X.

De Montenegrijn is van nature krijgsman; hij is geboren voor den

oorlog; niets wekt meer zijne bewondering op dan persoonlijke moed,

en naar niets tracht hij met zooveel ijver als naar den roem van

dapperheid. Zijne wapenen zijn zijne dierbaarste bezitting, somwijlen

bijna zijne gansche fortuin; zijne geheele geschiedenis is niets dan

het verhaal eener onophoudelijke worsteling, die op het slagveld van

Kossowo begon en nog steeds voortduurt.

Niemand, die ook maar oppervlakkig met de geschiedenis van dit volk

bekend is, zal er zich over verwonderen, dat Turken en Montenegrijnen

elkander als doodvijanden beschouwen en elkander haten met dien

fellen, bitteren haat, die medelijden noch verschooning kent, die

nooit verflauwt, waarvan de uitbarstingen wel tijdelijk door vreemde

tusschenkomst, door traktaten en wapenschorsingen kunnen gebreideld

worden, maar die zelf onsterfelijk is. Eerst nadat de turksche

heerschappij over de omliggende gewesten zal zijn verbroken, als

Montenegro niet meer voortdurend door zijn onverzoenlijken erfvijand in

zijn bestaan zal worden bedreigd, zal voor dit onversaagde heldenvolk

de tijd van rustiger, vreedzamer, normaler ontwikkeling gekomen

zijn. Eerst dan--en niet eerder.

Het is hier de plaats, om een blik te werpen op de militaire

organisatie van het vorstendom, op de hulpmiddelen waarover het

beschikt, op zijne wijze van oorlog voeren; maar wij willen al dadelijk

opmerken, dat ondanks velerlei hervormingen en navolgingen van vreemden

bodem, ondanks de moeite, die de regeering zich gegeven heeft om in

den krijg de methode der nieuwe taktiek en strategie in te voeren, het

den Montenegrijn schier onmogelijk is zich te voegen naar de regelen

der europeesche krijgstucbt, naar de afgepaste regelmatigheid onzer

bewegingen; onmogelijk vooral, zich te onderwerpen aan dien eisch van

volstrekte zwijgende onderwerping, waardoor ook het talrijkste leger

een gewillig en wel georganiseerd werktuig wordt, bestuurd door den

wil en de gedachte van één enkele, ter bereiking van een door dezen

gekozen doel.

Ik zal niet verder teruggaan dan tot de reis van Viala de Sommières;

hij was, zooals men weet, kolonel in het fransche leger, gouverneur

van de provincie Cattaro, chef van den generalen staf van de tweede

divisie van het leger van Illyrië te Ragusa, en woonde van 1807 tot

1813 in Dalmatië. Viala heeft over Montenegro een werk in twee deelen

geschreven, dat, ondanks latere nasporingen, nog altijd onmisbaar is

voor ieder, die zich met dit land grondig bekend wil maken; hij was een

zeer geacht officier, en vertrouwende op de loyauteit en gastvrijheid

der Montenegrijnen, verscheen hij geheel alleen in hun midden, om

hun land te bestudeeren. Het ligt voor de hand, dat alles wat tot

het krijgswezen behoorde in de eerste plaats zijne aandacht trok;

het resultaat zijner persoonlijke waarnemingen en onderzoekingen

deelt hij ons mede in zijn boek, en wij mogen veilig aannemen, dat

hierin de staat van zaken, ten jare 1812, naar waarheid geteekend is.

Het aantal krijgslieden, als zoodanig op de registers ingeschreven,

bedroeg toen, voor het geheele vorstendom, dertienduizend-driehonderd;

