Daphné verlatende daalt men, langs eene vrij steile helling, naar
den oever der golf van Eleusis af. Aan den zoom der golf is de weg
in de rots uitgehouwen en wordt door muren gedragen, aan wier voet
de golven kabbelen. De aanblik van deze ruime, kalme, rustige baai is
inderdaad bewonderenswaardig. De fijne en schilderachtige omtrek der
bergen teekent zich scherp af tegen den schitterend blauwen hemel,
en weerspiegelt in de azuren wateren van den oceaan. Tegenover ons
verrijzen de rossige, vale rotsen van Salamis loodrecht uit de zee;
rechts de doorwoelde en doorgraven hellingen van den Parnessus en
den Kitheron, in warme, lichtgrijze tonen en tinten gehuld; aan
hun voet strekt zich de heilige vlakte van Demeter uit, blakerend
in den zonnegloed, en van de blauwe, onbewegelijke zee gescheiden
door een smal strand, geheel bezaaid met kleine wit- en rooskleurige
marmersteentjes. Dit strand, eene bevallige kromming beschrijvende,
voert ons naar Eleusis, waarvan de witte huizen, aan de overzijde
der golf, ons tegenblinken. Hooge bergtoppen vormen den achtergrond
van het tooneel, naar de zijde van Megara.
Wij gaan langs twee groote vijvers of plassen, door steenen dammen
omzoomd en gevoed door bronnen van zout water, en steken vervolgens
de vlakte van Thria over, zoo buitengewoon vruchtbaar, nadat Demeter
zelve aan Triptolemos den akkerbouw geleerd had. Van die vruchtbaarheid
is thans weinig meer te bespeuren. De zorgeloosheid en nalatigheid der
bewoners heeft de afleidingskanalen laten verzanden, en het water heeft
voor drie vierde deze alluviaalgronden in bezit genomen, die nog zoo
uitnemend geschikt zouden zijn voor bebouwing. Men heeft wel enkele
plekken ontgonnen, maar er is niets gedaan, en zelfs nog geen plan
ontworpen, om deze vlakte te bevrijden van de geregeld terugkeerende
overstroomingen en de daarmede gepaard gaande koortsen. De gemeente
is te arm, en het gouvernement denkt aan niets dan aan politiek,
aan den strijd tegen de oppositie in de Kamer, aan het behoud van het
vluchtig ministerieel leven, aan de omkooping der kiezers. Voor werken
van openbaar nut is er noch tijd, noch geld, noch aandacht. Dat zijn
trouwens de eigenaardige zegeningen van menige parlementaire regeering!
De landlieden, die wij ontmoeten, zijn rijzig van gestalte; zij
hebben een langen, eenigszins platten neus, een wijkend voorhoofd,
kleine oogen en een beenig gelaat. De vrouwen zijn groot en sterk
gebouwd, maar niet bevallig, ondanks haar blauwe oogen en blonde
haren. Het zijn Albaneezen van Elefsina, een ellendig, armoedig dorp,
dat wij voorbijtrekken, en dat op de plaats zelve is gebouwd van het
oude Eleusis, aan het uiteinde van een steenachtigen heuvel, aan den
oever der zee. Van den beroemden tempel van Demeter is niets meer
over, dan eenige stukken van den onderbouw, achter hutten verborgen;
de fragmenten der propyleeën, uit den romeinschen tijd, liggen in
wanorde door elkander in de uitgravingen, door den heer Lenormant
hier ondernomen.
Naar Eleusis trok de processie der Panatheneeën, en daar werden die
beroemde mysteriën gevierd, waarin de oude natuurdienst der Pelasgiërs
de hand reikte aan de vereering van de goden en godinnen van den
helleenschen Olympus. Ondanks de halve onthullingen van Diodorus van
Sicilië en van Apollodorus bestaat er omtrent de eigenlijke beteekenis
dier geheimzinnige plechtigheden nog veel onzekerheid; ik voor mij
kan moeielijk gelooven, dat in deze mysteriën de zuivere leer van de
eenheid Gods en de onsterfelijkheid der ziel werd verkondigd. Dit
is zeker, dat zoowel Sokrates als Diogenes, schoon overigens geen
geestverwanten, weigerden, zich in de mysteriën van Eleusis te laten
inwijden. Deze geringschatting van de bijgeloovige eeredienst der
priesters van Demeter kostte Sokrates het leven.
