VIII.

Tegen zonsondergang komen wij aan het dorp Achmed-Aga, waarvan de

witte, tusschen het groen half verscholen huizen tegen de helling van

een heuvel verspreid liggen. Een steile, slecht geplaveide weg voert

ons naar de woning van een Engelschman, den heer Noël, waar wij onzen

intrek zullen nemen. De heer Noël zelf, die in 1830 in Griekenland was

gekomen, was een paar jaar geleden in ruim tachtig-jarigen ouderdom

overleden. Wij werden door zijne weduwe ontvangen.

Voor het huis strekt zich een groot voorplein uit, ter wederzijde door

ruime pakhuizen omgeven; het huis zelf heeft twee verdiepingen met een

houten balkon, en maakt een zeer goeden indruk. Van een klein terras,

aan de zijde van het huis, door wijngaardranken omslingerd, overziet

men het dorp en de vallei, ten zuiden begrensd door boschrijke

bergen en door de hooge toppen van den Delphi, hier en daar met

sneeuw bedekt. De avond hulde het schoone landschap reeds in eene

zachte schemering; slechts enkele hooge bergtoppen straalden nog in

den gloed der ondergaande zon.

Na een eenvoudigen avondmaaltijd, waarbij wij door aardige jonge

meisjes werden bediend en de gastvrouw zelve de honneurs waarnam,

werden wij naar de voor ons bestemde zindelijke en vroolijke kamers

gebracht, waar wij weldra in een gerusten slaap de vermoeienissen

van den dag vergaten.

De geheele volgende dag zou gewijd zijn aan het bezoeken van de

uitgestrekte bezitting, een van de schoonste en best bebouwde van

geheel Eubea. Reeds vroeg in den morgen kwam de intendant, een

zeer beschaafde jonge Zwitser, ons afhalen om ons op onzen tocht te

vergezellen. Hij bracht ons in de eerste plaats naar een groot ruim

gebouw, twaalf jaar geleden, met groote kosten, door den heer Noël

gesticht. Dit gebouw, twee verdiepingen hoog, van steenen galerijen

voorzien, en met pannen gedekt, bevat van boven de noodige bergplaatsen

voor de onderscheidene veldgewassen, en van onderen de stallen voor

de paarden en het vee.

Twee thessalische poneys, met vurige oogen en kort afgeknipte manen,

als de paarden van Phidias, stonden voor ons gereed, want het landgoed

beslaat eene oppervlakte van vele mijlen. Een gedeelte daarvan is

bosch, een ander gedeelte bouwland.

De heer Noël, die zijn leven, al zijne krachten en zijn fortuin

gewijd heeft aan de ontginning en voortdurende verbetering van dit

goed, en aan de praktische opleiding der bewoners van de beide dorpen

Achmed-Aga en Drisi, heeft niet veel vruchten van zijn onvermoeiden

arbeid mogen zien. Hij is gestorven met het treurige bewustzijn dat

zijn werk voor een groot deel vergeefs was geweest; dat het niet

zou worden voortgezet en geen voordeel zou opleveren, noch voor zijne

familie, noch voor het land, dat voor hem een tweede vaderland geworden

was. Ondanks zijne groote bekwaamheid en zijn onuitputtelijk geduld,

zijn al zijne pogingen afgestuit, zooals die van vele anderen nog lang

zullen afstuiten, op de traagheid, onwetendheid en zorgeloosheid der

bevolking, en op den meer of min bedekten tegenstand van de orthodoxe

kerk en van den staat.

