XXIX.

Vooruitgang der blanken.--De tegenwoordige toestand.

Tegenover het gansch niet hersenschimmige gevaar eener groote

volksverhuizing uit China, waardoor de europeesche beschaving misschien

zou kunnen ondergaan en door de aziatische barbaarschheid verdrongen

worden, mogen de blanken in Amerika, tot welke partij of richting zij

ook behooren, zich wel ernstig rekenschap geven van den tegenwoordigen

toestand met zijne eischen en behoeften, zijne beloften en gevaren.

De vooruitgang der blanken in Amerika was tot dusver zoo snel

en zoo onophoudelijk, dat zorgeloosheid omtrent de toekomst niet

onverklaarbaar is: bij een terugblik op hetgeen bereids is verricht,

kunnen de Amerikanen lichtelijk zich inbeelden dat het werk is

volbracht, dat het voortdurend bezit van het land voor hen verzekerd

is. Toen Hancock en zijne vrienden de onafhankelijkheidsverklaring

onderteekenden, waren dertien koloniën door haar afgevaardigden op het

Congres te Philadelphia vertegenwoordigd; dertien koloniën, die te

zamen eene oppervlakte besloegen van nog geen vijfhonderd-duizend

vierkante mijlen en eene bevolking telden van omstreeks

twee-en-een-half millioen, waaronder bijkans vijfhonderd-duizend

negerslaven. Na verloop van een eeuw zijn die dertien koloniën

aangegroeid tot negen-en-dertig staten en acht territoriën, eene

oppervlakte beslaande van meer dan drie millioen vierkante mijlen,

en eene bevolking tellende van ruim veertig millioen vrijen, de geheel

onafhankelijke, zwervende indiaansche stammen niet medegerekend.

Aanvankelijk niet meer dan een strook kustland, zag de jonge republiek

haar gebied beperkt tusschen de zee en de naburige bergketen. Van de

Penobscot-rivier in Maine tot de Attamaha in Georgië, strekte het

bewoonbare land zich zelden verder dan honderd mijlen binnenwaarts

uit. Hier en daar reikte eene of andere vruchtbare vallei tot twee-

of driehonderd mijlen, maar in den regel begonnen de hellingen

van het Alleghany-gebergte reeds op een afstand van circa honderd

mijlen van de kust. Slechts op een enkel punt was deze natuurlijke

slagboom doorgebroken: eene opening in de Blue-Ridge, waardoor zich

eenige ondernemende planters hadden gewaagd in de vlakte, nu door

westelijk Virginia en Kentucky ingenomen; en deze eenzame zwervers

hingen af van de genade der roodhuiden, die van tijd tot tijd de

hoeven verbrandden, de mannen scalpeerden en de vrouwen naar hun

kamp wegvoerden. Pittsburg, een dorp negen jaar oud, stond midden

in de woestijn. Iemand, die in een kano de Ohio durfde afzakken,

werd als een stoutmoedig ontdekker geëerd. Waar nu Wheeling en

Cincinnati staan, met haar scholen en kerken, haar spoorwegen en

fabrieken, zag toen de stoutmoedige pionier den rook opstijgen der

indiaansche wachtvuren, en hoorde hij uit de verte het krijgsgeschrei

der indiaansche kampen. Roodhuiden togen ter bisonjacht in de vlakten

van Indiana, dreven in kano's de Ohio af, en wierpen hunne netten

uit in de nevenstroomen van de Big-Drink.

Ten zuiden had de jonge republiek aan hare grenzen een wantrouwenden

en scherpzienden vijand, tegenover wien hare verhouding zoo veel

te moeilijker was, omdat hij vroeger haar vriend en bondgenoot was

geweest. Frankrijk had nog steeds de monden van den Mississippi in

bezit, en hield dien grooten handelsweg praktisch voor de Amerikanen

gesloten. In een land zonder kanalen en nauwelijks met bruikbare wegen,

was het vrije gebruik van de groote rivier eene eerste voorwaarde

voor kolonisatie in de vallei van den Mississippi; en het was

onmogelijk, van de fransche gouverneurs te Nieuw-Orleans die vrijheid

te verkrijgen. Zoo scheen de jeugdige republiek, door de natuur en door

de omstandigheden, voor altijd beperkt tot haar oorspronkelijk gebied:

de kusten en de valleien, die zich van Maine tot Georgië uitstrekken.

