In de maand October begint in Griekenland de hitte dragelijk te worden;
ettelijke regenbuien hebben den grond bevochtigd en verfrischt; de
koortsen, die gedurende de maand September zoo vele lagere streken
in hooge mate ongezond maken, beginnen te wijken; een tocht door het
binnenland wordt dan voor vreemde toeristen mogelijk. Zeker hebben
zes maanden droogte het land uitgemergeld en verschroeid, maar dit
schaadt niet aan het eigenaardig karakter van zijne schoonheid. Het
is reeds meermalen gezegd geworden: men moet de noordelijke landen
eigenlijk in den winter bezoeken, en de zuidelijke in den zomer.
De gelegenheid was gunstig voor eene reis door de noordelijke
provinciën, waarvan men zich anders meestal door vrees voor de roovers
laat terughouden. Sedert drie jaren had de regeering al hare krachten
ingespannen, om den smet uit te wisschen, door den moord van Marathon,
in 1872, op het land geworpen. Men had met ernst de handen aan het werk
geslagen, en, met ijverige medewerking van den pâsja van Thessalië, het
zoover gebracht, dat er nu geen roovers meer in Griekenland te vinden
waren, en men het land van het noorden naar het zuiden kon doorreizen,
zonder gevaar te loopen, neus en ooren te verliezen. Het was geraden,
van die ongewone veiligheid, die misschien niet lang stand zou houden,
gebruik te maken.
Ik gaf mitsdien aan den minister van binnenlandsche zaken en aan den
prefect van policie kennis, dat ik binnen eenige dagen op reis hoopte
te gaan naar Thebe, Eubea en Phthiosis, om over Delphi en den Parnessus
terug te keeren. Deze kennisgeving was eene bloote formaliteit, maar
waaraan het voordeel verbonden was, dat de kommandanten der gendarmerie
en de plaatselijke besturen van onze komst werden verwittigd, zoodat
wij overal konden rekenen op een nachtverblijf en een maal: twee
zaken, waarop de reiziger in dit land anders volstrekt niet altijd
rekenen kan.
De grieksche ministers zijn niet bijzonder prachtig gehuisvest, en
hebben ook geen drom van kamerdienaars tot hunne beschikking om de
al te lastige bezoekers af te weren. In een huis van zeer nederig
voorkomen, klimt ge langs een krakenden houten trap naar boven. Wie
wil, gaat binnen; er is geen concierge of bode die u tegenhoudt. Door
de openstaande deuren ziet ge, in kamers met naakte muren en vensters
zonder gordijnen, de ambtenaren zitten op matten stoelen, voor tafels
van ongeverwd hout, en onder hun werk sigaartjes rookende. Een man,
in een vuile, versleten en gelapte overjas gekleed, wijst u, zonder
op te staan, zonder uw naam te vragen of naar het doel uwer komst te
onderzoeken, het kabinet van den minister.
Ge kunt zonder kloppen binnentreden; in den hoek van een zeer
sober gemeubeld vertrek zit een heer aan eene kleine schrijftafel
te werken: dat is de minister. Hij staat op, reikt u de hand,
en noodigt u uit, plaats te nemen. Een oogenblik later komt de
smerige kamerdienaar binnen, en presenteert u, op een tinnen blad,
te Neurenberg beschilderd, een kop koffie, dien hij in het naburige
koffiehuis heeft gehaald.
