Den volgenden morgen gelukte het aan Perikles, niet zonder moeite, de
agoyaten met hunne paarden bijeen te krijgen; en nadat er geruime tijd
met het opladen van onze bagage verloopen was, konden wij eindelijk
afscheid nemen van onzen gastheer, die nog maar half wakker was en
met dankbaarheid de tien drachmen aannam, welke onze gids hem ter
hand stelde. Hij wenschte ons goede reis en staarde ons na tot aan
het einde der straat.
Wij steken de Ismenus over op de plek waar weleer de poort Praetides
moet hebben gestaan, een der zeven poorten waaraan Thebe haar
dichterlijken bijnaam dankte, en komen weldra in eene wijde vlakte,
slechts hier en daar door eenige golvingen van den grond afgebroken,
links begrensd door de grauwe bergen van den Ptoüs, en rechts door de
breede naakte hellingen van den Parnassus. Noch boomen, noch struiken,
noch dorpen, noch akkers: niets dan een kort, bruin, somber gewas,
dat, zoo ver het oog reikte, den toch blijkbaar zeer vruchtbaren grond
bedekte. Van menschelijke woningen was geen spoor te ontdekken, evenmin
als van menschen zelven. Het vroeger zoo volkrijke en vruchtbare Beotië
is vreeselijk geteisterd en verwoest, niet alleen door de herhaalde
aardbevingen, maar vooral door de barbaarsche Turken gedurende den
onafhankelijkheidsoorlog. Tegenwoordig telt dit gewest hoogstens
veertienduizend inwoners, terwijl het met gemak vierhonderdduizend
menschen zou kunnen voeden en de korenschuur worden voor geheel
Griekenland. Beotië zou een van de rijkste en welvarendste landstreken
kunnen zijn, indien slechts de mannen, die in Griekenland de macht
in handen hebben, de wezenlijke belangen des lands wilden begrijpen
en behartigen, en door verstandige maatregelen de grondbezitters
en landbouwers beschermen tegen de afpersingen en knevelarijen van
allerlei aard, die nu alle ondernemingszucht uitdooven en iedere
ontwikkeling tegenhouden.
Zonder den stoffigen weg te verlaten, naderen wij al meer en meer
den Parnassus; de grond wordt al meer en meer kalkachtig, gemakkelijk
bebouwbaar, met een veenachtige onderlaag: het terrein is dus uitnemend
geschikt voor graanbouw, terwijl de lagere gronden in het midden
der vallei konden worden gebruikt voor de kultuur van industriëele
gewassen. Hier en daar vertoonen zich enkele schrale strooken, met
koren beplant. Wij ontmoeten enkele boeren, die kleine, magere ezels
voor zich uit drijven, beladen met een zak met graan: dit is de tiende,
die zij naar de gouvernementsmagazijnen brengen;--eene belasting,
even slecht verdeeld als willekeurig ingevorderd, en die mede het
hare bijdraagt tot den ongelukkigen toestand, waarin de landbouw in
Griekenland verkeert. Eerst tegen den middag, na eenige door Albaneezen
bewoonde dorpen te zijn doorgetrokken, komen wij te Tanagra. Over eene
vrij aanzienlijke uitgestrektheid kan men duidelijk de grondslagen der
muren van de oude stad onderkennen, maar vele fragmenten verdwijnen
onder de bebouwde gronden en wijngaarden. Binnen dien ruimen omtrek
ontdekt men voortdurend groote hoeveelheden aardewerk, en dikwijls
ook graftomben, waarin die wonderfraaie beeldjes van gekleurde
gebakken aarde geschaard liggen, die de bewondering van alle kenners
opwekken. Die beeldjes stellen doorgaans gedrapeerde vrouwen voor,
die smaakvol zijn gekapt en een waaier in de hand houden; zij hebben
zulk een typisch karakter en realiteit, dat men geneigd zou zijn,
ze voor portretten te houden. Als zij uit de tombe, waarin zij
sedert meer dan tweeduizend jaar hebben gerust, te voorschijn worden
gebracht, schitteren zij nog in al den glans en de frischheid van hun
koloriet, maar in de lucht verbleeken zij spoedig. Te Athene worden
die beeldjes met goud betaald; en meer dan een dezer figuurtjes,
nauwelijks vijftien tot twintig duim hoog, bracht denzelfden prijs op
als de schoonste marmeren beelden. Ook als men de overdrijving der mode
buiten rekening laat, moet men erkennen dat wij hier eene openbaring
van de grieksche kunst voor ons hebben, die ons vroeger zoo goed als
onbekend was. Echter zijn de werkelijk fraaie beeldjes zeer zeldzaam.