Voorbij Eleusis verlaat de weg het zeestrand, en wendt zich rechts
naar het noorden. Wij komen aan het dorp Mandra, door albaneesche
uitgewekenen bewoond. Bij onze nadering omsluieren de vrouwen zich het
gelaat; de mannen, voor het eenige koffiehuis van het dorp gegroept,
staren ons met nieuwsgierigheid en met niet al te vriendelijke blikken
aan. Hun wijkend voorhoofd, hun uitstekende jukbeenderen, hun blonde,
rechte, naar tartaarsche manier geknipte knevels, hun kort geknipte
haren, die van achteren lang afhangen--dit alles herinnert aan den
type der Bulgaren, die toch Slaven zijn, of misschien tot Slaven
geworden Hunnen. Overigens rijst schier bij elken voetstap, dien men
in het Oosten zet, een of ander ethnografisch raadsel op, waarvan de
beantwoording uiterst moeilijk is, en dat in de praktijk dikwijls tot
nog grooter bezwaren aanleiding geeft. De Grieken houden stijf en sterk
staande, dat zij rechtstreeksche afstammelingen zijn van de Hellenen
uit den tijd van Themistokles. Toch is het niet te ontkennen, dat,
met uitzondering van Maïna en van enkele eilanden, het tegenwoordige
Griekenland bewoond wordt door een ander, nieuw ras, voortgesproten uit
de vermenging van de oude bevolking met noordelijk wonende stammen,
en vooral met Albaneezen of Skipetaren. Die Albaneezen hebben geheel
nieuwe denkbeelden en elementen, eigenaardige zeden en gebruiken
medegebracht; zoowel uit een physiek, als uit een moreel oogpunt,
hebben zij op het helleensche ras, waarmede zij zich vermengd hebben,
een zeer grooten invloed uitgeoefend en den oorspronkelijken aanleg
sterk gewijzigd. Ik zal niet ontkennen, dat ook in het tegenwoordige
grieksche volk de grondtrekken van het helleensche karakter in menig
opzicht meer of minder duidelijk zijn bewaard gebleven; maar evenmin
valt, in de vorming der nieuw grieksche nationaliteit, de invloed
van andere dan antiek-helleensche elementen te miskennen.
Wij hebben den voet van den Kitheron, dichterlijker gedachtenisse,
bereikt; langzamerhand voert de weg door een lommerrijke kloof
naar boven. Kromgebogen dennen, doornige gewassen met kleine, harde
bladeren, bedekken de steile hellingen van den berg, waar overal de
naakte grijze kalkrots te voorschijn treedt. Nergens is eenig spoor van
bouwgrond te ontdekken; nergens is water te zien; nergens hoort men
gezang of gesjilp van een vogel; overal doodsche, eentonige stilte
en eenzaamheid. Wij bespeuren geen andere levende wezens dan een
kleine smaragdgroene hagedis met bruinen staart, en een roofvogel,
hoog in de lucht zwevende. Omziende, ontdekken wij nog in de verte,
achter verschillende bergreeksen, de hooge toppen van den Hymettos
en den Pentelikon.
Na eenige uren lang, voortdurend in vollen galop, nu eens tegen de
berghellingen te zijn opgeklauterd, dan weder naar de slingerende
valleien afgedaald, houden wij eindelijk stil aan een afgelegen,
eenzame kani (herberg) Pirnari genoemd, waar wij het ontbijt
gebruiken. Verderop loopt de weg, tusschen groote steile rotsen door,
naar eene woeste, smalle kloof, waarboven zich de indrukwekkende
ruïnen van de helleensche vesting Eleutheres verheffen, die den pas
tegen de Beotiërs verdedigen moest. Zeven zware vierkante torens,
die nog vrij goed bewaard zijn gebleven, rijzen omhoog op den top van
een steilen heuvel. Zij vormen een schilderachtig geheel, vooral als
men ze van gene zijde van den heuvel, waaromheen de kronkelende weg
zich slingert, ziet.
