XXVII.

Chineesche arbeid.--Eene chineesche kolonie.

Van vrij wat ernstiger aard zijn de problemen, die in San-Francisco

aan de orde komen, ten gevolge van de groote gemakkelijkheid,

waarmede de Chineezen zich alle takken van handel en bedrijf eigen

maken. De verschijning der Mongolen in Amerika heeft, in vollen

omvang, den geduchten strijd om het bestaan doen ontbranden tusschen

de vleescheters en de rijsteters.

Uitsluitend van rijst levende, geen andere behoeften of weelde

kennende dan wat opium en eene handvol thee, kan John Chinaman

voor veel minder geld arbeiden dan iemand, die vleesch eet, die

's middags een stevig maal verlangt, en daarna op zijn gemak zijn

pijp wil rooken, zijn kan bier drinken, en op den koop toe een glas

whisky naar binnen slaan. Waar de laatste gebrek lijdt en van honger

vergaat, zal de eerste niet alleen het noodige hebben, maar zelfs

nog overhouden. De eerste Chineezen, die naar Californië overkwamen,

waren landbouwers, en hunne eerste concurrenten waren iersche matrozen

en zwijnenhoeders. John had deze mededingers spoedig verdrongen,

daar hij meer werk verrichtte voor minder geld, en zich bij zijn

meesters aangenaam maakte door zijn onverdroten ijver en zijn

bescheiden manieren. John bouwt de kapellen, de banken, de hotels

en de scholen. De onbekwame, onhandige, iersche boer kan thans in

San-Francisco niet meer terecht komen, en de verhuizing van iersche

werklieden naar deze kust heeft opgehouden. In een paar hotels is

Pat nog gebleven, om de tafel te bedienen; maar zelfs in die hotels

heeft hij de keuken en de wasch- en linnenkamer moeten ontruimen voor

Hop-Ki en Li-Sing.

"Zeg eens, Pat, vraag ik aan mijn bediende in het Grand-Hotel, hebt

ge wel eens ruzie met die Chineezen?

--Neen, kapitein; antwoordt Pat; denkt gij dat ik mij zelven zou

willen onteeren door te gaan vechten met zoo'n vuil schepsel met

een varkensstaart?

--Maar door hem dalen toch de loonen in de dokken en op de werven,

niet waar?

--Hij mag vergaan, de smeerpoes. Zoo lang hij zijn vuil gezicht niet

had laten zien in de Marktstraat, kon een Christenmensch gemakkelijk

zes dollars per dag verdienen. Nu kan hij er ter nauwernood twee

krijgen: dat is een verlies van vier dollars, enkel door de schuld

van die varkensstaarten! Sommige patroons zijn niets beter dan die

smeerlappen; zij zeggen dat zij een blanke niets meer dan het dubbel

willen geven van wat zoo'n gele aap krijgt. Goede hemel! Alsof een

Christenmensch van twee maatjes rijst kan leven, omdat zoo'n heidensche

Chinees gebrek wil lijden met een!

--Ge meent dus dat die daling in de loonen de schuld is van de

Chineezen?

--Van wie anders, kapitein? Wel, vóór de komst van die beesten, kon

mijne vrouw met wasschen en strijken nog genoeg verdienen, om van

tijd tot tijd eens een slokje te kunnen nemen; maar nu stelen die

schurken het brood zoowel van de vrouwen als van de mannen. Als ik

niet bang was om mijn handen vuil te maken, dan zou ik ze graag hier

eens kopje onder dompelen in de baai,--juist hier, bij Hunter's Point.

--Ge zijt dus niet van de leer, dat men moet leven en laten leven,

niet waar, Pat?

--Laten leven! Maar, kapitein, hij is een heidensche Chinees, een

echte heidensche Chinees! Wat heeft zulk volk hier te maken? Is er

in China geene ruimte genoeg voor hem?

--Maar, Pat, benje dan zelf niet overgekomen van Cork's County?