Die antieke eenvoud heeft eene zekere aantrekkelijkheid voor hen,
die zich dikwerf door de aanmatiging en overdreven etiquette,
elders gebruikelijk, hebben beleedigd gevoeld. Zij, die hier
tijdelijk--doorgaans zeer tijdelijk!--de macht in handen hebben,
doen geen pogingen om door zeker prestige te verblinden. En zoo zij
het deden, zou de spottende, alles nivelleerende zin van het volk
hen spoedig alle lust voor dergelijke proefnemingen benemen. Ieder,
die wil, treedt onaangemeld bij den minister binnen, neemt een stoel,
en brengt met groote woordenrijkheid en op den meest gemeenzamen toon
zijne klacht of zijn verzoek te berde. De minister luistert, spreekt
met hem als met zijn gelijke, en belooft dat hij alles zal doen wat in
zijn vermogen is om den man te helpen. Zeker is de hoop, om een kiezer
of een die het worden kan voor zich te winnen, aan deze handelwijze
niet geheel vreemd; maar nog veel meer moet men hier denken aan de
traditioneele gewoonten van het Oosten, waar tusschen de verschillende
standen, in den dagelijkschen omgang, de meest mogelijke gelijkheid
heerscht. Trouwens, dit was ook bij ons vroeger het geval, ondanks het
groot verschil van stand, in maatschappelijken en politieken zin; en
niets is oppervlakkiger en onjuister, dan te meenen dat de opheffing
van dit verschil, de politieke en sociale gelijkmaking van allen,
de ware toenadering, den waren geest van gelijkheid en broederschap
tusschen de verschillende standen zal bevorderen: veeleer is het
tegendeel waar.
Nog maar weinige jaren geleden, moest, wie een tochtje door het
binnenland wilde ondernemen, dit te paard doen, en zich daarbij van
het noodige voorzien. Dit is thans niet meer noodig: wij verlaten
Athene, gezeten in een kales. Dit is misschien minder schilderachtig,
maar zeker gemakkelijker. Echter brengen de straatwegen u in
Griekenland niet ver; reeds te Thebe, dat slechts tien uren van
Athene verwijderd is, zullen wij voor het overige van de reis paarden
moeten nemen. Onze gids heeft wel eenige gelijkenis met Quasimodo;
hij draagt een lichtkleurige jas en een slappen hoed; hij haspelt,
op onverstaanbare manier, twee of drie talen dooreen, waaronder wij nu
en dan eenige woorden fransch kunnen onderscheiden. Door eene wreede
spotternij van het lot voert hij den naam van Perikles.
Het was ruim vier uren in den morgen, toen wij het hotel
verlieten. Achter den berg Hymettus voorspelde een zachte rozengloed
aan den hemel de nadering van den dageraad. Enkele kleine koffiehuizen
waren reeds geopend; en de aromatische geur van de mokka, vermengd
met den doordringenden reuk van de oostersche tabak, verkondigde den
aanvang van een nieuwen levensdag in de stad van Pallas-Athene. In
de straten heerschte nog de zwoelte van den vorigen dag; ondanks de
frischheid van den morgen straalde van de muren der huizen ons nog
de warmte tegen.
Gelukkig zijn wij spoedig buiten de stad; welhaast hebben wij de
grenzen der beschaafde wereld bereikt:--op vijftien minuten afstands
van het koninklijk paleis. Ter linkerzijde van den weg, op twintig
el afstands van het station, waar eene brutale locomotief haar vuile
rookwolken uitblaast in de dichterlijke attische lucht, stond weleer
de Dipylische poort. Daar liepen en loopen nog de twee wegen naar
Eleusis en den Piraeus samen: van alle poorten van Athene was dus
deze de drukste. Te midden van die wolken van fijn kalkachtig stof,
dat destijds zoowel als nu de wegen van Attika bedekte, bewoog zich
toen de stroom der vrachtwagens van den Piraeus, der lastdieren,
der kooplieden die hunne waren naar de stad brachten, der boeren
die met groenten en vruchten ter markt gingen, der slaven die den
voorraad voor den dag moesten inkoopen, der wandelaars en leegloopers
eindelijk, wier aantal te Athene zeer groot was. Nabij deze poort
drongen de soldaten van Sylla, na een bres in den muur gemaakt te
hebben, de stad binnen; en de menigte menschenbeenderen, die men
bij de jongste opgravingen op die plek gevonden heeft, bewijst dat
er hardnekkig gevochten werd. Bij die opgravingen zijn ook enkele
der graven ontbloot, die aan den heiligen weg van Eleusis hetzelfde
voorkomen moeten gegeven hebben als aan de Via Appia bij Rome. Men
vindt hier uitnemend fraaie beeldwerken en merkwaardige inscripties;
en hoewel wij met onzen tocht meer ten doel hebben, de levenden te
leeren kennen dan de gedenkteekenen der dooden na te sporen, laten
wij toch het rijtuig even stilhouden en stappen uit.