Deze pas is niet de eenige welke over den Parnassus voert, die de
natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Attika en Beotië. Meer
oostwaarts is nog eene andere smalle pas of overgang, die sinds
overoude tijden door de beide volken werd gebruikt, en waar de Atheners
die beroemde vesting Phylae hadden gebouwd, waarvan Thrasybulus zich
bij verrassing meester maakte, en waar hij zich geruimen tijd tegen
de aanvallen der Dertig Tirannen staande hield.
Het steile plateau, waarop de citadel van Eleutheres is gebouwd, heeft
eene lengte van honderd-zeventig, bij eene breedte van zeventig el, en
is slechts van twee kanten, ten oosten en ten zuiden, genaakbaar. De
muren zijn uit groote gehouwen steenen, waarvan sommigen de gedaante
van een parallelogram vertoonen, opgetrokken; een nog ongeschonden
vierkante toren, ten zuidoosten, en een half vernielde ronde toren, ten
noordoosten, dienden blijkbaar tot verdediging van de poorten. Aan de
westzijde verheft zich een tweede vierkante toren boven een loodrechten
rotswand. Van hier overziet de blik de gansche bergstreek tot aan
den Hymettus en de vlakte van Athene, waarvan de Akropolis zich in
schemerende omtrekken tegen den achtergrond der zee afteekent. Langs
de geheele keten van den Parnas waren vestingwerken aangelegd, die
dit natuurlijke bolwerk van Attika nog sterker moesten maken. Van
die vestingwerken is de citadel van Eleutheres het voornaamste en een
der merkwaardigste monumenten van de grieksche militaire architektuur.
Wij begonnen nu de steile hellingen van den Kitheron te beklimmen,
tot aan den pas, die de eigenlijke grensscheiding tusschen Attika en
Beotië vormt. De hooge bergvlakten en de weg zelf waren als overdekt
met kudden schapen, die door de herders werden bijeengedreven om naar
de winterweiden te worden geleid; deze winterweiden bevinden zich in de
vlakten van Attika en vooral in de omstreken van Vari, tusschen Athene
en kaap Sunium. Voorop gingen de vrouwen en de kinderen met een kleinen
mageren ezel, die een paar gestreepte dekens, eenige levensmiddelen en
een ketel droeg. Nevens de kudden gingen, midden door het struikgewas,
de herders met hunne honden, woeste dieren, die met luid geblaf op
ons aanstormden en in de wielen van het rijtuig beten. Zoo gaat de
tocht langzaam, met kleine dagreizen, voort. Bij de putten houdt men
stil om de kudden te drenken en de schapen te laten grazen in het
welriekende heidekruid, dat de gansche streek bedekt. Om een afstand
van vijftien mijlen af te leggen, hebben deze karavanen even zoo veel
dagen noodig. In de lente, wanneer de hitte in de vlakte ondragelijk
wordt, wanneer de grond hard wordt als metaal en het gras verdort en
verdroogt, wanneer het water in de putten wegzinkt, dan verlaten de
herders hunne uit boomtakken gevlochten hutten, om terug te keeren
naar de hooge bergvlakten van den Parnassus en den Kitheron.