Toen de onafhankelijkheidsoorlog ten einde was gebracht, zagen vele

ernstige en vaderlandslievende mannen de toekomst donker in. De edele

gevoelens en hartstochten, door den oorlog opgewekt, waren uitgebluscht

en geweken--en niets bleef over dan de ruïnen en het verderf, van

iederen burgeroorlog onafscheidelijk. Het land was een wildernis

geworden. Boerderijen, door de eigenaars verlaten, waren aan verval en

verwoesting prijs gegeven. Steden waren geplunderd en verbrand geworden

door de strijdende legers; bruggen waren vernield, molens verbrand,

plantages verwoest. De bevolking der staten was armer dan de bevolking

der vroegere koloniën; ieder stak in schulden, en bovendien was er, met

en door den oorlog, een onrustige, avontuurlijke geest in de vroegere

kolonisten gevaren, die hen met hun lot ontevreden en van de werken

des vredes afkeerig maakte. Meer nog: dronkenschap, vloeken en zweren,

vroeger bijna onbekend, waren schrikbarend toegenomen; het onderwijs,

weleer het voornaamste voorwerp van de zorg der overheid in iedere

stad, was verwaarloosd en in verval geraakt; leeraars en onderwijzers,

in de republiek geene gelegenheid meer vindende om hunne talenten te

besteden, vertrokken naar Europa. Lichtzinnigheid en onzedelijkheid

was mode geworden, en de aanzienlijke dames van Boston en Richmond

rekenden het zich tot een eer, Voltaire na te praten.

Zelfs Washington's vaste geest werd in hem ontrust. "De geest der

vrijheid," zeide hij zeven jaren na de onafhankelijkheidsverklaring,"

is sinds lang geweken, en zelfzucht heeft zijne plaats ingenomen." Maar

tevens wijdde Washington zich met onverzwakte kracht en volhardenden

ernst aan de taak, om de wonden te genezen, en de jammeren, door den

oorlog veroorzaakt, te doen verdwijnen. En met welken uitslag!

Frankrijk liet zich afkoopen: de monden van den Mississippi kwamen in

handen van Amerika. Spanje werd uit Florida verdrongen, en Mexiko uit

Californië, Arizona en Texas verjaagd. Bijna geheel de gematigde en een

deel van de tropische streek van Noord-Amerika werd gaandeweg ingelijfd

bij de republiek. Bijkans dertig staten en territoriën zijn haar in het

verloop van een eeuw toegevoegd. In die staten en territoriën wonen

veertig millioen vrije burgers, zijn drie-en-zestigduizend kerken,

honderd-veertigduizend scholen met tweehonderd-zeventigduizend

onderwijzers en ruim zeven millioen leerlingen. Landstreek bij

landstreek, ieder zoo groot als menig koninkrijk, is op de woestijn

veroverd en in cultuur gebracht; steden bij honderden zijn verrezen en

in weinige jaren tot metropolen aangegroeid; spoorwegen doorsnijden in

alle richtingen het onmetelijk gebied en verbinden de beide oceanen;

handel en nijverheid hebben zich op reusachtige schaal ontwikkeld, en

op het gebied van technische wetenschappen neemt Amerika eene eerste

plaats onder de moderne volken in. Zoo staat de jonge republiek daar,

een voorwerp van bewondering en naijver voor velen, in de volle

grootheid van macht, rijkdom, vrijheid, en met eene toekomst voor

zich, die nieuwe wonderen in haar schoot te bergen schijnt.... Toch

heeft ook deze medaille eene keerzijde!

De onderlinge strijd der rassen, dien wij hebben geteekend, is niet

de eenige plaag, waarmede Amerika te worstelen heeft: daar zijn nog

andere euvelen te bestrijden, zoowel van moreelen als van physieken

aard, om niet te spreken van geduchte politieke en sociale krisissen,

die misschien niet verre zijn.

Onder de oorzaken, die de normale ontwikkeling der blanke bevolking

in Amerika belemmeren, bekleedt de ongelijke verhouding tusschen beide

geslachten--een gevolg van den toevloed van mannelijke landverhuizers

en kolonisten--eene eerste plaats.

Dit euvel is de bron van zeer vele anderen, en tevens van den

allernoodlottigsten invloed niet alleen op het onderling verkeer

tusschen de beide geslachten, maar ook op het karakter en de positie

der vrouwen zelven. In dit opzicht staat Amerika achter bij elk ander

beschaafd land.

In 1871 bedroeg de bevolking van Groot-Brittannië, in ronde cijfers,

een-en-dertig millioen zeshonderd-zeventienduizend zielen. Daaronder

waren vijftien millioen-driehonderd-zestigduizend mannen, en

zestien-millioen tweehonderd-zeven-en-vijftigduizend vrouwen: overwicht

der vrouwelijke bevolking, achthonderd-zeven-en-negentigduizend.

