raadzamer ware, mijne oprijzing te

doen op een plaats waar ik de aarde in het zenith had dan waar niet. Dit

problema hield my langer op dan het verdiende. Ik wilde de aantrekking

des aardbols: de kortste lijn tot den aardbol was derhalve my

dienlijkst. Maar het scheen my aan den anderen kant, dat eene

aantrekking, die eenigzins zijdelings werkte, mijne omwending beter en

geregelder uitwerken moest. Ik bleef dus voor de oplossing staan, en

besloot eindelijk om daar op te gaan, waar ik was, en daartoe zonder

verder uitstel het tijdstip van morgen te nemen. Dus namelijk, had ik my

aangewend de tijd van ontwaking te heeten, na dat ik geslapen zou

hebben. En zoodanige tijden van _morgen_ vielen er naar mijn gissing

tusschen de dertig en veertig in den natuurlijken dag van mijn planeet.

Zy waren zich ongelijk, daar zy bloot door mijne behoefte van rust

geregeld wierden, die van velerlei oorzaken afhing.

Ik stak drie gevorkte takken door den ring, die boven aan den bol was,

en waardoor hy nu ter vulling boven mijn schuitjen verheven wierd. By

gebrek van touwen, sneed ik van mijn kleed stroken om door dien ring te

halen en hem dus te overspannen, en ik maakte deze stroken met pinnen in

de aarde vast. Ik bond voorts eenige dergelijke maar kortere stroken aan

de koorden waarmeê mijn bootjen aan het overnet van den bol vast was, om

als ik over eind stond, my voor het uitvallen te hoeden. Ik had te voren

trechters van verschillende grootte in gereedheid gehad, om de

invloeiing des damps die zich ontwikkelde door de buis te besturen; een

van die was in 't schuitjen gebleven en diende my weêr. Ik voorzag wel

dat de bol door mijn pinnen niet genoegzaam vastgehouden zou worden om

niet op te gaan eer hy rond uitgespannen zou zijn, maar ik begreep hem

in 't opgaan-zelf nog te kunnen blijven vullen, om daardoor een meerder

drift aan de vaart der oprijzing te geven. Eindelijk ik beval my den

Hemel, sloot mijne oogen voor alle gevaar, maakte mijn dozen of bussen

open, verlengde de zuren en begon de dampvorming en vulling.--Weldra

ging ik op; ik hield aan te vullen, tot het gezicht my verging. Toen

wierp ik mijn uitgediende metaalschorien uit. Ik gaf nu wederom bloed

op, had geweldige pijn in de borst en ingewanden, en het was my of

ribben en buik my openberstten. Ik had geenerlei voedsel noch

versterking meê, werd geheel buiten besef; en, hoe lang dit duurde, dit

gevoelt ieder dat my onmooglijk was na te gaan.