maar aangezien ieder, die een geweer voeren kan, van den knaap

tot den grijsaard, ook aan den oorlog deel neemt, kon dit getal,

in vier-en-twintig uren, allicht tot twintigduizend stijgen. De

kloekmoedigsten en krachtigsten gingen vooraan; de grijsaards hielden

de bergpassen bezet, zorgden voor de veiligheid der communicatiën, het

aanvoeren van proviand en ammunitie, en bespiedden de bewegingen des

vijands; de kinderen brachten bevelen over of speurden de marschen der

troepen na; de vrouwen eindelijk verzorgden de verwonden en brachten

levensmiddelen aan de lieden van haar dorp. Uit de laatste rapporten

der proveditoren van Cattaro aan de regeering van Venetië en uit andere

onuitgegeven stukken, door den heer Armand Baschet openbaar gemaakt,

blijkt dat omstreeks de helft der zeventiende eeuw het totaal der

ingeschreven krijgers (aangenomen dat zulke inschrijving toen reeds

plaats vond) het getal van achtduizend niet overtrof; een achtste

deel daarvan was met haakbussen gewapend, de anderen hadden slechts

lans en degen.

De indeeling der krijgsmacht is sedert overoude tijden, in hoofdzaak,

onveranderd dezelfde gebleven; de gemeente is de taktische eenheid, en

de samenvoeging van verschillende gemeenten vormt eene kompagnie onder

aanvoering van een kapitein of hoofdman. De verschillende kompagniën

van eene geheele provincie of nahya vormen een regiment, dat echter

niet met deze geheel moderne benaming genoemd wordt. Dit regiment

staat onder het kommando van een woïwode, aan wien de kapiteins

ondergeschikt zijn; de vereenigde krijgsmacht eindelijk van al de

nahye en al de woïwoden staat onder het opperbevel van den Vorst.

De Vladika Peter II is de eerste, die een korps geregelde soldaten,

eene eigenlijke krijgsmacht, heeft opgericht; vóór hem bestond er in

Montenegro eigenlijk geen staand leger. Als de oorlog ontbrandde,

werden alle weerbare mannen te wapen geroepen; zij schaarden zich

om de dappersten, de oudsten, de aanzienlijksten of beroemdsten, en

spoedden zich naar den strijd. Op het slagveld streed ieder op zijn

eigen hand en voor zijn eigen rekening, zonder samenwerking, zonder

eenheid, zonder vastgesteld doel: het eenige, waar het op aan kwam,

was den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen; hij werd op allerlei

wijze gekweld, verontrust, uitgeput, telkens opnieuw overvallen;--en

deze onophoudelijke guerilla-oorlog, waartoe trouwens het terrein

zoo voortreffelijk geschikt, als door de natuur zelve aangewezen is,

was misschien voor den vijand veel gevaarlijker en verderfelijker

dan een geregelde veldtocht, terwijl de Montenegrijnen daarbij

bijna geen gevaar liepen. De nieuwere wijze van oorlogvoeren,

de uitvindingen der moderne strategie, de kunstig samengestelde

bewegingen, de geduchte artillerie en de ver dragende geweren zijn,

in de hier bestaande omstandigheden, van weinig of geen nut. Bovendien

waren, tot voor korten tijd, de Turken niet veel beter gewapend dan

de Montenegrijnen, alleen de artillerie uitgenomen. Peter II heeft

het korps der Perianiki opgericht; maar dit korps is slechts honderd

man sterk, die het nationale kostuum dragen en zich van de anderen

onderscheiden door een soort van fijne pluim of vederbos aan hunne

muts (perianiza); dit is tegelijk eene lijfwacht voor den Vorst,

een soort van policiewacht en een gewapend korps ter beschikking

van de regeering. Danilo, de opvolger van Peter II, de oom van den

regeerenden Vorst, vormde eene soort van keurkorps, meer bepaald

tot zijne lijfwacht bestemd. In 1853 liet Danilo, die het leger

wilde organiseeren, voor het eerst in al de provinciën registers of

stamboeken aanleggen, waarin de namen werden ingeschreven van alle

manschappen tusschen de achttien en vijftig jaren; men meene nu echter

niet dat de Montenegrijn, die op vijftigjarigen leeftijd nog in het

volle bezit zijner krachten is, na dien tijd de wapenen niet meer

voert, maar hij is dan niet langer tot de krijgsdienst verplicht.

