III.

De veertiende was een Zondag; maar daar wij geen water hadden, waren

wij tegen onze gewoonte verplicht, onze reis voort te zetten. Wij

trachtten, toen wij de zandheuvels overtrokken, de steilste en

lastigste hellingen te vermijden, daar zij zoo vermoeiend waren voor de

kameelen. Al die zandheuvels verschilden zeer in hoogte en onderlingen

afstand: de meesten waren tachtig voet hoog en tweehonderd-vijftig

à driehonderd el van elkander verwijderd.

Evenwijdig de zandheuvels volgende, was de tocht door de kleine,

tusschenliggende dalen zoo vermoeiend niet; maar was men daarentegen

verplicht de heuvels over te trekken, dan hadden de kameelen het

zwaar te verantwoorden: hunne pooten zakten diep in het mulle zand,

en de pijn, die zij daarbij moesten doorstaan, was werkelijk eene

marteling voor de arme dieren.

Moge dit binnenland van Australië ook al, evenals de Sahara, ten

eenenmale gebrek hebben aan water, het heeft ten minste dit boven

de afrikaansche zandvlakte voor, dat het in den regel eene groote

verscheidenheid van struikgewassen, boomen en bloemen aanbiedt. Deze

gewassen strekken den kameelen tot voedsel, en geven aan de landstreek

een ietwat minder doodsch aanzien. Voor de menschen eetbare vruchten

groeien er aan geen dezer struiken; en de boomen zijn wel geen

bewijzen van de nabijheid van water, maar zij maken toch den grond,

waar zij groeien, minder kaal en minder dor.

Op den 15den waren wij genoodzaakt stil te houden: onze grootste

mannelijke kameel had voor hem vergiftige kruiden genuttigd en was zeer

ziek. De waarde, die dit beest voor ons had, was onberekenbaar, niet

alleen omdat hij zoo buitengemeen sterk was, maar ook omdat wij zonder

zijne hulp niet in staat zouden zijn de andere jongere mannelijke

kameelen in bedwang te houden, die van nu af aan konden wegloopen,

en daardoor onze geheele kudde konden meesleepen. Tengevolge eener

dergelijke gebeurtenis, hadden wij op den 20sten Juni reeds drie

vrouwelijke kameelen verloren. Zoolang de grootste kameel de kudde

onder zijn bedwang houdt, zijn de jongere mannetjes tamelijk rustig;

maar zoodra hij door ziekte of eenig ander toeval wordt getroffen,

geraakt dadelijk alles in wanorde, en tracht ieder mannetje zich

te doen gehoorzamen. Als men hen niet nauwlettend bewaakt, nemen

zij zoo veel vrouwtjes als zij kunnen op sleeptouw en loopen weg:

de reizigers moeten dan onvermijdelijk ellendig omkomen. Door een

wonderbaar instinct hadden onze jonge kameelen reeds bemerkt, dat

hun leider ziek was, voor dat zelfs de kameeldrijvers het nog wisten,

en zij gaven onmiddellijk teekenen van verzet. Dientengevolge werden

alle noodige voorzorgen genomen om hun het wegloopen te beletten,

hetgeen ook gelukte.

Den anderen morgen waren wij genoodzaakt onzen zieke achter te laten,

die niet meer overeind kon staan. Wij plaatsten hem zoo dat hij het

water zou kunnen gaan drinken, als hij aan den dood ontkwam. De warmte

neemt hevig toe: de thermometer teekent 40° Celsius in de schaduw,

en wij bevinden ons op 122° O.L.

Op den 18den zagen wij ons wederom genoodzaakt twee kameelen,

waarop wij reden, achter te laten. Zij konden zich niet meer

bewegen. Aanvankelijk dachten wij dat zij vergiftigd waren; maar

vervolgens zagen wij dat zij eene nieraandoening hadden, tengevolge

van den nachtwind. De kameel van mijn zoon Richard was aangetast

door dezelfde kwaal; wij lieten hem niet zijn eigen dood sterven,

maar doodden hem vooraf, opdat wij zijn vleesch zouden kunnen eten.

Op den 19den zouten wij het vleesch van onzen kameel zoo goed mogelijk

in. Het is een armzalige kost: het beest was oud en versleten. Toch

zou dit voedsel ons groote diensten bewijzen. Want in den uitgeputten

toestand waarin wij ons weldra bevonden, was dit ellendig voedsel in

staat ons leven gedurende verscheidene weken te verlengen, en daaraan

zijn wij het verschuldigd dat wij niet zijn omgekomen.

20 September.--Heden is het een jaar geleden, dat wij de zuidkust

hebben verlaten; wij hebben nog slechts twee kameelen geschikt om

op te rijden; wij moeten onze tenten en het grootste gedeelte van de

ons toebehoorende voorwerpen in de steek laten; wij behouden slechts

de geweren, proviand, en niet meer kleederen dan de welvoegelijkheid

eischt.