Zie hier de tombe van eene jonge syrische vrouw uit Baireuth, gehuwd
met een burger van Sunium; daar rust een wapenheraut, verraderlijk
omgebracht door de Megarenen, die zich hadden schuldig gemaakt aan het
omploegen en bezaaien van den heiligen akker van Eleusis. Daar zijn
de graven van krijgslieden, met eer op het slagveld bezweken. Ginds
rusten vrouwen met een onzijdigen naam, dat wil zeggen dezulken die,
uit hoofde van haar afkomst of haar bedrijf, onwaardig werden geacht,
ook taalkundig met de anderen op eene lijn te worden gesteld. De
eerlijke, fatsoenlijke buurvrouw heet, bij voorbeeld, Koralia: dan heet
deze eenvoudig Koralion. Boven sommige graven ziet men afbeeldingen van
dieren, eene meer of minder duidelijke zinspeling op den naam van den
overledene. Iemand, die bij voorbeeld Aper heette (een zeer gemeenzame
naam bij de ouden), kreeg op zijn graf de levensgroote afbeelding
van een wild zwijn, met borstelige haren en dreigende slagtanden.
De weg van Eleusis, dien wij nu volgen, is aan de eene zijde
begrensd door eene gasfabriek en aan de andere door pannenbakkerijen,
waar groote kerels met snorren bezig zijn met het vervaardigen van
reusachtige kruiken en watervaten van geelachtig roode klei. Van de
oude graftomben is geen spoor meer over. Ziehier, aan onze linkerhand,
den ingang van den Botanischen Tuin. Eene turksche fontein schuilt
in de schaduw eener groep van hooge virginische populieren met
hunne zilverachtige, gladde stammen. De fontein zwijgt; het steenen
bekken, waar het frissche heldere water met welluidend ruischen in
nederstroomde, is nu met stof en dorre bladeren gevuld. De Turken
wisten het genot te waardeeren eener springende fontein onder den
lommer van groote boomen; zij zijn het, die al de fonteinen, welke
wij langs onzen weg ontmoeten zullen, hebben gebouwd; de Grieken,
die aan andere dingen te denken hebben, laten deze weldadige bronnen
opdrogen en vervallen.
De Botanische Tuin, de eenige in het geheele land, verdient in geen
enkel opzicht zijn naam; hij dient letterlijk tot niets dan tot het
kweeken van enkele groenten door de bedienden. Gedurende de dertig
jaren van zijn bestaan, is er voor dien tuin ruim anderhalf millioen
zonder eenig nut weggeworpen. Korten tijd voor den val van koning Otto
had men het, onder de leiding van een bekwaam beijersch botanicus,
althans zoo ver gebracht, dat de zoogenoemde tuin ook eenigermate op
een tuin begon te gelijken. Plantsoenen van jong, met zorg gekozen
geboomte, vreemde gewassen, bloembedden, mochten als voorloopers
van een gelukkigen omkeer worden begroet; maar de omwenteling van
1861 verdreef den kundigen directeur en benoemde in zijne plaats
een dagbladschrijver, die zich hoegenaamd niet bekommerde om de aan
zijne zorgen toevertrouwde planten. In de verwaarloosde en verwoeste
perken ziet men nog slechts eenige ijzeren stangetjes, waaraan
latijnsche opschriften zijn bevestigd: de laatste overblijfselen
dezer wetenschappelijke inrichting.
Weldra brengt de weg ons in het beroemde olijvenbosch, door Sophokles
verheerlijkt, en dat nog altijd bestaat ondanks Sylla en de Turken. De
warme en krachtige toon van het groen der wijngaarden komt te sterker
uit tegen het dunne, grijsachtige gebladerte dezer olijfboomen, waarvan
enkelen een omtrek hebben van zes el, en meer dan waarschijnlijk een
paar duizend jaar oud zijn.
