VI.

Daphné verlatende daalt men, langs eene vrij steile helling, naar

den oever der golf van Eleusis af. Aan den zoom der golf is de weg

in de rots uitgehouwen en wordt door muren gedragen, aan wier voet

de golven kabbelen. De aanblik van deze ruime, kalme, rustige baai is

inderdaad bewonderenswaardig. De fijne en schilderachtige omtrek der

bergen teekent zich scherp af tegen den schitterend blauwen hemel,

en weerspiegelt in de azuren wateren van den oceaan. Tegenover ons

verrijzen de rossige, vale rotsen van Salamis loodrecht uit de zee;

rechts de doorwoelde en doorgraven hellingen van den Parnessus en

den Kitheron, in warme, lichtgrijze tonen en tinten gehuld; aan

hun voet strekt zich de heilige vlakte van Demeter uit, blakerend

in den zonnegloed, en van de blauwe, onbewegelijke zee gescheiden

door een smal strand, geheel bezaaid met kleine wit- en rooskleurige

marmersteentjes. Dit strand, eene bevallige kromming beschrijvende,

voert ons naar Eleusis, waarvan de witte huizen, aan de overzijde

der golf, ons tegenblinken. Hooge bergtoppen vormen den achtergrond

van het tooneel, naar de zijde van Megara.

Wij gaan langs twee groote vijvers of plassen, door steenen dammen

omzoomd en gevoed door bronnen van zout water, en steken vervolgens

de vlakte van Thria over, zoo buitengewoon vruchtbaar, nadat Demeter

zelve aan Triptolemos den akkerbouw geleerd had. Van die vruchtbaarheid

is thans weinig meer te bespeuren. De zorgeloosheid en nalatigheid der

bewoners heeft de afleidingskanalen laten verzanden, en het water heeft

voor drie vierde deze alluviaalgronden in bezit genomen, die nog zoo

uitnemend geschikt zouden zijn voor bebouwing. Men heeft wel enkele

plekken ontgonnen, maar er is niets gedaan, en zelfs nog geen plan

ontworpen, om deze vlakte te bevrijden van de geregeld terugkeerende

overstroomingen en de daarmede gepaard gaande koortsen. De gemeente

is te arm, en het gouvernement denkt aan niets dan aan politiek,

aan den strijd tegen de oppositie in de Kamer, aan het behoud van het

vluchtig ministerieel leven, aan de omkooping der kiezers. Voor werken

van openbaar nut is er noch tijd, noch geld, noch aandacht. Dat zijn

trouwens de eigenaardige zegeningen van menige parlementaire regeering!

De landlieden, die wij ontmoeten, zijn rijzig van gestalte; zij

hebben een langen, eenigszins platten neus, een wijkend voorhoofd,

kleine oogen en een beenig gelaat. De vrouwen zijn groot en sterk

gebouwd, maar niet bevallig, ondanks haar blauwe oogen en blonde

haren. Het zijn Albaneezen van Elefsina, een ellendig, armoedig dorp,

dat wij voorbijtrekken, en dat op de plaats zelve is gebouwd van het

oude Eleusis, aan het uiteinde van een steenachtigen heuvel, aan den

oever der zee. Van den beroemden tempel van Demeter is niets meer

over, dan eenige stukken van den onderbouw, achter hutten verborgen;

de fragmenten der propyleeën, uit den romeinschen tijd, liggen in

wanorde door elkander in de uitgravingen, door den heer Lenormant

hier ondernomen.

Naar Eleusis trok de processie der Panatheneeën, en daar werden die

beroemde mysteriën gevierd, waarin de oude natuurdienst der Pelasgiërs

de hand reikte aan de vereering van de goden en godinnen van den

helleenschen Olympus. Ondanks de halve onthullingen van Diodorus van

Sicilië en van Apollodorus bestaat er omtrent de eigenlijke beteekenis

dier geheimzinnige plechtigheden nog veel onzekerheid; ik voor mij

kan moeielijk gelooven, dat in deze mysteriën de zuivere leer van de

eenheid Gods en de onsterfelijkheid der ziel werd verkondigd. Dit

is zeker, dat zoowel Sokrates als Diogenes, schoon overigens geen

geestverwanten, weigerden, zich in de mysteriën van Eleusis te laten

inwijden. Deze geringschatting van de bijgeloovige eeredienst der

priesters van Demeter kostte Sokrates het leven.