Bij de samenstelling der kaders gaat men evenzeer van de gemeente

uit; in elke gemeente heeft men een tienman, en in iedere groep van

gemeenten een hoofdman over honderd, die eene kompagnie van honderd

man onder zijne bevelen heeft; boven de hoofdmannen staan weder

de serdars en de woïwoden. Deze, door Danilo ontworpen organisatie

had voornamelijk ten doel, aan alle weerbare manschappen eene vaste

plaats aan te wijzen, opdat ieder bekend zou zijn met den naam van zijn

onmiddelijken chef en met de groep of het korps waartoe hij behoorde;

een en ander in het belang eener spoedige en geregelde mobilisatie. De

toen gebruikelijke uitrusting bleef, tot de troonsbestijging van

den tegenwoordigen Vorst, onveranderd; zij bestond nog altijd uit

den yatagan of handjar en het lange albaneesche geweer, met eenige

pistolen; de regeering zorgde voor het noodige kruit, maar wat wij

eene intendance noemen, bestond niet. Ieder man was verplicht in zijn

eigen onderhoud te voorzien; bij wijze van vergoeding, had hij ook

aanspraak op een deel van den buit.

Aan deze organisatie, door Danilo ontworpen en door zijn broeder,

den dapperen Mirko, ingevoerd en in praktijk gebracht, hadden de

Montenegrijnen voor een goed deel de schitterende overwinning te

danken, den 13den Mei 1858 in de vlakte van Grahovo op het leger van

Hussein-Dahim-Pâsja behaald, waarbij de Turken drieduizend soldaten,

acht kanonnen, drieduizend geweren, met al hun ammunitie en proviand,

verloren. De ondervinding, in den veldtocht van 1862 opgedaan, toen

Omar-Pâsja aan het hoofd der muzelmannen stond, toonde de meerdere

voortreffelijkheid der moderne wapenen, waarvan de Turken toen waren

voorzien; maar voor een zoo arm land als Montenegro, is eene nieuwe

bewapening van zijn leger geene kleinigheid. Gebruik makende van de

sympathie, die de Montenegrijnen, door hun heldhaftigen tegenstand

tegen de verpletterende overmacht der Turken, zich allerwege in

Europa verworven hadden, wist de Vorst van de fransche regeering

vergunning te bekomen tot het houden eener groote verloting te

Parijs, met het uitgesproken doel om voor dat geld twaalfduizend

miniégeweren te koopen, die vervolgens in het vorstendom werden

uitgedeeld aan hen, die het meest geschikt werden geacht om met

dat wapen om te gaan. Sedert zijn nog enkele andere veranderingen en

verbeteringen ingevoerd, maar die miniégeweren vormen nog tegenwoordig

het voornaamste bestanddeel der bewapening; men vindt ze overal, want

ieder bewaart die wapens met de grootste zorgvuldigheid. Tot op dien

tijd was ieder Montenegrijn zijn eigen geweermaker en zwaardveger:

hij herstelde zelf zijne wapenen en goot zelf zijn kogels. De heer

Xavier Marmier vertelt dat hij eens, te Njégosch, in eene hut, die

tevens tot herberg diende, een groep lieden neergehurkt vond bij een

vuurpot, bezig met het gieten van kogels en rustig hun pijp rookende,

terwijl nevens hen een jong meisje de patronen met kruit vulde,

zonder, zoo het scheen, er aan te denken, dat een enkele afgedwaalde

vonk voldoende was, om het geheele huis met de bewoners in de lucht te

doen springen. De invoering van juistheidswapenen in het vorstendom had

natuurlijk de stichting van twee onmisbare inrichtingen ten gevolge:

een tuighuis en een kruitfabriek. Het was volstrekt noodzakelijk,

zich voor goed te onttrekken aan de ongelukkige verplichting om de

vereischte wapenen en ammunitie, over de grenzen der beide naburige

rijken, die het vorstendom aan alle zijden insluiten, binnen te

smokkelen. De regeerende Vorst vroeg en verkreeg de medewerking en

voorlichting van verschillende vreemde officieren, om de organisatie

en de bewapening van zijn leger overeenkomstig de eischen van den

tegenwoordigen tijd te hervormen. Reeds in 1866 zond Vorst Michael

van Servië, sedert vermoord, aan den Vorst van Montenegro een bekwaam

wertuigkundige, die te Obod een arsenaal moest helpen tot stand

brengen. De Montenegrijn is vlug van begrip en leerzaam, vooral in

zaken die met den oorlog in betrekking staan; al vrij spoedig had men

een klein korps geschikte werklieden bijeen, die in de wapenfabriek

konden worden gebruikt; men bracht het zelfs zoo ver, dat de oude,

op de Turken veroverde geweren, die voor niets meer schenen te deugen

dan voor zegeteekenen tegen de wanden der hutten, veranderd en weder

bruikbaar gemaakt werden.