Mannen, wier roode fez levendig afsteekt bij al dit groen, in het wit
gekleede vrouwen, half naakte kinderen, zijn bezig met den wijnoogst;
langs de kanten der besproeiingskanalen draven kleine grijze ezels,
met groote manden vol reusachtige trossen zwarte druiven beladen. Die
besproeiingskanalen doorsnijden het bosch in alle richtingen, en
voeren het water van den Kephissus door de tweehonderd tuinen, die
onder den lommer dezer eeuwenheugende boomen een schuilplaats hebben
gezocht tegen het zonnebranden en tegen den noordenwind. De eigenaars
dezer tuinen, bijna allen Albaneezen, hebben een bestuur ingesteld,
dat voor de behoorlijke verdeeling van het bevloeiingswater moet
zorgen en uitspraak doen in de te dezer zake gerezen geschillen. Die
uitspraken worden altijd geëerbiedigd; er is geen voorbeeld van,
dat iemand zich van de altijd verstandige en verzoenende beslissing
van dit bestuur op de rechtbank heeft beroepen. Tweemaal per week
wordt iedere tuin regelmatig door het vruchtbaarmakend water bedekt,
dat door een lagen aarden dam verhinderd wordt, te spoedig weg te
vloeien. Deze smalle strook, langs de vlakte van Attika, levert dan
ook een in dit land zeer zeldzamen aanblik op, die te meer treft door
de tegenstelling met de omringende landstreek: frisch en welig groen,
een altijd vochtige grond, bloeiende boomen en malsche grasperken
verheugen en verkwikken het oog, vermoeid van het staren op de grijze
en naakte vlakte van Athene.
Op plaatsen waar het water der rivier niet komen kan, of ook wanneer,
na een heeten zomer en een regenloozen winter, de bronnen en sprengen
zijn uitgedroogd, behelpt men zich met norias, die het water opbrengen
van dertig voet beneden den beganen grond. Reeds van verre hoort ge
het eigenaardig geknars van die overoude werktuigen. Een mager, half
blind paard, voortgedreven door een knaap met groote geestige oogen,
brengt een eenvoudig raderwerk in beweging, waardoor kleine aarden
potten worden opgevoerd, die een deel van het water onderweg verliezen
en het overige uitstorten in een houten goot. Deze aartsvaderlijke
toestellen beantwoorden zeker zeer slecht aan den regel der mechanica,
dat de som van den arbeid evenredig moet zijn aan die der gebruikte
beweegkracht; maar erkend moet het worden, dat zij oneindig veel
schilderachtiger zijn dan de bewonderenswaardigste machine, afkomstig
van het beroemdste huis van Manchester. Al onze moderne werktuigen
zijn, zonder onderscheid, absoluut leelijk; maar van deze norias
kan dit in geenen deele gezegd worden. Onder die schoone olijven,
met hunne knoestige stammen, met hun schraal gebladerte, waardoor
de zon zoo geestig speelt, wat leveren ze een prachtige stoffage,
die norias! Laat in de nabijheid een palmboom zijn lange bladeren
wiegden; laat een paar cypressen hun sombere kruinen verheffen in
die heldere lucht, onder dien weergaloos blauwen hemel; geef aan den
knaap, die daar half in de schaduw tegen de witte pilaren van de noria
zit, met een lange zweep in de hand, geef hem het roode vest en den
korten blauwen broek der landlieden van Attika:--en ge zoudt meenen,
een dier wonderschoone schilderijen, waarop Decamps het Oosten zoo
dichterlijk trouw heeft afgemaald, voor u te zien.
