VII.

Montenegro bezit noch ruïnen, noch gedenkteekenen; men treft er

nauwelijks enkele sporen van vroegere tijden aan: maar de bewoners des

lands mogen op onze volle belangstelling aanspraak maken, en in deze

schier ontoegankelijke bergen vindt men nog in al hare zuiverheid en

ruwheid de zeden van lang vervlogen eeuwen terug.

In dezen kleinen, half patriarchalen staat heeft ieder het

recht, wapenen te dragen en zijne stem uit te brengen in de

volksvergaderingen. Alle onderdanen zijn voor de wet gelijk; men

kent hier geen klassen of standen, hetgeen niet belet, dat deze of

gene familie, sedert langen tijd gewoon aan het hoofd van haar stam

of clan te staan, daardoor van zelve een zeker traditioneel aanzien

heeft verworven. Met uitzondering van de vorstelijke waardigheid, is

echter geen enkel ambt erfelijk, en de geringste onderdaan kan naar

de hoogste betrekkingen dingen:--echter, onder drie voorwaarden. Heeft

hij zich door eigen arbeid en inspanning, door bekwaamheid en talent,

fortuin verworven, dan vestigt zich de keus zijner medeburgers als van

zelve op hem; ditzelfde is ook het geval, indien hij zich in den oorlog

door bijzondere dapperheid of door een of ander schitterend wapenfeit

heeft onderscheiden; eindelijk is meerdere kennis en ontwikkeling,

door studie of reizen verkregen, bekendheid met vreemde talen en

andere landen, eene zeer sterke aanbeveling voor ieder, die naar

openbare ambten dingt.

Als algemeenen regel mag men, geloof ik, aannemen, dat de bewoner

van Tzernagora donker van uitzicht is, terwijl die van de Berda meer

naar het blonde trekt, zoo als sommige Zuid-Slaven. Over het geheel

genomen, zijn beiden mager, slank, rijzig en welgevormd, zeer dikwijls

indrukwekkend van voorkomen, en in gang en manieren somwijlen ietwat

gemaakt. De inwoners van Tzernitza en Bjelopavitzka onderscheiden

zich van alle anderen door hunne hooge gestalte, en herinneren aan

de schoone dalmatische typen uit den omtrek van Knin. Daar zij nooit

onder elkander trouwen--want de grieksche Kerk verbiedt het huwelijk

tusschen bloedverwanten zelfs in zeer verren graad--vernieuwt de type

zich zonder ophouden; en dewijl ten gevolge van de weinige zorg voor

de kleine kinderen, van het ruwe klimaat en de verwaarloozing van

de eenvoudigste gezondheidsregelen, zeer veel kinderen in jeugdigen

leeftijd sterven, blijven alleen de gezondsten en krachtigsten in

leven. Echter vertoont de montenegrijnsche type zich niet altijd in

zijne zuiverheid; en dit is geen wonder: Montenegro was langen tijd

eene wijkplaats, waar ieder, die zich aan de turksche dwingelandij

wilde onttrekken of zich op turksch gebied niet langer veilig

gevoelde, heen trok, dikwijls zonder iets anders dan zijne wapenen

mede te brengen.

Groote liefhebbers van alle lichaamsoefeningen, onvermoeide

voetgangers, gewend aan eene onophoudelijke worsteling met de

onbarmhartige natuur, zijn de Montenegrijnen, om zoo te zeggen, in

een voortdurenden staat van overspanning; zij kunnen de zwaarste

vermoeienissen trotseeren, en zijn met even weinig tevreden als

de Arabieren der woestijn. Wanneer zich de gelegenheid daartoe

aanbiedt, vervallen zij echter lichtelijk tot onmatigheid, en dezelfde

bergbewoner, die gewoonlijk van brood, van aardappelen, van rijst of

tarwe leeft, en zijn dorst lescht met het water der naaste bron, zal,

als er een schaap geslacht wordt, ongeloofelijke massaas verslinden;

en gaat hij zich eenmaal te buiten aan brandewijn, dan kent hij ook

geen perken meer.