Maar wapenen alleen waren niet voldoende: men moest ook goede

leermeesters hebben, die de Montenegrijnen in het gebruik dier wapenen

konden onderrichten. Wederom was het Vorst Michael van Servië,

die Vorst Nikolaas te hulp kwam. In het kleine servische leger,

dat, helaas, in den jongston oorlog tegen de Turken niet gelukkig

is geweest, vond men een uitmuntend onderwezen en voortreffelijk

gedrild korps van omstreeks achtduizend man, wier manoeuvres ik

menigmaal met bewondering heb aanschouwd; dat leger bezit ook zeer

bekwame officieren, die hunne militaire opleiding in Europa ontvangen

hebben, en die een beter lot hadden verdiend, dan met ongeoefende en

slecht georganiseerde troepen ten strijde te worden gezonden tegen

de geweldige turksche overmacht. Drie van deze officieren werden

naar Cettinjé gezonden, met het noodige materieel, om het toezicht te

houden over de inrichting der militaire etablissementen en onderricht

te geven in de moderne taktiek. Tijdens mijn bezoek in Montenegro was

alles gereed voor de aanstaande worsteling, en was ieder soldaat van

vijfhonderd patronen voorzien. Omstreeks 1869 kocht Vorst Nikolaas,

na zijn terugkeer uit Rusland, tweeduizend naaldgeweren, wier reputatie

toen door den pruissisch-oostenrijkschen oorlog gevestigd was, en liet

in zijn arsenalen de noodige toestellen maken voor de vervaardiging

der bij die geweren behoorende patronen.

In 1870 werd de servische kapitein Johan Wlahovitz naar Montenegro

gezonden, om de tegenwoordige organisatie van het leger tot stand te

brengen, dezelfde, die in den jongsten en nog voortdurenden oorlog op

de proef is gesteld. Het leger is thans verdeeld in twee divisiën van

tienduizend man, ieder voorzien van eene voor het bergachtige terrein

geschikte veldbatterij. Elke divisie bestaat uit twee brigaden,

en elke brigade uit vijf bataillons van duizend man elk. Vier van

deze bataillons zijn met minié-geweren gewapend; het vijfde heeft

naaldgeweren naar het systeem Sederl. Natuurlijk zijn deze wapenen

in handen gesteld van de bekwaamste schutters.

De kaders zijn aldus samengesteld: aan het hoofd van het bataillon

staat een kommandant, wien een kapitein als adjudant-majoor is

toegevoegd; het bataillon is verdeeld in acht kompagniën van negentig

man, elk met een eigen kompagnies-kommandant, een vaandrig (bariaktar),

twee onderofficieren, tien korporaals en een trompetter. Voor de

artillerie heeft men het stelsel van den generaal Dufour aangenomen:

vier stukken per batterij, bediend door acht-en-veertig manschappen,

onder het bevel van drie officieren.

Het montenegrijnsche bataillon komt dus, op kleiner schaal, eenigermate

overeen met ons regiment. Maar de kompagnies-kommandanten, die in rang

ongeveer gelijk staan met onze kapiteins, hebben eene veel grootere

mate van vrijheid van handelen en ook meer verantwoordelijkheid:

dit is een noodzakelijk gevolg van de grondsgesteldheid; want op dit

zoo ongelijke en sterk afwisselende terrein is het bijna onmogelijk,

met een sterker legermacht dan eene enkele kompagnie, met voordeel

op een bepaald punt te opereeren.

