IV.

Toen wij het paleis der podestà's verlieten, was de dienst in de kerk

geëindigd, en had de schare zich verspreid over het eerwaardige plein,

dat met zijne vijf massieve torens schier aan den binnenhof van een

alouden burcht denken doet. Wij traden de kerk binnen. Deze kerk,

met hare drie schepen, die van de twaalfde eeuw dagteekent, doch van

buiten door smakelooze restauratiën bedorven is, maakt van binnen een

zeer bijzonderen indruk. De vrij ver uit elkander staande vensters

zijn in de veertiende eeuw nog verkleind, om daardoor voor den muur,

die het gewelf dragen moet, meer ruimte te winnen; het daglicht

dringt gedempt door geschilderde glazen en hult de gansche kerk in

eene geheimzinnige schemering. Bij dat flauwe licht ontwaart ge,

niet zonder verbazing, langs de wanden der kerk eene gansche wereld

van beelden: de Collegiata werd, tusschen de jaren 1393 en 1490,

inwendig geheel, van onderen tot boven, met freskoos overdekt. Daar

ontrolt zich, in half schemerachtige figuren, de gansche geschiedenis

des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Het is natuurlijk niet mogelijk, al deze schilderijen, waarvan de

waarde onderling zeer verschilt, te beschrijven; slechts op enkelen

wil ik wijzen. Ziehier, aan den wand rechts van het middenschip,

eene voorstelling van het Paradijs, met Christus in heerlijkheid

bovenaan en de Madonna, door engelen gedragen. Aan hunne voeten, de

machten en tronen en heerschappijen des hemels, spelende op allerlei

muziekinstrumenten; lager, de heilige maagden, martelaars en belijders,

de Pausen, bisschoppen, stichters van geestelijke orden, allen in de

extase der aanbidding. In de hoogte ademt alles de overweldigende macht

der onuitputtelijke, goddelijke liefde, die een stroom van vreugde

en zaligheid om zich verspreidt; beneden: het blijmoedig vertrouwen,

de zaligheid in hope der uitverkorenen. Ga niet vluchtig langs zulke

voorstellingen heen, want dan zult gij ze ziende niet zien: de diepe

zin, de innige inspiratie dezer verheven kunstwerken, gedichten in

kleuren, zullen u verborgen blijven. En toch, hoezeer verdienen zij

de volle aandacht, de ernstige liefdevolle studie, deze wondervolle

scheppingen van een tijd, waarin de kunst, met minder ophef en rumoer,

inderdaad vrij wat hooger plaats innam dan heden ten dage, en waarin

zij zelve gedragen en bezield werd door hooge idealen, door een zoo

verheven geest, dat al het gemeene als van zelf buiten hare sfeer viel.

Taddeo di Bartolo, de schepper van dit hemelsch visioen, heeft,

in het jaar 1393, op den tegenoverstaanden wand, als tegenhanger,

de Hel geschilderd, waarbij hij, blijkbaar geinspireerd door Dante,

aan zijne verbeelding den vrijen teugel heeft gevierd en een tafereel

ontworpen, wel geschikt om een machtigen indruk te maken. Ik ga de

verdere reeks der voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament

voorbij, maar mag de kerk niet verlaten zonder een blik geworpen

te hebben in de kapel van Santa-Fina in het rechter kruispand. De

naam van Santa-Fina is te San-Gimignano niet minder populair dan die

van Sinte-Catharina te Siënna. Reeds in de veertiende eeuw werden

haar bidkapellen toegewijd; het hospitaal harer geboortestad staat

onder hare bescherming, en haar beeld hervindt ge telkens op de

schilderijen. Haar moeder heette Impereria, haar vader Cambio de'

Ciardi. Hoewel uit adellijk bloed gesproten, kende zij reeds van

haar geboorte de ontberingen der armoede; toen hare moeder weduwe

geworden was, leefden de beide vrouwen van haar handenarbeid. Fina,

hoewel van zeldzame schoonheid, weerstond de verlokkingen der wereld,

en zocht haar kracht tegen verzoeking in onthouding, gebed, en stille

afzondering. Uitgeput door haar strenge boetedoeningen, werd zij

krank, en legde zich neder op een smalle plank, waarop zij zich niet

kon omkeeren. Na den dood harer moeder, werd zij nog losser van de

aarde, en kende geene andere vreugde dan den verborgen omgang der ziel

met haar hemelschen Bruidegom; twee weldadige vrouwen, Bonaventura,

haar geburinne, en Beldia, haar min, voorzagen in haar nooddruft. Op

haar armoedig sterfbed uitgestrekt, door de koorts verteerd, door

pijnen gefolterd, week de blijmoedige glimlach niet van haar gelaat,

hoewel haar uitgeput lichaam ten grave neigde. Naar de mythe zegt,

verscheen haar, acht dagen vóór haar dood, de Paus Sint-Gregorius,

die haar haar naderend uiteinde voorspelde. Op den 15den Maart 1253

ontsliep zij. Aanstonds ontloken bloemen rondom haar legerstede,

en begonnen de klokken der stad van zelve te luiden. Nog andere

wonderen, heet het, werden door haar kracht gewrocht: de burgers van

San-Gimignano verkozen haar tot hunne voorspraak; Sixtus IV vergunde

in 1481 de vereering van deze heilige; in 1538 werd de kanonisatie

nader bevestigd door Paulus III.