Op de grenzen van Herzegowina en Montenegro, in de nabijheid

van Grahovo, heb ik een paar dagen gelogeerd bij een Dalmatiër,

die een kleinen drankwinkel hield; hij verhaalde mij, dat hij er

zich aanvankelijk op had toegelegd, brandewijn te verkoopen van

beter kwaliteit en minder met vreemde bestanddeelen vermengd dan

die van zijn buurman, in het vertrouwen dat hij daardoor klanten

zou trekken. In die verwachting was hij evenwel bedrogen geworden:

zijn buurman, die veel slechter brandewijn verkocht, maar waarin meer

vitriool was gemengd, had veel meer te doen dan hij. Deze door het

gebruik van heete specerijen en sterke oliën bedorven kelen hebben

een dergelijken heftigen prikkel noodig.

De krachtige, gezonde Montenegrijn ademt de frissche versterkende

berglucht in, en bewaart de harmonie zijner physieke krachten

en vermogens door voortdurende oefening, door spelen die aan de

antieke wedstrijden en kampgevechten doen denken, waarin kracht en

vlugheid om den prijs dingen. Hij is van nature vroolijk van aard,

levendig van geest, en begaafd met eene zeer sterke verbeelding. Hij

is onstandvastig en veranderlijk: geduld en volharding zijn hem zeer

dikwijls vreemd; heeft hij eenmaal een denkbeeld opgevat, dan grijpt

hij in zijne verbeelding reeds aanstonds het einddoel, geeft zich niet

volledig rekenschap van de moeilijkheden, die te overwinnen zijn, en

schat den te behalen prijs dikwijls veel hooger dan hij inderdaad waard

is. Er is iets kinderlijks in deze zoo moedige, zoo onverschrokken

strijders: slagen zij niet aanstonds in hun vermetelen aanval, dan

gebeurt het dikwijls, dat zij eensklaps alle zelfvertrouwen verliezen

en beschroomd worden. Ook in het gewone leven slaat de Montenegrijn

zeer licht van vreugde tot droefheid, van blijmoedig vertrouwen

tot doffe wanhoop over; en met zekeren takt valt het dikwijls niet

moeilijk, zijn opgewekte drift weder tot bedaren te brengen of hem

tot datgene te bewegen, waartegen hij zich eerst ten sterkste kantte.