De generale staf van het leger, onder het rechtstreeksch opperbevel

van den Vorst geplaatst, bestaat uit een woïwode, den senator Elia

Plamenatz, die de functiën van chef van den generalen staf waarneemt,

en wien een zeker aantal officieren zijn toegevoegd; voorts uit twee

divisie-generaals, die omstreeks tienduizend man onder hunne bevelen

hebben en den titel van woïwode voeren, en uit vier andere woïwoden,

brigade-generaals.

Tot officieren heeft men natuurlijk de vroegere aanvoerders gekozen,

die zich echter op de hoogte der nieuwe dienstregeling en wapening

hebben moeten stellen, en te dien einde twee maanden te Cettinjé

hebben doorgebracht; allen hebben daar deel moeten nemen aan

exercities en manoeuvres, en nadat zij bij een examen bewijs van

voldoende bekwaamheid hadden gegeven, is hun de taak opgedragen om

de onderofficieren te onderrichten. Eindelijk is een vaste regel voor

bevordering vastgesteld. Vroeger gold persoonlijke moed voor voldoende

aanbeveling, en een onversaagd of gelukkig soldaat klom soms eensklaps

op tot legerhoofd; voor dit stelsel is nu de meer geregelde wijze van

bevordering der europeesche legers in de plaats gekomen; maar tegelijk

heeft men eereteekens en andere onderscheidingen ingesteld, die zeer

gewaardeerd worden en den onderlingen naijver prikkelen. Eene echte

karakteristieke bijzonderheid: toen men in de verschillende gemeenten

de stamboeken voor het leger zou gaan opmaken, en van zwakke grijsaards

de wapenen moesten worden teruggevraagd, om ze aan de krachtiger

handen van volwassen jongelingen toe te vertrouwen, smeekten die

grijsaards, met tranen in de oogen en bittere verontwaardiging in

het hart, dat men hun den smaad niet zou aandoen van te meenen,

dat zij niet met de wapenen in de hand zouden kunnen sterven.

Misschien zal menigeen onder mijne lezers er vreemd van opzien, als

ik van montenegrijnsche kavalerie spreek, en als van zelve zal de

vraag rijzen: hoe in een land, als ik getracht heb te beschrijven,

de kavalerie met mogelijkheid een rol kan spelen? Toch komt in de

legersterkte van het vorstendom ook dit wapen voor. Na den oorlog van

1870 heeft men te Cettinjé een eskadron--het is waar, een eskadron in

partibus--opgericht, dat er zeer eigenaardig, zeer zonderling, maar

bovenal zeer schilderachtig uitziet en eene merkwaardige verzameling

oplevert van de meest uiteenlooponde typen. De ruiters zijn afkomstig

uit de onderscheidene provinciën van het vorstendom, en de tuigen

der paarden verschillen naar gelang van den smaak, de fantasie en

de middelen van den ruiter, of ook naar gelang van de wijze, waarop

hij in het bezit dezer voorwerpen is geraakt. Het kommando over dat

eskadron, dat tot het dienstdoende leger behoort, is thans opgedragen

aan een voormalig oostenrijksch kavalerie-officier, Stanko Radonich. De

kosten voor het onderhoud der paarden zijn overigens niet geëvenredigd

aan de diensten, die het korps bewijzen kan: want in Tzernagora is de

fourrage zoo schaars, dat een paard gemiddeld 's jaars ruim vijfhonderd

franken aan voeding kost; in de Berda daarentegen zou dit onderhoud

veel minder kosten; maar tot heden is het, bij het gemis van bruikbare

wegen, onmogelijk, de fourrage van de eene streek van het vorstendom

naar de andere te vervoeren. Om dezelfde reden is de artillerie bij

de verdediging des lands van zoo weinig nut; bovendien is het mikpunt

schier zonder uitzondering te ver verwijderd of te dicht bij: te ver

verwijderd, als men van de hoogte der bergen moet vuren; te dicht

bij, als men in de passen en ravijnen, die zich in eindelooze bochten

tusschen de rotsen heen winden, moet aanvallen. Berghouwitsers, die op

muilezels worden vervoerd, zijn de eenige stukken, die hier werkelijk

van dienst kunnen zijn. Men heeft zich dus in de bediening dezer

houwitsers moeten bekwamen; tegenwoordig is een der voornaamste en

beste officieren van het vorstendom, Macho Verbitza, die in Frankrijk

zijne opleiding heeft ontvangen, aan het hoofd van dit wapen geplaatst.

