De chineesche wijk.--Chineesche vrouwen.
Een zevende deel van de bevolking, een zeventigste deel van de
oppervlakte, van San-Francisco is aziatisch. De Oosterlingen hebben
minder behoefte aan ruimte dan de Europeanen. In vele steden kan
men dicht opeengepakte menschenmassaas vinden: Russen en Tartaren
te Nishni-Novgorod, Kopten en Armeniërs in Jeruzalem, Arabieren en
Mooren in Kaïro; maar noch in Rusland, noch in Syrië, noch in Egypte,
zal men zulk eene menschenmenigte vinden, als hier in de aziatische
wijk van San-Francisco opeengepakt is.
De uitdrukking aziatische wijk zou iemand in de meening kunnen brengen,
dat hier sprake was van een afzonderlijk deel der stad, door muren van
het overige gedeelte gescheiden, zooals, bij voorbeeld, de chineesche
stad in Moskou; maar de aziatische wijk te San-Francisco is eene aan
alle zijden toegankelijke buurt, eene open kolonie, gelijk May-Fair
in Londen. De Chineezen hebben zich in het hart zelf van San-Francisco
nedergezet.
Het theehuis van Lock-Sin, in de Jacksonstraat, mag als het middenpunt
van dit nieuwe aziatische rijk in Amerika worden beschouwd; want in
de Jacksonstraat, geschaard rondom Lock-Sin's veranda, vindt men de
chineesche banken en magazijnen, de chineesche kramen en markten, de
chineesche schouwburgen en speelhuizen; terwijl ter wederzijde van die
straat de blinde stegen en namelooze poorten en gangen liggen, waarin
de chineesche schurken en dieven huizen, met hun onvermijdelijken
nasleep van slavinnen.
Hier schitteren in den vollen glans van een aantal papieren lantaarns,
de twee groote theehuizen van Lock-Sin en Hing-Ki, waar ge thee
kunt gaan drinken en inmiddels kijken naar de vertooningen der
danseressen. Hier, rijkelijk versierd met roode en zwarte vlaggen, en
weergalmende van den klank van gongs en cymbalen, prijkt Yu-He-Un-Choy,
de koninklijke schouwburg, waar reeds drie weken lang een groot
historisch tooneelstuk, een kroniek van de Ming-dynastie, vertoond
wordt, dat waarschijnlijk nog negen weken duren zal. Tegenover ons,
bijna even bont rood en geel geverfd, bijna even vervuld van het geluid
van tam-tams en bekkens, verrijst Sing-Ping-Yuen, de nieuwe schouwburg,
waarin stukken van minder gehalte worden opgevoerd, die niet langer
dan dertig of veertig avonden duren. Hier in den omtrek vindt ge ook de
gemeene kroegen, kelders en speelholen, waar gele dieven en booswichten
zich met hunne afzichtelijke vrouwelijke kameraden, overgeven aan het
verboden genot van het hazardspel om geld. Nabij die kelders bevinden
zich de opiumkitten, waarheen de spelers zich in hunne koortsige
opwinding begeven, om het nog gevaarlijker en vreeselijker genot te
smaken van zich naar ziel en lichaam te verderven ter wille van den
damp van papaversap. Daar om den hoek staat ook de groote pagode, een
ruim vertrek, met gordijnen en draperiën behangen, stralende van rood
en goud, waarin een afgodsbeeld troont: niet een mongoolsche afgod,
met een plat en glad geschoren gelaat, schuine oogen en opgetrokken
tartaarsche wenkbrauwen, maar een eerzame duitsche mijnheer, met een
rechten neus, een mooien knevel en een netjes geknipten baard. Voor
dien vreemden afgod staan, dag en nacht, trekpotten met thee te
pruttelen en cederstokjes te branden.