--Dat is waar, kapitein; maar het land komt ons wettig toe. Wij hebben

het veroverd op de Indianen en Mexikanen. Laat de Chineezen eens

probeeren, het op ons te veroveren. Ha! of ik verlang naar den dag,

dat zij de wapens tegen ons zouden opvatten ... och! die heidensche

Chineezen!"

John weigert geen enkel soort van werk. Hij maakt uw eten klaar, en

werkt in uw steengroeven; hij wiegt uw kind en verzorgt uw koeien;

hij snoeit uw boomen en smelt uw erts. Als hij zijne keus volgen kan,

verricht hij het liefst huiselijken arbeid; maar hij is geschikt

voor alles, en als hij eens iets door anderen heeft zien doen, kan

hij het zelf vrij goed nadoen.

Ho-Ling kwam met den trein in San-José: de eerste Chinees, die ooit

in die voormalige vrijstad was gezien. Hij huurde een klein huisje en

hing een uithangbord boven de deur: "Ho-Ling wascht en strijkt voor

de lui." Waarschijnlijk was er veel ongewasschen goed in voorraad

te San-José: hoe het zij, Ho-Ling was weldra dag en nacht bezig. Hij

ontbood Chou-Ping; maar nu konden de twee bleeke-maansgezichten, in hun

klein vertrek scharrelende, ter nauwernood hun werk af. Ho-Ling begon

geld over te leggen. Toen hij drie maanden in San-José gewoond had,

liet hij een timmerman komen, en vroeg hem hoeveel hij hebben moest

voor het bouwen van tien houten barakken op een stuk grond achter

Main-street, terwijl Ho-Ling zelf de planken en palen zou leveren.

"Voor tien woningen, honderd dollars.

--Dat is veel, dat is veel! zeide Ho-Ling.

--Neen, hernam de timmerman, dat is heel goedkoop.

--Een huis--tien dollars;--tien,--honderd dollars? vroeg Ho-Ling.

--Ja, antwoordde de timmerman, zonder na te denken.

--Ga dan je gang maar."

Toen de timmerman met het werk begon, stapten zeven nieuwe Chineezen

uit den spoortrein, gingen naar de woning van Ho-Ling en begaven

zich daarop naar de achterbuurt, waar de nieuwe mongoolsche wijk zou

verrijzen. Zij zetten zich op den grond, begonnen, onder het kauwen

van hun betel, bamboes-stengels te vlechten, en zagen nauwkeurig toe

hoe de timmerman zijn palen insloeg en zijn planken spijkerde.

"Goed gebouwd--tien dollars, grijnsde Ho-Ling, zoodra de eerste barak

onder dak was.

--Ik zal ze allen in een oogwenk voor u klaar maken, zei de timmerman,

het geld in zijn zak stekende.

--Geen huizen meer noodig, hernam Ho-Ling; ik zal ze nu allen zelf

wel maken, allen."

De timmerman vloekte, maar er was niets aan te doen. Hoewel hij hier

met geheel andere materialen werken moet, dan in zijn eigen land,

heeft Ho-Ling niet alleen zijne barakken gebouwd, maar is bereids

de bouwindustrie zelve te San-José voor een groot deel in handen

der Chineezen overgegaan, die de blanke bouwmeesters allengs hebben

verdrongen.

Zoo gaat het eveneens in vele andere takken van bedrijf. Het

sigarenmaken is een van de belangrijkste industriën van San-Francisco,

waarbij duizenden personen werk en brood vinden. Deze tak van industrie

is geheel in chineesche handen overgegaan. Het schoenmaken, de wollen

manufacturen, en de handel in ingelegde vruchten en groenten, worden

ook reeds voor het meerendeel door Chineezen uitgeoefend en gedreven.

"Zoo ge een paar laarzen noodig hebt, zegt een mijner vrienden in

de Pacific Club, ga dan naar Yin-Yung in de Jacksonstraat: dat is de

beste schoenmaker in Californië.

--Ge wilt zeggen, de goedkoopste, zegt spottend een heer uit onzen

kring.