Hiermede heb ik mijn overzicht van de officiëele strijdkrachten van

het vorstendom voltooid: dit overzicht was noodig om te weten over

welke hulpmiddelen Montenegro kan beschikken; maar hier, minder dan

ergens elders, mag het persoonlijk initiatief worden voorbijgezien

of gering geschat. Voorzeker heeft men goed gehandeld, door, voor

zoover dit mogelijk was, de bewapening en uitrusting te verbeteren,

de ordelooze massa aan vaste regelen te onderwerpen en eene doelmatige

organisatie in te voeren; maar naar het oordeel van alle deskundigen

zou het een bedenkelijke misslag zijn, de Tzernagorsken aan eene

al te strenge en stipte krijgstucht te willen onderwerpen. Als de

Montenegrijn op het slagveld niet zekere mate van vrijheid behoudt,

niet langer de gelegenheid heeft om, althans tot op zekere hoogte,

zijne eigene ingevingen te kunnen volgen, dan zou hij zich niet langer

in zijn element gevoelen. In het gelid geplaatst en tot een simpel

nommer geworden, zou de onversaagde krijgsman minder waard zijn dan

een gewoon europeesch soldaat. Een bekwaam legeraanvoerder moet steeds

weten te beoordeelen, wanneer en in welke mate hij aan dit persoonlijk

initiatief zijner manschappen den vrijen teugel laten kan en mag.

De dood op het slagveld is voor den Montenegrijn bijna het hoogste

ideaal: bij de geboorte van een zoon weet men hem niets beters toe

te wenschen, dan dat hij niet in zijn bed moge sterven. Is hij in

de vlakte of in een bergengte, tegen den vijand strijdende, met

eere gevallen, dan wordt zijn lijk, door zijne makkers, op dezelfde

plaats ter aarde besteld. De weduwe, in haar dorp teruggekeerd,

zal zijner nagedachtenis de verschuldigde eer bewijzen: zij noodigt

hare vriendinnen bij zich; zij heeft de wapenen, de kleederen van

den gevallene bewaard, zijne strouka of plaid, die hem tot mantel,

tot reiszak en tot bed diende; zij spreidt dien plaid als een tapijt

voor hare woning uit, legt er zijne beretta en wapenen op neder, en

met ten hemel geheven handen heft zij haar klaagzang aan. Zij wijdt

uit in den lof des gestorvene; zij beklaagt hem niet; zij prijst noch

zijn zachtmoedigheid, noch zijn goedheid, noch zijn edelmoedigheid,

maar wel zijn mannelijken moed, zijne indrukwekkende schoonheid,

zijne heldenkracht, zijne koene doodsverachting.

Behalve de officiëele legerhoofden, zijn er nog andere aanvoerders, die

een overwegenden invloed op den soldaat uitoefenen: dat zijn de popen,

hetzij eenvoudige priesters, hetzij aartspriesters en archimandriten,

of zelfs metropolitanen. Ik merkte reeds op, dat de tegenwoordige

bisschop ook als krijgsman beroemd is; en de Montenegrijnen vinden er

niets stootends of onbehoorlijks in, dat dezelfde hand beurtelings

het kruis en het zwaard voert, zich nu eens opheft tot zegenen en

straks den dood in de vijandelijke gelederen brengt. In de eerste

tijden der middeleeuwen, was dit ook bij ons niets ongewoons. In

Kroatië, in Bosnië, in Herzegowina, in Servië, heb ik mij meermalen

kunnen overtuigen, welken machtigen invloed die priesters op hunne

omgeving uitoefenen; zij deelen in alles de levenswijze des volks;

even als hunne parochianen, zijn ook zij echtgenooten en huisvaders

en gaan zij gebukt onder allerlei wereldsche zorgen en beslommeringen

van het alledaagsche leven. De begeerten, wenschen en hartstochten

des volks vinden weerklank in hun gemoed; zij deelen met hetzelfde

vuur, in zijn liefde en zijn haat; en zoodra de geschikte gelegenheid

zich aanbiedt, treden zij op als de natuurlijke legerhoofden, die

de banier verheffen van den heiligen krijg tegen de ongeloovigen

en met beproefde dapperheid en vurige geestdrift vóórgaan in den

rechtvaardigen, erfelijken, eeuwenouden strijd.