De chineesche wijk in San-Francisco breidt zich voortdurend naar
alle kanten uit. De Aziaten hebben reeds een goed doel van de
Dupontstraat en Kearnystraat in beslag genomen, en dringen door in
de Pynboomenstraat, in de Stockton- en Pacificstraten, zelfs tot in
Californiastraat. In al die straten behooren een zeker aantal huizen
aan Chineezen. Als de Mongolen eens een huis binnendringen, verjagen
zij de Europeanen, die niet bestand zijn tegen den rook en den stank,
tegen de vuiligheid en het geraas. Zoo kruipen zij al verder voort,
straat voor straat veroverende, en drijven overal de blanken voor
zich heen, die zich met schrik en toorn van hen afwenden, als van
eene bende melaatschen. Geen blanke wil onder hetzelfde dak slapen met
een Chinees; geene blanke vrouw zal gaarne door de Jacksonstraat gaan.
Laat ons eens een kijkje nemen in een dier woningen, en die Aziaten
in hun huiselijk leven en bedrijf gadeslaan. Niet ver van Lock-Sin's
theehuis staat een vrij groot gebouw, vroeger bekend onder den
naam van het Globe-hotel; een huis, vier verdiepingen hoog,
met zes ramen nevens elkander in den voorgevel, en ruimte genoeg
aanbiedende voor vijftig gasten. Met inbegrip van het onderhuis en
zolders, zijn er waarschijnlijk zestig kamers. Aan alle kanten door
chineesche mierennesten omringd, werd het Globe-hotel niet langer door
fatsoenlijke reizigers bezocht, en eindelijk verhuurd aan Li-Si-Tut,
een rijken Chinees, die op zijne beurt de kamers verhuurt aan zijne
landgenooten van tamelijken stand--winkeliers, hotelbedienden, klerken
en agenten. Li-Si-Tut draagt zorg, dat hij zijn kamers nooit verhuurt
aan iemand van slechte reputatie. Geen dief, geen voddenraper, geen
nachtlooper kan in zijn hotel een onderkomen vinden; geene geblankette
vrouw wordt hier binnen gelaten. Dobbelen en andere verboden spelen
worden niet toegelaten, evenmin als gekijf of vechtpartijen. Voor
zoo ver uitwendige voorschriften de orde kunnen verzekeren, heerscht
er orde in Li-Si-Tut's etablissement; en het Globe-hotel in de
Jacksonstraat mag als de koninklijke karavanserai en het zomerpaleis
van de chineesche kolonie in Amerika beschouwd worden.
Laat ons binnengaan. Een walgelijke stank dringt in uwe neusgaten,
zoodra ge den voet op den drempel zet. Stank komt u tegen uit
iedere kamer; het vuil ligt opgehoopt op ieder portaal; het stof van
jaren her bedekt de vensters met eene dikke korst. Vergeleken met
dit Globe-hotel onder het bestuur van Li-Si-Tut, is eene turksche
gevangenis een fatsoenlijk verblijf te noemen. Alles is overdekt
met eene vuile, stinkende vochtigheid, die in dikke, zwarte droppels
langs de muren sijpelt. En dan, wat gedrang en geloop van allerlei
lieden op de trappen en in de kamers! Overal wemelt het van menschen;
overal ontmoeten u de bleeke, spookachtige gezichten van wezens,
aan spel en opium verslaafd.
Elke kamer, oorspronkelijk ingericht voor het verblijf van één
logeergast, is hetzij door matten in zes of zeven kompartimenten
verdeeld, hetzij in het rond langs de wanden van kribben voorzien. Het
laatste is doorgaans het geval, want niemand gevoelt behoefte aan
afzondering, en eene kamer, die, bij verdeeling in kompartimenten,
maar ruimte voor zes of zeven personen zou aanbieden, kan licht een
dozijn slapers bergen, als er kribben gezet worden. Van boven tot
onder is elke kamer opgevuld met rook, zwart van de vuiligheid en
volgepakt met menschen. Niet minder dan vijftienhonderd personen
vinden dag en nacht logies in dit chineesche paradijs!
