De inrichting der familie is bij de Montenegrijnen, in hoofdzaak,
dezelfde als bij alle Zuid-Slaven: ook zij leven in groote
gezinnen, in groepen van verwanten van zeer onderscheiden graad,
die een gemeenschappelijken stamvader hebben; een dorp bestaat uit
een zeker aantal dezer groepen. In Slavonië en Kroatië dragen deze
familiegroepen den naam van zadruga, hetgeen in het servisch maatschap
of vereeniging beteekent; overigens verschilt de naam eenigszins in
de onderscheidene streken van het Balkan-schiereiland. Wij bepalen
ons hier tot Montenegro, waar het geslacht of de maatschap zelve den
naam draagt van dom (huis), het hoofd van het gezin dien van domacin,
en zijne vrouw dien van domacica.
Als een jong meisje, door haar huwelijk, in een ander geslacht, dat van
haar man, overgaat, dan heet het geslacht, waaruit zij zelve afkomstig
is, niet langer haar dom (huis), maar haar rod (verwantschap). Die
gezinnen of familiën bestaan uit een zeker aantal personen, dat niet
overal hetzelfde is. De heer Bogisic, die van deze zaak bepaaldelijk
zijne studie heeft gemaakt, meent dat in Montenegro eene familie
gemiddeld tusschen de twintig en vijf-en-twintig personen telt.
Het hoofd van zoodanig gezin oefent volstrekt geene onbeperkte
macht uit; hij wordt door de leden der familie gekozen, zoodat
de noodzakelijke onderwerping van ieder lid aan zijn gezag altijd
het karakter van vrijwillige gehoorzaamheid behoudt en dit gezag
zelf zijne grenzen heeft. In Montenegro, dat nimmer aan de turksche
tirannie onderworpen werd, zijn de oude inrichtingen nog bijna geheel
ongeschonden in stand gebleven, zoodat men hier de uitnemendste
gelegenheid vindt om de antieke organisatie der servische familie
te bestudeeren.
Het doel der gemeenschap is in de eerste plaats de exploitatie van
aller gemeenschappelijk bezit, ten meesten bate van allen te zamen
en van ieder in het bijzonder. De akkers, de weilanden, de tuinen,
de landbouwwerktuigen en gereedschappen vormen het gemeenschappelijk
en onvervreemdbaar eigendom der familie. Hot opperhoofd, de domacin,
wordt door de mannelijke leden der familie gekozen; hij behoeft
niet juist altijd de oudste te zijn, want hoewel de Serviërs in
hooge mate eerbied voor den ouderdom gevoelen, wordt er toch in
het hoofd der familie bovenal kracht, zelfstandigheid en energie
vereischt. Niettemin behoudt toch, wanneer een jonger lid der familie,
uitmuntende door zijne bekwaamheden, met de leiding der zaak belast is,
de oudste in jaren voor het uiterlijke de waardigheid en het officieel
gezag. Doorgaans volgt de oudste broeder zijn overleden broeder
op, zooals de oudste zoon zijn vader; echter kan zelfs eene vrouw,
indien zij de noodige talenten bezit, gekozen worden; nog meer: eene
ongehuwde dochter zou, in geval van zeer buitengewone bekwaamheid, met
de opperste leiding der zaken belast kunnen worden; maar in dat geval
voert zij niet den officieelen titel, die dan gedragen wordt door den
zoon, den rechtstreekschen erfgenaam, al is deze ook nog een zuigeling.