--De beste zoowel als de goedkoopste," hervat de eerste spreker.

Wij gaan naar de Jacksonstraat, en nemen een kijkje in den winkel

van Yin-Yung, waar wij, tot onze groote verwondering, zeer goed werk

vinden; de laarzen en schoenen schijnen zoo netjes en sterk, als

ge die ergens vinden kunt, en zijn toch veel minder in prijs. Tot

zeer onlangs had Yin-Yung nooit eene engelsche laars gezien. Een

mandarijn in China draagt muilen, een koopman gaat in klompen over

de straat. Maar Yin-Yung had gebrek aan rijst; en gelezen hebbende,

dat zekere Aaron Isaacs, schoenmaker, bekwame knechts noodig had,

meldde hij zich bij hem aan; en daar hij nagenoeg geen loon vroeg,

voorzag de Jood hem van het noodige en zette hem aan het werk. Ras

en geloof zijn voor een Jood geen belemmeringen, zoodra hij minder

loon voor den arbeid behoeft te geven. Hij weet wel, dat John zijn

handwerk zal leeren en straks als zijn concurrent zal optreden; maar

hij houdt zich overtuigd, dat hij, eer het zoover komt, zelf lang

zijn slag zal hebben geslagen. Dat sommige beroepen en handwerken,

tot groote schade van de blanken, in handen der gelen overgaan,

is natuurlijk den Jood onverschillig, die geen vaderland heeft,

en ieder land slechts als zijne prooi beschouwt. Hij heeft wel

gaarne een stillen, onderworpen Mongool tot bediende, dien hij,

als er gelegenheid toe is, kan slaan en bestelen, zonder dat hij

voor feitelijk verzet behoeft te vreezen. Daarom wemelt het in de

joodsche winkels en magazijnen van chineesche bedienden.--Yin-Yung

lokte nu ook zijn broeders naar den winkel van Isaacs; en ongeveer

een jaar lang maakte de Jood uitmuntende zaken met den verkoop van

engelsche laarzen en schoenen, zoodat hij de markt van dat artikel

beheerschte en ook de andere schoenmakers dwong, chineesche werklui

te gebruiken. Wel raakten daardoor honderden blanken broodeloos: maar

wat kon dit den Jood schelen? Hij verminderde telkens het loon. Een

voor een verlieten hem zijn blanke knechts. Isaacs nam nu nog meer

Chineezen in dienst. Yin-Yung was thans reeds zoo ver, dat hij de nieuw

aangekomenen in het handwerk kon onderrichten. Toen ging Yin-Yung

ook heen, en begon voor eigen rekening zaken te doen. Tegenwoordig

is Yin-Yung een man van gewicht, eigenaar van een grooten winkel, en

deelende in de algemeene achting. Zoo lang hij van Isaacs afhankelijk

was, verdroeg hij zwijgend de mishandelingen, de scheldwoorden en

bedriegerijen van den Jood; maar nu vereffent hij de schuld, door aan

Isaacs oude klanten voor minder geld goede schoenen te leveren. Isaacs

is woedend en raast en tiert; maar het is hem nog niet gelukt Yin-Yung

er onder te krijgen. Te vergeefs neemt hij telkens meer Chineezen in

dienst: hij moet hun het noodige onderricht geven, en zoodra zij op

de hoogte zijn, treden ook zij op als zijn concurrenten.

Deze voorbeelden waren met vele andere te vermeerderen: overal

hetzelfde verschijnsel, overal moet de blanke werkman, die zijn

gezin te onderhouden en zoo velerlei behoeften te bevredigen heeft,

onderdoen voor den Aziaat, die op zich zelven staat en met een handvol

rijst tevreden is.