Spoedig hadden wij den hoogen bergpas bereikt, waar de blik geheel
Beotië overziet. Een prachtig panorama! Voor onze voeten breidt zich de
wijde vlakte van Thebe uit, stralende van licht, met de slagvelden van
Platea en Leuktra, vanwaar dichte stofwolken oprijzen. Ter linkerhand,
de scherpe, uitgetande toppen van den Helikon en den Parnassus,
met blinkende sneeuw bedekt; rechts, de witte kruin van den Ida
en de bergen van het eiland Eubea. Voor ons, half omsluierd door de
dampen, uit het meer Kopaïs opstijgende, de toppen van den Oeta en den
Saromata. De gezichteinder is nevelig; het licht is minder fel, en de
opvolgende bergreeksen baden zich in een zachten, lichten nevel. Achter
ons, naar de zijde van Attika, straalt de smetteloos blauwe hemel in
weergalooze helderheid. De lijnen zijn daar overal scherp en zuiver
getrokken, wel niet hard, maar ook zonder dat eigenaardig zachte, weeke
en smeltende, dat zoo groote bekoorlijkheid geeft aan dit panorama
van Beotië. Zou dat zoo duidelijk merkbare onderscheid in de natuur
des lands ook niet van invloed zijn geweest op het karakter en den
aanleg der zoo zeer verschillende volksstammen aan deze en aan gene
zijde van den Parnassus en den Kitheron? De Atheners, in wier oogen
alles wat niet van Athene kwam, bespottelijk was, beschuldigden hunne
naburen van domheid en stompzinnige onbevattelijkheid des geestes:
eene reputatie, die zij tot heden hebben behouden. Toch is deze
beschuldiging volkomen onverdiend. Misten de Beotiërs al den fijnen
atheenschen geest, de atheensche vlugheid en levendigheid, zij waren
daarentegen ook eenvoudiger en eerlijker; de verfijning der atheensche
beschaving bleef hun onbekend, maar zij hadden daarom wel gevoel voor
het schoone in kunst en litteratuur en waren verre van onverschillig
voor militairen roem. Wij behooren nooit te vergeten dat Pindarus,
Hesiodus, Epaminondas, Pelopidas en Plutarchus geboren Beotiërs waren.
De kunstig aangelegde, maar zeer smalle weg daalt met breede
kronkelingen langs de kale, steile hellingen van den Kitheron
naar de vlakte af. Onze vier magere knollen, met versleten touwen
aangespannen, hollen in vollen galop langs dien steilen weg naar
beneden, op het gevaar af, ons bij elke kromming in de diepte te doen
nederstorten. Eerst toen wij in de vlakte waren gekomen, hield ons
span, zweetende en snuivende, schier ademloos stil. Een der wielen
van het rijtuig was half ontwricht, en de touwen waren voor een
deel gebroken; maar de ijdelheid van onzen koetsier was voldaan:
hij en Perikles waren zeer in hun schik over dit onzinnig waagstuk,
dat ons zeer gemakkelijk armen en beenen, indien niet het leven,
had kunnen kosten.
Wij wilden de nog overschietende uren vóór den avond benuttigen,
om het slagveld van Platea te bezoeken. De afstand bedraagt, te
paard, slechts een uur; vervolgens kunnen wij in twee uren Thebe
bereiken. Ondanks de weinige hulpvaardigheid der inwoners, gelukt
het onzen tolk toch, zich in een naburig albaneesch dorp de noodige
paarden te verschaffen. Gemakkelijk gezeten op pakzadels, met tapijten
belegd, rijden wij over een steenachtigen, hobbeligen weg naar het
slagveld, waar veertigduizend Grieken driehonderdduizend Perzen op
de vlucht dreven.
De onderlinge twisten en oorlogen der verschillende grieksche staten
en stammen verdienen wellicht de aandacht niet, die er doorgaans,
dank zij het talent der oude geschiedschrijvers die ze ons eerst
verhaalden, aan geschonken wordt. In verre de meeste gevallen waren
hierbij slechts kwesties van persoonlijke of nationale ijdelheid en
lokaal belang in het spel. Anders is het evenwel met de perzische
oorlogen. De heldhaftige weerstand, door dit kleine volk aan de
geweldige overmacht der barbaren geboden; de aard en beteekenis van
dien strijd; het besef dat de overwinning der Aziaten de ontluikende
grieksche beschaving, waaraan de wereld zoo oneindig veel verplicht is,
in hare geboorte zou hebben verstikt:--dit alles wekt billijkerwijze
onze belangstelling en sympathie op en verdient die ook ten volle.