Overvulde en ongezonde kamers heb ik ook elders gezien, maar nooit en
nergens vond ik menschelijke wezens zoo opeengepakt als hier in dit
Globe-hotel. Volgens zijn zeggen, verhuurt Li-Si-Tut zijn huis aan
achthonderd huurders; waaruit zou volgen dat in elke van de zestig
kamers, met inbegrip van het onderhuis en de kelders, dertien personen
zouden wonen; maar zijne huurders, zoo beweert hij, bedriegen hem,
door de kribben weder te verhuren aan lieden, die daarvan maar
voor de helft van den dag gebruik maken. Bij onderzoek bleek mij,
dat dit verhaal van het onderverhuren en verdeelen der kamers de
zuivere waarheid is. Ki-Wok gebruikt zijne krib maar twaalf uren
van de vier-en-twintig, en verhuurt ze voor de andere twaalf aan
Li-Ho. In sommige kamers worden de kribben, in een etmaal, door drie
verschillende personen ingenomen.
En toch mogen zij, die in dit hotel hun intrek hebben, nog
gezegd worden in een ruim en luchtig paleis te wonen, als men zo
vergelijkt bij hen, die in den doolhof van straten en stegen, gangen
en poorten en sloppen wonen, welke rondom Bartlett-Alley gegroept
liggen. Hier vestigden zich sommigen van de eerste blanke kolonisten
in San-Francisco. De grond is er vochtig. De houten woningen werden
zoo haastig en zoo goedkoop mogelijk in elkaar getimmerd; en in
die door vocht en ouderdom half vergane, van onreinheid stinkende,
van ongedierte wemelende krotten huist thans de groote meerderheid
der Mongolen. In duistere holen en gaten, te slecht voor een hond,
ontwaart ge soms tien of twaalf uitgemergelde menschelijke wezens,
op planken uitgestrekt, met strakke blikken in het ijdel starende,
en hun best doende om zich zelven en hun ellende te vergeten in het
droomland van den opiumrooker.
Nog erger, indien hier van erger sprake kan zijn, is de dievenbuurt,
die zich ten deele ook binnen meer fatsoenlijke wijken uitstrekt. Het
is wenschelijk hier een gids en een goed geleide mede te nemen; want
ge moet deze buurt bij avond bezoeken, en de chineesche misdadigers
hebben hun eigenaardige manieren.
Het brandpunt van dit dievenkwartier is de onmiddellijke omgeving
van Bartlett-Alley; daar huist eene afschuwelijke bevolking op
onreine zolders, in walgelijk vuile kamers, in dompige vochtige
kelders. De grond is bedekt met vodden en afval, de lucht verpest door
de uitwasemingen van rottende stronken en schillen: overal slijk en
modder, opborrelende tusschen de half verteerde planken. Voddenwinkels
en bewaarplaatsen van gestolen goederen schuilen weg in den donker. En
overal, in al deze holen en krotten, te midden van al die onnoembare
onreinheid, wemelt het van Chineezen, wier bleeke, vervallen gezichten
er nog spookachtiger uitzien bij het flauwe schijnsel eener walmende
lamp.
Op al deze aangezichten leest ge vrees en vertwijfeling tevens. In
het voorbijgaan hoort ge deuren toeslaan, grendels dichtschuiven;
en ge gevoelt bij instinkt, dat achter elke deur een kerel staat,
door het geluid van vreemde stemmen en onbekende voetstappen in het
hart van den nacht, opgeschrikt en gereed om de indringers met de
opgeheven bijl te treffen of hun een kogel door het hoofd te jagen.
"Doe de deur open!" roept onze gids op bevelenden toon, stilstaande
voor eene uit boomstammen getimmerde hut;--doe de deur open!
--Bedriegt ge mij? Bedriegt ge mij?
--Neen, neen. Doe de deur maar open."