Charley berichtte ons ten een uur na den middag, dat hij een put

had gevonden, waarvan de inboorlingen zich bedienden. Zonder deze

ontdekking, zouden wij genoodzaakt zijn geweest, tachtig mijlen terug

te trekken en vervolgens onze tegenwoordige verblijfplaats weder op te

zoeken, waardoor onze kameelen een buitengewonen marsch van meer dan

honderdvijftig mijlen zouden hebben moeten afleggen. Overigens bevinden

wij ons zeer wel; alleen de honger kwelt ons vreeselijk. Te half zes

bereikten wij den put, die zeer waterrijk was en ons gelegenheid gaf

al onze kameelen te drenken.

Den 26sten rukten wij vijftien mijlen vooruit. Richard is ziek,

en wij sukkelen allen min of meer aan onze ingewanden. De mieren

kwellen ons buitengewoon. Den 27sten legden wij nog vijfentwintig

mijlen af, zonder water to vinden, zoodat wij ons niet verder van

den eersten put durfden verwijderen, zonder verzekerd te zijn dat

wij een tweeden vinden zullen. Ook verloren wij nog een kameel, die

ziek was en sedert een dag of veertien niets meer kon dragen. Van de

zeventien kameelen, die wij bij ons vertrek bezaten, is dit reeds de

achtste die ons ontvalt.

28 September.--Niet alleen dat wij door vliegen en mieren

gekweld worden, maar ook door bijen, die wel niet steken maar

een alleronaangenaamsten geur van zich geven en altijd om onzen

neus heen gonzen. Onze ontdekkers komen terug, zonder water te

hebben gevonden. Wij zullen alzoo denzelfden weg weer terug moeten

gaan. In tien dagen hebben wij slechts een gering aantal mijlen

afgelegd. Voorraad hebben wij nog slechts in kleinen getale, en de

hongerdood staat voor de deur.

Den 29sten bereiken wij ons laatste kamp. Wij zien de sporen van twee

inboorlingen, en zenden den 30sten vroeg in den morgen Lewis en Charley

om hen op te sporen; hen vinden zij wel niet, maar wat oneindig meer

waard was: een put, op een afstand van acht mijlen ten N.W. Wij gaan

er onmiddellijk heen: het is de beste, dien wij in zes maanden tijd

hebben aangetroffen. Eigenlijk is het meer eene uitholling in de rots

dan een put, ofschoon er toch ongetwijfeld een bron moet zijn, die

hem voedt. Bij het vinden van water verlevendigt zich onze hoop. Wat

ons nu nog maar het meeste hindert is, dat wij geen kameelen genoeg

meer hebben om onze verkenningstochten ver uit te strekken; en aan

den anderen kant kunnen wij overdag niet reizen, van wege de hitte,

die de kameelen van vermoeienis doet neerzijgen. Zelfs de nachten zijn

stikkend heet; de mieren, die zelven nimmer slapen, gunnen ook ons

geen rust. Ten einde het ongeriefelijke van eenen nachtelijken tocht

eenigszins te verminderen, leggen wij tegenwoordig eenige mijlen des

avonds af; dan houden wij halt en vertrekken weder met het krieken

van den dag, om voort te gaan tot dat de hitte ondragelijk wordt

voor de kameelen; op deze wijze kunnen wij, al voorttrekkende, water

trachten te ontdekken. Dat is eigenlijk de spil waar alles om draait:

want als wij des nachts voorttrekken, zonder er zeker van te zijn dat

wij in de richting naar een put gaan, moeten wij onvermijdelijk weer

achteruit, en alzoo onze kameelen nutteloos vermoeien.

De toestand waarin wij ons bevinden, is werkelijk onrustbarend van

wege het afnemen der levensmiddelen. Thans staan wij voor dit dilemma:

als wij snel voorttrekken, hebben wij alle kans onze kameelen te

verliezen en van dorst te sterven; en als wij langzaam voorttrekken,

is onze eenige verwachting, met Gods hulp ons leven nog wat te rekken

door het eten van in de zon gedroogd kameelenvleesch. Indien God ons

nog eens vergunt water te vinden, en wij niet genoodzaakt zijn weer

terug te trekken, wil ik een laatste poging wagen, ten einde de Oakover

te bereiken, een zijtak van de Grey-rivier. Zoo niet allen, zullen

toch eenigen onzer er komen. De streek, waarin wij ons nu bevinden,

is niet slechter dan die, welke wij reeds hebben doorgetrokken;

maar het toenemen van ons lijden is alleen toe te schrijven aan het

verlies onzer kameelen.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 80 / 92 题