Even als Paddy Blake en Juan Chico, schijnen ook Hop-Li en Hong-Chi

gezellige dieren te zijn, die zich gaarne te midden der menigte

bewegen en het liefst in dicht bevolkte buurten wonen. Even als

vele hunner iersche en mexikaansche broeders, schijnen ook zij een

bijzonder behagen te scheppen in nauwe stegen, en met welgevallen

den afschuwelijksten stank in te ademen. In plaats van hun kamp op

te slaan in de open lucht, zoo als zij gemakkelijk zouden kunnen

doen, kruipen zij onder den grond, in de kelderverdiepingen van

groote huizen, en verbergen zich in gewelven en holen, in putten

en goten. Zij scheppen een soort van mierennest, een echte Cour

des Miracles, in elke stad, waar zij hunne tenten opslaan. Bij het

Zoutmeer scholen zij zamen rondom de markt; in Virginia verzamelen

zij zich rondom de mijnen. Te San-Francisco hebben zij de oudste en

smerigste buurt ter woning uitgekozen. Als zij te New-York komen,

zullen zij zich aan Five-Points nederlaten; verschijnen zij te Londen,

dan zal de wijk van de Seven-Dials hun geliefkoosde buurt zijn. Is er

ergens in eene groote stad een vuil en onrein kwartier, dan weten de

zonen van het Hemelsche rijk dit als bij instinkt te vinden, stroomen

daar heen en maken zich van die buurt meester. Het schijnt inderdaad

eene natuurlijke aandrift. Te Rome zouden zij hun broeders de Joden

uit hun Ghetto, te Napels, de lazzaroni van de Marinella verdrijven;

even als zij reeds de iersche en mexikaansche proletariërs uit hunne

oude verblijven in San-Francisco verdreven hebben. En toch bestaat er

in hun land eene zeer talrijke bevolking, die uitsluitend in schuiten

en jonken op het water leeft, zich met visch voedt, en maar zelden

in de steden komt. In de vijf provinciën, telt men deze bevolking bij

ettelijke millioenen. Zouden er langs de kusten van den Stillen-oceaan

ook geen Water-Chineezen te vinden zijn?

Te Monterey verhaalt men mij van eene groep chineesche landverhuizers,

die van San-Francisco zijn gekomen, en zich als visschers hebben

gevestigd aan de hooge kust nabij Pinos-Point. Zij houden zich niet,

zoo als hunne andere stambroeders, op met het wasschen van hemden,

het koken van vleesch, het maken van wegen; zij graven en zij spitten

niet; zij zijn, naar men verzekert, vrije mannen, die aan de Vijf

Maatschappijen geen geld schuldig zijn, en dus ook geene verplichtingen

hebben. Hunne eigene keus kunnende volgen, toonen zij niet bijzonder

door het stadsleven te worden aangetrokken, en geven zij de voorkeur

aan eene woning op den heuvel, waarover de frissche zeewind heenstrijkt

en aan welks voet de Oceaan ruischt, boven een krot in eene vuile,

overvulde, stinkende buurt. Zij hebben vrouwen en kinderen bij

zich. Aan het strand levende, ver van de aanraking met de blanken,

buiten bereik van concurrentie en kapitaal, verdienen zij voor zich

en hun gezin een eerlijk stuk brood door den handel in gedroogde visch.

Zulk eene kolonie van Aziaten, die van de blanke kapitalisten noch

werk, noch gunst vragen, maar die met flinken moed, in het open veld,

den strijd des levens wagen als soldaten, voor eigen rekening en op

eigen risico, liever dan als parasieten en slaven, is inderdaad iets

opmerkelijks. Hier zijn dus lieden, die het zonder de blanken stellen

kunnen, geheel anders dan de mexikaansche arbeiders, die zij gaandeweg

uit Californië en Nevada verdringen.

Een weg loopt van Monterey langs Fray Junipero's Kruis en het kasteel

van Don Rivera, naar dit aziatische dorp: maar die weg is niets meer

dan een indiaansch voetpad, niet geschikt voor paarden en nog minder

voor rijtuigen; wij moeten ons dus getroosten te wandelen. Eene

voetreis van een paar mijlen, te rekenen van het oude mexikaansche

hoofd, brengt ons naar een hoop rotsblokken; en den hoek omslaande,

bevinden wij ons eensklaps in China, vlak bij eene verzameling van

houten blokhuizen en droogschuren, waar van alle kanten nijdige

honden ons tegenblaffen en alles doortrokken is van de onaangename

lucht van gedroogden visch en den rook van sandelhout.