Zijne wapenen zijn hem meer dan alles waard; zelfs de armsten

getroosten zich elke opoffering om hun gordel te kunnen versieren

met een kostbaren handjar of een paar fraai bewerkte pistolen,

waarmede zij zeer goed weten te schieten; de meer vermogenden koopen

in Albanië die met zilveren knoppen versierde wapenen, die onder den

naam van ledenitze bekend zijn; in den laatsten tijd zijn ook onder hen

revolvers geene zeldzaamheid. In zeker dorp, waar ik vertoefde, had een

der inwoners zich een naaldgeweer aangeschaft, dat hem juist bezorgd

werd en zeer waarschijnlijk hier nog geheel onbekend was; de gelukkige

bezitter van dit nieuwe wapentuig werd den ganschen dag als het ware

bestormd door zijne buren, die het geweer kwamen bekijken en het allen

wilde probeeren; uren achtereen was het een schieten zonder ophouden,

en op het gelaat van alle aanwezigen was duidelijk te lezen, hoezeer

zij hun makker het bezit van een zoo kostbaar wapen benijdden. In de

laatste jaren heeft de wapenrusting van de Montenegrijnen eene geheele

verandering ondergaan; de geweren, die thans van regeeringswege worden

uitgedeeld, zijn allen vervaardigd naar een der verschillende stelsels,

bij de europeesche legers in gebruik; maar bovendien schaft ieder

zich eigen wapenen aan, geheel overeenkomstig zijn smaak en zijne

middelen. Zij, die in de nabijheid der oostenrijksche grenzen wonen,

hebben karabijnen en Martini-geweren; naar gelang men verder in het

binnenland komt, vindt men des te grooter verscheidenheid in de soort

van geweren, die aan eigenaardigheid en sierlijkheid van vormen winnen,

wat zij aan juistheid verliezen. Ondanks de onvolkomenheid van hunne

vuurwapenen, zijn de Montenegrijnen zeer bekwame schutters. De Turken

hebben een instinktmatig besef van afstanden, die zij met groote

juistheid berekenen: aan deze eigenschap danken zij hunne bekwaamheid

als artilleristen; de Montenegrijnen bezitten dezelfde eigenschap en

oefenen zich voortdurend in het schijfschieten. Op de vlakte achter

het paleis, ziet men zeer dikwijls den Vorst met de heeren zijner

omgeving naar den prijs schieten, waarbij zijne zuster menigmaal,

met een pistool in den gordel, de rol van kamprechter vervult.

De Montenegrijn heeft van nature een waardig en hooghartig voorkomen en

een sierlijken, gemakkelijken gang: hij is zich van deze voorrechten

zeer wel bewust en poseert gaarne. Uit zijn aard is hij zeer

hoogmoedig; zijn gevoel van eigenwaarde, het bewustzijn van zijn

moed, van zijne bedrevenheid in alles wat tot den wapenhandel en den

krijg behoort, heeft althans dit voordeel, dat hij dikwijls de meest

roekelooze ondernemingen durft bestaan, die meermalen met goeden

uitslag bekroond worden. Dit volk vertoont, over het geheel genomen,

eene zonderlinge mengeling van deugden en gebreken. De Montenegrijn

spreekt luide en op hoogen toon; hij is trotsch, ongenaakbaar,

terugstootend vaak; als hij alleen over straat gaat en bespeurt dat

men hem gadeslaat, dan richt hij zich nog meer omhoog en neemt nog

fierder houding aan; en niettemin is hij goedhartig en onderdanig

tegenover zijn meerderen. Hij heeft bepaald aristokratische airs,

en toch is hij in den grond van zijn hart demokraat: want ook aan

den nederigsten zijner broederen weigert hij den vredekus niet, en

verkeert met hem op een voet van gelijkheid, die allen beleedigenden

trots buitensluit.

De nationale kleederdacht strookt uitnemend met die ingeschapen zucht

van den Montenegrijn, om zich op zijn voordeeligst voor te doen, met

zijn aangeboren liefde voor pracht en schittering, waaraan zelfs de

armsten alles ten offer brengen. Ten einde die verderfelijke ijdelheid

zooveel mogelijk te beteugelen, gaf Vorst Nikolaas, reeds in het

tweede jaar zijner regeering, het voorbeeld van vereenvoudiging in

het kostuum: hij trachtte het overmatig gebruik van kostbare stoffen,

van gouden borduursels, van prachtige pelterijen, die dikwijls het

grootste gedeelte van het vermogen van den eigenaar verslonden, te

beperken, en zoo mogelijk af te schaffen. Hij verving toen de fraaie,

zware gouden nestels van de djamadan (het over de borst gekruiste

vest), door eenvoudige zwarte koorden, die ook goed staan. Deze

pronkzucht is trouwens een kenmerk van het ras: de commissionnairs

en bestellers te Ragusa, die toch zeker niet tot de gegoede burgers

behooren, spreiden in hunne kleeding nog meer pracht en rijkdom ten

toon. De vervaardiging van deze gouden en zilveren kwasten, nestels

en koorden, waarmede de djamadans en andere kleedingstukken versierd

worden, is een der voornaamste takken van bedrijf in de groote steden

van Turkije, Servië, Bosnië, Dalmatië en Herzegowina. In de bazars

van Serajewo, Belgrado, Banjaloeka, Mostar, in Albanië, en zelfs in

die der meeste steden van Dalmatië, vindt men eene geheele straat,

uitsluitend ingenomen door de werkplaatsen en winkels der kleermakers,

die, den ganschen dag neergehurkt bij hun arbeid, deze prachtvolle

sieraden vervaardigen, welke toch voor het meerendeel door armen en

onvermogenden worden gedragen.