De verkiezing van een familiehoofd geschiedt altijd met zekere
plechtigheid, waarbij ook de kerkelijke wijding niet ontbreken mag:
meestal heeft deze ceremonie plaats op Kerstdag. De domacin presideert
de familie-vergaderingen en vertegenwoordigt de algemeene belangen
der gemeenschap; hij voert het beheer, oefent het toezicht uit, en
is bevoegd te straffen. Hij doet de noodige uitgaven en inkoopen;
beheerder van het gemeenschappelijk familiegoed, mag hij daar niets
van afnemen, zelfs niet voor zijn onderhoud of dat zijner kinderen. De
eer des huizes is aan zijne hoede toevertrouwd; en is bekwaamheid
noodig, niet minder is moed een vereischte: want wij zijn in een
land, waar familieveeten zeer dikwijls tot bloedige conflicten
kunnen leiden. Niettemin moet hij zoo lang mogelijk trachten, den
vrede te bewaren, de geschillen uit den weg ruimen, de weduwen en
weezen beschermen. Allen bewijzen hem de verschuldigde eer: hij
zit op de hoogste plaats aan het hoofd der tafel en bedient al de
gasten; als hij de woning binnentreedt, rijzen alle aanwezigen van
hunne zitplaatsen op. Geene uitspanning, geen spel of gezang in den
kring der familie is geoorloofd zonder zijne toestemming; zelfs mag
men in zijne tegenwoordigheid niet rooken, zonder dat hij door een
teeken daarin bewilligd heeft. Echter is zijne rechtsmacht over de
leden der familie verre van onbeperkt; hij mag geene getrouwde vrouw
berispen of straffen; ook behoort hij geen man, in tegenwoordigheid
eener vrouw, verwijtingen te doen, ten einde het beginsel des gezags
ongerept te handhaven. Begaat een der leden een of ander vergrijp
of misdaad, dan wordt de schuldige, die natuurlijk volgens de wet
des lands gestraft wordt, in den regel door een besluit der familie
uitgeworpen. De vergadering dezer familiehoofden benoemt de kandidaten
voor de hooge staatsambten, wanneer de algemeene volksvergaderiug
bijeen wordt geroepen.
De domacin kan op eigen gezag geene besluiten van ingrijpenden aard
nemen; maar als beheerder van het familiegoed heeft hij eene zeer
groote macht; strikt genomen, mag hij van dat goed vervreemden en
eerst daarna rekenschap afleggen. Om hem af te zetten, is volstrekte
eenstemmigheid in den familieraad noodig. Blijkbare ongeschiktheid,
te hooge leeftijd, dronkenschap of wel verregaande verwaarloozing
der hem toevertrouwde belangen, mogen als voldoende redenen voor
afzetting worden beschouwd. Deze daad moet, uit eerbied voor het
karakter der instelling, mede met zekere plechtigheid geschieden. Is
eenmaal tot afzetting besloten, dan rijst de oudste der familie, des
avonds, na afloop van den maaltijd, in aller tegenwoordigheid op,
somt in aller naam de grieven op, die men tegen den domacin heeft,
en maant hem aan, zijne waardigheid neder te leggen, opdat daarna
een ander in zijne plaats gekozen worde.
De domacica, de vrouw van den domacin, behoudt hare waardigheid
ook na den dood van haar echtgenoot, en geniet in haar kring eene
hooge onderscheiding. Zij voert het bestuur over de huishouding en
ontvangt de opbrengst van de melkerij en van den hoenderhof, die zij
vervolgens aan den domacin ter hand stelt; zij verdeelt het door de
vrouwen en meisjes te verrichten werk, en wijst ieder hare bepaalde
taak aan. Zij heeft ook het oppertoezicht over de opvoeding, leert
de kinderen hunne gebeden, onderwijst hen bij hun werk en houdt hun
hunne plichten voor; in de lange winteravonden vergadert zij ze om
haar schoot en verhaalt hun de wondervolle overleveringen, die zij
zelve ook van hare moeder geleerd heeft: de oude volksverhalen, de
nationale liederen, die de geschiedenis van het volk van Montenegro
bevatten, en waaraan ieder stamhoofd, iedere Vorst eene bijdrage
toevoegt, aldus den schat vermeerderende der zoo geliefde nationale
pesmas. Ook jegens de overledenen heeft de domacica plichten te
vervullen: elken zaterdag gaat zij naar het kerkhof of naar de mis
voor de afgestorvenen; zij is het ook, die het gebed voor de dooden
uitspreekt, een der meest aangrijpende tooneelen, die mij tijdens
mijn verblijf onder de Zuid-Slaven getroffen hebben.
