Zondag, den 5den, vertrokken wij kwart voor vier uur in den morgen,
en bereikten te half negen een put. Dikwijls zijn wij genoodzaakt
geweest uit te rusten, want wij moesten dwars over een rij zandheuvels
heentrekken. Deze put geeft ons geene toereikende hoeveelheid water;
den ganschen nacht werkten wij door om meer water uit den bodem te
doen wellen; drie uren arbeidens kost het, een emmer vol te krijgen:
eindelijk gelukt het ons aan elk onzer dieren een emmer water te geven.
Lewis en Charley gaan voort met den omtrek te onderzoeken; op
het oogenblik dat ik vreesde naar ons laatste kampement te moeten
terugkeeren, komen zij met goed nieuws terug. Zij hebben een put
gevonden, die aan twee of drie onzer kameelen het leven redt.
Den 8sten vertrekken wij te zes uur met ons goed, om ons nieuw
kampement te bereiken. Ten einde de kameelen te sparen, ging ik
te voet. Wij bleven daar verscheidene dagen, om onzen uitgeputten
kameelen rust te gunnen en hunne krachten te laten hernieuwen, want
ons aller leven hangt er van af of zij al of niet door de woestenij
kunnen heentrekken.
Op den 15den kunnen wij van den put in het kamp nog slechts water
krijgen voor ons persoonlijk gebruik: wij zijn dus verplicht de
kameelen te doen teruggaan tot de vorige halt. Ik laat het spoor
volgen der inlanders, maar zij zijn naar het zuidoosten getrokken,
en in die richting kunnen wij niet gaan; wij moeten altijd zooveel
mogelijk onze reis in westelijke richting voortzetten. De streek die
wij doortrekken is dorder en droger dan die wij het laatst hebben
doorkruist. Onze pogingen om een nieuwen put te vinden mislukken, en
den 19den moeten wij denzelfden weg terug. Wij kunnen ons voor ons maal
niet meer gunnen dan een lepel meel, aangelengd met water, daarbij een
weinig in de zon gedroogd kameelenvleesch, en geroosterde acaciazaden.
Den 20sten hebben wij een duif geschoten. Des avonds maakten wij
een kameel af, die aan den rug gewond was; binnen twee dagen zou hij
niet meer kunnen loopen, en wij zouden hem dan moeten achterlaten,
ten prooi aan de vliegen, die onmiddellijk, in ongeloofelijk groote
menigte en met duizelingwekkende snelheid komen aangonzen.
Op den 22sten zend ik Lewis en Charley naar het zuiden om water op te
sporen. Den 26sten kwamen zij terug: zij hebben op eenigen afstand
ten zuiden tamelijk goede putten gevonden. Zoodra onze kameelen wat
uitgerust zijn, zullen wij ons daarheen begeven. Maar op den 29sten
treft ons een nieuwe ramp: een onzer grootste kameelen wordt ziek;
als wij dien verliezen, hebben wij er nog maar vijf over, en van die
vijf zijn er twee uiterst zwak, en wel zoo, dat wij geen staat op
hun behoud kunnen maken.
4 November.--Wij staan aan den ingang van de woestijn, die ons
scheidt van de Oakover-rivier. Moge God ons kracht schenken, die
door te komen! Richard is zwaar ziek, en ik ben er even slecht aan
toe. De zandheuvels zijn voor ons meer afmattend dan anders, en wij
kunnen lang niet zoo spoedig voort als wij dachten.
Op de zandheuvels volgen vlakten, begroeid met spinifex; maar daar,
welk eene ontdekking! zagen wij twee of drie waterspranken, die, voor
zoo ver wij er in de duisternis over konden oordeelen, van het zuiden
naar het noorden loopen. De zon zal spoedig opgaan. Gedurende den nacht
kunnen wij slechts een dertigtal mijlen afleggen, en er ligt nog een
schier onafzienbare ruimte tusschen de rivier en de plek waar wij ons
bevinden. Wij hebben geen meel, geen thee, geen suiker en geen zout
meer, en kunnen ons vleesch dus niet meer inzouten. Wij leven alleen
nog maar van in de zon gedroogde reepen vleesch, die reuk noch smaak
hebben en even weinig voedsel bevatten, als een stuk droge boomschors.
17 November.--Lewis is de rivier gaan opsporen; hij zal zeker vijf
dagen uitblijven, en bij zijne terugkomst moeten wij den kameelen
een paar dagen rust gunnen. De duur van onzen tocht wordt op deze
wijze onophoudelijk verlengd, en van oogenblik tot oogenblik dreigt
de gevreesde hongerdood werkelijkheid te zullen worden.