Een steenen brug voert over een der takken van den Kephissus, waarvan
de stoffige, uitgedroogde bedding wel bewijst dat de oeverbewoners
geen enkelen droppel verloren laten gaan van het kostbare vocht,
door de natuur met zoo karige hand aan Attika toebedeeld. Hier placht,
bij haar terugkomst van Eleusis, de groote processie der Panatheneeën
stil te houden. Het volk wachtte, gemaskerd, den optocht bij de brug
af, en begroette de ingewijden met een stortvloed van scheldwoorden
en grove smaadredenen, zelfs de voornaamste en hoogst geplaatste
personen aanrandende met eene bandelooze vrijpostigheid, waarvan de
atheensche pers de traditie nog niet verloren heeft. De priesters
en de ingewijden bleven evenwel niet in gebreke te antwoorden, en
niet altijd behield de menigte, in dien zonderlingen tweestrijd,
het laatste woord. In later tijd plakte men aan de palen der brug
bijtende schotschriften, zoo als op het beeld van Pasquino te Rome.
Al te spoedig hebben wij het olijvenbosch, dat op het breedste punt
niet meer dan twee kilometers beslaat, achter ons. De weg rijst door
dorre heivelden, met wilde planten en kruiden begroeid, die de lucht
met haar geuren vervullen. Nergens een boom, nergens een droppel
water. Langs den weg verheffen zich enkele steenachtige heuvels,
waarvan een op zijn top een klein klooster draagt. Dit klooster met
zijn witgepleisterde muren heeft, zoo als doorgaans het geval is,
de plaats ingenomen van een ouden heidenschen tempel, aan de zon
gewijd. De zon heet in het grieksch helios, en langzamerhand is
dat woord verbasterd tot den naam van den heiligen Elias, die nu
te dezer plaatse vereerd wordt. Die zonderlinge vermenging tusschen
de oude goden en de nieuwe heiligen ontmoet ge overal in dit land,
waar de oude heidensche grondlaag nog altijd onder de dikwijls vrij
oppervlakkige christelijke bedekking is te vinden. De heiligen, die
men hier vereert, zijn fantastische wezens, gemetamorphoseerde goden,
die in de nieuwe grieksche godsdienst--een mengeling van bijgeloof
en rationalisme, die nog geheel het echt helleensche karakter
vertoont--zonder veel moeite eene plaats konden innemen.
Vijf of zes oude monniken slijten daar op dien heuvel hunne dagen in
volstrekte ledigheid en verstomping; zij hebben niets anders te doen,
dan elken avond den heuvel af te dalen, om beneden aan den weg een
kleine lantaarn aan te steken voor een zwart berookt heiligenbeeld
in eene gemetselde nis. Voorts moeten zij, tweemaal in het jaar, aan
de geloovigen der omliggende dorpen, tegen eene kleine vergoeding,
de gelegenheid geven om een leelijken byzantijnschen Sint-Elias,
olijfgroen op gouden grond, te kussen.
Een weinig verder bevinden wij ons op de plek, waar volgens de
overlevering de apostel Paulus stil stond, om nog eenmaal een blik
te slaan op de stad, die hem uitwierp ter wille zijner fouten tegen
de spraakkunst. Van Antiochië, dwars door Klein-Azië, gekomen om het
Evangelie te prediken, had hij inderdaad, van de klassieke hoogte
van den Areopagus, het woord tot de mannen van Athene gevoerd; maar
wat bekommerden die vrijdenkers en spotters zich om den "Onbekenden
God", zij, die reeds zoo vele goden hadden en die goden zoo bitter
weinig telden! Wat echter bovenal mishaagde aan dit volk, rijk bedeeld
met geest, maar inderdaad arm aan gemoed, was niet zoozeer de leer,
die de apostel verkondigde, maar de wijze waarop hij dat deed: zijne
nu eens verhevene, dan weder ruwe en onbevallige welsprekendheid,
die er meer op aangelegd was om in het geweten te grijpen, dan
de zinnen te streelen. Wat dezen dillettanten, aanbidders van den
vorm vóór alles, aanstoot gaf, dat waren de fouten van den zinbouw
en de onzuiverheid van den stijl. De rhetoren en pedagogen haalden,
met een verachtelijken glimlach, de schouders op en wendden zich af;
de spotzieke menigte floot hem uit; Paulus moest de stad verlaten,
en de Atheners bleven wat zij nog heden zijn: het meest praatzieke
en het minst godsdienstige volk der wereld.