De Montenegrijn is niet zeer werkzaam van aard, en ziet met zekere

minachting neder op allen handenarbeid: werkeloosheid is voor hem

het teeken en het bewijs zijner persoonlijke waardigheid. Trouwens,

in alle tijden en bij alle volken, was en is nog, ondanks den

schijn dien men zich bij wijlen geeft van het tegendeel te willen,

ontheffing van persoonlijken arbeid, met name handenarbeid, het

teeken en voorrecht der aristokratie: wie met handenarbeid in zijn

onderhoud moet voorzien, stond en staat nog, in de schatting aller

volken en aller eeuwen, maatschappelijk lager dan hij, die, van deze

verplichting ontheven, zijn vermogens en tijd op andere wijze, tot

hooger doel kan besteden. In de laatste jaren zijner regeering, had

Vorst Danilo, om de schadelijke gevolgen van dezen arbeidschuwen zin te

keeren, eenige bekwame jongelieden naar het buitenland gezonden, ten

einde daar een of ander ambacht te leeren, waarin zij dan vervolgens

anderen zouden hebben kunnen onderrichten. Deze poging is mislukt;

maar overigens is in menig opzicht, in den jongsten tijd, het peil

der algemeene zedelijkheid zeer gerezen; overal heerscht volkomen

veiligheid, en de vreemdeling kan, geheel alleen, het gansche land

doortrekken, zonder vrees voor eenig gevaar.

Tot voor weinige jaren ondernamen de bewoners van het vorstendom

geregeld strooptochten in Herzegowina, Bosnië en Albanië; deze razzias,

tchétas genoemd, waren tot eene vaste gewoonte geworden, waarin

niemand iets onbehoorlijks zag. Trouwens, wij moeten billijk zijn:

het was niet enkel roofzucht of baldadigheid, die de Montenegrijnen

daartoe dreef, maar zeer dikwijls de nood, in den meest letterlijken

zin van het woord. Het arme, zoo weinig voor bebouwing geschikte

land kon menigmaal zijn bewoners niet voeden: er schoot dan geene

andere keus over, dan van honger te sterven of met het zwaard het

noodige levensonderhoud te winnen. Die keus was er geene voor den

krijgshaftigen Montenegrijn: spoedig was er eene gewapende schaar

bijeen, en men toog naar de naburige vlakten en dalen om graan en vee

te halen en met buit beladen terug te keeren, of in het gevecht met

eere te vallen. Intusschen had reeds Vorst Danilo deze strooptochten

afgekeurd, en ze met roof en diefstal gelijk gesteld; toch is er veel

inspanning en zelfs de tusschenkomst der europeesche mogendheden noodig

geweest, om aan dit schromelijk misbruik een einde te maken. Jammer

slechts, dat men, uit kleingeestigen naijver, aan Montenegro onthoudt,

wat het volstrekt noodig heeft om te kunnen leven en zich ontwikkelen:

bouwgrond in de vlakte en een haven aan de kust.

Nog eene andere eigenaardigheid zou men gaarne voor goed uit de

zeden der Montenegrijnen zien verdwijnen: de afschuwelijke gewoonte

om de lijken hunner gevallen vijanden te verminken, en hun hoofd,

neus of ooren af te snijden. De laatste souvereinen van Montenegro,

verlichte en beschaafde mannen, die gereisd hadden en de voornaamste

hoofdsteden en hoven van Europa bezocht, verheelden den afkeer niet,

dien deze barbaarsche gewoonte hun inboezemde; weldra gingen zij

verder: zij verboden de tentoonstelling dezer bloedige zegeteekenen,

en bedreigden eindelijk ieder, die betrapt werd op het verminken van

lijken of gevangenen, met de strengste straffen. Wilkinson, die in

1840 het vorstendom bezocht, zag op den toren van het klooster te

Cettinjé twintig hoofden op kleine palen uitgestald. Na dien tijd

spreken de verschillende reizigers, die het land bezocht hebben, nog

steeds van de reputatie, die een of ander krijgsman zich kon verdienen

door het afslaan van een zeker aantal hoofden; ook is het zeker, dat

in de voortdurende oorlogen gedurende de laatste regeeringsjaren van

Danilo en de eerste van Vorst Nikolaas, deze bloedige gewoonte nog

steeds in zwang was;--maar sedert eenige jaren durft men toch niet

meer op dergelijke heldenfeiten in het openbaar roem dragen.