Voorbij Eleusis verlaat de weg het zeestrand, en wendt zich rechts

naar het noorden. Wij komen aan het dorp Mandra, door albaneesche

uitgewekenen bewoond. Bij onze nadering omsluieren de vrouwen zich het

gelaat; de mannen, voor het eenige koffiehuis van het dorp gegroept,

staren ons met nieuwsgierigheid en met niet al te vriendelijke blikken

aan. Hun wijkend voorhoofd, hun uitstekende jukbeenderen, hun blonde,

rechte, naar tartaarsche manier geknipte knevels, hun kort geknipte

haren, die van achteren lang afhangen--dit alles herinnert aan den

type der Bulgaren, die toch Slaven zijn, of misschien tot Slaven

geworden Hunnen. Overigens rijst schier bij elken voetstap, dien men

in het Oosten zet, een of ander ethnografisch raadsel op, waarvan de

beantwoording uiterst moeilijk is, en dat in de praktijk dikwijls tot

nog grooter bezwaren aanleiding geeft. De Grieken houden stijf en sterk

staande, dat zij rechtstreeksche afstammelingen zijn van de Hellenen

uit den tijd van Themistokles. Toch is het niet te ontkennen, dat,

met uitzondering van Maïna en van enkele eilanden, het tegenwoordige

Griekenland bewoond wordt door een ander, nieuw ras, voortgesproten uit

de vermenging van de oude bevolking met noordelijk wonende stammen,

en vooral met Albaneezen of Skipetaren. Die Albaneezen hebben geheel

nieuwe denkbeelden en elementen, eigenaardige zeden en gebruiken

medegebracht; zoowel uit een physiek, als uit een moreel oogpunt,

hebben zij op het helleensche ras, waarmede zij zich vermengd hebben,

een zeer grooten invloed uitgeoefend en den oorspronkelijken aanleg

sterk gewijzigd. Ik zal niet ontkennen, dat ook in het tegenwoordige

grieksche volk de grondtrekken van het helleensche karakter in menig

opzicht meer of minder duidelijk zijn bewaard gebleven; maar evenmin

valt, in de vorming der nieuw grieksche nationaliteit, de invloed

van andere dan antiek-helleensche elementen te miskennen.

Wij hebben den voet van den Kitheron, dichterlijker gedachtenisse,

bereikt; langzamerhand voert de weg door een lommerrijke kloof

naar boven. Kromgebogen dennen, doornige gewassen met kleine, harde

bladeren, bedekken de steile hellingen van den berg, waar overal de

naakte grijze kalkrots te voorschijn treedt. Nergens is eenig spoor van

bouwgrond te ontdekken; nergens is water te zien; nergens hoort men

gezang of gesjilp van een vogel; overal doodsche, eentonige stilte

en eenzaamheid. Wij bespeuren geen andere levende wezens dan een

kleine smaragdgroene hagedis met bruinen staart, en een roofvogel,

hoog in de lucht zwevende. Omziende, ontdekken wij nog in de verte,

achter verschillende bergreeksen, de hooge toppen van den Hymettos

en den Pentelikon.

Na eenige uren lang, voortdurend in vollen galop, nu eens tegen de

berghellingen te zijn opgeklauterd, dan weder naar de slingerende

valleien afgedaald, houden wij eindelijk stil aan een afgelegen,

eenzame kani (herberg) Pirnari genoemd, waar wij het ontbijt

gebruiken. Verderop loopt de weg, tusschen groote steile rotsen door,

naar eene woeste, smalle kloof, waarboven zich de indrukwekkende

ruïnen van de helleensche vesting Eleutheres verheffen, die den pas

tegen de Beotiërs verdedigen moest. Zeven zware vierkante torens,

die nog vrij goed bewaard zijn gebleven, rijzen omhoog op den top van

een steilen heuvel. Zij vormen een schilderachtig geheel, vooral als

men ze van gene zijde van den heuvel, waaromheen de kronkelende weg

zich slingert, ziet.