In 1870 telden de Vereenigde-Staten ook, in ronde getallen, eene blanke

bevolking van drie-en-dertig millioen vijfhonderd-negentigduizend

zielen. Daarvan behoorden zeventien millioen negen-en-twintigduizend

tot het mannelijk, en zestien millioen vijfhonderd-zestigduizend

tot het vrouwelijk geslacht. Overwicht der mannelijke bevolking,

vierhonderd-negen-en-zestigduizend zielen.

Deze wanverhouding, reeds op zich zelve zoo bedenkelijk, wordt nog

erger door de zeer ongelijke verdeeling der vrouwelijke bevolking

in de verschillende deelen des lands. Terwijl de republiek over

het geheel arm aan vrouwen is, is bijna de helft der staten daarvan

rijk voorzien, sommige staten zelfs al te rijk. In zeventien staten

en in het district Columbia zijn er meer vrouwen dan mannen. In

enkele van die staten is het verschil onbeteekenend, maar in andere

daarentegen zeer aanzienlijk, grooter dan in eenig land van Europa. In

Engeland bedraagt het verschil tusschen mannen en vrouwen gemiddeld

acht-en-twintig per duizend--een gevolg van de sterke landverhuizing--;

in Pruisen niet meer dan dertien. In Massachusetts bedraagt dit

cijfer reeds vier-en-dertig, en in Noord-Carolina en Rhode-Island

is de verhouding nog ongunstiger. Daarentegen heeft in al de andere

staten en territoriën de mannelijke bevolking de meerderheid. Ook hier

is het verschil soms onbeteekenend: in Vermont, Delaware en Kentucky

niet meer dan zeven per duizend. In Californië, Kansas en Minnesota is

het verschil zeer belangrijk; in Arizona, Wyoming, Idaho en Montana

is het buitensporig groot:--drie, en zelfs vier tegen één. Is het

noodig in beschouwingen te treden omtrent den maatschappelijken en

zedelijken toestand van landstreken, waar slechts ééne blanke vrouw

wordt gevonden tegen vier blanke mannen?

In onmiddellijk verband hiermede staat een ander feit. Drie jaar

geleden maakte het bureau voor onderwijs eene statistiek openbaar,

waaruit ontegenzeggelijk bleek, dat het getal der geboorten in Amerika

van jaar tot jaar verminderde, en dat niet slechts in enkele staten,

maar in alle staten. De afneming is blijvend en algemeen: dezelfde in

Arkansas en Alabama, als in Massachusetts en Connecticut, in Michigan

en Indiana als in Pennsylvanië en New-York, Het getal der geboorten

is aanzienlijker onder de landverhuizers dan onder de ingeborenen;

en toch, ondanks deze omstandigheid, is het gemiddeld cijfer over het

geheele land lager dan in eenig land van Europa. Is het wel zoo vreemd,

dat sommige bekwame statistici en physiologen tot de, waarschijnlijk

wel wat voorbarige, slotsom zijn gekomen, dat het blanke ras op den

duur op amerikaanschen bodem niet leven kan?

