IX.

De Montenegrijnen behooren genoegzaam allen tot de grieksch-orthodoxe

Kerk; naar de zijde van Albanië vond men eenige muzelmannen, die langs

de grenzen der Koetschi woonden, doch bij de jongste grensregeling

met Turkije voor het grootste gedeelte bij het pâsjalik van Skutari

zijn gevoegd.

Het geestelijk opperhoofd der Montenegrijnen is tegenwoordig de

Vladika, metropolitaan van Montenegro, van Berda, van Skutari en van

de Primoré, die den bisschoppelijken zetel van Cettinjé inneemt en

in het groote klooster, het eenige monument der stad, resideert. Het

woord vladika was eigenlijk de titel van het geestelijk en wereldlijk

opperhoofd der Montenegrijnen, toen deze beide waardigheden nog

in één persoon waren vereenigd; tegenwoordig beteekent dit woord,

overeenkomstig zijn eigenlijken zin, alleen het kerkelijk opperhoofd,

den bisschop. De tegenwoordige titularis, Hilarion Ragonovitch, die

sedert 1863 den bisschoppelijken zetel inneemt, oefent bloot geestelijk

gezag uit, en houdt zich stipt binnen de perken zijner herderlijke

macht. Hij ontvangt geen jaargeld van den staat, maar trekt eene som

van vijfduizend francs uit de inkomsten der vaste goederen, tot de

kloosters van Cettinjé en Ostrog behoorende. De kerk van Montenegro

is onafhankelijk; zij erkent geen opperhoofd en heeft meermalen

geprotesteerd zoowel tegen de aanmatigingen van den griekschen

patriarch van Constantinopel, als tegen die van de russische Synode;

maar de bisschop moet, om zijne wijding te ontvangen, zich naar Moskou

begeven. De beide laatste metropolitanen hebben dit althans gedaan. In

de stad Ipek resideerde weleer de patriarch der Zuid-Slaven, die

tusschen Slavonië, de Sau en de Drau wonen; aan dezen patriarch waren

ook vroeger de metropolitanen van Montenegro ondergeschikt. In eene,

op den 3den Juli 1804 gehouden algemeene volksvergadering, stelden de

Montenegrijnen een adres op, aan den vertegenwoordiger van Rusland,

den heer Ivelitch, gericht, en waarin zij de onafhankelijkheid hunner

kerk handhaafden. Zij zeggen daarin het volgende:

"Aan de russische Synode is het waarschijnlijk onbekend, dat de

slavo-servische volken, voor hunne grieksch-oostersche-illyrische kerk,

een eigen patriarch hadden, resideerende te Ipek, aan wiens gezag de

bisschoppen van Montenegro tot in 1769 onderworpen waren. Gedurende

den oorlog tusschen Rusland en de Porte, die toen was uitgebroken,

trok de servische patriarch, Basilius, over ons land naar Rusland, ter

zake van de vervolging der Christenen, en omdat hij persoonlijk aan

groote gevaren was blootgesteld. Hij stierf te Sint-Petersburg. Hij

was de laatste patriarch van het slavo-servische verbond. De zetel

der patriarchen van Ipek bleef tot heden ledig. Derhalve is onze

bisschop, meer dan eenig ander prelaat, geheel onafhankelijk. Zoo

als de kerkelijke geschiedenis leert, ontvingen wij het Evangelie

van de Grieken, en niet van de Russen.... Het bleef ons tot hiertoe

onbekend, dat de russische Synode eenig gezag heeft uitgeoefend over de

slavo-servische volksstammen, die buiten de grenzen van het russische

rijk wonen."