Deze pas is niet de eenige welke over den Parnassus voert, die de

natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Attika en Beotië. Meer

oostwaarts is nog eene andere smalle pas of overgang, die sinds

overoude tijden door de beide volken werd gebruikt, en waar de Atheners

die beroemde vesting Phylae hadden gebouwd, waarvan Thrasybulus zich

bij verrassing meester maakte, en waar hij zich geruimen tijd tegen

de aanvallen der Dertig Tirannen staande hield.

Het steile plateau, waarop de citadel van Eleutheres is gebouwd, heeft

eene lengte van honderd-zeventig, bij eene breedte van zeventig el, en

is slechts van twee kanten, ten oosten en ten zuiden, genaakbaar. De

muren zijn uit groote gehouwen steenen, waarvan sommigen de gedaante

van een parallelogram vertoonen, opgetrokken; een nog ongeschonden

vierkante toren, ten zuidoosten, en een half vernielde ronde toren, ten

noordoosten, dienden blijkbaar tot verdediging van de poorten. Aan de

westzijde verheft zich een tweede vierkante toren boven een loodrechten

rotswand. Van hier overziet de blik de gansche bergstreek tot aan

den Hymettus en de vlakte van Athene, waarvan de Akropolis zich in

schemerende omtrekken tegen den achtergrond der zee afteekent. Langs

de geheele keten van den Parnas waren vestingwerken aangelegd, die

dit natuurlijke bolwerk van Attika nog sterker moesten maken. Van

die vestingwerken is de citadel van Eleutheres het voornaamste en een

der merkwaardigste monumenten van de grieksche militaire architektuur.

Wij begonnen nu de steile hellingen van den Kitheron te beklimmen,

tot aan den pas, die de eigenlijke grensscheiding tusschen Attika en

Beotië vormt. De hooge bergvlakten en de weg zelf waren als overdekt

met kudden schapen, die door de herders werden bijeengedreven om naar

de winterweiden te worden geleid; deze winterweiden bevinden zich in de

vlakten van Attika en vooral in de omstreken van Vari, tusschen Athene

en kaap Sunium. Voorop gingen de vrouwen en de kinderen met een kleinen

mageren ezel, die een paar gestreepte dekens, eenige levensmiddelen en

een ketel droeg. Nevens de kudden gingen, midden door het struikgewas,

de herders met hunne honden, woeste dieren, die met luid geblaf op

ons aanstormden en in de wielen van het rijtuig beten. Zoo gaat de

tocht langzaam, met kleine dagreizen, voort. Bij de putten houdt men

stil om de kudden te drenken en de schapen te laten grazen in het

welriekende heidekruid, dat de gansche streek bedekt. Om een afstand

van vijftien mijlen af te leggen, hebben deze karavanen even zoo veel

dagen noodig. In de lente, wanneer de hitte in de vlakte ondragelijk

wordt, wanneer de grond hard wordt als metaal en het gras verdort en

verdroogt, wanneer het water in de putten wegzinkt, dan verlaten de

herders hunne uit boomtakken gevlochten hutten, om terug te keeren

naar de hooge bergvlakten van den Parnassus en den Kitheron.