Nabij het kleine dorp Kikla, aan den voet van den Kitheron, die zijn
drie naakte toppen ten hemel beurt, ziet men nog de overblijfselen
eener oude citadel, uit groote drie- of veelhoekige steenblokken
opgetrokken, en geflankeerd door vierkante torens, waarvan nog slechts
enkele sporen zijn te ontdekken. Honderd ellen van daar, verheffen
zich tegen de helling van den heuvel, boven eene antieke fontein,
groote steenen sarkophagen zonder eenig versiersel. Perikles noemt
ze de graven der helden; maar uit niets blijkt dat ze in eenige
betrekking staan tot de perzische oorlogen. Op deze hoogte staande,
kan men zich eene zeer duidelijke voorstelling maken van het slagveld,
en van de strategische bewegingen der beide legers.
Platea verlatende, rijden wij over eene groote, onbebouwde vlakte,
door de hitte gespleten, zonder een enkelen boom, dor en akelig. In den
winter en in het voorjaar is deze vlakte een groot moeras, en zinkt
men haast weg in eene kleiachtige, zwarte aarde, geheel doorweekt
door den regen en de beken, die niet geregeld kunnen afvloeien. Toch
is deze grond zeer vruchtbaar en voor bebouwing geschikt; enkele,
niet moeilijke noch kostbare werken voor den afvoer van het water
zouden voldoende zijn om duizenden bunders in kultuur te brengen,
en deze dorre heiden te herscheppen in korenakkers en katoenvelden,
of in weilanden, waar talrijke kudden vee een overvloedig voedsel
zouden vinden. Waarom geschiedt dit niet? Is het uit zorgeloosheid,
of uit vrees voor aardbevingen, die zoo menigmaal Beotië geteisterd
hebben? Ik weet het niet: zeker is het dat ook hier, als op zoo
menige plaats elders in Griekenland, eene bron van nationale welvaart
ongebruikt blijft.
De weg voert om een kleinen roodachtigen heuvel, en eensklaps zien wij
twee- of driehonderd huizen voor ons, op een klein plateau van ongeveer
vijftig ellen hoogte, aan alle zijden van de omringende heuvelen
afgezonderd. Dat is de stad Thebe, die wij weldra binnenrijden. De
waterleiding, waarlangs de weg loopt, dagteekent uit de middeleeuwen;
zij voert het water eener naburige bron naar de stad.
Thebe bestaat eigenlijk slechts uit eene enkele, vrij breede straat,
ter wederzijde bezet met kleine smalle huizen, twee verdiepingen hoog,
waarvan de benedenverdieping doorgaans tot winkel is ingericht en
voorzien van breede planken luifels, op ruwe houten palen rustende. Die
luifels volgen elkander geregeld op, en vormen zoo ter wederzijde van
de straat eene soort van overdekte galerij, die bij regenachtig weer,
hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is, eene zeer gewenschte
beschutting biedt. Verscheidene huizen, die door de laatste aardbeving
geleden hebben, zijn nog niet hersteld.
Er heerscht groote drukte op straat, want morgen is het een der
honderd-tachtig feestdagen van den orthodoxen kalender. De toevloed
van boeren uit den omtrek voorspelt ons weinig goeds voor den nacht,
als wij dien ten minste moeten doorbrengen in de kani, waaruit een
vuile, walgelijke stank ons tegemoet komt. Gelukkig vinden wij,
door tusschenkomst van den demarch (burgemeester), logies bij een
der burgers van de stad.
Den ganschen nacht woedde een geweldige wind, die ons huis op
zijn grondvesten kraken en schudden deed. In de straten en stegen
blaatten honderden schapen en lammeren, met allerlei modulatiën van
klaagtonen. De in de stad, tot bijna voor onze deur, bijeengedreven
kudden werden onrustig en antwoordden op dat geblaat. Somwijlen
verhief een herder zijn forsche stem, waarop een oogenblik stilte
ontstond, doch om straks weer door hetzelfde concert van blatende,
jammerende en loeiende stemmen vervangen te worden.