De stem wordt herkend; de deur gaat langzaam open, en ge werpt een
blik in het krot, niet veel grooter dan eene bedstede, maar bewoond
door vijf of zes mannen en vrouwen. Hoopen gestolen goed liggen
op den vloer: maar nergens is een wapen of geweer te zien. Bij eene
andere hut werden wij afgewezen. Op de vraag: "Gij bedriegt mij immers
niet?" volgde het gewone antwoord "Neen;" maar in plaats dat de deur
geopend werd, hoorden wij van binnen een druk gefluister.
"Gaat heen: gij zult mij niet beet nemen!" roept eene stem; tegelijk
hooren wij het overhalen van den haan van een geweer.
"Buk u en ga voort," fluisterde onze metgezel: en aanstonds bukken
wij ons en gaan voort.
In Stout's Alley en in de poorten en sloppen rondom dit brandpunt van
zonde en onreinheid, wonen de lotgenooten en makkers van deze dieven
en moordenaars--de vrouwelijke slavinnen.
Laat ons naar de straat terugkeeren.
"Nu hebt ge zoo iets van onze chineesche wijk gezien," zegt mijn
metgezel, als wij omstreeks twee uur Lock-Sin's theehuis binnentreden,
om ons door een kop thee te verfrisschen.
"Wat ge nu te San-Francisco hebt gezien, dat kunt ge ook zien te
Sacramento, te Stockton, te San-José en op vele andere plaatsen. Waar
John verschijnt, bouwt hij zich eene chineesche stad en bevolkt
die met lichte vrouwen, dieven en slaven, met het uitschot der
maatschappij. Wij kunnen voor weinig geld veel werk gedaan krijgen,
en onze geldmannen en ekonomisten zeggen dat zij goedkoopen arbeid
noodig hebben voor "de ontwikkeling des lands." Wat dunkt u wel van
den prijs, dien wij voor deze ontwikkeling moeten betalen?"
"Eindelijk, zegt een senator te Sacramento, de krant neerleggende,
waarin de jongste boodschap van den President aan het Congres is
opgenomen, in welke ook melding wordt gemaakt van de chineesche
landverhuizing. Onze heer en meester in het Witte Huis heeft dan
toch voor een oogenblik zijn oogen afgewend van de zwarte pest
langs de Golf, om ook eens te letten op onze gele pest hier langs
den Stillen-oceaan!"
Niemand zal kunnen zeggen dat President Grant te vroeg of te sterk
gesproken heeft. Men is veeleer geneigd, het tegenovergestelde te
denken. In Washington mag men praten en redeneeringen houden: in
Sacramento moet er gehandeld worden. De mongoolsche landverhuizers
hebben de republikeinsche beginselen op eene proef gesteld, waarvoor
zij niet berekend waren; en onder die proefneming zijn beide beginselen
en instellingen bezweken.
Geplaatst tegenover een dreigend gevaar van reusachtigen omvang, hebben
de Californiërs, ter zelfverdediging, een dozijn wetten uitgevaardigd,
die allen in flagranten strijd zijn met de heiligste beginselen van
de constitutie der Vereenigde-Staten.
De amerikaansche constitutie stelt de amerikaansche havens voor
iedereen open; de wetten van Californië beperken en regelen
de toelating en vestiging van Aziaten in San-Francisco. De
amerikaansche constitutie verleent, behoudens zeer licht te vervullen
voorwaarden, aan iederen landverhuizer het burgerrecht; de wetten van
Californië sluiten de chineesche landverhuizers van dit burgerrecht
onvoorwaardelijk uit.