Spoedig hadden wij den hoogen bergpas bereikt, waar de blik geheel

Beotië overziet. Een prachtig panorama! Voor onze voeten breidt zich de

wijde vlakte van Thebe uit, stralende van licht, met de slagvelden van

Platea en Leuktra, vanwaar dichte stofwolken oprijzen. Ter linkerhand,

de scherpe, uitgetande toppen van den Helikon en den Parnassus,

met blinkende sneeuw bedekt; rechts, de witte kruin van den Ida

en de bergen van het eiland Eubea. Voor ons, half omsluierd door de

dampen, uit het meer Kopaïs opstijgende, de toppen van den Oeta en den

Saromata. De gezichteinder is nevelig; het licht is minder fel, en de

opvolgende bergreeksen baden zich in een zachten, lichten nevel. Achter

ons, naar de zijde van Attika, straalt de smetteloos blauwe hemel in

weergalooze helderheid. De lijnen zijn daar overal scherp en zuiver

getrokken, wel niet hard, maar ook zonder dat eigenaardig zachte, weeke

en smeltende, dat zoo groote bekoorlijkheid geeft aan dit panorama

van Beotië. Zou dat zoo duidelijk merkbare onderscheid in de natuur

des lands ook niet van invloed zijn geweest op het karakter en den

aanleg der zoo zeer verschillende volksstammen aan deze en aan gene

zijde van den Parnassus en den Kitheron? De Atheners, in wier oogen

alles wat niet van Athene kwam, bespottelijk was, beschuldigden hunne

naburen van domheid en stompzinnige onbevattelijkheid des geestes:

eene reputatie, die zij tot heden hebben behouden. Toch is deze

beschuldiging volkomen onverdiend. Misten de Beotiërs al den fijnen

atheenschen geest, de atheensche vlugheid en levendigheid, zij waren

daarentegen ook eenvoudiger en eerlijker; de verfijning der atheensche

beschaving bleef hun onbekend, maar zij hadden daarom wel gevoel voor

het schoone in kunst en litteratuur en waren verre van onverschillig

voor militairen roem. Wij behooren nooit te vergeten dat Pindarus,

Hesiodus, Epaminondas, Pelopidas en Plutarchus geboren Beotiërs waren.

De kunstig aangelegde, maar zeer smalle weg daalt met breede

kronkelingen langs de kale, steile hellingen van den Kitheron

naar de vlakte af. Onze vier magere knollen, met versleten touwen

aangespannen, hollen in vollen galop langs dien steilen weg naar

beneden, op het gevaar af, ons bij elke kromming in de diepte te doen

nederstorten. Eerst toen wij in de vlakte waren gekomen, hield ons

span, zweetende en snuivende, schier ademloos stil. Een der wielen

van het rijtuig was half ontwricht, en de touwen waren voor een

deel gebroken; maar de ijdelheid van onzen koetsier was voldaan:

hij en Perikles waren zeer in hun schik over dit onzinnig waagstuk,

dat ons zeer gemakkelijk armen en beenen, indien niet het leven,

had kunnen kosten.

Wij wilden de nog overschietende uren vóór den avond benuttigen,

om het slagveld van Platea te bezoeken. De afstand bedraagt, te

paard, slechts een uur; vervolgens kunnen wij in twee uren Thebe

bereiken. Ondanks de weinige hulpvaardigheid der inwoners, gelukt

het onzen tolk toch, zich in een naburig albaneesch dorp de noodige

paarden te verschaffen. Gemakkelijk gezeten op pakzadels, met tapijten

belegd, rijden wij over een steenachtigen, hobbeligen weg naar het

slagveld, waar veertigduizend Grieken driehonderdduizend Perzen op

de vlucht dreven.

De onderlinge twisten en oorlogen der verschillende grieksche staten

en stammen verdienen wellicht de aandacht niet, die er doorgaans,

dank zij het talent der oude geschiedschrijvers die ze ons eerst

verhaalden, aan geschonken wordt. In verre de meeste gevallen waren

hierbij slechts kwesties van persoonlijke of nationale ijdelheid en

lokaal belang in het spel. Anders is het evenwel met de perzische

oorlogen. De heldhaftige weerstand, door dit kleine volk aan de

geweldige overmacht der barbaren geboden; de aard en beteekenis van

dien strijd; het besef dat de overwinning der Aziaten de ontluikende

grieksche beschaving, waaraan de wereld zoo oneindig veel verplicht is,

in hare geboorte zou hebben verstikt:--dit alles wekt billijkerwijze

onze belangstelling en sympathie op en verdient die ook ten volle.