Niet zonder moeite bestijgen wij den heuvel, waarop de oude stad was
gebouwd. In den heuvel was een ruime schouwburg aangelegd, met de
voorzijde naar het oosten. Er zijn nog verscheidene gaanderijen en
zitplaatsen overgebleven; beneden onderscheidt men nog den onderbouw
van het tooneel, en eenige onkenbare fragmenten, die waarschijnlijk
vroeger tot zuilen hebben behoord. Verderop verheft de heuvel zich met
zeer steile helling boven de valleien ten oosten en ten westen. Daar
lag de Akropolis. De blik omvat de hier en daar met olijven beplante
vlakte, en rust op de bergketen van Eubea, waarboven de Delphi fier
zijn met sneeuw bedekte kruinen verheft.
Zoo wij nog vóór den avond Chalkis wilden bereiken, hadden wij niet
veel tijd te verliezen. Na in een der woningen van het dorp een haastig
ontbijt te hebben gebruikt, ten aanschouwe eener nieuwsgierige en
lastige menigte, stijgen wij onverwijld weder te paard. Wij steken de
vlakte over, ter rechterhand het dorp Sikanino latende liggen, waar men
drie oude byzantijnsche kerken vindt, en komen weldra aan den Asopus,
die in dezen tijd des jaars niet meer is dan een onbeteekenend beekje,
dat langzaam voortkronkelt tusschen de zandbanken.
Aan de overzijde rijst de grond langzaam; de weg rijst en daalt
tusschen kleine heuvelen, met thym en struikgewas bewassen. Weldra
beginnen zich aan onze linkerhand steile rotsen te verheffen, met
eiken, wilde olijven en kreupelhout begroeid; de helling van den
weg wordt al sterker en sterker, en niet zonder inspanning bereiken
wij eindelijk een pas, vanwaar wij de zeeëngte van Euripus overzien,
en in de verte de stad Chalkis met hare witte huizen.
Maar de afstand was nog zeer groot, en de avond naderde. De bergen
kleurden zich reeds met die warme tinten, die het einde van den
dag aankondigen; en in Griekenland duurt de schemering zoo kort,
dat binnen weinige minuten volslagen duisternis op den klaren dag
volgt. Nog eer wij den voet van den berg hadden bereikt, konden wij
den weg niet meer onderscheiden.
Wij reden langs eene wijde, cirkelvormige baai, en hoorden dicht in
onze nabijheid, aan onze rechterhand, maar zonder iets te kunnen zien,
het zacht geklots der golfjes, die op het strand rolden.
Perikles scheen te midden van die duisternis maar half op zijn
gemak. Van tijd tot tijd schoten geweldige honden met woest geblaf op
ons toe, alsof zij ons wilden verscheuren. Groote witte gedaanten
vertoonden zich achter de struiken, en ruwe gebiedende stemmen
knoopten met onzen gids een gesprek aan, dat somtijds meer op eene
vijandelijke uitdaging, dan op een vriendschappelijk onderhoud
geleek. De herinnering aan het bloedig drama, dat, nu vier jaren
geleden, op eenige uren afstands van hier was opgevoerd, was juist
niet geschikt om ons gerust te stellen; en het ware ons aangenamer
geweest, op dezen tijd van den dag niet door deze eenzame streken te
zwerven. Eindelijk, bij het eerste schijnsel van de maan, die boven
Eubea opsteeg, zagen wij een heuvel, met eene citadel op den top; en
voor ons, sterk uitkomende op de flikkerende zee, de steenen brug,
die het eiland met den vasten wal verbindt en naar de stad Chalkis
voert. Wij gaan die brug over, en worden door Perikles geleid naar
de nieuwe stad, naar het huis van een rechterlijk ambtenaar, met wien
ik te Athene kennis had gemaakt en die mij bij zich had genoodigd.
Van eene met twee groote vijgenboomen beplante binnenplaats, voerde een
houten trap naar eene met wijngaardranken omslingerde bovengalerij,
waarop de deuren der kamers uitkwamen; deze inrichting is bijkans
in alle huizen in Griekenland gebruikelijk, zoowel in de nieuwe als
in de oude, ten minste in de provinciën. Het inwendige der woning
was eenvoudig en zindelijk; de muren waren wit gepleisterd en de
zolderingen versierd met blauwe arabesken, op italiaansche manier.
Overeenkomstig de oostersche gewoonte, die overal in Griekenland is
bewaard gebleven, presenteerde men ons confituren en koffie, die wij
op de galerij zittende gebruikten, want het was smoorheet.