Tijdens den jongsten opstand, en gedurende den oorlog van 1875-'76,

zijn dergelijke gevallen op nieuw voorgekomen, want tusschen Turken

en Montenegrijnen heerscht een doodelijke, onverzoenlijke haat, die

alle barmhartigheid buitensluit; maar daar, waar de strijd het karakter

aannam van een regelmatigen oorlog, onder de leiding van legerhoofden,

die iets anders waren dan de aanvoerders van vrijbuitersbenden,

heeft men daarentegen zoo veel mogelijk gevangenen gemaakt, die op

dezelfde wijze behandeld werden als de krijgsgevangenen in Europa. In

Herzegowina is van dezen regel zeer dikwijls afgeweken; en ik zelf

heb, in Bosnië, aan een der turksche voorposten langs de servische

grens, twee afgehouwen hoofden van rajas bij de hairen opgehangen

gezien. Toen ik eene teekening van dien post met deze afzichtelijke

zegeteekenen wilde maken, liep ik zelf ernstig gevaar, door de Turken

mishandeld te worden; enkel omdat ik mijn album had geopend, werd ik

door turksche soldaten naar de oostenrijksche grenzen gevoerd.

Een engelsch reiziger, Tozer, meent dat de bergbewoner zijn

gesneuvelden vijand het hoofd afslaat, met geen ander doel dan om

een zichtbaar teeken van zijne overwinning te kunnen toonen. "Maar de

Turken hebben ons het voorbeeld gegeven," zeggen de Montenegrijnen; en

mijne eigene ervaring heeft mij geleerd, dat overal waar Mohammedanen

en Christenen op het slagveld tegenover elkander staan, in Europa

zoowel als in Azië of Afrika, de eersten steeds de afschuwelijke

gewoonte van het onthoofden der lijken of gewonden hebben toegepast.

De vreemdeling, die de servische taal niet verstaat, en dus, verstoken

van de gelegenheid om met het huiselijk leven bekend te worden, het

montenegrijnsche gebied maar in der haast doortrekt of er slechts

korten tijd vertoeft, loopt groot gevaar, zich eene geheel valsche

voorstelling te vormen van den toestand en den werkkring der vrouw

in het vorstendom. Indien hij enkel naar den uiterlijken schijn

oordeelt, zal hij kwalijk anders kunnen dan haar beklagen dat zij

ooit geboren werd. En inderdaad moet het gezicht dier lange rijen van

uitgeputte, afgesloofde vrouwen, die, met zware vrachten beladen,

tegen de steile bergpaden op- en afklauteren, alsof zij lastdieren

waren, wel bovenal doen denken aan een toestand van slavernij;

terwijl ook de houding van den man tegenover haar, zijne minachting

of liever volkomen onverschilligheid als hij hare tegenwoordigheid

zelfs niet schijnt op te merken, een duidelijk bewijs is voor hare

ondergeschikte maatschappelijke stelling. Maar wie niet aan deze

uiterlijke teekenen blijft hangen, en inlichtingen vraagt bij de meer

verlichte en beschaafde Serviërs, die met den werkelijken toestand

goed bekend zijn, zal al spoedig ontwaren, dat de montenegrijnsche

vrouw, in den schoot der familie, velerlei vergoeding vindt voor de

haar opgelegde taak, die zeker zwaar is, maar toch haar zelve lang

zoo zwaar niet valt, als wij, in gansch andere omgeving en geheel

anderen kring van denkbeelden opgevoed, dit wel meenen.