Ten gevolge van de nieuwe toestanden, door den toevloed dezer Aziaten
in het leven geroepen, heeft San-Francisco opgehouden eene vrijhaven
te zijn, in den zin waarin New-York eene vrijhaven is. New-York is
voor ieder open. San-Francisco is niet voor ieder open. Als hij te
New-York aan wal stapt, kan een Mongool, na verloop van een jaar,
als amerikaansch burger genaturaliseerd worden; maar landt hij te
San-Francisco, dan kan hij zelfs na verloop van twintig jaar niet
genaturaliseerd worden. Deze strijd van beginselen geeft natuurlijk
in de praktijk aanleiding tot groote verwarring. Niemand in Oregon,
Californië en Nevada, kan met zekerheid uitmaken wat wettig is en wat
niet. Eene rechtbank, die volgens de plaatselijke wet recht spreekt,
beslist in dezen zin; eene andere rechtbank, die de algemeene wet
toepast, beslist in tegenovergestelden zin. Strijd en verwarring in
beginselen, methode en toepassing.
Een voorbeeld. Enkele weken geleden liep een schip van Hongkong de
haven van San-Francisco binnen. Meenende dat dit schip eene lading
bedelaars, schelmen en muiters aan boord had, door verstandige
mandarijnen uit het land verwijderd, deed de overheid te San-Francisco
eene poging om deze onwelkome gasten naar China terug te zenden. Er
werd beslag gelegd op de boot; niemand mocht van boord gaan; en de
stoomboot-maatschappij werd van wege de regeering uitgenoodigd haar
lading naar Hongkong terug te voeren. De maatschappij weigerde. De
rechtbanken van San-Francisco erkenden de bevoegdheid van het
gemeentebestuur om die lading af te wijzen; maar de rechtbank der
Vereenigde-Staten, die de beginselen der algemeene constitutie moest
toepassen, vernietigde het vonnis.
Bijna iedere vrouw, die een paspoort krijgt om Hongkong te mogen
verlaten, komt over als slavin, als het eigendom van meesters, die
haar in de stad verkoopen, juist zoo als een planter vroeger zijne
quadrone in Nieuw-Orleans verkocht. Er is op dit oogenblik voor de
rechtbank eene zaak aanhangig, waaruit dit feit, en misschien nog
veel meer, blijkt.
Ah-Li, een man van goede reputatie en fatsoenlijke levenswijze, woonde
samen met Low-Yow, eene vrouw, die ten onrechte werd verondersteld
zijne echtgenoote te zijn. Zij kregen onaangenaamheden en verlieten
elkander, waarop Ah-Li van Low-Yow de terugbetaling vorderde van meer
dan vierhonderd dollars, welke som hij haar had ter hand gesteld,
toen zij nog voor echtelieden doorgingen. Low-Yow weigerde.
Ah-Li ging daarop naar den rechter, en verklaarde dat de chineesche
vrouw, Low-Yow genaamd, een chineesch meisje, Choy-Ming geheeten
en slechts dertien jaar oud, voor tweehonderd dollars had verkocht:
op grond waarvan hij verlangde dat deze vrouwelijke slavenhandelaar
zou worden gevangen genomen. Een getuige, Ah-Sing, die zich voor een
broeder van Choy-Ming uitgaf, bevestigde onder eede de verklaring
van Ah-Li. Op grond dezer verklaringen werden Low-Yow en Choy-Ming
beiden in hechtenis genomen. Aan deze laatste werd een advokaat
toegevoegd, maar het proces rustte voornamelijk op haar eigen
verklaring. Zij erkende eene slavin te zijn. Zij was als slavin van
China, naar San-Francisco gebracht en daar verkocht aan Low-Yow,
die haar naderhand weder verkocht aan den houder van een slecht
huis. Zij stelde den rechter een verkoopbrief ter hand, dien haar,
overeenkomstig het gebruik in haar land, door Low-Yow gegeven was.
De advokaat van Low-Yow beweerde dat het geheele proces niets anders
was dan eene samenspanning tusschen Ah-Li en Ah-Sing, om zijne
cliënte in moeilijkheden te wikkelen. Twee bejaarde Chineezen, in
Stout's Alley woonachtig, verklaarden onder eede dat Choy-Ming hun
kind was. Zij zeiden, dat het meisje uit hunne woning was gelokt en
gedurende eenigen tijd van hen verwijderd was gehouden. Zij hadden
haar nooit aan Low-Yow verkocht, en Low-Yow kon haar dus ook aan
niemand anders hebben verkocht. Verschillende chineesche getuigen
verklaarden dat zij Choy-Ming met de beide oude lieden gezien hadden,
zoowel toen zij van het schip aan land kwamen, als later op straat.