Wij waren te Thebe gekomen op den laatsten dag van een der vier
vastentijden, die telken jare door de Grieken zoo streng worden
gehouden. Veertig dagen lang hadden de Thebanen zich uitsluitend
gevoed met bittere en gezouten olijven, kaviaar en flauwe, smakelooze
groenten; nu maakten zij zich gereed om den terugkeer tot de gewone
levenswijze recht feestelijk te vieren. Ieder gezin koopt voor die
gelegenheid een lam of schaap, dat hetzij op de binnenplaats der
woning, of indien dat niet kan op de straat, geslacht en gebraden
wordt. Sedert eenige dagen waren de zwervende herders van den Parnassus
en den Helikon afgedaald, ongeveer een duizendtal schapen voor zich
uit drijvende, die bestemd waren om geslacht te worden; en des avonds
hadden de voornaamste Thebanen reeds de beste en vetste beesten voor
den maaltijd uitgezocht.
De vermoeidheid had eindelijk de overhand gekregen over het loeien
van den wind, het blaten der kudden, en ook over de scharen van
insekten, die langs de muren onzer kamer afdaalden, zoekende wien
zij mochten verslinden, en wij waren zoowat in een onrustigen slaap
gevallen. Tegen vier uur in den morgen echter, lang voor zonsopgang,
werden wij plotseling gewekt door herhaalde geweerschoten, door een
dof en aanhoudend gerucht gevolgd.
De Grieken, even als de Bedouïnen der woestijn, zijn groote liefhebbers
van schieten. Hetzij er een kind wordt gedoopt of eene bruiloft
gevierd, hetzij er een doode wordt begraven, een kandidaat half
doodgeslagen of een afgevaardigde eene ovatie gebracht--altijd moet
er geschoten worden. Maar al te dikwijls is dit schieten de oorzaak
van een min of meer toevalligen moord.
De hoofdstraat was geheel gevuld met eene dichte en schilderachtige
menigte. Al de inwoners van Thebe en van den omtrek waren daar
bijeen, ieder met een waskaars in de hand, en in plechtigen optocht
de priesters volgende, wier gezang boven het dof gemurmel der schare
uitklonk. De eentonige litaniën werden zonderling afgewisseld door
geweerschoten en wilde kreten, terwijl de klokken der kerk uit
alle macht luidden.--Wij hadden hier eene ongedachte, uitnemende
gelegenheid om de verschillende typen dezer gemengde bevolking
te bestudeeren. Zoodra de dag was aangebroken, mengden wij ons
dan ook onder de vroolijke luidruchtige groepen, die op straat
en op de omliggende heuvelen bezig waren met het braden van het
schapenvleesch, waarvan de geur de lucht vervulde. Wij vinden daar de
vertegenwoordigers van al de rassen, die het helleensche ras omringen
en zich daarmede vermengd hebben.
Die schoone, krachtig gebouwde jonkman, wiens hooge roode muts met een
blauwen doek is omwonden, en wiens lange fustanella bijna verdwijnt
onder een ruimen overjas van witte wol, is een Albanees. Zijn
gelaat getuigt van kracht en energie, zijn trotsche vurige blik,
zijne rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd, zijn arendsneus, zijn
fijn geteekende mond, door een zwaren knevel overschaduwd, zijn zoo
vele teekenen van zijne afstamming uit het bloed der Epiroten.
Gindsche oude boer, zwijgend neergehurkt, de ellebogen op de knieën
en het hoofd in de handen gesteund, zou hij geen bulgaarsch bloed in
de aderen hebben? Zijn vierkant gelaat met uitstekende wangbeenderen,
zijn breede onderkaak, zijn kleine grijze oogen, zijne korte gedrongen
gestalte, alles aan hem kenmerkt den man, die zich meer toelegt op
de werken des vredes, dan op krijgsavonturen, den man van eene meer
apathische en lijdelijke natuur, maar die het in kalmte, bezadigdheid
en volharding van den anderen wint. Hij draagt geen fustanella, maar
een wijden turkschen broek van grove bruine wollen stof; voorts een
bruin, met blauw afgezet vest, zoo als de Bulgaren langs de boorden
der Maritza, en een mantel van dezelfde kleur.
