VII.

Den volgenden morgen gelukte het aan Perikles, niet zonder moeite, de

agoyaten met hunne paarden bijeen te krijgen; en nadat er geruime tijd

met het opladen van onze bagage verloopen was, konden wij eindelijk

afscheid nemen van onzen gastheer, die nog maar half wakker was en

met dankbaarheid de tien drachmen aannam, welke onze gids hem ter

hand stelde. Hij wenschte ons goede reis en staarde ons na tot aan

het einde der straat.

Wij steken de Ismenus over op de plek waar weleer de poort Praetides

moet hebben gestaan, een der zeven poorten waaraan Thebe haar

dichterlijken bijnaam dankte, en komen weldra in eene wijde vlakte,

slechts hier en daar door eenige golvingen van den grond afgebroken,

links begrensd door de grauwe bergen van den Ptoüs, en rechts door de

breede naakte hellingen van den Parnassus. Noch boomen, noch struiken,

noch dorpen, noch akkers: niets dan een kort, bruin, somber gewas,

dat, zoo ver het oog reikte, den toch blijkbaar zeer vruchtbaren grond

bedekte. Van menschelijke woningen was geen spoor te ontdekken, evenmin

als van menschen zelven. Het vroeger zoo volkrijke en vruchtbare Beotië

is vreeselijk geteisterd en verwoest, niet alleen door de herhaalde

aardbevingen, maar vooral door de barbaarsche Turken gedurende den

onafhankelijkheidsoorlog. Tegenwoordig telt dit gewest hoogstens

veertienduizend inwoners, terwijl het met gemak vierhonderdduizend

menschen zou kunnen voeden en de korenschuur worden voor geheel

Griekenland. Beotië zou een van de rijkste en welvarendste landstreken

kunnen zijn, indien slechts de mannen, die in Griekenland de macht

in handen hebben, de wezenlijke belangen des lands wilden begrijpen

en behartigen, en door verstandige maatregelen de grondbezitters

en landbouwers beschermen tegen de afpersingen en knevelarijen van

allerlei aard, die nu alle ondernemingszucht uitdooven en iedere

ontwikkeling tegenhouden.

Zonder den stoffigen weg te verlaten, naderen wij al meer en meer

den Parnassus; de grond wordt al meer en meer kalkachtig, gemakkelijk

bebouwbaar, met een veenachtige onderlaag: het terrein is dus uitnemend

geschikt voor graanbouw, terwijl de lagere gronden in het midden

der vallei konden worden gebruikt voor de kultuur van industriëele

gewassen. Hier en daar vertoonen zich enkele schrale strooken, met

koren beplant. Wij ontmoeten enkele boeren, die kleine, magere ezels

voor zich uit drijven, beladen met een zak met graan: dit is de tiende,

die zij naar de gouvernementsmagazijnen brengen;--eene belasting,

even slecht verdeeld als willekeurig ingevorderd, en die mede het

hare bijdraagt tot den ongelukkigen toestand, waarin de landbouw in

Griekenland verkeert. Eerst tegen den middag, na eenige door Albaneezen

bewoonde dorpen te zijn doorgetrokken, komen wij te Tanagra. Over eene

vrij aanzienlijke uitgestrektheid kan men duidelijk de grondslagen der

muren van de oude stad onderkennen, maar vele fragmenten verdwijnen

onder de bebouwde gronden en wijngaarden. Binnen dien ruimen omtrek

ontdekt men voortdurend groote hoeveelheden aardewerk, en dikwijls

ook graftomben, waarin die wonderfraaie beeldjes van gekleurde

gebakken aarde geschaard liggen, die de bewondering van alle kenners

opwekken. Die beeldjes stellen doorgaans gedrapeerde vrouwen voor,

die smaakvol zijn gekapt en een waaier in de hand houden; zij hebben

zulk een typisch karakter en realiteit, dat men geneigd zou zijn,

ze voor portretten te houden. Als zij uit de tombe, waarin zij

sedert meer dan tweeduizend jaar hebben gerust, te voorschijn worden

gebracht, schitteren zij nog in al den glans en de frischheid van hun

koloriet, maar in de lucht verbleeken zij spoedig. Te Athene worden

die beeldjes met goud betaald; en meer dan een dezer figuurtjes,

nauwelijks vijftien tot twintig duim hoog, bracht denzelfden prijs op

als de schoonste marmeren beelden. Ook als men de overdrijving der mode

buiten rekening laat, moet men erkennen dat wij hier eene openbaring

van de grieksche kunst voor ons hebben, die ons vroeger zoo goed als

onbekend was. Echter zijn de werkelijk fraaie beeldjes zeer zeldzaam.