Toen ik my wedergevoelde was het met een verward maar ontzettend besef

van klaterend of klapperend geluid en een pijnlijke gewaarwording van

kwetsing die my aan mijn kalkoenbeten herinnerde. Ik bloedde werklijk en

het scheen of my dit de bedwelming waar ik in was verlichtte. Maar daar

zweefde ook iets geweldigs om my heen, dat my daar ik oprijzen wilde

om verr' sloeg, en zonder dat ik 't zoo dra herkende, na eenige

allergezwindste in 't ronddraaiingen, woedende aanviel. Het was erger

dan een kalkoen: 't was een arend, en dit overtuigde my eensklaps dat ik

in den dampkring der aarde zweefde. Ik had Abaris bijl by my, en dien

lang gesteeld; ik hieuw mijnen vijand een wond in de hals, en hy

verdween. Ik waagde 't nu uit en naar beneden te schouwen, maar geen

grond was voor my te zien. Ik had een wonde in de borst door mijn kleed

heen ontfangen, en zoo vleesch als huid waren my weggescheurd, en de

wond hol en diep. Eenige schrappen van minder belang deden my 't

aangezicht bloeden; en de linker arm was my doof en als lam. Ik verbond

mijn borstwonde met een lap van mijn kleed, na haar met verlengde

vitrioolgeest die by my stond gebaad te hebben, doch de pijn die zy my

deed was hevig, en tot stuiptrekking toe. Ik zag wederom uit, maar het

zij dat ik nog werklijk te hoog was, om met mijn verzwakt gezicht den

bodem waarboven ik zweefde te kunnen bereiken, het zij de bedwelming van

geest my verblindde, ik herkende geen grond onder my, zelfs geen wolken,

en scheen steeds op gelijke hoogte te blijven. Te vergeefs zag ik weder

en weder uit. Eindelijk werd ik radeloos van een angst, die steeds

aangroeide, en my docht, dat ik uit- en inwendig verstijfde. In

vertwijfeling en zonder te weten wat ik deed greep ik den bijl en sloeg

eene opening in den bol waar hy wijdst was. Nu zonk ik welhaast, maar de

beweging naar benedenwaart versnelde verbazend en ik stelde een

verpletterend nederkomen onvermijdelijk. Ik gaf 't op, lei my plat neder

op den rug, en neep mijne oogleden toe. Behoud viel niet meer in den

kring van mijn denkbeelden.

Het was echter bestemd, dat ik nog bij het leven bewaard moest blijven.

Ik was, als by de uitkomst gebleken is, boven den grooten oceaan. Een

Russisch schip dat zich op 12° breedte bevond, zag mijn voertuig op

kleinen afstand van zich, met geweldige snelheid in zee storten, doch na

eenigen tijd boven komen, omgekeerd, en ledig, mij-zelven eenige vademen

verr' daar van daan. De boot was juist uitgezet, en men redde my, schoon

ik in dat oogenblik en nog een geruimen poos lang voor dood werd

gehouden. De omstandigheden die hier by plaats hadden en de gevolgen van

deze behoudenis beware ik voor mijn reeds meermaal gemeld uitvoeriger

Reisverhaal. Zy behooren niet tot dit verhaal.--Ik wilde hier alleen de

door my gedane ontdekking der ondermanen beschrijven; waarvan ik de

verdere nasporing aan de Starrekundigen onzes tijds aanbevele. Ik laat

daarby aan de Natuurkundigen over, de noodige proeven en waarnemingen in

het werk te stellen, hoe het mogelijk zijn of gemaakt worden mag, de

snelheid der vaart van den luchtbol zoodanigerwijs te regelen en te

bestieren, dat men veilig van de overwegende werkingskreits der

aantrekkingskracht van den aardbol in die van eene der ondermanen

gerake; en daar den koers naar toezette, en aan- en weêr van te rug

kome, waar ik zoo onwillig aanlandde en op een zoo hachlijke wijze

van wederkeerde. De eerste reis te water, en daarby toevallige

kustontdekking, was by eenen veel onwetender staat van het menschdom

toch niet verloren; en ik verbeeld my niet, dat deze luchtreis en

planeetaandoening het zou moeten zijn. Ten minste heb ik haar, voor zoo

veel het van my afhing, niet onnut willen maken, en dit is al wat ik

vermag. Om haar te herhalen, gevoel ik my in mijn tegenwoordigen

toestand en na al het geen ik daarop geleden heb, even weinig de lust

als de krachten. Maar ik steun op den moed, op de inspanningskracht des

verstands van mijn tijdgenooten; en dit doet my, van nu aan, de

hemelbollen niet slechts als bereikbaar, maar als reeds met onze aarde

vereenigd beschouwen.

+------------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| Voor deze tekst is gebruik gemaakt van scans van Google en de |

| Koninklijke Bibliotheek. |

| |

| Inconsistenties in spelling en ander taalgebruik (inclusief het |

| gebruik van 'ij' en 'y' en twijfelachtige zinsconstructies) zijn |

| ongewijzigd overgenomen uit het originele werk, behalve zoals |

| hieronder aangegeven: |

| overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend verbeterd; |

| 'schildvereffening' is veranderd in 'schuldvereffening'; |

| 'beschoude' is veranderd in 'beschouwde' zoals elders in de |

| tekst. |

| |

| In de Griekse teksten wordt in het originele werk gebruik gemaakt|

| van ligaturen en andere speciale weergavetekens; deze zijn als |

| normale Griekse letters getranscribreerd. |

| |

| Het citaat van Horatius is niet als zodanig terug te vinden; het |

| originele citaat luidt 'Et dominum fallunt' in plaats van 'Quæ |

| dominum latent'. |

| |

| '... en gingen voor toovenaren ...': mogelijk ontbreekt het woord|

| 'door'. |

| |

| De genoemde wetenschappers zijn Jean-André de Luc, 1727-1817 |

| ('de Luc' in het boek) en Jean-François Pilâtre de Rozier, 1754- |

| 1785 ('Pilastre de Rosier' in het boek). |

| |

+------------------------------------------------------------------+

Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking · 第 4 / 4 段