Een reisverhaal door Australië heeft voor den nederlandschen lezer
iets aantrekkelijks en belangwekkends. De naam toch, dien zich
de onsterfelijke Genuëes Columbus ten opzichte van Amerika heeft
verworven, komt, wat Australië aanbelangt, aan onze landgenooten toe:
van den eersten bodem die de Eilandenzee kliefde, woei de nederlandsche
vlag.--En al moge op dit oogenblik diezelfde driekleur slechts nog
wapperen op een gedeelte van het eiland Nieuw-Guinea, en overigens
nog slechts enkele namen van kusten op Nieuw-Holland en eilanden
hier en daar in Polynesië aan Hollanders herinneren, toch roepen die
namen ons dat heldentijdvak onzer historie voor den geest, toen onze
landgenooten zich baan braken langs vroeger onbekende wegen en van
den hollandschen naam deden gewagen, zoowel in de Poolstreken als
onder de Evenachtslijn.
Dit woord meenden wij te moeten laten voorafgaan, alvorens mededeeling
te doen van een ontdekkingstocht door West-Australië, door twee rijke
bewoners van het zuidelijk deel van dat werelddeel, de heeren Elder
en Hughes, in het jaar 1872 georganiseerd. De leiding van den tocht
was opgedragen aan een oud officier van het britsch-indische leger,
den kolonel Egerton Warburton. Een verhaal van die reis heeft in
Engeland het licht gezien, en wij zullen trachten in de volgende
bladzijden van dit verhaal een kort overzicht te geven.
De expeditie bestond uit zeven reizigers: kolonel Warburton, geboren
in 1813; zijn zoon Richard, geboren in 1840; den heer I.M. Lewis; twee
kameeldrijvers uit Afghanistan, Sahleh en Halleem; een kok, die tevens
kameeldrijver was, Dennis White, en Charley, een jonge Australiër.
Een der bijzonderheden van dezen ontdekkingstocht was het gebruik
van kameelen.
Eerst in 1866 zijn deze dieren in vrij grooten getale in Australië
inheemsch gemaakt door den heer Elder zelven, die hen met afghaansche
kameeldrijvers uit Indië had doen overkomen. De uitstekende diensten,
die zij aan kolonel Warburton bewezen hebben, zullen er voorzeker het
hunne toe bijbrengen, om deze poging van acclimatatie aan te moedigen.
De karavaan telde zeventien kameelen: vier om op te rijden, twaalf om
de bagages en het voor zes maanden aangeschafte proviand te dragen;
éen diende als reserve.
Den 15den April 1873 verlieten de reizigers de Alice-bronnen (Alice
Springs), een station in het midden van Nieuw-Holland gelegen. Dit was
het eigenlijke uitgangspunt der expeditie, die zich ten doel stelde de
westkust van Australië te bereiken, door het hart van het land heen,
eene streek die het nog geen reiziger gelukt was door te trekken.
Reeds in de eerste dagen leed de karavaan gebrek aan water, waarmede
zij telkens te kampen zou hebben. Door nasporingen in verschillende
richtingen te doen, gelukte het den reizigers bronnen of kleine
beken te ontdekken, die hun gelegenheid gaven hunnen watervoorraad
te ververschen, hetgeen vooral voor de kameelen onontbeerlijk was.
Terwijl men in noordwestelijke richting voorttrok, vertoonde zich
weldra de spinifex, de plant die zoo herhaaldelijk vermeld wordt door
alle reizigers in centraal Australië. Het is een met stekels voorzien
kruid, dat in dichte bossen groeit, van achttien duim tot vijf voet
diameter. Als de loten jong zijn, zijn zij groen; maar naar gelang
zij ouder worden, nemen zij een tint aan die aan stroo herinnert,
en in plaats van het landschap leven bij te zetten, geven zij er een
nog treuriger en doodscher voorkomen aan. Zelfs de kameelen willen
er niet van eten, en terwijl zij zich met moeite een weg banen door
het dicht bewassen doolhof, passen zij er toch op niet op de planten
te trappen. De hoogte der scherpe stekels wisselt zoodanig af, dat de
kleine punten de paarden of kameelen even boven den hiel treffen, en
de lange dorens in de knieschijf doordringen. Deze stekelige spinifex,
ook triodia genoemd, is eene der grootste plagen, die men bedenken
kan, en het behoeft geene vermelding, dat waar deze plant groeit de
streek ongeschikt is voor veeteelt.
Toen de maand Juni was aangebroken, hadden de reizigers op verre na
niet den weg afgelegd, dien zij zich hadden voorgesteld. De strijd
met de woestenij nam nu een meer dramatisch karakter aan; wij zullen
verder het woord laten aan kolonel Warburton, en een en ander uit
zijn dagboek mededeelen.