De eerste kolonisten schijnen zich hier eenigermate in den blinde

te hebben gevestigd, naarmate een of ander plekje hun aanstond en

de boomstammen, waarmede de woning moest worden opgetrokken, dicht

bij de hand waren. De toegang tot dezen doolhof is niet moeilijk te

vinden. Ge gaat slechts op de lucht van het hout af, jaagt de honden

weg, en struikelt hier en daar over naakte kinderen. Maar uit dien

warboel wijs te worden, is iets anders: daartoe heeft men chineesch

geduld en chineesche vindingrijkheid noodig. Hier, tegenover u,

is een varkenshok, met den gebruikelijken vuilnishoop. Die teenen

kooi is een kippenren, geflankeerd door een poel, waarin eenden en

ganzen ploeteren. Welk eene ondenkbare vuiligheid! Een honderdtal

bouwvallige barakken en krotten,--huizen, winkels, schuren--vormen te

zamen deze vrije en onafhankelijke kolonie. Die barakken en krotten

zijn zoo slecht gebouwd, dat sommigen bij de minste windvlaag en bij

iedere harde regenbui omvallen. Een fiksche storm zou waarschijnlijk

de gansche kolonie vernielen en in de zee slingeren. Gelukkig voor de

bewoners, leven zij aan de kust van den Stillen-oceaan, waar stormen

bijna onbekend zijn.

In dezen uithoek van Amerika wonen vier- of vijfhonderd Aziaten, die

hun mager levensonderhoud vragen van de zee en het strand. Zij vangen

geheele troepen van spiering en rapen schelpdieren bij duizenden. De

walvischvangst is eene te moeilijke en zware taak, maar somwijlen

gelukt het hun, een gansche school van kabeljauwen te vangen. Hun

geliefkoosde kost is de inktvisch. In den zomer kunnen zij goed leven,

naar mij Ah-Tim, een der volkplanters, verzekert. Het bosch voorziet

hen van brandstof, en de zee laat hen nooit verlegen om visch. De

kleine akkers en tuintjes nabij het dorp leveren peper, groenten en

enkele vruchten op. Door een deel van den in den zomer gevangen visch

te drogen, voorzien zij zich van den noodigen wintervoorraad, als de

zee te hoog staat om uit visschen te gaan. Wat zij voor zichzelven

niet noodig hebben, verkoopen zij, en met het daarvoor ontvangen geld

koopen zij een weinig thee, sandelhout en opium. Al het overige geniet

een Chinees in den droom: een paar trekken aan zijn opiumpijp maken

hem tot den gelukkigsten man van de wereld.

Onder geleide van Ah-Tim bezoeken wij verschillende woningen. De

hutten gelijken allen op elkander: zij zijn klein maar van binnen

zindelijk, en gelijken meer op huisjes uit een speelgoeddoos dan op

menschelijke verblijven. In de meeste vindt ge roode aanplakbiljetten

tegen den wand: aankondigingen van loterijen, van voorstellingen in

de schouwburgen, en van godsdienstoefeningen in de groote pagode van

San-Francisco. Ieder Mongool in Amerika beschouwt San-Francisco als

zijne hoofdstad, en de groote pagode in die stad als zijn tempel. Als

zijne landslieden over het algemeen, is ook Tim op zijn manier een

zeer godsdienstig man. In het dorp bij Pinos-Point is geene pagode,

want de arme visschers kunnen zich de weelde van een priester niet

veroorloven; maar in elke hut op den heuvel vinden wij een beeld

van Boeddha op den schoorsteenmantel, even als in iedere baskische

woning een kruis, en in elke russische boerenstulp een beeld van de

Heilige-Maagd. Hoe arm hij ook moge zijn, heeft toch iedere Chinees

voor zijn afgodsbeeldje een potje kokende thee en eenige brandende

stukjes cederhout staan. "Het is beter voor den mensch, het zonder

rijst en opium te doen, zegt Ah-Tim, dan dat hij Boeddha zijn thee

en zijn cederhout niet zou geven."