Nabij het kleine dorp Kikla, aan den voet van den Kitheron, die zijn

drie naakte toppen ten hemel beurt, ziet men nog de overblijfselen

eener oude citadel, uit groote drie- of veelhoekige steenblokken

opgetrokken, en geflankeerd door vierkante torens, waarvan nog slechts

enkele sporen zijn te ontdekken. Honderd ellen van daar, verheffen

zich tegen de helling van den heuvel, boven eene antieke fontein,

groote steenen sarkophagen zonder eenig versiersel. Perikles noemt

ze de graven der helden; maar uit niets blijkt dat ze in eenige

betrekking staan tot de perzische oorlogen. Op deze hoogte staande,

kan men zich eene zeer duidelijke voorstelling maken van het slagveld,

en van de strategische bewegingen der beide legers.

Platea verlatende, rijden wij over eene groote, onbebouwde vlakte,

door de hitte gespleten, zonder een enkelen boom, dor en akelig. In den

winter en in het voorjaar is deze vlakte een groot moeras, en zinkt

men haast weg in eene kleiachtige, zwarte aarde, geheel doorweekt

door den regen en de beken, die niet geregeld kunnen afvloeien. Toch

is deze grond zeer vruchtbaar en voor bebouwing geschikt; enkele,

niet moeilijke noch kostbare werken voor den afvoer van het water

zouden voldoende zijn om duizenden bunders in kultuur te brengen,

en deze dorre heiden te herscheppen in korenakkers en katoenvelden,

of in weilanden, waar talrijke kudden vee een overvloedig voedsel

zouden vinden. Waarom geschiedt dit niet? Is het uit zorgeloosheid,

of uit vrees voor aardbevingen, die zoo menigmaal Beotië geteisterd

hebben? Ik weet het niet: zeker is het dat ook hier, als op zoo

menige plaats elders in Griekenland, eene bron van nationale welvaart

ongebruikt blijft.

De weg voert om een kleinen roodachtigen heuvel, en eensklaps zien wij

twee- of driehonderd huizen voor ons, op een klein plateau van ongeveer

vijftig ellen hoogte, aan alle zijden van de omringende heuvelen

afgezonderd. Dat is de stad Thebe, die wij weldra binnenrijden. De

waterleiding, waarlangs de weg loopt, dagteekent uit de middeleeuwen;

zij voert het water eener naburige bron naar de stad.

Thebe bestaat eigenlijk slechts uit eene enkele, vrij breede straat,

ter wederzijde bezet met kleine smalle huizen, twee verdiepingen hoog,

waarvan de benedenverdieping doorgaans tot winkel is ingericht en

voorzien van breede planken luifels, op ruwe houten palen rustende. Die

luifels volgen elkander geregeld op, en vormen zoo ter wederzijde van

de straat eene soort van overdekte galerij, die bij regenachtig weer,

hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is, eene zeer gewenschte

beschutting biedt. Verscheidene huizen, die door de laatste aardbeving

geleden hebben, zijn nog niet hersteld.

Er heerscht groote drukte op straat, want morgen is het een der

honderd-tachtig feestdagen van den orthodoxen kalender. De toevloed

van boeren uit den omtrek voorspelt ons weinig goeds voor den nacht,

als wij dien ten minste moeten doorbrengen in de kani, waaruit een

vuile, walgelijke stank ons tegemoet komt. Gelukkig vinden wij,

door tusschenkomst van den demarch (burgemeester), logies bij een

der burgers van de stad.

Den ganschen nacht woedde een geweldige wind, die ons huis op

zijn grondvesten kraken en schudden deed. In de straten en stegen

blaatten honderden schapen en lammeren, met allerlei modulatiën van

klaagtonen. De in de stad, tot bijna voor onze deur, bijeengedreven

kudden werden onrustig en antwoordden op dat geblaat. Somwijlen

verhief een herder zijn forsche stem, waarop een oogenblik stilte

ontstond, doch om straks weer door hetzelfde concert van blatende,

jammerende en loeiende stemmen vervangen te worden.