De Montenegrijn is zeer gehecht aan de uiterlijke vormen en

plechtigheden der godsdienst: dikwijls ziet men hem nederknielen,

het teeken des kruises maken, zich het hoofd ontblooten als de klok

luidt. Op den vreemdeling maakt de aanblik van eenige duizenden

personen, in eene vlakte of op een plein vereenigd, en allen tegelijk

het teeken des kruises makende op het eerste geluid eener klok, dat

hij anders niet opgemerkt zou hebben, ontegenzeggelijk een diepen

indruk, en als van zelve zal hij tot de overtuiging komen, dat de

Montenegrijnen een zeer godsdienstig volk zijn. Tot op zekere hoogte

is dat ook werkelijk het geval; maar sommige scherpzinnige opmerkers

beschouwen hen toch eenigermate als de vrijdenkers onder de stammen

der Zuid-Slaven, want de kerken worden zeer weinig bezocht, en de

uiterlijkheden van de godsdienst gaan den Montenegrijnen meer ter harte

dan het innerlijk leven des gemoeds. Ook in dit opzicht heerscht hier

een zonderling contrast tusschen den uiterlijken schijn en het wezen

der zaak. Het getal der kerken, bij voorbeeld, is zeer groot: men telt

er vierhonderd in een land van nog niet ten volle tweehonderdduizend

inwoners; het getal der priesters beloopt tusschen de vijf- en

zeshonderd; er worden veel aalmoezen gegeven, en de vasten worden

streng in acht genomen; de uitoefening van iedere andere godsdienst

dan de orthodoxe is verboden;--en toch kan men niet zeggen, dat bij

de massa des volks de godsdienstige overtuiging diep geworteld is,

of dat het geloof beslissenden invloed op hart en leven uitoefent.

De popen zijn in hooge mate onwetend, en oefenen toch een groot

gezag over het volk uit, omdat zij zelven tot het volk behooren,

zijn leven medeleven en deel nemen aan zijne worstelingen, met het

kruis in de eene en de krijgsbanier in de andere hand. Er zijn enkele

kloosters: een in Moratcha, waarvan ik reeds gesproken heb, en dat,

naar men wil, gesticht zou zijn door Douchan, Koning van Servië; een,

het meest beroemde, te Ostrog, waar men sedert 1873 het seminarie of

bogoslavia heeft overgebracht; en een te Kern, waar de kerk staat,

waarvan de Vladika Peter II archimandriet was; maar het getal monniken

is zeer gering, en de dienst in deze heiligdommen wordt doorgaans

door popen verricht.

De montenegrijnsche pope gelijkt, in voorkomen en manieren, op den

russischen pope en den servischen pope in Kroatië, Bosnië en Servië;

ge herkent hem aan zijn langen baard, aan zijne golvende hairlokken en

aan zijne wijde, lang afhangende kleeding, die hem zekere waardigheid

geeft; maar toch is het voor den vreemdeling dikwijls moeielijk om het

gewijd karakter van deze bedienaren der godsdienst te onderkennen:

want men ontmoet in het vorstendom eene menigte priesters, die als

alle andere Montenegrijnen gekleed gaan, hun hair afgeknipt dragen,

wapenen in hun gordel voeren, geheel een militair voorkomen hebben als

de andere bergbewoners, en die niettemin de priesterwijding hebben

ontvangen. Ofschoon popen, vindt gij ze in de herbergen en kroegen,

hunne pijp rookende en brandewijn drinkende, of zelfs wel de guzla

bespelende, zooals die oude pope, dien ik in de herberg te Cettinjé

ontmoette, en van wiens moed mij de dienstmeid verhaalde, terwijl zij

op de vele medailles wees, die zijne borst versierden en die hij op

het slagveld gewonnen had.