De Griek is van nature geen landbouwer: zijn vurigste begeerte is, in

de stad een kleinen winkel te houden, zaken te doen, en zonder veel

inspanning veel geld te verdienen. Die koopmansaard en handelsgeest

maakt hem afkeerig van den veldarbeid, met zijne altijd terugkeerende

eischen en onzekere uitkomsten. Hij onderwerpt zich daaraan, als het

moet, als aan eene gebiedende noodzakelijkheid; maar zijn hart is

er niet bij, en hij doet weinig of liever niets om zijn toestand te

verbeteren. De boeren zijn onbekend met de allereerste beginselen

van degelijken landbouw, en gaan daarbij op inderdaad barbaarsche

wijze te werk. Daar zij, bij de weinige dichtheid der bevolking,

gemakkelijk over uitgestrekte terreinen kunnen beschikken, bebouwen

zij een stuk grond zoo lang achtereen tot het niet meer voortbrengen

kan, en gaan dan naar een ander over. Van afwisselende bebouwing

geen spoor, evenmin van bemesting. Het is in den letterlijken zin

een stelsel van algemeene uitputting en verarming van den grond,

een voortdurende roof. Geen wonder, dat het grondbezit steeds meer

onproduktief wordt. Toch bekommeren zich noch de grondbezitters, noch

de regeering om deze schandelijke, onverantwoordelijke verspilling

van den voornaamsten rijkdom des lands, en denken zij er niet aan,

daaraan paal en perk te stellen. Bovendien is het eigenlijk nog minder

uit onwetendheid, dat de boer niet wil werken en den grond behoorlijk

bebouwen, maar voornamelijk uit luiheid; hij is minder dan vele anderen

van zijn stand aan den sleur gehecht, en ook volstrekt niet afkeerig

van verbeteringen:--maar een ander moet die voor hem tot stand brengen.

Wilt ge bevloeiingskanalen graven, natte gronden droogleggen,

de grieksche boer zal zeer goed het nut dezer werken inzien en er

dankbaar gebruik van maken; maar aan zichzelven overgelaten, zal

hij hoegenaamd niets doen om die verbeteringen, waarvan hij toch de

waarde beseft, nu ook elders in te voeren; even als vroeger, zal hij

voortgaan met zijn zaad achteloos uit te werpen in de ter nauwernood

omgeploegde voren, en het voorts aan het toeval overlaten wat er van

terecht komt; of wel, hij zal rustig toezien dat het water in de lage

gronden doordringt, die het vruchtbaarst zijn en de rijkste oogsten

konden opleveren. Tot zijne verontschuldiging moet worden gezegd, dat

het belastingstelsel--en nog meer de wijze, waarop de roofzuchtige en

oneerlijke beambten bij de invordering der drukkende belastingen te

werk gaan;--niet geschikt is om den ijver en lust tot arbeid bij den

landbouwer op te wekken en aan te moedigen. De grondbelasting wordt

door de regeering verpacht, en in natura ingevorderd door beambten,

die in de provinciën huishouden als in een veroverd land, en schier

geen middelen ontzien om van de belastingschuldigen zooveel af te

persen, als maar eenigszins mogelijk is. De oogst moet op het land

blijven staan, totdat de ontvanger of zijn gemagtigde tegenwoordig

is om de tiende in te vorderen. Dat deel wordt zeer ruim genomen en

vast in de zakken gestampt, zoodat hetgeen werkelijk geïnd wordt de

volgens de wet verplichte, toch reeds buitensporige hoeveelheid nog

aanmerkelijk overtreft. De ongelukkige boer is nu verplicht, zelf

zijn aandeel, per ezel, langs de slechtst denkbare wegen, dikwijls

mijlen ver, naar de gouvernementspakhuizen te vervoeren.

De bij die magazijnen aangestelde wachters of oppassers genieten

maar een zeer matig inkomen, omstreeks zestig drachmen per maand:

natuurlijk trachten zij dus zooveel mogelijk profijt te trekken

bij den verkoop van het graan, waarmede zij belast zijn. Het koren

wordt of met graan van minder kwaliteit, of wel met zand vermengd;

het wordt losjes en luchtigjes in de zakken gestort, en onder de

bekwame handen van den pakhuismeester leveren de tien zakken van den

boer er zonder moeite twaalf op. Dit noodlottige belastingstelsel

ruïneert den grondbezitter, zonder de schatkist te verrijken, die

niet de helft ontvangt der werkelijk geïnde waarde. De boeren,

van hun kant, hebben er ook geen belang bij, verbeteringen aan

te brengen en de opbrengst van hun land te vermeerderen, waarvan

toch in de eerste plaats de ontvanger profiteeren zou. Zij trachten

veeleer, zoo veel mogelijk, hunne inkomsten verborgen te houden. Zij

begraven en verstoppen hun geld, en doen zich zoo arm mogelijk voor,

ten einde niet de begeerlijkheid dier onverzadelijke roofvogels op

te wekken. Op Eubea zijn zij doorgaans zelven geen grondeigenaars,

maar pachters. De landheer ontvangt dan in den regel een derde van

de opbrengst, terwijl het overige het eigendom van den boer blijft,

die ook de belasting voldoen moet. Zoo handelde ook de heer Noël. Hij

heeft voor elk landbouwersgezin eene goede steenen woning met twee

verdiepingen en een pannen dak laten zetten; hij verschafte het zaad en

leende werktuigen en gereedschappen, die men doorgaans vergat hem terug

te geven, omdat men wist dat hij ze in den regel niet terug vroeg.