Weldra daalt de weg in eene kleine vallei af, ingesloten door twee
steile rotswanden, met dennen begroeid, en bij een der krommingen
verliezen wij de vlakte van Athene uit het oog. Hier ligt, tusschen
de bergen verscholen, het kleine klooster van Daphné, dat door de
Benedictijner-monniken van Citeaux om eene oude byzantijnsche kerk
werd gebouwd, in de dagen toen een edelman uit Champagne, Otto de la
Roche, den titel voerde van hertog van Athene.
Even als alle middeleeuwsche kloosters, is ook dit versterkt: een
zware, gekanteelde muur van acht tot tien ellen hoog, omgeeft de
gebouwen, binnenhoven en tuinen; van afstand tot afstand springen
torens een weinig vooruit, terwijl aan de binnenzijde een op bogen
rustende weg gelegenheid gaf de wallen rond te gaan. Het binnenhof is
aan drie zijden door gebouwen omringd; op de eerste verdieping bevinden
zich de cellen, die op eene houten galerij uitkomen; beneden, onder
zware booggangen, zijn de keukens, de voorraadkamers, de eetzalen en
andere vertrekken tot allerlei dienst bestemd. De meesten liggen in
puin; de anderen worden bewoond door eenige landlieden en schapen. De
kerk is eene van de oudste en merkwaardigste van het byzantijnsche
tijdvak, en is waarschijnlijk, naar de bouworde te oordeelen, uit de
zesde of zevende eeuw afkomstig. Nevens de kerk verrijst een vierkante
toren, door de Benedictijnen gebouwd, zoowel om daarin de klokken op
te hangen, als om tot wachttoren en uitkijk te dienen.
Het inwendige der kerk vertoont een zeer opmerkelijk specimen van
de mozaïeken, waarmede de byzantijnsche kerken uit dien tijd werden
versierd, en die hoogst zeldzaam zijn, dewijl de Grieken hoegenaamd
geen zorg hebben gedragen voor het behoud van dezulken onder deze
kunstwerken, die aan de ruwe beeldstormerswoede der Turken waren
ontsnapt. Ook hebben deze mozaïeken zeer veel geleden; de vochtigheid
doet geheele stukken van de kalk van het gewelf afvallen, die op den
steenen vloer in stukken springen; de turksche kogels hebben menig
beeld geschonden, toen het klooster, tot militairen post ingericht, in
al de wisselingen van den onafhankelijkheidsoorlog deelde; eindelijk
hebben de vuren der herders, en na de herstelling der orthodoxe
eeredienst, de waskaarsen der papas de gewelven met een vuile rooklaag
bedekt en op vele plaatsen de kleur bijna onkenbaar gemaakt. Boven in
den koepel prijkt nog, geheel ongeschonden, een reusachtige Christuskop
op gouden grond. Beneden aan den koepel ziet men de twaalf apostelen,
met bijbelsche bijschriften; daaronder, tusschen de vensteropeningen,
de profeten; op de bogen der vier pilaren, die den koepel dragen,
de Aankondiging, de Geboorte, de Doop en de Verheerlijking.
Er is genoeg gezegd over de stijfheid en onnauwkeurigheid der
byzantijnsche mozaïeken; maar wanneer de stralen der avondzon haar
slechts met een geheimzinnigen schemerglans verlichten, waarin
de onvolkomenheden der techniek bijkans verdwijnen, dan maken
die groote hiëratische figuren op gouden grond, die scheppingen
eener aan strenge regelen gebonden kunst, toch een indruk van
onweerstaanbare, vorstelijke majesteit; dan kunt ge begrijpen, hoezeer
de aanschouwing van die bovenaardsche beelden de schare treffen moest,
wier godsdienstig gevoel niet bedorven werd door meer of minder
wijsneuzige esthetische kritiek.