Een ander euvel, waarmede de amerikaansche maatschappij te worstelen

heeft, en dat ontzaggelijke verwoestingen aanricht, is de verregaande

onmatigheid, de dronkenschap. Deze schier onbedwingbare trek naar

sterken drank is eene erfenis van de germaansche, engelsche en

duitsche, voorvaders van het tegenwoordige amerikaansche volk; hier

echter wordt die behoefte nog meer geprikkeld door den invloed van

een klimaat, dat zoowel in warmte als in koude telkens tot uitersten

overslaat. Evenals de Engelschen, hebben ook de Amerikanen allerlei

middelen aangegrepen om dit steeds heftiger voortwoekerend kwaad te

stuiten. Zij zijn daarin zelfs verder gegaan dan in Engeland. In

sommige staten werd de verkoop van bedwelmende dranken geheel

verboden; in andere werd die handel aan beperkingen onderworpen,

welhaast met een verbod gelijkstaande. In onderscheidene staten

is de drankverkooper verantwoordelijk gesteld voor de vergrijpen of

misdaden, door de beschonkenen begaan; en in vele andere is doorgaande

dronkenschap een grond voor echtscheiding. En toch--in Amerika zoowel

als in Engeland, is de uitkomst van dergelijke maatregelen voor 't

minst twijfelachtig. Over het geheel genomen, wordt er in Amerika

tegenwoordig meer sterke drank gebruikt dan ooit te voren. Zelfs

in die staten, die tot dusver geacht konden worden het minst aan

dit euvel te lijden, nemen de veroordeelingen wegens dronkenschap

voortdurend toe. In spijt van zijn uiterst strenge wetten, worden

er in Maine, in het vorige jaar (1875), meer personen ter zake van

dronkenschap veroordeeld, dan in eenig vroeger jaar sedert de invoering

der verbodsbepalingen. Massachusetts, na gedurende meer dan twintig

jaar de proef te hebben genomen met het verbod van drankverkoop,

hoeft onlangs die wet ingetrokken, en laat nu den verkoop van sterken

drank toe, behoudens vergunning der overheid. Wetten, reglementen

en politiemaatregelen zijn onmachtig gebleken om het kwaad te

keeren; maar evenmin is dit tot dusver gelukt aan de ijverige en

welmeenende pogingen van particulieren, afschaffingsgenootschappen,

vereenigingen, meetings, predikers, zendelingen. Zelfs de, in sommige

opzichten misschien bespottelijke, maar in ieder geval goed gemeende,

kruistocht door de vrouwen in Ohio, onder aanvoering van Moeder Carey,

tegen den drank ondernomen, heeft, voor zoover men oordeelen kan,

niet bijzonder veel vrucht gedragen. Het kwaad is zoo ingeworteld,

en zoo velerlei oorzaken werken, juist in onzen tijd, mede om het te

bevorderen, dat de vraag, hoe die verderfelijke en steeds grooter

verwoestingen aanrichtende kanker kan worden genezen of althans

beteugeld, inderdaad eene der ernstigste is, die de staatsman en

ieder vriend des volks zich ter beantwoording kan voorleggen.

Weinig minder ernstig is het gevaar, dat de republiek dreigt door

de schromelijke onwetendheid harer burgers. In Europa wordt zoo

dikwijls en met zoo grooten ophef over de amerikaansche scholen

en het amerikaansche onderwijs gesproken, dat vele mijner lezers

misschien zeer verwonderd zullen zijn, als ik hun zeg, vooreerst,

dat er geen amerikaansch stelsel van onderwijs bestaat; ten andere,

dat het schoolbezoek nergens in vollen ernst verplicht is, zoo

als in Zwitserland; en ten derde, dat het onderwijs noch algemeen,

noch voldoende is. De republiek als zoodanig bemoeit zich niet met de

opvoeding harer burgers: zij heeft slechts twee speciale inrichtingen

van onderwijs: de militaire akademie te West-Point in New-York, en de

marineschool te Annapolis in Maryland. De zorg voor het gewone, lager,

middelbaar en hooger onderwijs wordt door de republiek overgelaten

aan de bijzondere staten, en door de staten aan de verschillende

graafschappen (provinciën), en over het algemeen door de graafschappen

weder aan de verschillende gemeenten (townships). Ligt er eene stad

binnen de grenzen eener gemeente, dan moeten de burgers dier stad

doorgaans zelven voor het onderwijs hunner kinderen zorgen. Daar is

dus niet alleen geen algemeen stelsel van onderwijs in Amerika, maar

men zou bijna kunnen zeggen, dat er zoo vele verschillende stelsels

als gemeenten zijn.

Slechts in vijf staten van de negen-en-dertig bestaat er eene

wet, die het bezoeken der school voorschrijft. Die vijf staten

zijn New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Michigan en

New-York; maar zelfs in die staten wordt de wet nergens met kracht

gehandhaafd, en de uitkomsten der statistiek zijn dan ook alles

behalve gunstig. In New-Hampshire kunnen zevenduizend personen

niet lezen, en bijna tienduizend niet schrijven. In Connecticut

kunnen twintigduizend personen niet lezen, en dertigduizend niet

schrijven. In Michigan kunnen vier-en-dertigduizend personen niet

lezen, en drie-en-vijftigduizend niet schrijven. In New-York

zijn er honderd-drie-en-zestigduizend personen, die niet

lezen, en bijna tweehonderd-veertigduizend, die niet schrijven

kunnen. Volgens de statistiek, door het bureau van onderwijs te

Washington uitgegeven, waren er in 1870 in geheel Amerika ruim vier

millioen-vijfhonderd-duizend personen, die niet lezen, en meer dan

vijf millioen-zeshonderd-duizend, die niet schrijven konden!