Verder rijdende, komen wij langs rijke, uiterst vruchtbare

alluviaalgronden, waarvan echter de opbrengst, naar ons de intendant

verzekert, buiten verhouding gering is: een der voornaamste

oorzaken van deze geringe opbrengst is wel het gemis van goede

gereedschappen. Overal in Griekenland gebruikt men nog een hoogst

primitieven ploeg, een soort van met ijzer beslagen paal, die den

grond nauwelijks loswoelt, maar zeer gemakkelijk te besturen en

te herstellen is. De heer Noël heeft de proef genomen met engelsche

ploegen, die dieper insnijdingen in den grond maken, en de losse aarde

omkeeren om ze aan de weldadige werking der lucht bloot te stellen;

maar de kleine, verbasterde thessalische paarden waren niet sterk

genoeg om die ploegen voort te trekken. Men probeerde het met ossen;

maar het rundvee is hier klein van stuk, slecht gevoed en zwak: de

uitkomst was al even ongelukkig. Een der ploegen brak, en de smid van

het dorp was niet in staat dien te herstellen. De koppige onwil der

boeren verijdelde alles. De heer Noël, ontmoedigd en teleurgesteld,

gaf het eindelijk op, en de ploegen worden in een schuur geborgen,

waar ik ze zag staan, door de roest verteerd.

Toen er eens eene dorschmachine te Achmed-Aga werd aangebracht,

verzetten de ontvanger en de plaatselijke autoriteiten zich tegen

het gebruik van dit werktuig, beweerende dat men op die wijze

wilde trachten een gedeelte van den oogst aan de belasting te

onttrekken. Alle redeneeringen, alle bewijzen van het tegendeel

baatten niets. De heer Noël moest de tusschenkomst inroepen van den

engelschen gezant te Athene, die van den minister eene gunstige

beschikking wist te verkrijgen; maar toen de bestemde dag kwam,

verbood de burgemeester van het dorp, in het geheim, den pachters,

hunne schoven bij den heer Noël te brengen om ze te laten dorschen,

en liet des nachts een der wielen van het werktuig stelen. De met

groote kosten aangevoerde machine moest dus ongebruikt blijven staan;

en men moest zich ook verder, voor het dorschen van het graan, tevreden

stellen met de aloude alona, den grooten geplaveiden dorschvloer,

dien men bij alle grieksche dorpen aantreft. De schoven worden op

dien dorschvloer uitgespreid; vervolgens spant men paarden voor zes

of acht smalle, ongeveer vier voet lange planken, die aan het eene

einde een weinig omgebogen zijn; boerenjongens plaatsen zich nu op die

soort van sleden, en drijven, met groot geschreeuw en veel beweging,

in onderlingen wedijver, hunne paarden voort, die in vollen galop

steeds nauwer kringen beschrijven, en de halmen, en dikwijls het

graan daarbij, verbrijzelen. Het tooneel is zeker zeer schilderachtig,

en herinnert u onwillekeurig aan de oude kampstrijden; maar bij dit

barbaarsche stelsel gaat stellig een vijfde gedeelte van het graan

verloren, en wordt het stroo geheel bedorven. Echter is het tot dusver

niet mogelijk geweest, een ander en redelijker stelsel in te voeren.

Het land is door de natuur rijk gezegend, en deze streek zou inderdaad

een der welvarendste gewesten van het koningrijk kunnen worden. Nevens

korenakkers, zien wij meekrap- en katoenplantages; in de schaduw van

fraaie olijven, tiert welig de wijngaard; maar de ranken worden niet

gesnoeid, de plantages worden niet gezuiverd, en uitgestrekte braak

liggende gronden zijn de sprekende bewijzen van de zorgeloosheid en

traagheid der bevolking. De grieksche boeren zijn zeer matig, maar

ook zeer zorgeloos: hoewel zij over weinig middelen te beschikken

hebben, nemen zij toch geld op tegen buitensporig hooge rente, en

worden zoo de weerlooze prooi van de woekeraars, die een geesel

voor het platte land zijn. Een aantal kleine boerderijen worden

door de geruïneerde eigenaars zelven, ten bate van de gewetenlooze

geldschieters bebouwd. Het is inderdaad niet te verwonderen, dat de

arme drommels niet veel hart voor hun werk hebben.