Niet zonder moeite bestijgen wij den heuvel, waarop de oude stad was

gebouwd. In den heuvel was een ruime schouwburg aangelegd, met de

voorzijde naar het oosten. Er zijn nog verscheidene gaanderijen en

zitplaatsen overgebleven; beneden onderscheidt men nog den onderbouw

van het tooneel, en eenige onkenbare fragmenten, die waarschijnlijk

vroeger tot zuilen hebben behoord. Verderop verheft de heuvel zich met

zeer steile helling boven de valleien ten oosten en ten westen. Daar

lag de Akropolis. De blik omvat de hier en daar met olijven beplante

vlakte, en rust op de bergketen van Eubea, waarboven de Delphi fier

zijn met sneeuw bedekte kruinen verheft.

Zoo wij nog vóór den avond Chalkis wilden bereiken, hadden wij niet

veel tijd te verliezen. Na in een der woningen van het dorp een haastig

ontbijt te hebben gebruikt, ten aanschouwe eener nieuwsgierige en

lastige menigte, stijgen wij onverwijld weder te paard. Wij steken de

vlakte over, ter rechterhand het dorp Sikanino latende liggen, waar men

drie oude byzantijnsche kerken vindt, en komen weldra aan den Asopus,

die in dezen tijd des jaars niet meer is dan een onbeteekenend beekje,

dat langzaam voortkronkelt tusschen de zandbanken.

Aan de overzijde rijst de grond langzaam; de weg rijst en daalt

tusschen kleine heuvelen, met thym en struikgewas bewassen. Weldra

beginnen zich aan onze linkerhand steile rotsen te verheffen, met

eiken, wilde olijven en kreupelhout begroeid; de helling van den

weg wordt al sterker en sterker, en niet zonder inspanning bereiken

wij eindelijk een pas, vanwaar wij de zeeëngte van Euripus overzien,

en in de verte de stad Chalkis met hare witte huizen.

Maar de afstand was nog zeer groot, en de avond naderde. De bergen

kleurden zich reeds met die warme tinten, die het einde van den

dag aankondigen; en in Griekenland duurt de schemering zoo kort,

dat binnen weinige minuten volslagen duisternis op den klaren dag

volgt. Nog eer wij den voet van den berg hadden bereikt, konden wij

den weg niet meer onderscheiden.

Wij reden langs eene wijde, cirkelvormige baai, en hoorden dicht in

onze nabijheid, aan onze rechterhand, maar zonder iets te kunnen zien,

het zacht geklots der golfjes, die op het strand rolden.

Perikles scheen te midden van die duisternis maar half op zijn

gemak. Van tijd tot tijd schoten geweldige honden met woest geblaf op

ons toe, alsof zij ons wilden verscheuren. Groote witte gedaanten

vertoonden zich achter de struiken, en ruwe gebiedende stemmen

knoopten met onzen gids een gesprek aan, dat somtijds meer op eene

vijandelijke uitdaging, dan op een vriendschappelijk onderhoud

geleek. De herinnering aan het bloedig drama, dat, nu vier jaren

geleden, op eenige uren afstands van hier was opgevoerd, was juist

niet geschikt om ons gerust te stellen; en het ware ons aangenamer

geweest, op dezen tijd van den dag niet door deze eenzame streken te

zwerven. Eindelijk, bij het eerste schijnsel van de maan, die boven

Eubea opsteeg, zagen wij een heuvel, met eene citadel op den top; en

voor ons, sterk uitkomende op de flikkerende zee, de steenen brug,

die het eiland met den vasten wal verbindt en naar de stad Chalkis

voert. Wij gaan die brug over, en worden door Perikles geleid naar

de nieuwe stad, naar het huis van een rechterlijk ambtenaar, met wien

ik te Athene kennis had gemaakt en die mij bij zich had genoodigd.

Van eene met twee groote vijgenboomen beplante binnenplaats, voerde een

houten trap naar eene met wijngaardranken omslingerde bovengalerij,

waarop de deuren der kamers uitkwamen; deze inrichting is bijkans

in alle huizen in Griekenland gebruikelijk, zoowel in de nieuwe als

in de oude, ten minste in de provinciën. Het inwendige der woning

was eenvoudig en zindelijk; de muren waren wit gepleisterd en de

zolderingen versierd met blauwe arabesken, op italiaansche manier.

Overeenkomstig de oostersche gewoonte, die overal in Griekenland is

bewaard gebleven, presenteerde men ons confituren en koffie, die wij

op de galerij zittende gebruikten, want het was smoorheet.