Die twee zoo sterk sprekende en zoo zeer uiteenloopende typen vindt ge
overal in noordelijk Griekenland terug. Vooral den eersten treft ge
veelvuldig aan. Maar daarbij ontmoet ge soms enkele bijzonderheden,
die van den algemeenen type afwijken en misschien de sporen zijn van
nog andere stammen, die op verschillende tijden den helleenschen
bodem hebben overstroomd. Dat zachte blauwe oog daar ginds, dat
bleeke gelaat, door blonde lokken omgeven,--herinneren zij niet aan
het Noorden, aan gothisch of frankisch bloed? Eeuwen lang, reeds in
overoude tijden, hebben in dezen uithoek van Europa zeer verschillende
rassen en stammen elkander ontmoet en gekruist. In het museum Varsaki
te Athene ziet men eene collectie van veertig of vijftig marmeren
borstbeelden, naar men zegt de authentieke portretten der "rectoren van
de Universiteit," ten tijde van Perikles. Bij de intrede in de zaal,
wordt ge dadelijk getroffen door de eigenaardigheid en het groote
onderscheid tusschen deze koppen; ge hebt moeite aan de echtheid te
gelooven, maar het werk zelf en de opschriften op de voetstukken
schijnen die toch boven allen twijfel te verheffen. Ge ziet daar
zuiver barbaarsche typen: kroeshair, uitstekende wangbeenderen,
platte neuzen, of cilindervormige schedels, kaken als bij de Hunnen,
voorhoofden als bij de Gothen. Drie of vier dezer busten gelijken
sprekend op de figuren van gebakken aarde, die in de etrurische
graven worden gevonden. Nauwelijks twee of drie vertoonen iets van
den klassieken stempel der antieke beeldhouwkunst. Maar bespreking
van deze ingewikkelde kwestie zou ons te ver leiden; keeren wij naar
het feest terug.
Overal heerschte de grootste drukte, de meest luidruchtige
vroolijkheid; en de verscheidenheid der kleederdrachten schonk aan
het geheel iets bijzonder schilderachtigs. Onder de vrouwen waren er
maar weinigen, die aanspraak mochten maken op schoonheid, en zeker
geene enkele, die den lof verdiende door Anakreon en vele anderen na
hem aan de vrouwen van Beotië toegezwaaid. Bijna allen die wij hier
zien, zijn Albaneeschen, zelfs die van Vilia en de andere dorpen van
den Kitheron. Zij behooren allen tot de arme klassen, en vertoonen
in haar schralen lichaamsbouw en grove gelaatstrekken eene ruwheid,
die zeker veel verschilt van de volle en slanke gestalte en de fijne
regelmatige trekken der vrouwen van het antieke Beotië.
Talrijke groepen bewegen zich voortdurend langs de helling van een
heuvel, op welks top eene oude kerk verrijst. Wij gaan ook derwaarts,
en bevinden ons weldra aan den ingang van het kerkhof, voor het aan
Sint-Lukas gewijde heiligdom, dat, naar men zegt, op de plek staat,
waar vroeger de tempel van Apollo Ismenios verrees. Het inwendige
is bijna opgevuld met brokstukken van smakeloos beeldhouwwerk en
met bouwmaterialen, die reeds voor vele jaren werden aangevoerd voor
herstellingen, die men sedert weer heeft opgegeven. Er is volstrekt
niets te zien, dan eenige ruw bewerkte zuilen. Ter wederzijde van
het altaar staan twee wit marmeren sarkophagen, met mos overgroeid,
en versierd met opschriften uit later tijd en met ruw bewerkte kronen
van bladeren. Een dezer sarkophagen zou, volgens het volksgeloof,
de tombe van Sint-Lukas zelven zijn; de vrome bedevaartgangers
beijveren zich eenige scherfjes van het marmer mede te nemen, als
voorbehoedmiddel tegen de koorts: door dit voortdurend afkrabben zijn
er in deze sarkophaag twee breede groeven ontstaan.