Choy-Ming werd binnengeroepen. Door den rechter ondervraagd, of de
man en de vrouw in de getuigenbank haar ouders waren, antwoordde zij
ontkennend. Zij had die menschen nooit in haar leven gezien. Toen
zij verklaarden haar ouders te zijn, hadden de oude man en vrouw
een valsch getuigenis afgelegd. Ah-Sing, haar broeder, zou haar
verklaring bevestigen. Ah-Sing werd geroepen. Was Choy-Ming zijne
zuster? Ja, Choy-Ming was zijne zuster. Waren de oude man en vrouw
zijne ouders? Bij het gebeente van zijn voorvaderen--neen! Hij had
die lieden nooit tevoren gezien, en hij wist zeker dat zij niet de
ouders waren van Choy-Ming.
De rechter, geen kans ziende om uit te maken wat in deze tegenstrijdige
getuigenissen waarheid was, maakte een einde aan de zaak en zond
beide partijen weg.
Choy-Ming ging naar huis met Ah-Sing en Ah-Li, en men hoorde niets
meer van haar, tot zij eensklaps weer in Stout's Alley verscheen,
en huisvesting vroeg bij de oude lieden als hun kind. Ondervraagd
omtrent haar verklaring voor de rechtbank, zeide zij dat zij met
Ah-Li was medegegaan en een poosje bij hem gebleven, omdat Ah-Sing
haar met zijne bedreigingen schrik aanjoeg. Zij had op eene hoeve ten
platten lande geleefd, maar had nu de twee mannen verlaten. Ah-Sing,
zegt zij, is haar broeder niet, en zij houdt meer van de oude lieden
dan van de twee mannen. Ah-Li en Ah-Ling mishandelden haar, en zij
wil niet langer hun vrouw zijn.
Naar ik hoor, is Choy-Ming even dertien jaar!
De positie der chineesche vrouwen, die naar San-Francisco gebracht
worden, is evenmin twijfelachtig als de positie der circassische
meisjes, die op de markten van Kaïro en Damascus te koop werden
aangeboden. Zij zijn slavinnen. Als zij met haar eigenaars te
San-Francisco aankomen, wordt voor haar geene landingspremie aan
de zesde maatschappij betaald; want deze vrouwen, voor wie in het
samenstel der chineesche familie geene plaats is, behoeven na haar
dood niet naar China worden teruggebracht. Zij worden eenvoudig als
beesten weggestopt.
De geschiedenis dezer meisjes is dikwijls zeer treurig. Sommigen
werden door haar vader verkocht: de arme mongoolsche boeren toch
verkoopen geregeld hun dochters, juist zoo als de indiaansche wilden
geregeld hunne squaws verkoopen. Velen van haar zijn gestolen kinderen,
opgelicht en weggevoerd door schurken, die met dit doel de dorpen
nabij de kust afloopen. In elke chineesche haven is eene markt voor
zulke waar. Te Hongkong moeten zij wel van een ambtenaar een paspoort
erlangen, maar die ambtenaar laat zich gemakkelijk een rad voor de
oogen draaien. De eene handelaar laat drie of vier meisjes voor zijne
dochters doorgaan; een ander geeft er vijf of zes voor zijne vrouwen
uit. Een op het stuk van polygamie wat minder toeschietelijke consul
zal wellicht zwarigheid maken, zulk een paspoort te viseeren; maar in
dat geval behoeft de handelaar slechts naar een van de slaaphuizen te
gaan, waar de landverhuizers, in afwachting van het vertrek der boot,
hun intrek nemen, en aan eenige hunner tijdelijk eene vrouw toe te
voegen--voor zoo lang de reis duurt. Dank zij dit huismiddeltje,
komen de meisjes in San-Francisco, en worden verkocht aan ieder,
die eene slavin begeert.