Wij willen thans kortelijk de verplichtingen en voorrechten van de
leden dezer coöperatieve vereenigingen--want dat zijn die familiën
eigenlijk--opnoemen. Elk lid heeft zijn aandeel in de winsten;
hij heeft recht op voeding, huisvesting en kleeding, die voor
gemeenschappelijke rekening verschaft worden. De vereeniging kent noch
graden, noch privilegiën; maar de leeftijd en de sekse kunnen de aan
ieder toekomende rechten binnen zekere grenzen beperken. Zoodra hij
zijn achttiende jaar volbracht heeft, mag een jonkman mede zijne
stem uitbrengen; tevens verkrijgt hij daardoor het recht op het
hem toekomende deel van de winst. Gewoonlijk nemen de vrouwen geen
deel aan de beraadslagingen; slechts in buitengewone gevallen wordt
haar gevoelen gevraagd, zoo als bij voorbeeld, als er sprake is van
verhuizing of van den verkoop van het familiegoed. De familieraad
wordt steeds des avonds gehouden, na afloop van den maaltijd, als
de arbeid geheel ten einde is; des zomers vergadert men in de open
lucht. De domacin doet verantwoording van het door hem gevoerde
beheer; het gaat in die vergadering doorgaans zeer kalm en rustig
toe; de minderheid, zoo zij er is, onderwerpt zich zwijgend aan de
beslissing der meerderheid; in den regel wordt er zelfs in het geheel
niet gestemd: de overgelegde rekeningen worden goedgekeurd, en de
voorstellen omtrent de verdere exploitatie van het gemeenschappelijk
kapitaal bij akklamatie en zonder tegenspraak aangenomen. Maar men
verwacht nu ook van den domacin, wien zoo groot vertrouwen geschonken
wordt, dat hij niet, zonder vooraf hare toestemming te vragen, bij
koop of verkoop tot eenigszins aanzienlijk bedrag, of op andere wijze,
de maatschap geldelijk verbinden zal. Daar de huwelijken in Montenegro
aan zekeren regel onderworpen zijn--zoodat, bij voorbeeld, de oudere
dochter vóór de jongere moet trouwen, en de huwbare dochters vóór de
zoons--moet de domacin voor de handhaving van dien regel zorgen en
niet al te spoedig en te onbedacht zijne toestemming geven tot eene
nieuwe echtverbintenis, omdat elk jonggetrouwd paar een nieuwe last
is voor de vereeniging.
Doch ook een nieuwe bron van inkomst: want elke winst die, op
welke wijze ook, aan een der leden te beurt valt, moet der geheele
vereeniging ten goede komen; en wie op dit stuk bedrog zou willen
plegen, zou uit de gemeenschap geweerd kunnen worden. Niemand mag,
behoudens in enkele nauwkeurig omschreven gevallen, een eigen spaarpot
hebben: zoo behoort, bij voorbeeld, de in den krijg behaalde buit aan
den overwinnaar; zoo behouden ook de popen, leden eener familie, wat
zij persoonlijk ten geschenke ontvangen, maar hunne vaste inkomsten
worden bij het algemeene kapitaal gevoegd. Zoolang echter een lid der
vereeniging op reis is, wordt hij beschouwd als tijdelijk daar niet
toe te behooren, en hetgeen hij gedurende zijne afwezigheid verdient,
blijft zijn persoonlijk eigendom. Even als elke muzelman eenmaal in
zijn leven ter bedevaart naar Mekka moet gaan, zoo krijgt ook ieder
Montenegrijn van de familie vergunning om naar den berg Athos te
trekken, naar die beroemde grieksche kloosters, ten deele door de oude
servische koningen gesticht. De bepalingen en regels omtrent de positie
der afwezige leden zijn verschillend in de onderscheidene provinciën,
en worden doorgaans bij speciale overeenkomst vastgesteld. Wie, in
tijd van nood of tegenspoed, uit eigen middelen aan zijne vereeniging
geld geeft, mag op de terugbetaling dier som geene aanspraak maken;
maar dikwijls geeft de vereeniging, als zij in betere omstandigheden
komt, uit eigen beweging het geleende met interest terug.