Wij keeren naar de woning terug om te ontbijten. Terwijl wij aan

tafel zaten, verhaalde mevrouw Noël ons, hoe haar man eens door

eene gewapende bende van zestien roovers was overvallen geworden,

die hem ernstig verwondden en eene aanzienlijke geldsom van ettelijke

duizenden guldens ontnamen. Ondanks de zeer ernstige vertoogen van den

engelschen gezant, werden de schuldigen niet vervolgd; en hoewel de

plaatselijke overheden zeker geheel onschuldig waren aan de misdaad,

is het toch zeer waarschijnlijk dat zij er niet al te zeer over

verontwaardigd waren, en in het geheim de hoop koesterden dat de heer

Noël, voor zijne veiligheid bevreesd, het land zou verlaten. Zeide

niet de monarch van Eubea zelf: "Wij zijn er niet op gesteld, de

vreemdelingen te behouden, maar zien ze liever vertrekken." Zoowel

bij het volk als bij de ambtenaren heerscht dezelfde onwelwillende,

om niet te zeggen vijandelijke stemming tegen alle vreemden, die zich

in Griekenland willen vestigen; beiden doen wat zij kunnen om hen af

te schrikken en van hun voornemen terug te brengen, niettegenstaande

het wezenlijke belang des lands daardoor groote schade lijdt. Het is

de oude xenolasthia in al hare strengheid. De meeste vreemdelingen,

die zich op Eubea of in de andere provinciën gevestigd hadden,

hebben dan ook hunne bezittingen weder verkocht en zijn naar hun

land teruggekeerd.

Na afloop van het ontbijt, stelt de intendant ons voor, een tocht

door de bosschen te maken. Prachtige woudlandschappen, heerlijke

vergezichten, ontrollen zich elk oogenblik voor onze blikken; maar

overal treffen ons de sporen der vernieling door het vuur. Doorgaans

zijn die boschbranden het gevolg van kwaadwilligheid, en nooit

gelukt het de schuldigen te ontdekken, die somwijlen door de

boschwachters beschermd, indien al niet rechtstreeks geholpen

worden. Ook dit behoort tot het stelsel van ontmoediging en

intimidatie, dat tegenover de vreemdelingen wordt in praktijk

gebracht. Meermalen gebeurt het ook, dat de zwervende, half wilde

herders, met opzet, groote uitgestrektheden bosch in brand steken,

om op den uitgebranden grond gras te laten groeien ten behoeve hunner

kudden. De plaatselijke overheden laten den brand rustig voortwoeden,

zonder iets te doen om het vuur te blusschen ofte stuiten, of om een

misdrijf te beteugelen, waarop toch de wet de strengste straffen

stelt. De Grieken maken overigens weinig werk van hunne bosschen

en wouden, en de onkundige en slecht betaalde boschwachters zijn

dikwijls, zij het ook uit zorgeloosheid en onwetendheid, de eersten

om de aan hunne zorg toevertrouwde bosschen te bederven. De houthak

wordt, naar turksche manier, verpacht: dat wil zeggen, voor acht

of tien drachmen per maand, wordt vergunning verleend om binnen

zekere bepaalde grenzen hout te vellen, naar verkiezing van den

pachter. Doorgaans velt hij het geheele perceel en veel meer dan

dat, zoodat de berg geheel van boomgewas wordt ontbloot. Men laat

hem begaan. Maar heeft men met een vreemden eigenaar te doen, die

niet geneigd is den ambtenaren de handen te stoppen, dan wordt de

uiterste nauwgezetheid en gestrengheid getoond. De eigenaar mag dan

geen enkelen zijner boomen vellen zonder uitdrukkelijke vergunning;

en die vergunning wordt, na veel talmens, niet verleend dan tegen

zekere vergoeding, waarvan het bedrag eigenmachtig door den opzichter

wordt bepaald. De heer Noël had eindelijk van de exploitatie zijner

bosschen, zelfs voor eigen gebruik, afgezien. Het klinkt ongeloofelijk,

en toch is het waar: hij kon met minder kosten timmerhout uit Syra

laten komen, dan het in zijn eigen bosschen vellen!

En toch, wat natuurlijke rijkdom gaat door deze verwaarloozing, en door

het gemis van behoorlijke wegen, verloren! Deze bosschen zijn rijk aan

prachtige platanen, aan reusachtige wilgen, aan rijzige, krachtige

dennen en vele andere houtsoorten van veelzijdig gebruik. Voor den

scheepsbouw vooral zouden deze bosschen van de grootste waarde zijn,

indien men het hout slechts naar het strand kon vervoeren.