En men meene niet, dat deze ongeletterde lieden geheel of voor het

meerendeel vreemde landverhuizers zijn: iersche arbeiders, duitsche

landbouwers, Chineezen, Afrikanen enz. Volstrekt niet. Vooreerst

kunnen de duitsche en chineesche landverhuizers, in den regel,

wel lezen en schrijven;--ik heb nog nimmer een Chinees ontmoet,

die niet kon lezen, en maar zeer weinigen, die niet konden

schrijven--natuurlijk in hun eigen taal. Maar volgens de statistiek

zijn van die vijf millioen zeshonderdduizend, die niet lezen en

schrijven kunnen, slechts zevenhonderd-vijftigduizend personen

niet in Amerika geboren. Natuurlijk worden bij deze opgaven de

negers medegerekend; maar de negers zijn nu ook amerikaansche

burgers, met politieke rechten. Hun aantal in deze statistiek

bedraagt twee millioen zevenhonderd-vijftigduizend. Dan komen

nog eenige getallen in aanmerking voor roodhuiden en Chineezen;

maar na aftrek van negers, roodhuiden en gelen, blijven er dan

toch nog twee millioen achthonderdduizend zuivere blanken over,

die noch lezen, noch schrijven kunnen, en daarvan zijn ruim twee

millioen echte geboren Amerikanen! Als men nu daarbij overweegt,

hoe bitter weinig de bloote kennis van lezen en schrijven voor de

intellectueele ontwikkeling bewijst, dan zal men den grooten roep

over het amerikaansche volksonderwijs zoo wat op zijne wezenlijke

waarde kunnen schatten.--Echter moet worden erkend, dat sedert deze

verbazingwekkende feiten aan het licht kwamen, van verschillende

zijden, met ernst en kracht, de hand aan het werk is geslagen, om in

dezen jammerlijken toestand--mede voor een groot deel het gevolg van

den burgeroorlog--verbetering te brengen. Daar zullen echter vele, vele

jaren moeten verloopen, en daar zal nog zeer, zeer veel gedaan moeten

worden, eer de model-republiek, ook wat het volksonderwijs aangaat,

zich op gelijke lijn kan stellen met de meeste staten in Europa.

Laat ons, ten slotte, met een enkelen blik, den huldigen toestand

overzien.

De natuurlijke hoofdvoorwaarden voor nationale ontwikkeling zijn

overal: grond en bevolking. Ook Amerika dankt aan den overvloed van

beiden in de eerste plaats zijn voorbeeldeloos snellen wasdom. Tot

nu toe heeft de stroom van immigranten niet stil gestaan, en voor

allen was er grond en woning in voorraad. Zal dit zoo blijven?

Sedert het einde van den onafhankelijkheidsoorlog heeft Europa meer dan

negen millioen menschen aan Amerika geleverd. Blijkens de volkstelling

van 1870 waren vijf-en-een-half millioen inwoners op vreemden grond

geboren; terwijl van bijna elf millioen hetzij de vader, hetzij de

moeder vreemdeling van geboorte was. Van de zeven Amerikanen was er

dus één van geboorte vreemdeling; en bijna één van de drie was althans

deels van vreemde afkomst. Geen ander land telt zoo vele vreemden in

zijn gebied.

Van de ongeveer tien millioen menschen, die uit verschillende

wereldstreken naar Amerika zijn verhuisd, zijn bijna zes millioen

van de Britsche eilanden en van Britsch Amerika afkomstig; en ruim

twee-en-een-half millioen van Duitschland, met inbegrip van Pruisen

en Oostenrijk, doch zonder Polen en Hongarije. Van de niet-europeesche

staten heeft China het grootste getal geleverd; dan volgen West-Indië

en Mexiko. Maar de bijdragen van landverhuizers uit Azië, Afrika,

Australië en Amerika (met uitzondering van Engelschen) beloopen nog

niet één per dozijn. De republiek is dus hoofdzakelijk bevolkt door

personen, uit Engeland en Duitschland afkomstig.

Zal nu deze toevloed van engelsche en duitsche kolonisten ook in het

vervolg, op dezelfde groote schaal, blijven voortduren? Niemand die

het gelooft. Daar zijn vele teekenen, meer of minder duidelijk en

openbaar, die recht geven tot de uitspraak, dat deze landverhuizing

haar toppunt reeds heeft bereikt en verder voortdurend af zal nemen.