Wij wilden den volgenden dag naar Achmed-Aga vertrekken, en gingen

dus reeds bij het aanbreken van den dag uit, om een ontdekkingstocht

te doen. De nieuwe buurt, waarin onze woning stond, ligt ten noorden

van de oude stad, die in haar oude muren te weinig ruimte vindt. In

deze voorstad heeft zich het leven vooral saamgetrokken. Echter is

de handel hier nog zeer onbeteekenend, zoowel als de nijverheid.

In de binnenstad strekken zich tusschen de huizen dikwijls ledige

terreinen uit, en zijn de straten niet gelijk gemaakt. Langs de haven

vindt men de winkels en de magazijnen der kooplieden; tot aan den voet

der muren heeft het water eene aanmerkelijke diepte, zoodat de schepen

rechtstreeks aan den oever kunnen aanleggen en hunne lading lossen;

maar de baai is niet gedekt tegen de noord-westelijke winden, en ten

gevolge der hevige stormvlagen, die zeer dikwijls in het kanaal van

Eubea woeden, biedt zij voor de schepen geene veilige ligplaats aan.

De oude stad ziet er akelig en armoedig uit; de meeste huizen vallen in

puin; sommigen doen u denken aan de turksche huizen, want er zijn te

Chalkis nog enkele muzelmannen, die in zeer goede verstandhouding met

de andere inwoners leven; maar wier aantal toch voortdurend afneemt.

In een nog vuiler, smeriger en armoediger buurt dan de andere, woont

eene joodsche bevolking, die men anders in Griekenland uiterst zelden

aantreft. Natuurlijk drijven al deze Joden een meer of min uitgebreiden

handel; en het maakt een zonderlingen indruk, als men deze Joden, in

smerige fustanella's, in hunne vuile, duistere, bekrompen winkeltjes

ziet staan. Zoo als ik zeide, bleef Griekenland tot hiertoe over

het algemeen van Joden bevrijd: wat heeft hen dan juist hierheen,

op deze kust van Eubea, gevoerd? Niemand weet het, en de overlevering

zegt er niets van.

De stad, op een voorgebergte gebouwd, heeft de gedaante van een

driehoek, waarvan de top uitloopt op de brug, die door een oud

venetiaansch fort wordt verdedigd.

De zeeëngte, die Chalkis van de kust van Beotië scheidt, is slechts

tachtig el breed. Een klein eilandje, op tien el afstands der wallen

gelegen, deelt den zeearm in twee ongelijke helften. Dit eilandje,

waarop zich mede eene venetiaansche citadel verheft, is met de

stad verbonden door middel van een houten en ijzeren draaibrug,

voor eenige jaren gebouwd ter vervanging van de vaste houten brug,

die elke gemeenschap tusschen de noordelijke en zuidelijke helft van

het kanaal onmogelijk maakte. Dit werk heeft ruim een millioen gekost,

maar is van het grootste belang voor Chalkis, dat door de afsluiting

der doorvaart zeer benadeeld was. De heilrijke gevolgen doen zich nu

reeds gevoelen, in vermeerdering der bevolking en der inkomsten.

De vroeger geheel verlaten haven van Hagios-Minos ligt tegenwoordig

vol met groote grieksche booten en barken, die de voortbrengselen van

het eiland komen afhalen. Eenmaal per week houdt een stoomboot van

de helleensche maatschappij, op haar vaart van Stylida, te Chalkis

stil, en brengt daar allerlei europeesche produkten en waren aan,

waaraan de inwoners meer en meer behoefte beginnen te gevoelen.

Op de plaats, waar nu de brug is gebouwd, lag in vroeger tijd,

naar men zegt, een dam, waarvan het boven vermelde eilandje nog een

overblijfsel zou zijn, en die door de strooming in den Euripus zou

zijn vernield. Deze geweldige stroom, die eerst van het noorden naar

het zuiden loopt, om eenige minuten daarna, met niet minder hevigheid,

van het zuiden weer naar het noorden terug te loopen, is tot dusver

voor alle geleerden een ondoorgrondelijk raadsel, waarvan niemand

de oplossing heeft kunnen vinden. Echter hebben maar weinigen zich

dat zoo sterk aangetrokken als Aristoteles, die, volgens de legende,

uit spijt dat hij dit zonderling verschijnsel niet verklaren kon,

zich in den Euripus verdronk.

Na de brug te zijn overgegaan, bevonden wij ons weder op den weg,

waarlangs wij gister avond gekomen waren, en die langs de baai van

Vourko loopt. Deze zeer ondiepe baai, die ten noorden door de brug en

ten zuiden door twee vooruitstekende landtongen, waartusschen slechts

eene kleine opening is gebleven, is ingesloten, schijnt een groot

meer zonder uitgang. Aan de overzijde der straat vertoonden zich de

donkere oude muren der stad, en daarachter de witte huizen, door het

morgenlicht met rooskleurige en grijsachtige tinten gekleurd, en zich

afteekenende tegen de naakte en dorre bergen op den achtergrond.