Hoe ruw daar nu ook mede wordt omgesprongen, toch zou het land binnen

betrekkelijk korten tijd weder met bosch bedekt zijn, wanneer maar

eenige zorg werd gedragen voor het jonge hout en de uitspruitsels. Maar

neen: het jonge gewas blijft weerloos overgelaten aan alle kansen

van ondergang en verwoesting. De geiten komen met groote scharen

opzetten, en vernielen alles wat binnen haar bereik komt. Het zijn

bovenal de zwervende herders met hunne kudden, die, meer wellicht dan

iets anders, de schuld dragen van de schromelijke verwoesting en den

eindelijken ondergang van zoo menige, door de natuur toch zoo kwistig

rijk gezegende provincie, in Griekenland zoowel als in Turkije.

Ontsnappen de jonge boomen bij toeval aan de vernielende tanden dezer

schadelijke dieren, dan bezwijken zij toch doorgaans onder de ruwe

handen der inzamelaars van boomhars, die in de stammen der dennen

groote gaten hakken, en met geweld de schors afrukken, om het sap te

laten uitvloeien. De aldus verkregen hoeveelheid hars is luttel en de

winst zeer gering; bovendien, dank zij deze barbaarsche behandeling,

verdroogt en sterft de boom binnen korten tijd.--Ook de kolenbranders

dragen het hunne tot de verwoesting bij. Zij leiden een zwervend leven

en staan volstrekt niet onder toezicht; tegen het einde van Juni komen

zij bij gansche troepen in de bosschen, en hakken en verbranden naar

welgevallen, zoodat zij somwijlen gansche berghellingen van houtgewas

ontblooten.

En welke zijn van dit alles de gevolgen? Het regenwater, door niets

meer tegengehouden, stroomt met verwoestend geweld over de naakte

hellingen, doet de beeken zwellen, overstroomt de lage vlakte, en

doet daar, stilstaande, koortsen ontstaan; de temperatuur ondergaat

ingrijpende veranderingen; de bronnen drogen in den zomer op. Reeds is

er ontzettend veel kwaad gedaan en onberekenbare schade aangericht,

en er bestaat nog niet het minste uitzicht, dat hierin verbetering

komen zal. De boeren zijn onwetend en lui, en de regeering bekommert

zich niet om dergelijke zaken. De houtvesters verkoopen vergunningen

tot exploitatie der bosschen, en houden hoegenaamd geen toezicht;

van boschkultuur hebbon zij niet het minste begrip. En hoe zou dit

anders kunnen zijn, daar ook die ambtenaren met ieder nieuw ministerie

aftreden?

Den volgenden morgen, ten zes uur, verlieten wij Achmed-Aga, en

vervolgden onze reis in noordoostelijke richting, steeds de oevers

van de rivier Eileos volgende, die door een prachtig platanenbosch

stroomt, dat onze volle bewondering opwekte. Sommige reusachtige

stammen trokken bovenal onze aandacht; onder een dezer kolossale

boomen hadden honderd ruiters zonder moeite plaats kunnen vinden.

Weldra komen wij te Mantoudi, een groot dorp, dat er welvarend en

zindelijk uitziet en de zetel is van een onderprefect. De inwoners

zijn bijna allen uitgewekenen van Hydra, en hebben den eigenaardigen

bouwtrant van dat eiland naar herwaarts overgebracht. Mantoudi

vertoont dan ook een geheel ander karakter, dan de andere dorpen van

Eubea. Wij houden ons echter hier niet op, en bereiken ten tien uur

het dorp Hagia-Anna, op eene hoogte gelegen, van waar men een prachtig

uitzicht heeft over geheel de omliggende streek en over de blauwe zee,

waaruit, aan den horizon, de eilanden Skopelos en Skiathos opdoemen.

Het huis, waar wij ons ontbijt gebruiken, heeft zoo geweldig dikke

en zoo stevige muren, dat het wel tegen eene aardbeving bestand

zou zijn. Perikles maakt ons ontbijt klaar in eene kamer op de

eerste verdieping, waarin het erg naar vochtig leder en sterke boter

riekt. Wij haasten ons dus zoo veel mogelijk: te meer daar het heden

de feestdag is van Sint-Constantijn, een der meest vereerde heiligen

van de orthodoxe Kerk, welke dag ook met openbare vermakelijkheden

gevierd wordt. Dit gedeelte des eilands is beroemd om zijne dansen;

de dans, die nu door de dorpelingen word uitgevoerd, heet de sirtos,

en is, naar ik meen, niet anders dan eene choregrapische voorstelling

van de rythmische bewegingen der visschers, als zij het net op den

oever trekken.