Gedurende veertig jaren (1820-'60) klom het cijfer der emigranten

uit engelsche havens met ieder tiental jaren. In het eerste tiental

bedroeg dit cijfer honderd-twee-en-vijftig-duizend; in het tweede

tiental steeg het tot omstreeks zeshonderd-duizend; in het derde tot

een millioen-zevenhonderdduizend; in het vierde tot twee-en-een-half

millioen. Dan volgt een stilstand. Gedurende twee jaar daalde het

cijfer, niet alleen in evenredigheid tot de vroegere vermeerdering,

maar ook wat het werkelijk aantal personen betrof. Toen de oorlog

uitbrak, en zoo lang die duurde, werden een aantal Ieren, door

het vooruitzicht van hooge soldij en goed voedsel, verlokt om

naar Amerika te gaan. Maar zelfs toen werden de vroegere cijfers

van emigranten nooit meer bereikt. De bronnen, waaruit de stroom

ontsprong, begonnen op te drogen. Door de engelsche regeering werd

en wordt nog niets gedaan, om de verhuizing des volks naar Amerika

tegen te gaan: het recht om zijn eigen woonplaats te kiezen, wordt

als een onschendbaar recht des menschen beschouwd. Integendeel zijn,

zoowel door de regeering als door particulieren, allerlei maatregelen

genomen om de landverhuizing te bevorderen en gemakkelijk te maken. En

toch, ondanks dat alles, neemt de beweging af; ja, is er zelfs reeds

eene beweging in tegenovergestelde richting begonnen. Scharen van

landverhuizers keeren naar Europa terug, en nog grootere scharen zouden

dit doen, indien hunne middelen het hun veroorloofden. Van Portland

tot Nieuw-Orleans worden onze consuls onophoudelijk lastig gevallen

met aanvragen om vrijen overtocht, dien zij niet bezorgen kunnen. De

verhouding tusschen de aankomende en de terugkeerende landverhuizers

is niet na te gaan, want van de vertrekkenden wordt geen aanteekening

gehouden. Maar de persoonlijke ervaring leert mij, dat menschen van

allerlei beroep, zoowel stedelingen als landbouwers, hun best doen

om terug te keeren. Onze regeering doet niets om deze beweging in

de hand te werken: een landverhuizer als zoodanig kan op geenerlei

ondersteuning rekenen: niettemin spannen duizenden en tienduizenden al

hunne krachten in om naar Liverpool en Cork terug te keeren. Tien jaar

geleden, vondt ge in Munster of Essex geen enkelen boer of arbeider,

die in Amerika was geweest: Amerika was voor allen het beloofde land,

en niemand dacht er aan, daaruit terug te komen. Tegenwoordig is dat

anders. In bijna ieder dorp nabij Cork vindt ge boeren, die te Chicago

of Saint-Louis zijn geweest. In den omtrek van Ongar en Brentwood is

het geen zeldzaamheid arbeiders aan te treffen, die met u over Kansas

spreken kunnen. Zij hebben het beloofde land aanschouwd, en zijn toch

tot hunne oude woningen teruggekeerd.

Uit Duitschland schijnt voortaan geen rijker toevoer van landverhuizers

te wachten dan uit Groot-Brittannië; laat mij liever zeggen nog

minder, want prins Von Bismarck heeft zijne aandacht gewijd aan deze

beweging en tracht de oorzaken der voor het vaderland zoo schadelijke

landverhuizing weg te nemen.

Even als Engeland, leverde ook Duitschland in ééne dekade het grootste

aantal landverhuizers, waarna de beweging afnam. In de eerste tien

jaren van hetzelfde tijdvak (1820-'60) vertrokken uit Duitschland,

met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, nog geen achtduizend zielen;

in het tweede tiental klom dit cijfer tot honderdvijftigduizend;

in het derde, tot vierhonderd-dertigduizend; en in het vierde tot

negenhonderd-vijftigduizend. Toen kwam ook hier de stilstand. Gedurende

de drie volgende jaren daalde het cijfer. Tijdens den burgeroorlog

wies ook weer tijdelijk de stroom der duitsche landverhuizing, maar

ook hier werden, ondanks de verlokkingen van hooge soldij en goed

voedsel, de cijfers van 1853 en 1854 nooit meer bereikt. De bronnen

schenen op te drogen. Sedert is in Duitschland eene geheele omkeering

tot stand gekomen. De pruisische regeering, thans de leidende macht in

Duitschland, is niet gezind de landverhuizing ongestoord haar gang te

laten gaan; reeds zijn er te velen vertrokken. Wel zal de regeering

de landverhuizing niet rechtstreeks verbieden, maar ongetwijfeld zal

zij die trachten te beperken en te voorkomen, door zooveel mogelijk de

oorzaken weg te nemen, die de lieden bewegen elders hun levensonderhoud

te gaan zoeken. Het laat zich dus niet aanzien, dat in het vervolg

vele millioenen Duitschers naar Amerika zullen verhuizen.