De kloosters, gedurende de bezetting van Griekenland door de Franschen
gesticht, hebben ongelukkig geen kronieken nagelaten, en ook de
geschiedschrijvers maken zeer weinig melding van hunne lotgevallen. En
toch zou men zoo gaarne, in hun nieuw vaderland, die monniken volgen,
die hunne fraaie abdij van Bourgondië verlaten hadden, om in het
verre vreemde land de afgedwaalde scheurmakers te onderwijzen, en
wat het zwaard der kruisridders begonnen had, door hunne prediking te
voltooien. Maar vele van die ridders hadden het witte kruis verruild
voor eene kroon, en eene voorzichtige staatkunde gebood hun, jegens
hunne nieuwe onderdanen eene gematigheid en verdraagzaamheid in acht
te nemen, die soms kwalijk strookte met den vurigen bekeeringsijver
der Benedictijnen.
Innocentius III, de groote paus, die de omverwerping van het oostersche
rijk door de kruisvaarders niet had goedgekeurd, hield niet op,
de veroveraars en de hen vergezellende monniken en geestelijken te
vermanen tot zachtmoedigheid, geduld en matiging: de eenige middelen
waardoor men mocht hopen, de overwonnen volken weder in den schoot
der katholieke Kerk terug te voeren. Er zijn van hem verschillende
bewonderenswaardige brieven aan de abten van het vorstendom Morea
en het hertogdom Athene, waaruit blijkt dat zelfs de invloed en het
gezag van den paus niet altijd voldoende waren om den overdreven
godsdienstijver van de latijnsche geestelijkheid te temperen. Ook de
Benedictijnen van Daphné stonden niet altijd op den besten voet met
hun hertog; en meer dan eenmaal moest de tusschenkomst van den paus
worden ingeroepen, om de geschillen bij te leggen en de verhouding
te regelen tusschen de burgerlijke overheid en de geestelijke orden,
die op bijna volstrekte onafhankelijkheid aanspraak maakten.
Deze worsteling, die toch slechts een klein onderdeel vormt van de
geschiedenis der middeleeuwen, geeft ons op nieuw de gelegenheid
om den adel van ziel en de grootsche verhevenheid van bedoelingen
en inzichten te bewonderen van de acht of tien groote pausen,
die destijds het lot van Europa, van de Christenheid, waarvan zij
het erkende en geëerbiedigde hoofd waren, in handen hadden en die
daarop den heilzaamsten invloed uitoefenden, al ware het slechts
daardoor dat zij bij de verschillende volken het innig bewustzijn
hunner éénheid, als leden van de groote christelijke familie, als
zonen derzelfde heilige Moederkerk, levendig hielden en alzoo een
krachtigen dam opwierpen tegon de eenzijdige ontwikkeling van dat
nationaal egoïsme, dat zich heden ten dage in al zijne driestheid,
in al de onbeschaamdheid zijner toomelooze aanmatiging vertoont en
door sommigen als het hoogste, het eenige beginsel van volkenrecht
gehuldigd wordt.
De abdij van Daphné was het Saint-Dénis der fransche hertogen van
Athene; in een kleinen kelder, onder den voorhof der kerk, heeft
men verscheidene hunner graftomben teruggevonden: zware steenen
lijkkisten, zonder versierselen of opschriften. Op een dezer kisten is
in relief het wapen gebeeldhouwd van Guy II de la Roche, den derden
hertog van Athene. Deze Guy gedroeg zich, naar de getuigenis der
kronieken, "zooals het een goeden en vromen heere past"; hij werd
door zijne onderdanen bemind en won zich een grooten naam in alle
koninkrijken. Zoo hervinden wij hier, in deze verwijderde streken,
de herinnering aan de schoone, schitterende rol, die de roemruchtige
fransche adel eeuwen lang, in en buiten zijn vaderland, in dienst
der edelste en schoonste idealen, gespeeld heeft.