Aan de spits ging, naar oud gebruik, de dansleider, dan volgden de

mannen, dan de vrouwen, dan de jonge meisjes en de kinderen. Men hield

elkander niet bij de hand, maar de keten werd gevormd door doeken,

die de dansers in de hand hielden: en zoo bewoog de menigte zich, in

gelijkmatige beweging, over het plein, op de maat van een zonderling

orchest, uit twee Zigeuners bestaande, waarvan de een op de fluit

speelde, terwijl de andere op een soort van tamboerijn sloeg. Hun

mager, olijfkleurig gelaat, hunne uitstekende wangbeenderen, hun lange,

gitzwarte hairen, hunne groote, donkere, diepliggende oogen, soms

zoo zonderling stralend--alles getuigde van hun indischen oorsprong.

Dicht bij de kerk stond de papas (pastoor), een grijsaard met langen,

witten baard; op zijn stok geleund, zag hij den dans aan, in gezelschap

van eenige bejaarde landlieden. Moeilijk zou men zich een vroolijker en

levendiger tooneel kunnen denken, dan die lange rij van witte tunika's,

rood zijden gordels en voorschoten, van fustanellen en borduursels

en galons, heen en weder golvende op het geluid der schelle fluit, en

het dof gegons van den tamboerijn; den achtergrond dezer prachtvolle

schilderij vormden de donkere bosschen, de dicht begroeide heuvelen

en de naakte, kantige, hier en daar met pijnboomen beplante hellingen

van den berg Kandili. Overal, op het ruime plein, vormden zich nieuwe

groepen tot den dans; de vreugde werd algemeen, en waren wij niet

gedwongen geweest met onzen tijd te woekeren, voorzeker zouden wij ons

langer hier hebben opgehouden om getuigen te zijn van dit volksfeest,

dat een zoo echt nationaal karakter vertoonde. Maar wij moesten voort,

en terwijl de dans nog in vollen gang was, draafden wij de steile

hellingen op, die zich ten noorden van Hagia-Anna verheffen.

Het landschap was hetzelfde als in den omtrek van Achmed-Aga;

wij trokken door een uitgestrekt en prachtig woud, waarin eiken en

dennen trotsch oprezen boven dicht struikgewas en eene menigte andere

boomen. Overal zagen wij granaatboomen, met hunne bruinroode vruchten

en donkergroene bladeren, myrthen met hun schitterend gebladerte,

haagdoorns met scharlakenroode vruchten bedekt. Woeste ravijnen, waarin

machtige rotsblokken op de grilligste wijze waren opeengestapeld,

openden zich langs de hellingen der bergen; nu en dan mochten wij

een blik werpen in stille geheimzinnige valleien, wegschuilende in

den lommer van breede platanen en eeuwenheugende eiken, terwijl in de

schemerende verte, door de saamgestrengelde takken en de slanke stammen

der dennen heen, de blauwe zee ons tegenblonk. Hoe hooger wij komen,

des te ernstiger en grootscher wordt de natuur om ons heen. Eindelijk,

na eene smalle vallei te zijn doorgegaan, waar tallooze watervalletjes

de lucht met muziek vervullen, komen wij aan den pas, van waar wij

tegelijk de Egeïsche zee, de straat van Negroponte en de golf van Volo,

die ten noordwesten diep landwaarts indringt, overzien.

Dergelijke panorama's ontmoet men schier bij elken voetstap in

Griekenland, maar men wordt niet moede ze telkens weder te aanschouwen;

ongelukkig kan geene beschrijving de schoonheid, de bekoorlijkheid

en de verscheidenheid dezer vergezichten wedergeven. Ter linkerhand

strekte zich de kast van Lokris en Beotië uit, beheerscht door de

trotsche bergketen van den Parnassus, den Kitheron en den Olympus. De

voorgebergten, half in een zilveren, doorschijnenden nevel gehuld,

verrezen achter en nevens elkander, helder afstekende tegen de effen

oppervlakte der zee, glad en glinsterend als een metalen spiegel. Hier

en daar vertoonden zich enkele witte stippen: de zeilen van zacht

glijdende vaartuigen. Vóór ons, half in de wolken verloren, zien wij

de gescheurde en getande toppen van den Othrys, den Ossa en den Pelion;

meer van nabij verhief zich de Olta, waar, volgens de legende, Herakles

den brandstapel beklom; daar beneden, tusschen moerassen verscholen,

zag men de bergengte van Thermopylae. Ten noorden teekende zich de

gansche groep der eilanden boven Eubea, scherp en duidelijk, op de

onafzienbaar wijde zee. Verre weg, aan den horizon, vertoonde zich in

den nevel een grijze stip met witte punt, iets als een zwevende wolk,

verloren in de onmetelijke ruimte: dit was de thessalische Olympus, de

verblijfplaats der goden. Welke herinneringen en beelden, deels aan de

poëzie, deels aan de historie ontleend, verdrongen zich hier in onzen

geest! Maar de brandende, blakerende zonnehitte maakte ons een lang

vertoeven op deze plek onmogelijk, en wij vervolgden weldra onze reis.