Dit voor zoo veel het volk betreft. En nu het land. Mogen wij de

opgaven en de verslagen van generaal Hazen gelooven, dan is de voorraad

van land evenmin onuitputtelijk als de toevoer van kolonisten. Vele

illusiën daaromtrent zijn bij nauwkeuriger onderzoek geweken. Toen

Louisiana van Frankrijk werd aangekocht, achtte men dit grondgebied

schier grenzenloos; niemand wist hoe ver het zich naar het westen

uitstrekte, ter nauwernood waar de noordelijke grens te vinden

was. Toch is nu reeds iedere bunder van dat grondgebied bezet,

en voor zoover de arme en moerassige bodem toelaat, ook in cultuur

gebracht. Hetzelfde was het geval toen Illinois, Jowa, Nebraska,

Kansas ingelijfd werden. Die streken, meende men, boden overvloedig

ruimte aan voor een onnoemelijk getal menschen, elk minstens voor

dertig millioen, met eene boerderij voor ieder gezin. In deze vier

staten is ook al het land reeds ingenomen: althans al het land, dat de

moeite der inbezitneming loont. Het grootste gedeelte van Kansas en

Nebraska, en wijde, onafzienbare streken in Dakota en Colorado, zijn

voor nederzetting en kolonisatie geheel ongeschikt. Idaho, Montana,

Wijoming en Utah zijn bergplateaux, voor het grootste gedeelte hoog

en dor, over het geheel genomen slechts geschikt voor veeteelt op zeer

groote schaal, zoo als alleen voor kapitalisten mogelijk is. Langs den

oever van den Stillen-oceaan, van Washington tot Opper-Californië,

is geen "wild land" meer over, en nog maar een klein deel werkelijk

bruikbaar domaniaal land. Volgens Hazen geldt ditzelfde ook van Texas,

Nieuw-Mexiko en Arizona. In de nabijheid van den Mississippi is de

grond vochtig genoeg: maar naarmate men den Stillen-oceaan nadert,

wordt de bodem hooger en dorder. Water en hout worden zeldzaam;

de winter is hier zeer streng. Hier en daar vindt men wel eene

vruchtbare vallei en enkele liefelijke oasen in de woestijn, zoo

als Sint-George aan de Rio Virgen, maar over het geheel genomen is

het land uitgedroogd, naakt en dor. In Utah en Colorado is de natuur

minder ongunstig: maar de oppervlakte van het voor bebouwing geschikte

terrein is ook daar zeer gering; verder noordwaarts is de grond arm,

de hoeveelheid regen van weinig beteekenis, de plantengroei schraal

en de koude zeer streng.

De slotsom van generaal Hazen is, dat er binnen de grenzen der

republiek nog maar zeer weinig land over is van zoodanige kwaliteit,

dat degelijke kolonisten daardoor tot verhuizing zouden worden

uitgelokt.

Zijn deze opgaven juist--en zeer bevoegde personen verzekeren mij dat

ze juist zijn--dan is het einde van den buitengewonen, exceptioneelen

toestand, waarin Amerika tot dusver verkeerd heeft, nabij. Voor het

vervolg zal de republiek dan op eigen krachten moeten steunen en

zich zelve helpen, en kan zij voortaan van Europa geene andere of

meerdere hulp verwachten dan bij voorbeeld Engeland van Duitschland,

of Italië van Frankrijk verwacht.

Met haar schier voorbeeldeloos verleden mag Amerika voorzeker op eene

schoone toekomst hopen. Maar er zijn dreigende teekenen, die niet

over het hoofd mogen worden gezien. De strijd is nog niet volstreden;

het groote werk nog niet voltooid. Zal het blanke ras in Amerika

zijne meerderheid tegenover vreemde elementen handhaven, dan zullen

alle blanken zich aaneen moeten sluiten en, met terzijdestelling van

dwaze theorieën en zelfzuchtige berekeningen, den werkelijken toestand

ernstig onder de oogen zien en zich doordringen van het besef hunner

onderlinge solidariteit. Zal de republiek inderdaad met vrucht arbeiden

aan het groote werk der algemeene ontwikkeling en beschaving, dan moet

zij, in stede van voortdurend te roemen op de verkregen resultaten,

in de eerste plaats haar aandacht schenken aan de gevaarlijke wormen,

knagende aan de wortelen van dien wonderboom. Dan moeten binnenlandsche

twisten en partijschappen worden ter zijde gesteld; dan moet bovenal

de grenzenlooze zelfzucht, het allesoverheerschende materialisme,

de weergalooze corruptie, met alle kracht worden bestreden, en met

ernst en toewijding de hand geslagen aan de groote taak, ook voor dit

volk weggelegd, en die alleen door eendrachtige samenwerking van alle

werkelijk beschavende en veredelende krachten kan worden vervuld.