In een der hutten vonden wij vijf of zes mannen aan tafel zitten:--de

maaltijd bestond uit kool, in traan gekookt, en eenige gebakken

mosselen; elke gast was gewapend met de bekende stokjes, die de plaats

innemen van lepel en vork. Eer zij gaan zitten, kijken zij even

naar den schoorsteenmantel, om zich te overtuigen dat de thee van

Boeddha goed warm is. Na afloop van den maaltijd, steken zij eenige

cederhoutjes aan en laten die verbranden; maar bij deze godsdienstige

handelingen treft u het volkomen gemis van vromen eerbied, ernst en

tederheid van gevoel; hier is niets van die innigheid, van dien diepen,

heiligen ootmoed, die een hooger uitdrukking leent aan het gelaat

van den russischen boer, als hij na het voleindigen van zijn maal

het teeken des kruises maakt en zich buigt voor het heilige beeld,

met den uitroep: "Slava Bogu!"

Ah-Tim brengt ons naar zijne woning, waar zijne vrouw thee zet, en

zijn twee kleine jongens in den modder rollen en ploeteren. Tim is

eene eigenaardige figuur: koud, prozaïsch, aardschgezind, met die

versteende, onaandoenlijke hersenen, die amerikaansche dichters,

niet zonder reden, als een kenmerk van den heidenschen Chinees

hebben genoemd. Tim maakt in zoo verre eene uitzondering op de

groote meerderheid zijner landslieden, dat hij zich met politiek

afgeeft. Hij is geen geld schuldig aan de maatschappijen, en heeft

dus niets van haar spionnen en opzichters te duchten. Hij is in het

land zelf geboren, en heeft hoegenaamd geene begeerte om Canton te

zien. Hij wil zijn burgerrechten doen gelden; hij wil kiezer zijn,

en wenscht dat zijn buren ook kiezers zullen zijn. Tim was de eerste

Chinees, die in Californië geboren werd. Als geboren Amerikaan, is hij

dus bevoegd tot het bekleeden van alle ambten. Indien hij inderdaad

bezat, wat hem volgens de amerikaansche constitutie, met onbetwistbaar

recht, toekomt, dan zou hij zich tegenover generaal Grant kandidaat

kunnen stellen voor het presidentschap. Maar, volgens de overtuiging

van Ah-Tim, schenden de blanken in Californië de constitutie, door

te beweeren dat de rechtsregel: "ieder, die op amerikaanschen grond

is geboren, is amerikaansch burger", alleen voor de blanken geldt. En

het is niet gemakkelijk, te bewijzen dat Ah-Tim hierin ongelijk heeft,

al ligt het voor de hand, waarom de blanken dien regel alzoo toepassen.

"Maakt gij inderdaad aanspraak op uw burgerrecht?

--Ja, mijnheer. Ik ben geboren in Melika; ik ben gehuwd in Melika;

ik woon in Melika; mijn kinderen zijn geboren in Melika. Is dat

niet voldoende?"

Toen de amerikaansche constitutie werd opgesteld, gold de stelling

"dat alle menschen van geboorte vrij en gelijk zijn", alleen voor de

blanken. Een neger was volstrekt niet vrij. Een roodhuid werd volstrekt

niet als een gelijke beschouwd. Maar de loop der gebeurtenissen heeft

aan die afgetrokken stelling eene nooit vermoede, geduchte praktische

beteekenis gegeven. Een in Amerika geboren neger is in het bezit

van alle burgerlijke rechten. Waarom dan niet een Mongool? Is het

afrikaansche ras bij geval edeler dan het aziatische? Als Zete Fly

waardig wordt geacht in de voorrechten der emancipatie te deelen,

waarom dan niet Ah-Tim?

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 75 / 92 题