Van het kerkhof heeft men een zeer fraai uitzicht. Aan den voet
des heuvels strekt zich eene kleine vallei uit, waardoor een beek
stroomt, die de Ismenus moet zijn; verder de stad Thebe, gebouwd op
de plek waar het oude Kadmea stond: een soort van voorgebergte of
schiereiland, aan alle zijden door steile, diepe ravijnen omgeven,
behalve aan de zuidzijde, waar een smalle landtong de verbinding
vormt met de naburige plateaux. Ter rechterzijde verheft zich een
zware frankische toren boven de steile helling, die naar de vlakte van
den Asopus afdaalt; links, nabij de Atheensche poort, teekenen zich
de bogen eener waterleiding af tegen den neveligen achtergrond der
bergen. Door de Turken aangelegd en zorgvuldig onderhouden, om het
voor de baden en reinigingen noodige water naar de stad te voeren,
vervalt deze waterleiding thans meer en meer door de slordigheid
en zorgeloosheid der Grieken, die veel minder dan de muzelmannen op
water gesteld zijn. Aan gene zijde der stad en den gordel van tuinen,
die haar omringt, begint de woestijn: eene groote, eentonige, bruine
vlakte, omzoomd door een prachtige bergketen: den Helikon, vroeger met
bosschen bedekt en rijk aan stroomende wateren, nu naakt en droog,
maar altijd schoon door zijn vorm; de rots van den Sphinx, als door
een reuzenzwaard gespleten, en den met sneeuw bedekten Parnassus.
Thebe is beroemd om zijn moestuinen en kweekerijen, die met zeer veel
zorg onderhouden worden en allerlei groenten en vruchten opleveren,
onder anderen heerlijke meloenen, die kunnen wedijveren met de beroemde
meloenen van Kasaba in de provincie van Smyrna. Het frissche groen
dezer tuinen en boomgaarden, waardoor zich kleine beken slingeren,
is eene verkwikking voor het oog. Nergens ziet men hier het grijze en
sombere gebladerte van den olijfboom, die tegen de vrij koude winters
van Beotië niet bestand is; maar de paden tusschen de tuinen zijn
omzoomd door moerbeziën-, vijgen- en granaatboomen en myrthen.
Aan de overzijde van het diepe ravijn, dat ons van de stad scheidt,
ziet men hier en daar eenige brokstukken van oude muren, die
waarschijnlijk de plaats aanwijzen der omwalling van het antieke
Kadmea; zij dienen tot fondamenten voor de huizen der tegenwoordige
stad.--Iets verder staat een vierkante toren, het eenige overblijfsel
van het voormalige frankische paleis. Die toren draagt den naam van
den toren van San-Omeri, ter herinnering aan Nicolas de Saint-Omer,
fransch ridder.
Toen wij de woning van onzen gastheer weer binnentraden om te
ontbijten, kwam Perikles ons, met blijkbare verlegenheid, mededeelen,
dat de agoyaten (verhuurders van paarden) geweigerd hadden te
vertrekken, en dat het onmogelijk zou zijn, een enkelen Griek te
bewegen, op dezen feestdag Thebe te verlaten. Het kwam ons voor, dat
Perikles zelf grooten lust had om ook hier te blijven; en daar wij
ons verzekerd konden houden dat wij, ingeval wij de agoyaten hadden
gedwongen te vertrekken, onder weg allerlei moeilijkheden met hen
hebben zouden, besloten wij in vredesnaam te blijven.--Er valt te
Thebe weinig te zien. Slechts hier en daar vindt men nog brokstukken
van zuilen, gebroken kapiteelen, fragmenten van kroonlijsten, maar
zeer weinig beeldhouwwerk, en niets van eenig belang. Daarentegen
vindt men opschriften in menigte, zoodra men slechts eenigszins in den
grond graaft; maar zij zijn allen uit den romeinschen tijd en behelzen
doorgaans niet anders dan zekere formulen van lof en vereering jegens
den Keizer of den romeinschen landvoogd. Andere herinneringen aan
den schitterenden voortijd bezit het hedendaagsche Thebe niet.