Wij waren te Thebe gekomen op den laatsten dag van een der vier

vastentijden, die telken jare door de Grieken zoo streng worden

gehouden. Veertig dagen lang hadden de Thebanen zich uitsluitend

gevoed met bittere en gezouten olijven, kaviaar en flauwe, smakelooze

groenten; nu maakten zij zich gereed om den terugkeer tot de gewone

levenswijze recht feestelijk te vieren. Ieder gezin koopt voor die

gelegenheid een lam of schaap, dat hetzij op de binnenplaats der

woning, of indien dat niet kan op de straat, geslacht en gebraden

wordt. Sedert eenige dagen waren de zwervende herders van den Parnassus

en den Helikon afgedaald, ongeveer een duizendtal schapen voor zich

uit drijvende, die bestemd waren om geslacht te worden; en des avonds

hadden de voornaamste Thebanen reeds de beste en vetste beesten voor

den maaltijd uitgezocht.

De vermoeidheid had eindelijk de overhand gekregen over het loeien

van den wind, het blaten der kudden, en ook over de scharen van

insekten, die langs de muren onzer kamer afdaalden, zoekende wien

zij mochten verslinden, en wij waren zoowat in een onrustigen slaap

gevallen. Tegen vier uur in den morgen echter, lang voor zonsopgang,

werden wij plotseling gewekt door herhaalde geweerschoten, door een

dof en aanhoudend gerucht gevolgd.

De Grieken, even als de Bedouïnen der woestijn, zijn groote liefhebbers

van schieten. Hetzij er een kind wordt gedoopt of eene bruiloft

gevierd, hetzij er een doode wordt begraven, een kandidaat half

doodgeslagen of een afgevaardigde eene ovatie gebracht--altijd moet

er geschoten worden. Maar al te dikwijls is dit schieten de oorzaak

van een min of meer toevalligen moord.

De hoofdstraat was geheel gevuld met eene dichte en schilderachtige

menigte. Al de inwoners van Thebe en van den omtrek waren daar

bijeen, ieder met een waskaars in de hand, en in plechtigen optocht

de priesters volgende, wier gezang boven het dof gemurmel der schare

uitklonk. De eentonige litaniën werden zonderling afgewisseld door

geweerschoten en wilde kreten, terwijl de klokken der kerk uit

alle macht luidden.--Wij hadden hier eene ongedachte, uitnemende

gelegenheid om de verschillende typen dezer gemengde bevolking

te bestudeeren. Zoodra de dag was aangebroken, mengden wij ons

dan ook onder de vroolijke luidruchtige groepen, die op straat

en op de omliggende heuvelen bezig waren met het braden van het

schapenvleesch, waarvan de geur de lucht vervulde. Wij vinden daar de

vertegenwoordigers van al de rassen, die het helleensche ras omringen

en zich daarmede vermengd hebben.

Die schoone, krachtig gebouwde jonkman, wiens hooge roode muts met een

blauwen doek is omwonden, en wiens lange fustanella bijna verdwijnt

onder een ruimen overjas van witte wol, is een Albanees. Zijn

gelaat getuigt van kracht en energie, zijn trotsche vurige blik,

zijne rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd, zijn arendsneus, zijn

fijn geteekende mond, door een zwaren knevel overschaduwd, zijn zoo

vele teekenen van zijne afstamming uit het bloed der Epiroten.

Gindsche oude boer, zwijgend neergehurkt, de ellebogen op de knieën

en het hoofd in de handen gesteund, zou hij geen bulgaarsch bloed in

de aderen hebben? Zijn vierkant gelaat met uitstekende wangbeenderen,

zijn breede onderkaak, zijn kleine grijze oogen, zijne korte gedrongen

gestalte, alles aan hem kenmerkt den man, die zich meer toelegt op

de werken des vredes, dan op krijgsavonturen, den man van eene meer

apathische en lijdelijke natuur, maar die het in kalmte, bezadigdheid

en volharding van den anderen wint. Hij draagt geen fustanella, maar

een wijden turkschen broek van grove bruine wollen stof; voorts een

bruin, met blauw afgezet vest, zoo als de Bulgaren langs de boorden

der Maritza, en een mantel van dezelfde kleur.

