De veertiende was een Zondag; maar daar wij geen water hadden, waren
wij tegen onze gewoonte verplicht, onze reis voort te zetten. Wij
trachtten, toen wij de zandheuvels overtrokken, de steilste en
lastigste hellingen te vermijden, daar zij zoo vermoeiend waren voor de
kameelen. Al die zandheuvels verschilden zeer in hoogte en onderlingen
afstand: de meesten waren tachtig voet hoog en tweehonderd-vijftig
à driehonderd el van elkander verwijderd.
Evenwijdig de zandheuvels volgende, was de tocht door de kleine,
tusschenliggende dalen zoo vermoeiend niet; maar was men daarentegen
verplicht de heuvels over te trekken, dan hadden de kameelen het
zwaar te verantwoorden: hunne pooten zakten diep in het mulle zand,
en de pijn, die zij daarbij moesten doorstaan, was werkelijk eene
marteling voor de arme dieren.
Moge dit binnenland van Australië ook al, evenals de Sahara, ten
eenenmale gebrek hebben aan water, het heeft ten minste dit boven
de afrikaansche zandvlakte voor, dat het in den regel eene groote
verscheidenheid van struikgewassen, boomen en bloemen aanbiedt. Deze
gewassen strekken den kameelen tot voedsel, en geven aan de landstreek
een ietwat minder doodsch aanzien. Voor de menschen eetbare vruchten
groeien er aan geen dezer struiken; en de boomen zijn wel geen
bewijzen van de nabijheid van water, maar zij maken toch den grond,
waar zij groeien, minder kaal en minder dor.
Op den 15den waren wij genoodzaakt stil te houden: onze grootste
mannelijke kameel had voor hem vergiftige kruiden genuttigd en was zeer
ziek. De waarde, die dit beest voor ons had, was onberekenbaar, niet
alleen omdat hij zoo buitengemeen sterk was, maar ook omdat wij zonder
zijne hulp niet in staat zouden zijn de andere jongere mannelijke
kameelen in bedwang te houden, die van nu af aan konden wegloopen,
en daardoor onze geheele kudde konden meesleepen. Tengevolge eener
dergelijke gebeurtenis, hadden wij op den 20sten Juni reeds drie
vrouwelijke kameelen verloren. Zoolang de grootste kameel de kudde
onder zijn bedwang houdt, zijn de jongere mannetjes tamelijk rustig;
maar zoodra hij door ziekte of eenig ander toeval wordt getroffen,
geraakt dadelijk alles in wanorde, en tracht ieder mannetje zich
te doen gehoorzamen. Als men hen niet nauwlettend bewaakt, nemen
zij zoo veel vrouwtjes als zij kunnen op sleeptouw en loopen weg:
de reizigers moeten dan onvermijdelijk ellendig omkomen. Door een
wonderbaar instinct hadden onze jonge kameelen reeds bemerkt, dat
hun leider ziek was, voor dat zelfs de kameeldrijvers het nog wisten,
en zij gaven onmiddellijk teekenen van verzet. Dientengevolge werden
alle noodige voorzorgen genomen om hun het wegloopen te beletten,
hetgeen ook gelukte.
Den anderen morgen waren wij genoodzaakt onzen zieke achter te laten,
die niet meer overeind kon staan. Wij plaatsten hem zoo dat hij het
water zou kunnen gaan drinken, als hij aan den dood ontkwam. De warmte
neemt hevig toe: de thermometer teekent 40° Celsius in de schaduw,
en wij bevinden ons op 122° O.L.
Op den 18den zagen wij ons wederom genoodzaakt twee kameelen,
waarop wij reden, achter te laten. Zij konden zich niet meer
bewegen. Aanvankelijk dachten wij dat zij vergiftigd waren; maar
vervolgens zagen wij dat zij eene nieraandoening hadden, tengevolge
van den nachtwind. De kameel van mijn zoon Richard was aangetast
door dezelfde kwaal; wij lieten hem niet zijn eigen dood sterven,
maar doodden hem vooraf, opdat wij zijn vleesch zouden kunnen eten.
Op den 19den zouten wij het vleesch van onzen kameel zoo goed mogelijk
in. Het is een armzalige kost: het beest was oud en versleten. Toch
zou dit voedsel ons groote diensten bewijzen. Want in den uitgeputten
toestand waarin wij ons weldra bevonden, was dit ellendig voedsel in
staat ons leven gedurende verscheidene weken te verlengen, en daaraan
zijn wij het verschuldigd dat wij niet zijn omgekomen.
20 September.--Heden is het een jaar geleden, dat wij de zuidkust
hebben verlaten; wij hebben nog slechts twee kameelen geschikt om
op te rijden; wij moeten onze tenten en het grootste gedeelte van de
ons toebehoorende voorwerpen in de steek laten; wij behouden slechts
de geweren, proviand, en niet meer kleederen dan de welvoegelijkheid
eischt.