Het is niet tegen te spreken, dat de geboorte van eene dochter door het

gezin als een ongeluk, of minstens als eene groote teleurstelling wordt

beschouwd; men heeft daar, niet zeer lang geleden, nog een merkwaardig

voorbeeld van kunnen zien. De Vorst telt onder zijn zeven kinderen

maar één zoon; en toen de keizer van Rusland, bij gelegenheid dat

de bevalling der Vorstin werd tegemoet gezien, had beloofd peter te

zullen zijn van het verwachte kind, werd de adjudant van den Tsaar

door het volk vrij koel ontvangen, omdat het jonggeboren kind, tot

groote spijt van het publiek, een meisje was.

De geboorte van een jongen verwekt daarentegen de grootste vreugde,

die zich op allerlei wijze openbaart: geweerschoten weerschallen door

het gebergte; al de buren worden uitgenoodigd tot het feestmaal;

overal heerscht opgewekte vroolijkheid, en ieder spreekt de beste

wenschen uit: zeer karakteristiek is daaronder zeker de wensch, die

den jonggeboren knaap wordt toegebracht, dat hij niet in zijn bed

moge sterven. Is er daarentegen eene dochter geboren, dan treedt de

vader op den drempel zijner woning, en vraagt, met neergeslagen oogen,

verschooning aan zijn vrienden en geburen; hij verontschuldigt zich,

hij durft bijna niet bekennen wat er gebeurd is, maar ieder bespeurt

het aan zijne blijkbare teleurstelling. Geschiedt het eenige malen

achtereen dat de echtgenoote, in plaats van den vurig verlangden

erfgenaam en aanstaanden soldaat, haren man slechts dochters schenkt,

dan moet zij, volgens eene oude volksoverlevering, zeven priesters

tot zich roepen, die gewijde olie door het huis sprenkelen, en den

drempel wegnemen van de deur der woning, die op den bruiloftsdag

betooverd werd.

Het jonge meisje wordt in huis opgevoed, waarbij zeker van geenerlei

vertroeteling sprake kan zijn; maar dit neemt niet weg, dat ook het

dochtertje deelt in al de zegeningen der moederzorg en moederlijke

tederheid--en de slavische vrouwen zijn zorgvolle en tedere moeders

bij uitnemendheid. Zoo lang zij zelve niet gehuwd en moeder van een

gezin is, moet het montenegrijnsche meisje al het huiswerk, ook het

zwaarste en ruwste, verrichten en deelen in al de ontberingen en

ongemakken van dit aartsvaderlijke, harde leven. Dagelijks moet zij,

aan de dikwijls hoog in het gebergte gelegen bron, het watervat gaan

vullen; voorts moet zij in het bosch, of langs de hellingen en in

de kloven der rotsen, hout gaan kappen; eindelijk moet zij het maal

gereedmaken voor haren heer en meester, die in de zon zit te rooken,

wandelt of ter jacht gaat. Behalve deze huishoudelijke bezigheden,

breit zij kousen en vervaardigt warme kleedingstukken voor den winter;