Die twee zoo sterk sprekende en zoo zeer uiteenloopende typen vindt ge

overal in noordelijk Griekenland terug. Vooral den eersten treft ge

veelvuldig aan. Maar daarbij ontmoet ge soms enkele bijzonderheden,

die van den algemeenen type afwijken en misschien de sporen zijn van

nog andere stammen, die op verschillende tijden den helleenschen

bodem hebben overstroomd. Dat zachte blauwe oog daar ginds, dat

bleeke gelaat, door blonde lokken omgeven,--herinneren zij niet aan

het Noorden, aan gothisch of frankisch bloed? Eeuwen lang, reeds in

overoude tijden, hebben in dezen uithoek van Europa zeer verschillende

rassen en stammen elkander ontmoet en gekruist. In het museum Varsaki

te Athene ziet men eene collectie van veertig of vijftig marmeren

borstbeelden, naar men zegt de authentieke portretten der "rectoren van

de Universiteit," ten tijde van Perikles. Bij de intrede in de zaal,

wordt ge dadelijk getroffen door de eigenaardigheid en het groote

onderscheid tusschen deze koppen; ge hebt moeite aan de echtheid te

gelooven, maar het werk zelf en de opschriften op de voetstukken

schijnen die toch boven allen twijfel te verheffen. Ge ziet daar

zuiver barbaarsche typen: kroeshair, uitstekende wangbeenderen,

platte neuzen, of cilindervormige schedels, kaken als bij de Hunnen,

voorhoofden als bij de Gothen. Drie of vier dezer busten gelijken

sprekend op de figuren van gebakken aarde, die in de etrurische

graven worden gevonden. Nauwelijks twee of drie vertoonen iets van

den klassieken stempel der antieke beeldhouwkunst. Maar bespreking

van deze ingewikkelde kwestie zou ons te ver leiden; keeren wij naar

het feest terug.

Overal heerschte de grootste drukte, de meest luidruchtige

vroolijkheid; en de verscheidenheid der kleederdrachten schonk aan

het geheel iets bijzonder schilderachtigs. Onder de vrouwen waren er

maar weinigen, die aanspraak mochten maken op schoonheid, en zeker

geene enkele, die den lof verdiende door Anakreon en vele anderen na

hem aan de vrouwen van Beotië toegezwaaid. Bijna allen die wij hier

zien, zijn Albaneeschen, zelfs die van Vilia en de andere dorpen van

den Kitheron. Zij behooren allen tot de arme klassen, en vertoonen

in haar schralen lichaamsbouw en grove gelaatstrekken eene ruwheid,

die zeker veel verschilt van de volle en slanke gestalte en de fijne

regelmatige trekken der vrouwen van het antieke Beotië.

Talrijke groepen bewegen zich voortdurend langs de helling van een

heuvel, op welks top eene oude kerk verrijst. Wij gaan ook derwaarts,

en bevinden ons weldra aan den ingang van het kerkhof, voor het aan

Sint-Lukas gewijde heiligdom, dat, naar men zegt, op de plek staat,

waar vroeger de tempel van Apollo Ismenios verrees. Het inwendige

is bijna opgevuld met brokstukken van smakeloos beeldhouwwerk en

met bouwmaterialen, die reeds voor vele jaren werden aangevoerd voor

herstellingen, die men sedert weer heeft opgegeven. Er is volstrekt

niets te zien, dan eenige ruw bewerkte zuilen. Ter wederzijde van

het altaar staan twee wit marmeren sarkophagen, met mos overgroeid,

en versierd met opschriften uit later tijd en met ruw bewerkte kronen

van bladeren. Een dezer sarkophagen zou, volgens het volksgeloof,

de tombe van Sint-Lukas zelven zijn; de vrome bedevaartgangers

beijveren zich eenige scherfjes van het marmer mede te nemen, als

voorbehoedmiddel tegen de koorts: door dit voortdurend afkrabben zijn

er in deze sarkophaag twee breede groeven ontstaan.