Schipbreuk van de Cospatrick.

De Cospatrick, een schip van veertig ton, bemand met veertig man,

gezagvoerder kapitein Elmslie, zou vierhonderd landverhuizers,

voornamelijk werklieden en boerenarbeiders met hunne gezinnen, van

Engeland naar Nieuw-Zeeland overbrengen. Den 12den September 1874

vertrok het schip uit de haven van Deal. Aanvankelijk was de reis in

alle opzichten voorspoedig, tot in den nacht van den 17den November,

toen een geweldige brand uitbarstte, die weldra zoozeer in hevigheid

toenam, dat er, ondanks de ijverige pogingen en krachtsinspanning

der bemanning, geen hoop op redding meer overbleef. Het schip bevond

zich toen op zeven-en-dertig graden zuiderbreedte, en twaalf graden

oosterlengte, op ongeveer tweehonderd mijlen van kaap de Goede-Hoop.

Naarmate de Cospatrick meer en meer door het vuur overweldigd werd,

vertoonde zich op het dek een schouwspel, waarvan de verschrikkingen

alle beschrijving te boven gaan. Door radeloozen angst en wilde

vertwijfeling gedreven, drongen en joegen de passagiers, mannen,

vrouwen en kinderen, in toomelooze wanorde, onder luid gegil en

hartverscheurend geschreeuw, naar de booten. Om aan het vuur te

ontkomen, sprongen zij in zee, en verdwenen in de golven, zonder

dat het mogelijk was, hun hulp te verleenen. Slechts aan twee booten

gelukte het, de open zee te bereiken. Al de andere sloepen waren of

verbrand, of gezonken onder het wicht der overtalrijke passagiers,

die daar een toevlucht hadden gezocht.

Twee dagen duurde de bange doodstrijd van het schip: eerst op den

19den November ging het te gronde. De kapitein Elmslie, zijne vrouw,

hun jonge zoon en de scheepsdokter Cadle, bleven tot op het laatste

oogenblik aan boord, op het brandende dek. Toen het vuur eindelijk

hunne laatste wijkplaats had bereikt, sprongen zij over boord,

en verdronken onder de oogen der passagiers, die zich in de booten

hadden geborgen, en die zich nog niet hadden verwijderd, maar toch

niet bij machte waren, de ongelukkigen te redden.

De beide booten bleven gedurende den 20sten en 21sten November bij

elkander; toen werden zij door eene hevige windvlaag gescheiden. Van

de eene boot, waarin zich de eerste officier, zes matrozen en

vijf-en-twintig passagiers bevonden, heeft men nooit meer iets

vernomen. De andere sloep, waarover de tweede officier, de luitenant

Macdonald, het bevel voerde, en waarin zich vijf-en-twintig personen

bevonden, had noch masten, noch zeilen. Met behulp van de japon van een

der vrouwelijke passagiers, werd een soort van zeil vervaardigd. Maar

het ontbrak aan water en aan levensmiddelen; en den 22sten begonnen

honger en dorst zich ernstig te doen gevoelen. Een matroos, die

het roer hield, viel in zee en verdronk. Den 25sten was het getal

der schipbreukelingen tot acht geslonken, waarvan drie hun verstand

hadden verloren. Deze overblijvenden hadden hun leven gerekt door

het bloed der lijken te drinken.

Den 26sten vóór zonsopgang, voer een schip dicht langs de

sloep. De schipbreukelingen riepen en maakten teekenen, maar werden

waarschijnlijk niet opgemerkt: althans er volgde geen antwoord. Den

27sten stak de wind op en begon het te regenen: maar de ongelukkigen

konden slechts enkele droppels opvangen. Op nieuw bezweken drie mannen;

van de vijf die overbleven, waren er twee krankzinnig. Allen waren in

bijna gevoellooze verdooving verzonken. Eindelijk, in den morgen van

den tienden dag, werd luitenant Macdonald uit zijn bewusteloosheid

gewekt, omdat een zijner metgezellen, in een aanval van waanzin, hem

in den voet beet. Op het eigen oogenblik ontdekte hij een groot schip,

dat de sloep naderde. Het was de British-Sceptre, die van Calcutta

naar Dundee ging. De schipbreukelingen werden aan boord opgenomen en

met de grootste zorgvuldigheid verpleegd. Maar de twee ongelukkigen,

die krankzinnig waren geworden, stierven in waanzin; de drie anderen

werden den 8sten December te Sint-Helena aan wal gezet en met de

paketboot Nyanza naar Engeland teruggevoerd.

Reis door Australië.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 77 / 92 题