De naam van den pope Zarko is in den jongsten oorlog beroemd

geworden, als die van den gelukkigsten en den bedachtzaamsten onder de

verschillende legerhoofden. Archimandriet van het klooster te Banja,

waar hij ook gewoonlijk verblijf hield, was hij de eerste, die de

vaan des opstands plantte; met honderdzestig vrij wel uitgeruste en

op kosten der kerk gewapende manschappen, verschanste hij zich in de

bergpas van Therina, boven het dorp Rahodina. Zijn eerste wapenfeit was

het verslaan van een regiment kavalerie, dat van Constantinopel naar

Albanië, en van Albanië naar Bosnië was gezonden. Gedurende de eerste

twee maanden van den oorlog, leed hij geene enkele nederlaag; zijn

hoofdstreven was steeds gericht op het verbreken van de communicatiën

der Turken tusschen Rumelië en Bosnië, en op het openhouden der wegen,

die van Servië naar Montenegro voeren. Zarko vatte zelfs het stoute

plan op, een aanval te wagen op de vesting Vichgrad, en had met dat

doel ruim tweeduizend man onder zijne bevelen vereenigd. Aan moed,

onverschrokkenheid en zeldzame tegenwoordigheid van geest paarde

hij eene aangrijpende, mannelijke welsprekendheid; door zijne van

geestdrift tintelende toespraken en proklamatiën ontvlamde hij

allerwege de harten der servische landlieden. Om eenig denkbeeld te

geven van den eigenaardigen toon dezer priesterlijke oproepingen,

laat ik hier eenige zinsneden volgen uit de proklamatie, die Zarko

uitvaardigde, toen hij het klooster van Banja verliet en het teeken

tot den opstand zou geven. Deze dokumenten, zoo vaak verwaarloosd

en veronachtzaamd, geven doorgaans een trouwer beeld van de zeden,

de stemming en denkwijze des volks en van den toestand des lands,

dan zelfs eene uitvoerige ethnografische studie doen kan.

"Laat alle de volken het vernemen, en laat de gansche wereld

het weten, dat de servische natie bestemd is om in vrijheid te

leven. Broeders! het is reeds vele jaren geleden, dat de groote slag

geleverd werd in de vlakke velden van Kossowo; maar sedert dien dag

lijdt ons volk onophoudelijk allerlei ongerechtigheid, berooving en

mishandeling van de zijde der verdorven Osmanlis; iedere voetbreed

gronds is gedrenkt met de tranen en het bloed onzer vaderen. De Turken

schenden en vertrappen ten allen tijde het geloof, de vrijheid,

de eer en de have der kinderen van de Nemantchy, tot schande voor

het geheele volk. Nu dan, de ure der wrake heeft geslagen! Luister,

o mijn volk! vat de wapenen op, want het loon van den strijd is de

vrijheid der gansche natie! Wij zullen het geloof, de rechten, de eer

en de have van iedereen eerbiedigen. Maar wie zich in de worsteling

vijandig tegen ons zal stellen, die zal zijn verraad met zijn leven

boeten. Staat dan op, Serviërs en Montenegrijnen! besproeit de graven

en woonsteden onzer vaderen met het bloed der snoode tirannen; aan

ons behoort het land; met ons is het recht, met ons is God!"