Wij wilden den volgenden dag naar Achmed-Aga vertrekken, en gingen
dus reeds bij het aanbreken van den dag uit, om een ontdekkingstocht
te doen. De nieuwe buurt, waarin onze woning stond, ligt ten noorden
van de oude stad, die in haar oude muren te weinig ruimte vindt. In
deze voorstad heeft zich het leven vooral saamgetrokken. Echter is
de handel hier nog zeer onbeteekenend, zoowel als de nijverheid.
In de binnenstad strekken zich tusschen de huizen dikwijls ledige
terreinen uit, en zijn de straten niet gelijk gemaakt. Langs de haven
vindt men de winkels en de magazijnen der kooplieden; tot aan den voet
der muren heeft het water eene aanmerkelijke diepte, zoodat de schepen
rechtstreeks aan den oever kunnen aanleggen en hunne lading lossen;
maar de baai is niet gedekt tegen de noord-westelijke winden, en ten
gevolge der hevige stormvlagen, die zeer dikwijls in het kanaal van
Eubea woeden, biedt zij voor de schepen geene veilige ligplaats aan.
De oude stad ziet er akelig en armoedig uit; de meeste huizen vallen in
puin; sommigen doen u denken aan de turksche huizen, want er zijn te
Chalkis nog enkele muzelmannen, die in zeer goede verstandhouding met
de andere inwoners leven; maar wier aantal toch voortdurend afneemt.
In een nog vuiler, smeriger en armoediger buurt dan de andere, woont
eene joodsche bevolking, die men anders in Griekenland uiterst zelden
aantreft. Natuurlijk drijven al deze Joden een meer of min uitgebreiden
handel; en het maakt een zonderlingen indruk, als men deze Joden, in
smerige fustanella's, in hunne vuile, duistere, bekrompen winkeltjes
ziet staan. Zoo als ik zeide, bleef Griekenland tot hiertoe over
het algemeen van Joden bevrijd: wat heeft hen dan juist hierheen,
op deze kust van Eubea, gevoerd? Niemand weet het, en de overlevering
zegt er niets van.
De stad, op een voorgebergte gebouwd, heeft de gedaante van een
driehoek, waarvan de top uitloopt op de brug, die door een oud
venetiaansch fort wordt verdedigd.
De zeeëngte, die Chalkis van de kust van Beotië scheidt, is slechts
tachtig el breed. Een klein eilandje, op tien el afstands der wallen
gelegen, deelt den zeearm in twee ongelijke helften. Dit eilandje,
waarop zich mede eene venetiaansche citadel verheft, is met de
stad verbonden door middel van een houten en ijzeren draaibrug,
voor eenige jaren gebouwd ter vervanging van de vaste houten brug,
die elke gemeenschap tusschen de noordelijke en zuidelijke helft van
het kanaal onmogelijk maakte. Dit werk heeft ruim een millioen gekost,
maar is van het grootste belang voor Chalkis, dat door de afsluiting
der doorvaart zeer benadeeld was. De heilrijke gevolgen doen zich nu
reeds gevoelen, in vermeerdering der bevolking en der inkomsten.
De vroeger geheel verlaten haven van Hagios-Minos ligt tegenwoordig
vol met groote grieksche booten en barken, die de voortbrengselen van
het eiland komen afhalen. Eenmaal per week houdt een stoomboot van
de helleensche maatschappij, op haar vaart van Stylida, te Chalkis
stil, en brengt daar allerlei europeesche produkten en waren aan,
waaraan de inwoners meer en meer behoefte beginnen te gevoelen.
Op de plaats, waar nu de brug is gebouwd, lag in vroeger tijd,
naar men zegt, een dam, waarvan het boven vermelde eilandje nog een
overblijfsel zou zijn, en die door de strooming in den Euripus zou
zijn vernield. Deze geweldige stroom, die eerst van het noorden naar
het zuiden loopt, om eenige minuten daarna, met niet minder hevigheid,
van het zuiden weer naar het noorden terug te loopen, is tot dusver
voor alle geleerden een ondoorgrondelijk raadsel, waarvan niemand
de oplossing heeft kunnen vinden. Echter hebben maar weinigen zich
dat zoo sterk aangetrokken als Aristoteles, die, volgens de legende,
uit spijt dat hij dit zonderling verschijnsel niet verklaren kon,
zich in den Euripus verdronk.
Na de brug te zijn overgegaan, bevonden wij ons weder op den weg,
waarlangs wij gister avond gekomen waren, en die langs de baai van
Vourko loopt. Deze zeer ondiepe baai, die ten noorden door de brug en
ten zuiden door twee vooruitstekende landtongen, waartusschen slechts
eene kleine opening is gebleven, is ingesloten, schijnt een groot
meer zonder uitgang. Aan de overzijde der straat vertoonden zich de
donkere oude muren der stad, en daarachter de witte huizen, door het
morgenlicht met rooskleurige en grijsachtige tinten gekleurd, en zich
afteekenende tegen de naakte en dorre bergen op den achtergrond.