Alle kerken, die ik bezocht heb, zijn uiterst eenvoudig. Zij zijn

meest allen naar hetzelfde model gebouwd: de inwendige inrichting is

die van de grieksche kerk, met de gewone indeeling; het ikonostase,

dat den dienstdoenden priester voor de oogen der menigte verbergt,

wordt op sommige oogenblikken geopend, en gunt dan de aanschouwing van

het binnenste heiligdom, waaruit het licht straalt en wierookgeuren

stroomen. Gedurende de geheele dienst blijven de geloovigen staan; die

regel geldt voor allen, de Vorst niet uitgezonderd. Bij den ingang der

kerk worden de wapenen afgelegd en doorgaans aan eene vrouw in bewaring

gegeven. De kosten der eeredienst worden gedragen door de geloovigen,

die daartoe naar gelang van hun vermogen bijdragen. Te Ostrog, waar

men jaarlijks heengaat om in het klooster de relieken van den heiligen

Basilius te vereeren, worden gedurende dien tijd soms wel tienduizend

francs ontvangen. Het getal feestdagen in den griekschen kalender

is zeer groot; en de gewoonte om op die dagen pleizier te maken en

buitensporige uitgaven te doen, is een ware ramp en een oorzaak van

veel armoede en achteruitgang. In de naburige landstreken, waar de

bevolking katholiek is, worden zij, die bij zoodanige gelegenheden

op één enkelen dag meer dan de inkomsten van eene geheele maand

verteeren, door de geestelijken en Franciskaner monniken openlijk

berispt en geschandvlekt. Die kerkelijke feesten, die met de algemeen

erkende, groote feest- en heilige dagen, zooals Paschen, Hemelvaart,

Pinksteren, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen, niets gemeen hebben, gaven

aanleiding tot zooveel buitensporigheden en wanorde, dat Vorst Danilo,

om daaraan paal en perk te stellen, de medewerking heeft ingeroepen van

al de popen van het vorstendom. Over het algemeen moet die zucht tot

feestvieren en eindeloos banketteeren tot de volksondeugden gerekend

worden; ter gelegenheid van den verjaardag van het familiehoofd,

wordt er soms acht dagen achtereen feestmaal gehouden, en het is niet

zeldzaam dat dan in weinige dagen de winst van een gansch jaargetijde

wordt verteerd, zoodat de familie gedurende den winter gebrek moet

lijden. In het nieuwe wetboek van Danilo zijn eenige bepalingen

opgenomen, om dergelijke buitensporigheden, als ook het geven van te

kostbare geschenken, tegen te gaan.

Daar staat tegenover dat de Montenegrijn met zoo groote gestrengheid

de vasten in acht neemt (die, zoo als men weet, in de orthodoxe Kerk

zeer talrijk zijn), dat hij gedurende honderd-een-en-negentig dagen

in het jaar geen vleeschspijzen gebruikt, en in de groote vasten,

die negentien weken duurt, noch eieren, noch boter, noch visch eet. Er

zijn zelfs vijftien dagen in het jaar, waarop het drinken van wijn hem

verboden is: in dit opzicht volgt hij het voorbeeld van zijne buren,

de Turken, die ook den Ramazan streng in acht nemen. De Montenegrijnen

zijn overigens tamelijk verdraagzaam, en trachten op de markten en

in de bazars, waar zij met de Turken samenkomen, geen propaganda te

maken; godsdienstijver geeft bijna nooit aanleiding tot botsingen,

en de machthebbers zijn in den regel vrij van alle kerkelijk fanatisme.

Het klooster van Cettinjé, de zetel van den metropolitaan, kan in

zekeren zin als het Vatikaan van Montenegro worden beschouwd. Het

gebouw doet zich schilderachtig genoeg voor, maar heeft niets

monumentaals. Oorspronkelijk zoowel tot vesting als tot klooster

aangelegd, bestaat het uit twee verdiepingen met laaggewelfde

bogen, rustende op zware gedrongen pilaren, en tegen den rotswand

leunende. In het klooster vindt men eene kerk, de voornaamste school

van Montenegro, en ook eene gevangenis. Het is tevens de residentie

van den metropolitaan en van zijn coadjutor. Betrekkelijk is hier

alles modern, want dit palladium van Cettinjé is twee malen een prooi

der vlammen geworden; men kan zelfs zeggen dat er, ten gevolge der

aardbevingen en der verwoestingen van de Turken, weinig of niets van

den derden herbouw overig is: het eenige overblijfsel van het oude,

te vuur en te zwaard verwoeste servische klooster is een beeldhouwwerk,

waarop nog de servische arend te herkennen is.