Nog altijd was het woud even prachtig, en vormde de zee met hare

eilanden de wonderschoone omlijsting van de heerlijke schilderij,

allengs door het ter kimme neigende licht met nieuwe kleuren en

tinten getooid. Ter linkerhand verhieven zich trotsche, soms dreigend

overhangende rotswanden; onder de hooge boomen was het fluweelen

grastapeet bezaaid met tallooze witte, gele en blauwe bloempjes, door

de natuur met kwistige hand tusschen het zacht groene mos gespreid. De

lucht was zuiver en geheel doortrokken van balsemrijke geuren; op de

takken en tusschen het gebladerte zongen en tjilpten honderden vogels;

maar boven die allen klonk de zuivere, welluidende zang van den

nachtegaal, die ons den ganschen dag door op onzen tocht vergezelde.

Na eenige oogenblikken gerust te hebben aan een kleine, onder de

platanen verscholen kani, waar wij een kop koffie gebruikten,

begonnen wij snel te dalen. Gaandeweg werd het bosch dunner;

de groote boomen maakten plaats voor kreupelhout en struikgewas;

de bergen slonken tot heuvelen; het gansche landschap scheen ons in

hooge mate eentonig en naargeestig. Misschien droeg de vermoeidheid na

een zoo langen tocht daar ook wel het hare toe bij. Wij trokken over

dit heuvelachtig, golvend terrein, onophoudelijk rijzende en dalende,

zonder een spoor van menschelijke woning of bebouwing te ontdekken,

zonder eenig levend wezen te zien, dan nu en dan een kolenbrander,

die ons alles behalve vriendelijk aanzag,--en telkens van den schier

onkenbaren weg afdwalende. De zon haastte ten ondergang; en zoo wij

door de duisternis werden overvallen, eer wij de vlakte van Oreos

hadden bereikt, dan zouden wij genoodzaakt zijn, in het bosch te

overnachten of misschien in het armzalige gehucht Kastaniotissa,

waarvan wij de ellendige hutten ter linkerhand bespeuren. Onze paarden

en lastdieren waren uitgeput van vermoeienis, en ook de agoyaten

waren alles behalve in hun schik over eene zoo lange dagreis.

Eindelijk bereikten wij eene laatste hoogte, van waar wij de

vlakte en de zee konden overzien. Het was tijd, want de zon was

reeds achter de bergen van het vasteland verdwenen, en wij konden

den hobbeligen weg, waarop onze paarden telkens struikelden, bijna

niet meer onderscheiden. Wij reden langs bebouwde velden, en bij

de laatste schemering ontdekten wij de rots van de akropolis van

Oreos en de masten der vaartuigen, die boven de daken der huizen

van het dorp uitstaken. Wij hadden welhaast bijna twee uren noodig

om het strand te bereiken, waarlangs zich eene rij nieuw gebouwde

huizen met pannen daken verheft. Sommige dezer woningen hebben

twee verdiepingen, waarvan de onderste tot winkel is ingericht. Een

twintigtal groote kaïken lagen bij een houten steiger gemeerd, en

in de voornaamste straat heerschte vrij veel drukte, vooral bij de

nog open herbergen. De grieksche paketboot, die, op haar reis van

Athene naar Volo, zes maal per maand Oreos aandoet, was juist dien

dag aangekomen; de nieuwstijdingen uit de hoofdstad leverden dus

overvloedige stof voor gesprek aan de politici in de koffiehuizen.

Wij stijgen af voor een net en zindelijk huis, toebehoorend aan een

rijzigen, krachtig gebouwden Hydrioot, die zich, na den achteruitgang

zijner vaderstad, hier had nedergezet. Hij had dit huis gebouwd,

en dreef nu een zeer voordeeligen commissiehandel. Een groot

aantal Hydrioten hebben zich, even als hij, op Eubea gevestigd,

waar zij zich zeer gunstig onderscheiden door hun arbeidzaamheid,

hun geest van orde, hun gezond verstand en eenvoudigheid; voor het

meerendeel doen zij goede zaken, en men vindt onder hen lieden van

zeer aanzienlijk vermogen.