Om dit kwaad op afdoende wijze te stuiten, heeft men in Californië
eene wet uitgevaardigd, waarbij aan de plaatselijke autoriteiten
de bevoegdheid wordt gegeven om alle van Azië komende schepen te
onderzoeken; en tevens het recht, om, wanneer zij aan boord eene lading
vrouwen vinden, die verondersteld kunnen worden slavinnen te zijn,
en die blijkbaar met onzedelijke bedoelingen worden aangebracht,
van de stoomvaartmaatschappij te vorderen, dat die personen terug
zullen worden gevoerd.
Het duurde niet lang, of het geval deed zich voor, want verscheidene
kooplieden zijn bij dezen afschuwelijken handel betrokken. "Gij moogt
deze vrouwen niet aan land brengen," zeide de havenmeester.--"Dat
zullen wij eens zien," antwoordden de kooplieden, die de meisjes op
spekulatie hadden gekocht, en gaarne eene goede winst van hun koopwaar
wilden trekken. Zij stelden eene rechtsvordering in. De eerste
rechtbank te San-Francisco stelde den havenmeester in het gelijk,
waarop de kooplieden in hooger beroep kwamen bij den Chief Justice
Wallace, van het opperste gerechtshof te Sacramento, die het vonnis der
eerste rechtbank bevestigde. Hier afgewezen, wendden de kooplieden zich
tot het kreitshof der Vereenigde-Staten, beweerende dat de wetten van
Californië in openbaren strijd zijn met de amerikaansche constitutie,
en daarom van geen kracht te San-Francisco, als behoorende tot het
gebied der Vereenigde-Staten. De rechters van het Hof vereenigden
zich met deze zienswijze.
Verbitterd over deze uitspraak van het Hof, is het volk van Californië
daarvan weder in beroep gekomen bij het Hoog Gerechtshof te Washington
[25]; maar terwijl de Opperrechter Waite en zijn hoogachtbare collega's
zitten te peinzen over lastige rechtskwesties, komen de vrouwelijke
slaven alvast ongehinderd binnen, en mag een vrije amerikaansche staat
deze zedelijke pest niet van zijn gebied weeren. De rechters zeggen,
de grond is vrij. Eene slavin wordt eene vrije vrouw, zoodra zij
den californischen grond betreedt. Dat klinkt heel fraai; maar wie
zal zulk een schepsel als eene chineesche slavin gaan vertellen dat
zij vrij is? Wie zal haar aan het verstand kunnen brengen, wat dat
woord vrije grond beteekent? Slavin in haar eigen land, heeft zij
nooit hooren spreken van vrouwen van haar klasse, die vrij waren. In
San-Francisco is zij evenzeer slavin als zij dit was in Canton of
in Peking. En toch zal niemand de slavenhandelaars kunnen beletten,
hunne afschuwelijke lading door de Gouden-Poort binnen te brengen!
"Luister nu eens naar dit geleuter, zegt de senator. De President
spreekt over die aziatische kwestie, als gold het eene kwestie van
alledaagsche moraliteit!"
Dit zijn de woorden van den President: "Ik vestig de aandacht van het
Congres op het algemeen erkende feit dat de groote meerderheid der
chineesche landverhuizers, die op onze kusten landen, blijkbaar niet
komen om zich onder ons te vestigen en hun arbeid bevorderlijk te maken
aan de algemeene welvaart; maar zij komen krachtens een contract met
hoofdlieden, die bijna volstrekte macht over hen hebben. In nog erger
mate geldt dit van de chineesche vrouwen. Nauwelijks een merkbaar deel
van haar wijden zich aan eerlijken arbeid: zij worden aangebracht
met schandelijke bedoelingen, tot oneer voor de gemeente waar zij
zich vestigen, en tot groot gevaar voor de zedelijkheid van de jeugd
dier plaatsen. Kunnen deze kwade praktijken langs wettelijken weg
worden gekeerd, dan zal het, niet alleen mij een plicht, maar ook
een genoegen zijn, elke wettelijke regeling toe te passen, die de
bereiking van een zoo gewenscht doel kan bevorderen."