De kerk is zeer eenvoudig, maar de dienst wordt met veel pracht

gevierd: de rijke versieringen en heilige gereedschappen zijn allen

van modernen oorsprong, en door de laatste Vorsten geschonken. Van

de gewijde vaten, kleederen en kostbaarheden, waarvan in de oude

kronieken en verhalen der venetiaansche reizigers gesproken wordt, is

niets meer te vinden; deze schatten, die door de servische Koningen

aan de vorsten en primaten van Zèta ten geschenke waren gegeven,

zijn tijdens de invallen der Turken verloren en verstrooid geraakt.

Deze kerk, of liever deze kapel, is vooral hierom merkwaardig,

omdat zij, behalve de tomben van twee Vorsten, ook het stoffelijk

overschot bevat van den Vladika Peter I, door alle Montenegrijnen

als heilig vereerd. Daar de montenegrijnsche kerk zich als geheel

onafhankelijk beschouwt, en noch het gezag erkent van de russische

Synode, noch van den Patriarch van Constantinopel, moet men wel tot

het besluit komen, dat de Montenegrijnen zelven hun Vladika Peter,

den vierden afstammeling in rechte lijn van de Njégosch, heilig hebben

verklaard. Men zeide mij evenwel, dat in dit geval de beslissing der

Synode was ingeroepen geworden. Peter I is de eigenlijke grondlegger

der tegenwoordige dynastie, hoewel hij de vierde van zijn geslacht

was: het was juist uit aanmerking van de groote diensten, door hem

aan het vaderland bewezen, dat de waardigheid van Vladika in zijne

familie erfelijk werd verklaard. Nadat zijn lijk in het klooster van

Stanjevitch ter aarde was besteld, had een jonkman, met zienersgave

bedeeld, zoo de overlevering wil, een visioen, waarin hem de overleden

Vladika verschenen was, met een lichtglans omgeven, het labarum in de

hand, vol heerlijkheid en majesteit. De jonge ziener trok het land

door, overal in de dorpen verhalende van het gezichte, dat hem ten

deel was gevallen, en heilige liederen zingende; hij vond allengs bij

velen gehoor, vormde een soort van aanhang, en wist het zoo ver te

brengen dat, na verloop van zeven jaren, de doodkist van den Vladika

geopend werd, waarin men het lijk geheel ongeschonden, zonder eenig

spoor van ontbinding, terugvond. Dit feit maakte een geweldigen

indruk in het geheele land; de Vladika werd heilig verklaard,

en zijn lichaam overgebracht naar de kapel van het klooster van

Cettinjé, waarheen in de maand Juli schier alle Montenegrijnen ter

bedevaart opgaan.--Rechts en links van den ingang der kapel bevinden

zich de graftomben van twee broeders: Danilo I, den laatsten Vorst,

die te Cattaro vermoord werd, en Mirko den Dappere, het zwaard van

Montenegro, den vader van den regeerenden Vorst. Geen wonder alzoo,

dat het klooster van Cettinjé, de zetel van den hoogsten kerkelijken

dignitaris, waaraan zich bovendien zoo vele herinneringen hechten,

algemeen als het voornaamste heiligdom, het palladium van Montenegro

wordt beschouwd. Daar komt nog iets bij: volgens overoude gewoonte is

het klooster eene onschendbare wijkplaats, zoodat ieder, die door den

bisschop daarin ontvangen en toegelaten wordt, voor zijne vijanden

en zelfs voor den arm des gerechts onbereikbaar is.