Het valt niet moeilijk te beseffen, welken indruk zulke woorden, uit

den mond van een archimandriet, moesten maken op de hartstochtelijke,

prikkelbare, door eeuwenlangen druk verbitterde, en van nature

krijgshaftige, christelijke bevolking, die in den priester tevens den

soldaat, en in den soldaat een der dignitarissen van de orthodoxe

Kerk eerde. Overigens was Zarko niet de eenige, die destijds het

kruis voor den degen verwisselde. De pope Milo en de higoumenos

Melantya streden mede in de gelederen, en onder de Montenegrijnen

was er schier geen enkele priester, die werkeloos toeschouwer wilde

blijven. Vooral in de aan Albanië grenzende streken, waar de oude zeden

zuiverder bewaard zijn gebleven dan in het meer naar de Adriatische-zee

gelegen gedeelte, vertoont zich de echte, oude Montenegrijn in al de

eigenaardigheid van zijn karakter. Daar hebben en de kleederdracht, en

de gebruiken, en de aloude traditiën en volksmeeningen nog schier al

haar oorspronkelijkheid en zuiverheid behouden; maar hoewel de popen

daar, in nog meerdere mate dan elders, aan de worsteling deelnamen,

belette dit hun niet, tevens hunne geestelijke bediening waar te

nemen. Zij verrichten de gebeden voor de gesneuvelden en zijn dikwijls

bij de weeklachten der dooden tegenwoordig.

Maar niet alleen de priesters, ook de vrouwen nemen, naar

montenegrijnsche zeden, deel aan den krijg. Niet zelden nemen zij

zelven het geweer ter hand, maar haar eigenlijke taak bestaat toch

voornamelijk in het aanvoeren van de noodige levensbehoeften voor de

troepen, dikwijls van groote afstanden; in het verbinden en verzorgen

der gekwetsten; in het laden der geweren tijdens het gevecht of het

overbrengen van brieven of bevelen:--zij vormen zoodoende een zeer

nuttig hulpleger, zoodat geen enkel man uit het gelid behoeft te

worden gemist. In de Pesmas of nationale zangen, waarvan ik reeds

meermalen gesproken heb, worden dan ook bij herhaling de moed en

toewijding der vrouwen geprezen; en elke nieuwe veldtocht, elke

nieuwe krijg tegen de Turken voegt aan die gouden legende den naam

toe eener nieuwe heldin, die zich in den strijd onderscheiden heeft,

en die nu voortaan blijft leven in de dankbare herinnering haars

volks. Tegenwoordig geschieden er geen plaatselijke aanvallen meer;

er wordt niet meer, als vroeger, op eigen hand krijg gevoerd: Vorst

Nikolaas, het door zijn voorganger begonnen werk voortzettende, heeft

eene andere orde van zaken ingevoerd; Montenegro is opgenomen in den

kring der europeesche mogendheden; en elke vijandelijke daad, door

een stam of dorp of zelfs door eene familie tegen de buren aan gene

zijde van de turksche of oostenrijksche grenzen gepleegd, zou niet

langer als een persoonlijk vergrijp, maar als eene schending van het

grondgebied van een vreemden staat worden beschouwd, en den oorlog ten

gevolge kunnen hebben. Zoo als ik reeds zeide, heerschte vroeger vrij

algemeen de gewoonte der razzias of zoogenaamde tchetas; op een gegeven

oogenblik, zonder dat daarvoor eene bijzondere aanleiding bestond,

trokken de manschappen uit een zeker aantal dorpen, tot de tanden

gewapend, over de grenzen, deden een inval op turksch grondgebied,

voerden de kudden en dikwijls ook de bewoners weg, roofden al wat zij

machtig konden worden, en keerden met hun buit naar hunne ongenaakbare

bergen terug, waar zij bijna voor elke vervolging veilig waren. Het is

ook waar, dat zij zeer dikwijls tot deze strooptochten door den nood,

door nijpend gebrek en honger gedreven werden, wanneer de schrale oogst

was mislukt, of eene epidemie de bebouwing der akkers onmogelijk had

gemaakt. Reeds Danilo had deze razzias ten strengste verboden, en ze

strafbaar gesteld als gewapenden diefstal. De regeerende Vorst heeft

in dit opzicht nooit met ernstige moeilijkheden te kampen gehad;

zoo er nog altijd gewapende invallen op het turksch grondgebied

plaats grijpen, dan hebben die toch niet meer het karakter van een

geregelden strooptocht, maar slechts van persoonlijke aanslagen tegen

eens anders eigendom.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 90 / 92 题