Charley berichtte ons ten een uur na den middag, dat hij een put
had gevonden, waarvan de inboorlingen zich bedienden. Zonder deze
ontdekking, zouden wij genoodzaakt zijn geweest, tachtig mijlen terug
te trekken en vervolgens onze tegenwoordige verblijfplaats weder op te
zoeken, waardoor onze kameelen een buitengewonen marsch van meer dan
honderdvijftig mijlen zouden hebben moeten afleggen. Overigens bevinden
wij ons zeer wel; alleen de honger kwelt ons vreeselijk. Te half zes
bereikten wij den put, die zeer waterrijk was en ons gelegenheid gaf
al onze kameelen te drenken.
Den 26sten rukten wij vijftien mijlen vooruit. Richard is ziek,
en wij sukkelen allen min of meer aan onze ingewanden. De mieren
kwellen ons buitengewoon. Den 27sten legden wij nog vijfentwintig
mijlen af, zonder water to vinden, zoodat wij ons niet verder van
den eersten put durfden verwijderen, zonder verzekerd te zijn dat
wij een tweeden vinden zullen. Ook verloren wij nog een kameel, die
ziek was en sedert een dag of veertien niets meer kon dragen. Van de
zeventien kameelen, die wij bij ons vertrek bezaten, is dit reeds de
achtste die ons ontvalt.
28 September.--Niet alleen dat wij door vliegen en mieren
gekweld worden, maar ook door bijen, die wel niet steken maar
een alleronaangenaamsten geur van zich geven en altijd om onzen
neus heen gonzen. Onze ontdekkers komen terug, zonder water te
hebben gevonden. Wij zullen alzoo denzelfden weg weer terug moeten
gaan. In tien dagen hebben wij slechts een gering aantal mijlen
afgelegd. Voorraad hebben wij nog slechts in kleinen getale, en de
hongerdood staat voor de deur.
Den 29sten bereiken wij ons laatste kamp. Wij zien de sporen van twee
inboorlingen, en zenden den 30sten vroeg in den morgen Lewis en Charley
om hen op te sporen; hen vinden zij wel niet, maar wat oneindig meer
waard was: een put, op een afstand van acht mijlen ten N.W. Wij gaan
er onmiddellijk heen: het is de beste, dien wij in zes maanden tijd
hebben aangetroffen. Eigenlijk is het meer eene uitholling in de rots
dan een put, ofschoon er toch ongetwijfeld een bron moet zijn, die
hem voedt. Bij het vinden van water verlevendigt zich onze hoop. Wat
ons nu nog maar het meeste hindert is, dat wij geen kameelen genoeg
meer hebben om onze verkenningstochten ver uit te strekken; en aan
den anderen kant kunnen wij overdag niet reizen, van wege de hitte,
die de kameelen van vermoeienis doet neerzijgen. Zelfs de nachten zijn
stikkend heet; de mieren, die zelven nimmer slapen, gunnen ook ons
geen rust. Ten einde het ongeriefelijke van eenen nachtelijken tocht
eenigszins te verminderen, leggen wij tegenwoordig eenige mijlen des
avonds af; dan houden wij halt en vertrekken weder met het krieken
van den dag, om voort te gaan tot dat de hitte ondragelijk wordt
voor de kameelen; op deze wijze kunnen wij, al voorttrekkende, water
trachten te ontdekken. Dat is eigenlijk de spil waar alles om draait:
want als wij des nachts voorttrekken, zonder er zeker van te zijn dat
wij in de richting naar een put gaan, moeten wij onvermijdelijk weer
achteruit, en alzoo onze kameelen nutteloos vermoeien.
De toestand waarin wij ons bevinden, is werkelijk onrustbarend van
wege het afnemen der levensmiddelen. Thans staan wij voor dit dilemma:
als wij snel voorttrekken, hebben wij alle kans onze kameelen te
verliezen en van dorst te sterven; en als wij langzaam voorttrekken,
is onze eenige verwachting, met Gods hulp ons leven nog wat te rekken
door het eten van in de zon gedroogd kameelenvleesch. Indien God ons
nog eens vergunt water te vinden, en wij niet genoodzaakt zijn weer
terug te trekken, wil ik een laatste poging wagen, ten einde de Oakover
te bereiken, een zijtak van de Grey-rivier. Zoo niet allen, zullen
toch eenigen onzer er komen. De streek, waarin wij ons nu bevinden,
is niet slechter dan die, welke wij reeds hebben doorgetrokken;
maar het toenemen van ons lijden is alleen toe te schrijven aan het
verlies onzer kameelen.