Ik heb op mijn uiterste gemak door het klooster gewandeld, zonder

dat iemand zich om mij bekommerde; op de lage bovengalerij zat

Mgr. Hilarion Ragonovitch, in zijn fraai statig kostuum, met zijne

zware golvende lokken, zijn langen zijdeachtigen baard afdalende op

zijne breede borst; hij koesterde zich in de zonnestralen en rookte

rustig zijn tsjiboek. Op een paar schreden afstands van hem zaten

enkele inwoners der stad op den vloer, bezig met het schoonmaken

en herstellen hunner geweren. De zeer invloedrijke, zeer populaire

metropolitaan is een krachtig gebouwd man van athletische gestalte en

indrukwekkend voorkomen. Zijn heilig ambt belet den bisschop niet,

een geducht en beroemd krijgsman te zijn; in 1862 heeft hij een

werkzaam aandeel genomen in den oorlog tegen de Turken, en daar hij

uit Herzegowina geboortig is, werd hem het opperbevel opgedragen over

de manschappen in het aan die provincie grenzende gebied. De kamers

van den metropolitaan zijn vrij comfortabel ingericht, maar geheel

zonder karakter: zij zijn gemeubeld even als de vertrekken in de

huizen langs de dalmatische kust, dat wil zeggen op zijn italiaansch.

Uit den kleinen tuin van het klooster, waar een groot

aantal bijenkorven in rijen staan geschaard, voert een weg

bergopwaarts naar den toren, die zich nevens en boven het klooster

verheft. Oorspronkelijk moest de oude toren zeker dienen tot

verdediging en vooral als wachttoren, maar hij is nooit voltooid

en heeft zelfs geen deur; tegenwoordig heeft hij geene andere

bestemming dan als klokketoren. Meer dan waarschijnlijk dagteekende

de oorspronkelijke toren uit den tijd der servische heerschappij,

en zijn de fondamenten nog uit dien tijd afkomstig; maar het gedeelte

boven den grond, door Peter II herbouwd, is modern. Tot in 1848 werden

rondom dien toren de afgeslagen hoofden opgehangen der gesneuvelde

Turken. Dit geschiedt thans niet meer; en hoeveel prijs ik ook stel

op oorspronkelijkheid en lokale kleur, de afschaffing van dit gebruik

mag ik niet betreuren.

Als men, na met veel moeite tegen de steile hellingen van den Lowchen

te zijn omhoog geklauterd, de grenzen bereikt van de streek waar nog

het kreupelhout groeit en de geiten grazen, ontvouwt zich naar de zijde

van Rjeka een prachtig panorama voor den blik. Hoe hooger ge stijgt,

hoe meer de bergen ten zuiden als schijnen weg te zinken; de vlakte

breidt zich uit, en diep beneden u, door een prachtvol romantisch

landschap omgeven, weerspiegelen de heldere wateren van het meer van

Skutari. Hoog boven u, op den top des bergs, schier wegschuilende in

de wolken, bevindt zich het grafteeken van den nationalen dichter van

Servië, van Peter II, den grooten Vladika, den vijfden Vorst uit het

geslacht der Petrowitch. Daar begeerde hij te rusten, op de kruin

van den Lowchen, onder het oog Gods, in de stille bergeenzaamheid,

waar de Vila rondwaart, de fee van den Yeserski-V'rh, die eene zoo

groote rol speelt in de volksverhalen en sagen der Montenegrijnen. Ik

heb den top des bergs niet bestegen; men verzekerde mij, dat die

beklimming zeer moeilijk is en dat men er minstens een geheelen dag

voor noodig heeft. Ik ben niet verder gegaan dan tot de waterbakken

van Iwan Tzernojewitch, die, zegt men, de bron ontdekte, waarvan het

water, vooral na de tamelijk vermoeiende beklimming, ons zoo heerlijk

smaakte. Deze plek is eene oasis midden op den berg: eene kleine

vlakte, door den oprijzenden rotswand tegen de schrale noordenwinden

gedekt. Voor het eerst sedert langen tijd, kon ik mij onder de schaduw

van een boom op het malsche gras nedervleien. De bron wordt bij haar

te voorschijn treden uit de rots opgevangen in goten, van uitgeholde

boomstammen vervaardigd en op schragen rustende; het water is heerlijk

van smaak, maar ijskoud, en het is zeer gevaarlijk er van te drinken,

wanneer men door den tocht vermoeid en verhit is.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 89 / 92 题