Welke is nu, met uitzondering altijd van de domacica, de stelling
der vrouwen in dit gezin? Ik zeide hierboven reeds, dat men tot het
intieme leven van de Montenegrijnen moet doordringen, om zich te
overtuigen dat de vrouw, die schijnbaar de taak van een lastdier
vervult, toch in zekeren zin met eerbied en verschooning bejegend
wordt: haar toekomst is verzekerd, en over hare belangen waakt
de familie met groote zorg. De vrouw torscht zware vrachten op de
wegen, maar bij den veldarbeid valt haar de lichtste taak ten deel:
de man ploegt, maait en dorscht het graan; zij bindt de garven
en houdt de nalezing. Binnenshuis neemt zij aan den arbeid deel,
zoodra haar leeftijd dit eenigszins toelaat; de bezigheden worden
onderling verdeeld; de vrouwen loten onder elkander, wie op het veld
en wie in huis zullen arbeiden. Ieder heeft de zorgen voor hare eigene
onmiddellijke verwanten: in de eerste plaats voor den echtgenoot, dan
voor de kinderen, eindelijk voor de ongehuwde broeders en zusters. Een
jong meisje moet noodwendig een bruidschat, hoe gering ook, mede ten
huwelijk brengen; en om haar gelegenheid te geven dien te verdienen,
mag zij elken dag eenige uren voor zich zelve arbeiden; hetgeen zij
met dien arbeid verdient, vormt haar bruidschat. In geen geval mag
de echtgenoot zich daarvan meester maken. Zij behoudt evenzeer de
erfenis harer ouders, die nooit bij de massa gevoegd wordt. Die fraaie
muntstukken, die de vrouwen op de borst dragen, die prachtige, dikwijls
smaakvol bewerkte juweelen en sieraden, die zware oorhangers, die
rijk versierde gordels, die tot het vrouwelijk kostuum behooren, zijn
haar persoonlijk eigendom en gaan bij erfenis van de moeder op hare
dochters over. Voor zoo ver de vrouw met en in de vereeniging arbeidt,
behoort natuurlijk de vrucht van dien arbeid ook aan de maatschap;
maar als deze arbeid stilstaat, en zij elders hare diensten verhuurt,
dan blijft hetgeen zij op die wijze verdient haar eigendom. Doorgaans
worden ook de regelen der vereeniging met zekere toegevendheid ten
aanzien van de vrouwen toegepast; en de domacica kan haar zekere
voordeelen en tegemoetkomingen verschaffen, waarop niemand aanmerking
maakt. Zij ontvangen haar schoenen, haar hoofddeksel en haar mantel van
de vereeniging; bovendien worden alle kleedingstukken in het huis zelf
vervaardigd; voor bloote sieraden moet ieder in het bijzonder zorgen.
Wij zien hieruit, dat, ondanks de uiterlijke schijn het tegendeel
zou doen vermoeden, het lot der vrouwen in Montenegro niet zoo hard
is; dat zij in de familie ongeveer dezelfde rechten genieten als
de mannen, en met achting en onderscheiding behandeld worden. Maar
de vreemdeling, die zich eensklaps ziet overgeplaatst te midden van
geheel andere zeden en gewoonten, loopt altijd groot gevaar door den
schijn misleid te worden, en dat te meer wanneer het, zoo als hier,
niet gemakkelijk valt tot het intieme leven der bewoners door te
dringen. Iemand, die de gave bezat van nauwkeurige waarneming, de
reiziger Wilkinson, heeft zijn gevoelen in deze woorden uitgesproken:
"In Turkije zoowel als in Montenegro, is de man despoot, en de vrouw
slavin; het eenige onderscheid tusschen de beide landen is, dat de
vrouw in het eene een voorwerp is van de voorbijgaande gunst des mans,
een der noodige meubels van zijn huis, ongeveer gelijk staande met de
paarden in zijn stal; terwijl zij in het andere het lastdier is van den
man en voor hem den zwaarsten arbeid verricht. Maar de montenegrijnsche
vrouw heeft het voorrecht, in eene christelijke maatschappij te leven;
en hoe zwaar de taak ook moge zijn, die op hare schouders rust, zij is
toch altijd de levensgezellin van haren man, en niet eene der slavinnen
in zijn harem. Zij is zijne echtgenoote, de eenige moeder zijner
kinderen. Zij vindt eene groote vergoeding voor haar moeilijk lot in
de liefde harer zonen, die in dit land misschien inniger aan hunne
moeder gehecht zijn dan in eenige andere beschaafde maatschappij."