Ons voedsel is even afschuwelijk als karig. De wijfjeskameel, die
wij geslacht hebben, was zeer oud en geheel uitgedroogd en taai,
zoodat haar vleesch nagenoeg geen voedende bestanddeelen bevat. Maar
water hebben wij nu in overvloed, en dat is een onschatbare zegen,
die al onze andere ontberingen betrekkelijk gering doet schijnen.
Op den 21sten tegen vijf uur in den namiddag kwam Lewis terug: het is
hem gelukt de bronnen van de Oakover-rivier te bereiken; zij liggen
toch verder verwijderd dan ik dacht, maar waarschijnlijk is er, als
men nog meer in westelijke richting voorttrekt, een nader weg. Daar
wij nu allen bij elkander zijn, moeten wij wederom een kameel afmaken,
die ons met het hart en de lever een prachtig maal opleverde, en wiens
vleesch wij op den volgenden dag toebereidden; de onverdragelijke
warmte neemt sedert eenige dagen af, en wij kunnen dus eenigszins
tot verademing komen.
Op den 1sten December vertrokken wij te tien uur des avonds; drie
onzer waren genoodzaakt te voet te gaan; vandaar dat wij niet dan
langzaam konden voorttrekken te midden der afmattende vlakten en
zandheuvels. En als wij ophouden om te kampeeren en uitterusten, komen
onze oude vijanden, de mieren, die ons beletten te slapen.--Op den
4den werd ik zoo hevig ziek, dat ik niet meer rechtop kon zitten op
mijn kameel en men mij in liggende houding achterover op het lastdier
moest vastbinden. Men kan zich denken, hoe ik geslingerd en geschokt
werd, wanneer het dier de rotsige en steile hellingen der zandheuvels
beklom; eindelijk te kwart over twee uur, des nachts, werd ik van die
plaag verlost: de zandheuvels lagen achter ons, en wij bereikten eene
reeks van rotsen.
Op den 11den bereikten wij eindelijk de Oakover, eene breede en
indrukwekkend schoone rivier. Met welk een gevoel van dankbaarheid
zochten wij een schuilplaats voor de hitte der zon onder de schaduw
der boomen, die aan den oever stonden geplant! Wat schijnen zij ons
grootsch toe, die boomen, na zoovele maanden doorgebracht te midden
der huiveringwekkende zandheuvels, waar wij schier door de zonnehitte
verbrand zijn.
Op den 13den vertrokken Lewis en een Afghaan met de twee beste
kameelen, op mijn bevel, ten einde de woning van den heer Harper en
C^o. op te zoeken. Schoon ik niet weet op welken afstand die woning
zich bevindt, en ik ten eenenmale onkundig ben of mijn vriend nog
leeft, grijp ik toch gretig deze eene kans op redding aan, die ons
nog rest. Wij zelven, die moeten achterblijven, legeren ons aan de
oevers der rivier.
Op den 29sten December was Lewis nog niet terug; indien het blokhuis
waarop al mijne berekeningen gegrond waren, verlaten is, en Lewis
naar Roeburne heeft moeten gaan, dan zal hij op zijn minst drie weken
uitblijven:--en tenzij God ons bijsta, kunnen wij het zoolang niet
meer uithouden. Toch heb ik er niet verkeerd aan gedaan, Lewis naar die
plaats te zenden: want moge ook al mijn plan mislukken, dan is althans
zijn leven gered, en dat der twee hem vergezellende tochtgenooten....
Weinige oogenblikken nadat kolonel Warburton zijn dagboek tot
hiertoe gebracht had, kwam Lewis werkelijk terug met een overvloed
van levensmiddelen en zes paarden. Hij had de plaats zijner bestemming
bereikt, en dadelijk had men zich beijverd alles te zijner beschikking
te stellen wat den beklagenswaardigen reizigers ten goede zou kunnen
komen.
Op den 3den Januari, verliet kolonel Warburton zijn kamp, en kwam
op den 11den bij de heeren Grant, Harper en Anderson aan. Zijne
ontdekkingsreis was geëindigd. Uit het hart van Australië uitgegaan,
was het hem gelukt, de westkust van het vaste land, dwars door de
woestijn heen, te bereiken: hij had den voet gezet in streken, waar
vóór hem nog geen Europeaan was doorgedrongen.
Dank zij de goede zorgen, die men aan de reizigers besteede, konden
zij den 21sten naar Roeburne vertrekken, eene kleine stad aan de
kust der Indische zee, waar zij met groote hartelijkheid werden
ontvangen. Trouwens gansch Australië stelde er prijs op, zijn dank
te kunnen betuigen aan den onverschrokken reiziger, die weldra ook
in Engeland zijne ontberingen en doorgestane gevaren zag beloonen op
eene wijze zoo schoon als hij maar had kunnen verlangen: de Royal
Society of Geography keurde kolonel Warburton in 1874 haar gouden
eerepenning waardig.
Reis door Griekenland.
(Vervolg van bladz. 232).