In californische ooren klinken zulke woorden al zeer flauw en
zwak. "Als ge nu deze boodschap met de werkelijkheid vergelijkt,
gaat de senator voort, verdienen zulke frazen dan wel een anderen
naam dan geleuter? Hier, in Sacramento, maken wij ons geene illusiën
over dezen toevloed van aziatisch gepeupel. In Californië hebben de
chineesche mandarijnen eene strafkolonie gevonden, waarheen zij nu,
dank zij onzer schraapzucht en dwaasheid, het schuim der maatschappij,
hun vagebonden, misdadigers enz. heenzenden. Zoo komen zij van over
de zee, bij duizenden, of liever bij tienduizenden; en toch zijn die
duizenden en tienduizenden nog slechts de voorhoede van een groot
leger. Millioenen kunnen verschijnen, waar tot dusver duizenden zijn
verschenen, en tientallen van millioenen kunnen komen van waar de
tienduizenden kwamen".
Is dit alleen een droom der verhitte verbeelding, die reeds
tallooze drommen van Aziaten door de Gouden-Poort meent te zien
binnenstroomen? In voorhistorische tijden werd Amerika uit Azië
bevolkt: waarom zou zoo iets niet op nieuw kunnen geschieden? De
noodige menschenmassa is er aan gindsche kust. De zee ligt open voor
hunne schepen. De overtocht levert winst op.
"Wij zijn iets meer dan dertig millioen blanken sterk, gaat de senator
voort; daar ginds leven ruim drie-honderd-zestig-millioen gelen. Als
zij vijftig millioen naar Amerika overzenden, heeft dit voor hen
zoo goed als niets te beteekenen; maar dat geschenk zou voor ons de
dood zijn."
De senator heeft gelijk. Ook na den uittocht van vijftig millioen
menschen, zouden de Vijf Provinciën nog even dicht bevolkt zijn
als Ierland was vóór den hongersnood. Als de regeering van Peking
schepen huurde en die vijftig millioen overvoerde, zou zij goede zaken
maken. Door de Vereenigde-Staten verspreid, zoo als loontrekkende
arbeiders zich altijd verspreiden, zouden vijftig millioen Mongolen
eene beslissende meerderheid hebben bij alle verkiezingen, van Oregon
tot de Golf van Mexiko.
Wie kan de verzekering geven, dat zij nooit komen zullen? Wie kan
berekenen wat menschen, door gebrek gedreven, durven ondernemen? Honger
heeft zich een weg gebaand door steenen muren en onstuimige zeeën
getrotseerd. Misgewas onder de aardappelen heeft een derde deel der
bevolking van Ierland naar Amerika doen verhuizen, hoewel een iersche
kern vooral niet minder aan zijn geboortegrond gehecht is dan een
mongoolsche boer. Wie is met de toekomst van de theeplant bekend? Wij
hebben de ziekte in de druiven en de aardappelenziekte. Stel
voor een oogenblik dat ook de theeplant op dergelijke wijze werd
aangetast. Indien zulk een ramp van China een tweede Ierland maakte,
zou het volk wel genoodzaakt zijn, bij millioenen te verhuizen. Als
slechts een zevende deel der chineesche bevolking naar Amerika
verhuisde, zouden zij de verkiezingen geheel beheerschen, en dank
zij der wijze en voorzienige republikeinsche constitutie, onbeperkte
gebieders van het land worden, waar dan de europeesche beschaving
plaats zou moeten maken voor de aziatische barbaarschheid.