Maar wij hadden geen tijd meer te verliezen, en keerden naar onze

woning terug, waar wij de paarden bereids gereed vonden staan. De

lastdieren met onze bagage waren reeds vóór het aanbreken van den

dag vertrokken, want wij zouden een langen tocht hebben af te leggen.

Even voorbij de stad komen wij bij de oude fontein van Arethusa, waar

de Romeinen tamme visschen en palingen hielden, die met versche kaas

werden gevoed. Tengevolge van eene aardbeving is deze beroemde bron,

die de Venetianen nog van water voorzag, zoo spoorloos verdwenen,

dat het zelfs niet mogelijk is, de juiste plaats aan te wijzen,

waar zij zich bevond.

Na een vermoeienden tocht van eenige uren, bereiken wij eene hoogte,

waar eene bron ontspringt en vanwaar wij een prachtig uitzicht

hebben. Aan onze voeten kronkelde de zeeëngte, als een breede azuren

stroom, tusschen de bochtige, schilderachtige oevers; tegenover ons

verhieven de bergen van Beotië, de Helikon, de met sneeuw gekroonde

Parnassus, hunne toppen ten hemel; tusschen ons en de zee ontrolde

zich een amphitheater van heuvelen, met welriekende dennenboomen,

dwergeiken en andere gewassen begroeid.

De hitte was ondragelijk; de zou brandde op onze hoofden, en de

weerkaatsing van het felle licht op den weg was verblindend. De

weg werd steeds slechter; de hoefijzers der lastdieren, die sedert

eeuwen langs dezen weg zijn getogen, hebben in de rots een soort

van trappen of ladders uitgehold, waarop onze paarden telkens gevaar

loopen de pooten te breken. Van tijd tot tijd wordt de weg afgebroken

door een smalle, glibberige spleet, de bedding van een uitgedroogden

bergstroom. Somwijlen stonden de paarden, ontmoedigd en uitgeput van

vermoeienis, stil; de agoyaten vuren ze met stem en gebaren aan, en

drijven hen telkens voort. Eindelijk, na veel tobbens, bereiken wij

een hoogen bergpas, van waar onze verbaasde blikken, aan gene zijde

van het eiland, den onmetelijken Archipel overzien, tot aan de verre

eilanden Skyros, Skopelos en Skiathos; maar een hevige wind belet ons,

langen tijd dit inderdaad wonderschoone panorama te genieten. Langs

een steil pad, midden door dichte dennenbosschen loopende, dalen

wij in noordelijke richting naar beneden, en komen eindelijk in

een zwaar begroeid ravijn, waardoor een beek stroomt, en waarboven

zich hooge, loodrechte grijsachtig gele rotswanden verheffen. Een

geweldige rots, waar de weg omheen loopt, sluit de kloof, die den

algemeenen naam van Klisoura voert, bijna geheel af. Boven deze kloof,

een der schoonste van Griekenland, toch zoo rijk aan soortgelijke

berglandschappen, op bijna ongenaakbare rotsen onderscheidt men de

bouwvallen van eene oude vesting met vierkante torens. Aan drie zijden

hangen de muren als het ware boven den gapenden afgrond. Deze burcht

beheerschte het gansche dal en sloot den doorgang volkomen af. In dit

onbereikbare en onneembare arendsnest leefde in de frankische tijden

een edelman met zijn ridders en knapen. Toen Eubea in het bezit was

der Kruisvaarders, was het geheele eiland in een groot aantal leenen

en heerlijkheden verdeeld, en ieder baron bouwde de noodige burchten

en vestingwerken om de bergpassen te bewaken, die toegang gaven

naar zijne heerlijkheid. Het eiland is dan ook met ruïnen overdekt;

schier geen dorp, geen hoogte van eenige beteekenis, of ge ziet

er brokstukken van muren, waarop nog dikwijls de half uitgesleten

wapenschilden van sinds lang uitgestorven adellijke familiën zijn te

onderkennen. Later, toen de kunstmatig naar het Oosten overgeplante

feodale maatschappij van dien haar vreemden bodem weder was verdwenen,

en vervangen door de heerschappij der machtige republiek van Venetië,

werden deze ridderburchten herschapen in vestingen en militaire

posten, die deels de omwonende bevolking in bedwang moesten houden,

deels de veiligheid der wegen en van het handelsverkeer verzekeren. De

bezettingen in die forten stonden allen onder het kommando van den

te Chalkis wonenden militairen opperbevelhebber.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 84 / 92 题