Maar wij hadden geen tijd meer te verliezen, en keerden naar onze
woning terug, waar wij de paarden bereids gereed vonden staan. De
lastdieren met onze bagage waren reeds vóór het aanbreken van den
dag vertrokken, want wij zouden een langen tocht hebben af te leggen.
Even voorbij de stad komen wij bij de oude fontein van Arethusa, waar
de Romeinen tamme visschen en palingen hielden, die met versche kaas
werden gevoed. Tengevolge van eene aardbeving is deze beroemde bron,
die de Venetianen nog van water voorzag, zoo spoorloos verdwenen,
dat het zelfs niet mogelijk is, de juiste plaats aan te wijzen,
waar zij zich bevond.
Na een vermoeienden tocht van eenige uren, bereiken wij eene hoogte,
waar eene bron ontspringt en vanwaar wij een prachtig uitzicht
hebben. Aan onze voeten kronkelde de zeeëngte, als een breede azuren
stroom, tusschen de bochtige, schilderachtige oevers; tegenover ons
verhieven de bergen van Beotië, de Helikon, de met sneeuw gekroonde
Parnassus, hunne toppen ten hemel; tusschen ons en de zee ontrolde
zich een amphitheater van heuvelen, met welriekende dennenboomen,
dwergeiken en andere gewassen begroeid.
De hitte was ondragelijk; de zou brandde op onze hoofden, en de
weerkaatsing van het felle licht op den weg was verblindend. De
weg werd steeds slechter; de hoefijzers der lastdieren, die sedert
eeuwen langs dezen weg zijn getogen, hebben in de rots een soort
van trappen of ladders uitgehold, waarop onze paarden telkens gevaar
loopen de pooten te breken. Van tijd tot tijd wordt de weg afgebroken
door een smalle, glibberige spleet, de bedding van een uitgedroogden
bergstroom. Somwijlen stonden de paarden, ontmoedigd en uitgeput van
vermoeienis, stil; de agoyaten vuren ze met stem en gebaren aan, en
drijven hen telkens voort. Eindelijk, na veel tobbens, bereiken wij
een hoogen bergpas, van waar onze verbaasde blikken, aan gene zijde
van het eiland, den onmetelijken Archipel overzien, tot aan de verre
eilanden Skyros, Skopelos en Skiathos; maar een hevige wind belet ons,
langen tijd dit inderdaad wonderschoone panorama te genieten. Langs
een steil pad, midden door dichte dennenbosschen loopende, dalen
wij in noordelijke richting naar beneden, en komen eindelijk in
een zwaar begroeid ravijn, waardoor een beek stroomt, en waarboven
zich hooge, loodrechte grijsachtig gele rotswanden verheffen. Een
geweldige rots, waar de weg omheen loopt, sluit de kloof, die den
algemeenen naam van Klisoura voert, bijna geheel af. Boven deze kloof,
een der schoonste van Griekenland, toch zoo rijk aan soortgelijke
berglandschappen, op bijna ongenaakbare rotsen onderscheidt men de
bouwvallen van eene oude vesting met vierkante torens. Aan drie zijden
hangen de muren als het ware boven den gapenden afgrond. Deze burcht
beheerschte het gansche dal en sloot den doorgang volkomen af. In dit
onbereikbare en onneembare arendsnest leefde in de frankische tijden
een edelman met zijn ridders en knapen. Toen Eubea in het bezit was
der Kruisvaarders, was het geheele eiland in een groot aantal leenen
en heerlijkheden verdeeld, en ieder baron bouwde de noodige burchten
en vestingwerken om de bergpassen te bewaken, die toegang gaven
naar zijne heerlijkheid. Het eiland is dan ook met ruïnen overdekt;
schier geen dorp, geen hoogte van eenige beteekenis, of ge ziet
er brokstukken van muren, waarop nog dikwijls de half uitgesleten
wapenschilden van sinds lang uitgestorven adellijke familiën zijn te
onderkennen. Later, toen de kunstmatig naar het Oosten overgeplante
feodale maatschappij van dien haar vreemden bodem weder was verdwenen,
en vervangen door de heerschappij der machtige republiek van Venetië,
werden deze ridderburchten herschapen in vestingen en militaire
posten, die deels de omwonende bevolking in bedwang moesten houden,
deels de veiligheid der wegen en van het handelsverkeer verzekeren. De
bezettingen in die forten stonden allen onder het kommando van den
te Chalkis wonenden militairen opperbevelhebber.