Ik durf verder gaan:--en zonder te spreken van zoo menig bewijs van
innige liefde, hartelijke gemeenschap en volkomen gelijkheid tusschen
man en vrouw, dat ik gelegenheid had op te merken, durf ik beweeren,
dat de stelling der montenegrijnsche vrouw, hetzij gehuwd of ongehuwd,
beter gewaarborgd is dan die van hare zusters in Frankrijk en Engeland,
of in de meest beschaafde landen van Europa. Ziehier het bewijs. Is
de jonge vrouw, bij haar huwelijk, uit het familieverband, waarin zij
geboren werd, uitgetreden, om in dat van haren man over te gaan, dan
laat daarom haar familie haar niet geheel los. Werden hare rechten in
hare nieuwe familie miskend en geschonden, dan zouden de leden harer
eigene familie steeds gereed staan om hare belangen te bepleiten,
haar te verdedigen, des noods te wreken. Weduwe geworden, kan zij tot
hare eerste familie terugkeeren, die haar met vreugde ontvangt. Nooit
en in geen geval blijft zij alleen, zonder steun of hulp aan haar lot
overgelaten, nooit ontbreekt het haar aan een tehuis, waar zij veilig
kan inkeeren; zelfs in weerwil van het nieuw ingevoerde geschreven
recht, blijft het volk ten deze de aloude, voorvaderlijke traditiën en
inzettingen in eere houden. Elke beleediging, een meisje, eene vrouw of
weduwe aangedaan, vordert bloed, tenzij de vergoeding worde gegeven,
door de familie geëischt, welke de in haar schoot geboren dochter
nooit uit het oog verliest en nooit aan haar lot overlaat. Weeze
geworden, vindt zij een vader in iederen huisvader, tot de vereeniging
behoorende; haar broeder zal haar uithuwen, en zoo niet, zal hij zelf
ongehuwd blijven, om haar het leven aangenaam te maken. Ik zou nog
verder kunnen gaan, en nog meer feiten kunnen aanvoeren ter eere
van dat servische volk, waarvan niettemin de mannen, als zij van
hunne vrouwen spreken, tot onze groote ergernis zich steeds aldus
uitdrukken: Da prostite moja xena (Mijne vrouw, met uw verlof!),
zoo als een normandische boer ter nauwernood van zijn varken zou
spreken. Maar ik meen door het boven aangevoerde der waarheid hulde
te hebben gedaan en, naar ik hoop, iets te hebben bijgedragen tot een
billijker oordeel over de zeden dezer bergbewoners, waaromtrent zoo
velen, zij het ook volkomen te goeder trouw, in zonderlinge dwaling
hebben verkeerd, of althans eenzijdig geoordeeld.
Toch, ondanks de dikwijls tedere zorg, waarmede in de familie,
krachtens het oude traditioneele gewoonterecht, voor de belangen der
vrouw gezorgd wordt, komt het in niemand op, de van God gestelde
ordening om te keeren en de vrouw in alles tot de gelijke van den
man te maken. Hij is en blijft de meerdere. De montenegrijnsche
vrouw mag zich nooit met de zaken van haren man bemoeien; hij zal
nooit van haar, zij nooit van hem tegenover derden spreken, noch
ook hem bij zijn naam noemen. Zij zal zoo zeer alle betooningen van
tederheid en liefde verbergen, dat ge, bij eene familie binnentredende,
nooit kunt ontdekken, in welke betrekking de daar aanwezige personen
tot elkander staan. De man kan ruw en heftig wezen, en hij zal dit
ook somtijds zijn; hij moet zelfs tegenover zijne vrouw eene koude,
minachtende onverschilligheid toonen: dat behoort tot zijn rol, dat
eischt zijne waardigheid als man. Nooit gaat hij met zijne vrouw uit,
tenzij dan dat de geheele familie bijeenkomt. Wat nog zonderlinger
is: hij mag haar op weg niet tegenkomen; en wanneer dit onverziens
toch gebeurt, houdt de man zich alsof hij zijne vrouw niet ziet, en
grijpt een of ander voorwendsel aan om zich niet met haar te bemoeien:
hij zal zijn schoenen vastmaken of het een of ander aan zijn kleeding
verschikken. Den onbekenden reiziger zal de montenegrijnsche vrouw
zonder aarzelen eenige dienst bewijzen: zij zal hem water geven
om zijne voeten, van de lange wandeling vermoeid, te verfrisschen;
zij zal hem met vriendelijken groet in de woning ontvangen; maar haar
man mag zij niet alzoo behandelen. Als haar echtgenoot ziek ter neder
ligt, zelfs als hij sterven gaat, mag zij hem niet oppassen, niet tot
zijn bed naderen; ter nauwernood mag zij, als het noodlottig oogenblik
gekomen is, aan hare smart lucht geven, en nooit is het haar vergund,
de weeklacht over den doode aan te heffen.