Onze gastheer bracht ons naar den eenvoudigen, maar comfortablen

salon. Langs de wanden prijkten de portretten der helden van den

griekschen onafhankelijkheidsoorlog: Zaïmis, in zijn lang turksch

gewaad, Mauromichalis met zijn donker dreigend uitzicht, Kolokotronis

met zijne lange hairen en dien wonderlijken helm, dien hij bij voorkeur

droeg. Boven eene mahoniehouten tafeltje hing eene afbeelding van de

beroemde brik van den Hydrioot Tombazis, wiens schitterende wapenfeiten

in de herinnering van alle Hellenen voortleven; en tusschen de twee

ramen zag men een schilderij in olieverf: het portret van den heer

des huizes, stijf en houterig als een byzantijnsche heilige, met

strak starende oogen, en met een geopenden wissel in de hand. Dat is

wel inderdaad de type van den griekschen eilandbewoner: tegelijkertijd

held en makelaar, soldaat en schacheraar, bereid zijn bloed te storten

en vlammende op eene kleine winst, koopvaardijkapitein en boekhouder,

nog heden evenzeer gereed om kaviaar te verkoopen of zich met een

ten ondergang bestemden brander tusschen de vijandelijke schepen te

wagen;--een wonderlijk mengelmoes van onverschrokkenheid en list,

van vermetele dapperheid en berekenend overleg, van ridderlijke

toewijding en koopmans egoïsme.

Tien minuten ten zuiden van het dorp verrijst de akropolis, eene

groote, alleenstaande, rechthoekige rots, zooals er zoo velen in

Griekenland te vinden zijn, en langs welker randen nog overblijfselen

van muren te zien zijn. Wij hadden een kwartier noodig om langs

een smal en uitermate steil pad, meer voor geiten dan voor menschen

geschikt, naar boven te klauteren. Even als in al die oude vestingen,

vinden wij hier een soort van omwalling, waarbij materialen uit de

meest verschillende tijdperken zijn gebruikt. De onderste lagen bestaan

uit groote onregelmatige steenblokken, blijkbaar uit overouden tijd

afkomstig; daarop volgen de zuiver gehouwen en fijn bewerkte steenen

van het helleensche tijdperk, de kleinere bouwsteenen der Romeinen,

het half uit steen, half uit baksteen bestaande metselwerk der Franken,

en eindelijk de vierkante kanteelen der Turken. Ten noorden en ten

westen ziet men overblijfselen van torens. In een hoek, onder doornig

struikgewas, vinden wij twee ijzeren kogels, en een marmeren tulband,

die eenmaal tot een turksch graf heeft behoord.

Onze blik overzag de baai van Artemisium, beroemd door de nederlaag der

vloot van Xerxes, en voorts de vlakte, met akkers en plantages bedekt;

nergens bruggen, en zeer weinig boomen, behalve moerbeziën en hier en

daar eenige wilde olijven. Een aantal landlieden, mannen en vrouwen,

waren aan den veldarbeid, en hunne witte wollen kleederen kwamen

sprekend uit tegen het tedere groen der katoenplantages. Anderen

bereidden de akkers, waarin het wintergraan moest worden gezaaid:

met de eene hand bestuurden zij hun aartsvaderlijken ploeg, in de

andere hielden zij eene lange lans, waarmede zij de twee zwarte

thessalische buffels voortdreven en bestuurden.

Deze geheele streek komt mij voor zeer vruchtbaar en welvarend te zijn;

naar men zegt, levert dit deel des eilands de belangrijkste inkomsten

voor den staat op, hoofdzakelijk voortvloeiende uit de tienden van den

graanoogst. Onze Hydrioot beweerde niettemin dat de landbouw, zoowel

hier als in alle verwijderde provinciën, in verval verkeerde, en hij

gaf ons, bij die gelegenheid, eene niet zeer vleiende karakterschets

van de magistraatspersonen ten beste, wier minste gebreken, volgens

hem, hunne onbekwaamheid en onwetendheid waren.

De eparch, het gerechtshof en eenige andere collegiën en besturen zijn

te Xerochori gevestigd, eene kleine stad van tweeduizend zeshonderd

inwoners, in de vlakte gelegen, twee uren meer oostwaarts, en met Oreos

verbonden door een weg, die met eenigen goeden wil voor rijtuigen

bruikbaar mag worden genoemd: want twee of drie half ontwrichte,

vuile, stoffige berlines, door drie magere paarden getrokken, rijden

dagelijks eenmaal tusschen de beide stadjes heen en weder.

(Wordt vervolgd.)

Montenegro.

(Vervolg van bladz. 280).

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 85 / 92 题