zij spint en borduurt ook, maar haar borduursels zijn veel minder

fraai dan die der dalmatische vrouwen. De jonge meisjes zijn hier

niet, als bij ons, het voorwerp van allerlei attenties en beleefde

hulde; niemand denkt er aan, haar het hof te maken. De natuurlijke

aantrekking tusschen de beide geslachten bestaat hier--het behoeft niet

gezegd--zoo goed als elders; maar die zekere aangeboren koketterie,

die maakt dat iedere vrouw zich in haar hart gevleid en gestreeld

voelt door de hulde welke een man haar bewijst,--ook al meent zij

zich voorzichtiglijk daaraan te moeten onttrekken--deze kent de

montenegrijnsche vrouw eigenlijk niet. Even als zij zich niet vernederd

gevoelt door den toestand van dienstbaarheid, waarin zij verkeert,

zoo schijnt zij zich ook niet te verhoovaardigen op de bewondering,

die haar somwijlen bewezen wordt; zelfs kwam het mij meermalen voor,

dat de schoonste vrouwen zekeren angst en beklemming gevoelden,

als een vreemdeling, door hare schoonheid getroffen, zijn oogen op

haar gelaat vestigde. De montenegrijnsche vrouw erkent geene andere

liefde, dan die door het huwelijk gewettigd en geheiligd wordt; zoo

de verleider ongezind mocht zijn, het gepleegde misdrijf weder goed

te maken, zou hij zijn vergrijp zwaar, misschien wel met het leven,

boeten. Trouwens, zulke gevallen zijn hoogst zeldzaam; de vrouwen

worden alom ontzien; ge zult ze overal, op de eenzaamste plaatsen, in

de bosschen, op de bergen, alleen ontmoeten, en niemand denkt er aan,

hoe jong en weerloos ze ook mogen zijn, haar eenige beleediging aan te

doen. En toch treft men onder de montenegrijnsche meisjes typen aan

van uitnemende schoonheid: slanke, heerlijk gevormde gestalten, fijn

besneden zachte gelaatstrekken, met dien onuitsprekelijk bekoorlijken

mat-bleeken tint der oostersche vrouwen, waaraan de groote donkere

oogen, door lange zwarte wimpers overschaduwd, eene zoo wondervolle

uitdrukking bijzetten.

Vroeger was het vrij algemeen de gewoonte, om de kinderen, reeds in

de wieg, met elkander te verloven: daardoor werden tusschen twee

bevriende familiën nieuwe banden, die ook voor de toekomst zouden

gelden, gevlochten. Naar men mij verzekert, begint deze gewoonte steeds

meer in onbruik te geraken. De montenegrijnsche meisjes huwen tusschen

haar zestiende en twintigste jaar; de jonge mannen treden doorgaans

tusschen hun twintigste en vijf-en-twintigste jaar in het huwelijk,

ondanks het montenegrijnsche spreekwoord, volgens hetwelk zij eene

vrouw nemen zoodra zij het zwaard omgorden. Heeft de jonkman zijne

aanstaande gekozen, dan moeten zijne ouders en naaste bloedverwanten,

in familieraad vereenigd, die keuze goedkeuren; is deze goedkeuring

verkregen, dan gaat hij, zeer vroeg in den morgen, in stilte de

hand van het jonge meisje vragen: want de Montenegrijnen, ovenals

alle Serviërs, zijn zeer teergevoelig en willen niet gaarne dat eene

mogelijke weigering in het dorp bekend worde; maar het spreekt van

zelf, dat de toestemming der familie niet gevraagd wordt, zoolang de

jongelui het onder elkander niet eens zijn geworden. Daarna worden

over en weder bezoeken afgelegd; doch eerst bij het derde bezoek

ontmoet de verloofde zijne aanstaande vrouw, en mogen zij elkander de

gebruikelijke geschenken ter hand stellen. Het jonge meisje krijgt

muilen, en de jonkman ontvangt in ruil een door zijne uitverkorene

geweven en geborduurd hemd. Tot op den dag der bruiloft mag hij de

woning zijner aanstaande niet meer betreden; die dag wordt in eene

bijeenkomst der beide familiën bepaald. Deze bijeenkomst, de svila

(zijde) genoemd, heeft doorgaans drie weken voor de inzegening plaats;

daarbij wordt ook het getal der te noodigen gasten vastgesteld, en de

som bepaald, die voor bruidsgeschenken zal worden besteed. De bruigom

is daarbij niet tegenwoordig; maar hij weet dat de svila gehouden

wordt, en inmiddels moet hij twee kleine vaatjes brandewijn (raki)

ten geschenke zenden, een aan zijne bruid, en het andere aan hare

ouders. Zoodra do svila is afgeloopen, worden de genomen besluiten

ter kennisse van de bruid gebracht door drie afgevaardigden, die haar

tevens linnen voor hemden, zijde om te borduren en een klein goudstuk

aanbieden; daarop drinken de drie bloedverwanten van den jonkman met

die van de bruid van den gezonden raki. Ten slotte worden de ringen

gewisseld en de verloving heeft plaats gehad. In sommige streken van

Montenegro biedt de jonkman zijner verloofde een appel aan; wanneer

zij dien aanneemt, is zij met hem verbonden; van dat oogenblik af

danst zij niet meer in eenig gezelschap; zij gaat niet meer alleen

uit en leeft teruggetrokken, zich geheel aan het huiswerk wijdende.