Van het kerkhof heeft men een zeer fraai uitzicht. Aan den voet

des heuvels strekt zich eene kleine vallei uit, waardoor een beek

stroomt, die de Ismenus moet zijn; verder de stad Thebe, gebouwd op

de plek waar het oude Kadmea stond: een soort van voorgebergte of

schiereiland, aan alle zijden door steile, diepe ravijnen omgeven,

behalve aan de zuidzijde, waar een smalle landtong de verbinding

vormt met de naburige plateaux. Ter rechterzijde verheft zich een

zware frankische toren boven de steile helling, die naar de vlakte van

den Asopus afdaalt; links, nabij de Atheensche poort, teekenen zich

de bogen eener waterleiding af tegen den neveligen achtergrond der

bergen. Door de Turken aangelegd en zorgvuldig onderhouden, om het

voor de baden en reinigingen noodige water naar de stad te voeren,

vervalt deze waterleiding thans meer en meer door de slordigheid

en zorgeloosheid der Grieken, die veel minder dan de muzelmannen op

water gesteld zijn. Aan gene zijde der stad en den gordel van tuinen,

die haar omringt, begint de woestijn: eene groote, eentonige, bruine

vlakte, omzoomd door een prachtige bergketen: den Helikon, vroeger met

bosschen bedekt en rijk aan stroomende wateren, nu naakt en droog,

maar altijd schoon door zijn vorm; de rots van den Sphinx, als door

een reuzenzwaard gespleten, en den met sneeuw bedekten Parnassus.

Thebe is beroemd om zijn moestuinen en kweekerijen, die met zeer veel

zorg onderhouden worden en allerlei groenten en vruchten opleveren,

onder anderen heerlijke meloenen, die kunnen wedijveren met de beroemde

meloenen van Kasaba in de provincie van Smyrna. Het frissche groen

dezer tuinen en boomgaarden, waardoor zich kleine beken slingeren,

is eene verkwikking voor het oog. Nergens ziet men hier het grijze en

sombere gebladerte van den olijfboom, die tegen de vrij koude winters

van Beotië niet bestand is; maar de paden tusschen de tuinen zijn

omzoomd door moerbeziën-, vijgen- en granaatboomen en myrthen.

Aan de overzijde van het diepe ravijn, dat ons van de stad scheidt,

ziet men hier en daar eenige brokstukken van oude muren, die

waarschijnlijk de plaats aanwijzen der omwalling van het antieke

Kadmea; zij dienen tot fondamenten voor de huizen der tegenwoordige

stad.--Iets verder staat een vierkante toren, het eenige overblijfsel

van het voormalige frankische paleis. Die toren draagt den naam van

den toren van San-Omeri, ter herinnering aan Nicolas de Saint-Omer,

fransch ridder.

Toen wij de woning van onzen gastheer weer binnentraden om te

ontbijten, kwam Perikles ons, met blijkbare verlegenheid, mededeelen,

dat de agoyaten (verhuurders van paarden) geweigerd hadden te

vertrekken, en dat het onmogelijk zou zijn, een enkelen Griek te

bewegen, op dezen feestdag Thebe te verlaten. Het kwam ons voor, dat

Perikles zelf grooten lust had om ook hier te blijven; en daar wij

ons verzekerd konden houden dat wij, ingeval wij de agoyaten hadden

gedwongen te vertrekken, onder weg allerlei moeilijkheden met hen

hebben zouden, besloten wij in vredesnaam te blijven.--Er valt te

Thebe weinig te zien. Slechts hier en daar vindt men nog brokstukken

van zuilen, gebroken kapiteelen, fragmenten van kroonlijsten, maar

zeer weinig beeldhouwwerk, en niets van eenig belang. Daarentegen

vindt men opschriften in menigte, zoodra men slechts eenigszins in den

grond graaft; maar zij zijn allen uit den romeinschen tijd en behelzen

doorgaans niet anders dan zekere formulen van lof en vereering jegens

den Keizer of den romeinschen landvoogd. Andere herinneringen aan

den schitterenden voortijd bezit het hedendaagsche Thebe niet.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 83 / 92 题