Zoo een jong meisje van die gewoonte afweek en na hare verloving

voortging, niet met de jonge mannen te koketteeren,--want dat doet

zij nooit--maar eenvoudig aan hunne uitspanningen deel te nemen,

dan zou dit een voldoenden grond opleveren voor de verbreking van het

engagement. En zoo iets kan zeer ernstige gevolgen na zich sleepen. Er

zijn enkele gevallen voorzien, zooals, bijvoorbeeld, blindheid, waarin

het geoorloofd is, het eenmaal gegeven woord terug te nemen, zonder

dat dit aanleiding mag geven tot eene vendetta; maar in dat geval,

geeft hij of zij, die door de ramp getroffen wordt, den ander zijne

vrijheid weder;--en zeer zeker ligt er iets zeer edels en verhevens

in de zwijgende onderwerping van hem of van haar, die, zonder deze

vrijwillige kwijtschelding, het gegeven woord gestand zou doen.

Van alle servische landstreken, waar in hoofdzaak dezelfde gebruiken

heerschen, zijn het bepaaldelijk Montenegro en Herzegowina, waar een

verbreken van het gegeven woord zeer euvel wordt opgenomen. Ik heb

eenigen tijd in de Militaire Grenzen doorgebracht, en ik weet dat

daar, voor het verbreken van een engagement, eene schadevergoeding in

geld kan worden gegeven. Maar hier gaat dat niet: weigert de jonkman

zijn eenmaal gegeven woord gestand te doen, dan neemt de beleedigde

partij haar toevlucht tot de wapenen, en menigmaal wordt bittere en

bloedige wrake geoefend. In sommige streken van Dalmatië moet het

jonge meisje, als zij het engagement verbreekt, dubbel de waarde

vergoeden der geschenken, die zij ontvangen heeft.

Het is bekend, dat de grieksche Kerk het huwelijk tusschen

bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten verbiedt; de

Montenegrijnen zijn op dit stuk nog strenger dan hunne Kerk: de

gewoonte verbiedt bij hen zelfs huwelijken tusschen familieleden

in den negenden graad. Jongelieden, die tot denzelfden clan, tot

hetzelfde geslacht, behooren, mogen niet met elkander trouwen, al

bestaan zij elkander ook slechts in den twintigsten graad.

De huwelijksplechtigheden zijn zeer ingewikkeld, en het volk hecht

daaraan zeer groote waarde; zij vertoonen een zeer eigenaardig

karakter: alles heeft eene symbolische beteekenis, en deze gebruiken

worden sedert eeuwen zeer nauwgezet nageleefd. Eene uitvoerige

beschrijving zou ons te veel afleiden en meer ruimte vorderen, dan

waarover ik beschikken mag; ik zal slechts op enkele merkwaardige

bijzonderheden wijzen, die ons in gedachte terugvoeren tot de

alleroudste tijden en een diepen zin hebben. Als de jonggehuwde vrouw

den drempel der echtelijke woning betreedt, biedt men haar eene kleine

tarweschoof aan en een bord vol broodkruimels, welke voorwerpen zij

op de tafel in de eetkamer nederlegt; zij zelve brengt een brood mede,

als symbool van den rijkdom, dien de jonge vrouw in hare nieuwe woning

aan moet brengen. Bij alle Serviërs, en dus ook in geheel Montenegro,

is het de gewoonte dat de jonge vrouw, bij hare intrede in de nieuwe

woning een knaapje bij de hand voert, hetwelk zij vervolgens boven

haar hoofd in de hoogte heft en driemaal laat omdraaien: met dien

knaap worden voorspoed en kracht het deel van het aanstaande gezin.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 87 / 92 题