Negentien jaar na den dood van Fina, besloot de volksraad, ter harer

eere in de parochie eene kapel te stichten; dit plan, dat aanvankelijk

door den oorlog en andere rampen en verwikkelingen op den achtergrond

geraakte, kwam eerst in 1465 tot uitvoering. De prachtige en rijk

versierde kapel, door Giuliano de Mariano gebouwd, prijkt met twee

groote freskoos van de hand van Domenico Ghirlandajo, den beroemden

leermeester van Michel-Angelo. Deze beide schilderijen zijn ware

juweelen, uitmuntende zelfs te midden der rijke kunstschatten van

Toskane en Umbria. De eene stelt de Uitvaart van de heilige voor. De

bisschop komt de gebeden opzeggen; eene aandachtig luisterende

schare omringt hem. Op haar leger uitgestrekt ligt daar Fina, over

wier schoon gelaat een onbeschrijfelijk waas van jeugdige teederheid

en kinderlijke argeloosheid is verspreid; de gestorvene heft, door

een wonder, hare hand op, en schenkt aan haar min de gezondheid, en

aan een geestelijke het gezicht weder. Een engel roert de klokken in

den toren aan, die van zelve beginnen te luiden. Zielsrust, heilige

kalmte, dweepend geloof, ziedaar wat u tegenstraalt uit al de figuren

op deze verwonderlijke schilderij, waarop, zoo als de oude Pecori zegt,

"de heilige schijnt ingesluimerd aan den mond des Heeren."

De andere fresko verplaatst u in eene armoedige woning, een soort van

keuken, met huiselijk gereedschap en vaatwerk. Twee vrouwen zitten te

naaien: zij zijn hoogst eenvoudig gekleed, met groote boerinnemutsen

op het hoofd. Op den grond ligt Fina, die de oogen gericht houdt naar

een hoek van het vertrek, waar haar Sint-Gregorius verschijnt. De

eene vrouw, Bonaventura, heeft niets bespeurd; de andere, Beldia,

wendt zich half om en ziet de hemelsche verschijning: haar gelaat en

houding teekenen wel heiligen eerbied en bewondering, maar niet in het

minst verbazing. Weet zij niet, dat bij God alles mogelijk is, en dat

de nederigheid der woning voor Hem geen beletsel is voor de openbaring

zijner genade en heerlijkheid? Boven ziet ge een schaar van kleine

engelen, die de ziel der afgestorvene ten hemel voeren. De rustige

toon van het geheel draagt het zijne bij tot den diepen, weldadigen

indruk van dat nederig binnenhuis, waar hemelsche verschijningen en

wonderteekenen zich zoo geheel geleidelijk invoegen in het gewone,

alledaagsche leven, zoo natuurgetrouw weergegeven, dat ge nog heden

elk oogenblik het origineel daarvan vinden kunt. Deze naïeveteit,

deze treffende onbevangenheid, die het hoogste idealisme op de meest

eenvoudige wijze met de alledaagsche werkelijkheid weet te verbinden,

zonder dat ge iets van gaping, veel min van tegenstelling, gevoelt,

is het groote, onnavolgbare geheim der oude meesters, waardoor zij,

ook ondanks de gebreken en zwakheden der techniek, als kunstenaars

zoo uitnemend hoog staan.

Aan de kollegiale kerk van San-Gimignano hechten zich groote

herinneringen. Eugenius III en Bernard van Clairvaux hebben in deze

kerk de heilige dienst verricht. Sint-Bernardinus van Siënna hoeft

er gepredikt, zoowel als Felice Peretti, acht-en-dertig jaar voor

hij Paus Sixtus V werd. Maar de gedenkwaardigste predikatiën zijn

wel die, welke Girolamo Savonarola hier, in de vasten van 1484 en

1485, gehouden heeft. Hier heeft de onstuimige hervormer zijn eerste

manifest uitgevaardigd; hier met beslistheid den grooten strijd zijns

levens aanvaard; hier zette hij de eerste schreden op den weg, die

hem naar den brandstapel van 1498 voeren zou.

De kerk verlatende, staan wij als het ware te midden derzelfde

omgeving, die op de oude freskoos onze aandacht getrokken heeft. In

de adellijke wijken van San-Giovanni en San-Matteo hebben de gevels

der dusgenoemde paleizen allen dezelfde afmetingen: volgens een

keur van 1253, mocht de breedte aan de straat niet meer bedragen

dan omstreeks zes meter, terwijl voor de diepte der woning het

dubbele was toegestaan. Het paleis mocht, behalve de loggia,

niet meer dan twee verdiepingen hebben, met twee vensters, die

somwijlen in een zelfden boog waren saamgekoppeld; de vensterbogen

zijn halfrond of spits toeloopend; somwijlen ook vindt ge bogen in

moorschen stijl. De versierde lijsten der vensters zijn van baksteen,

dikwijls van verschillende kleur, en met eenvoudige arabesken en

relief. Doorgaans is het benedengedeelte der paleizen van gehouwen

steen, en de bovenverdieping van baksteen. Er waren twee deuren:

de eene voerde naar de vertrekken, de andere naar de loggia of open

galerij, op kolommen of pilasters rustende, waar de heer des huizes

zijne vrienden of beschermelingen placht te ontvangen.

Nevens ieder paleis verhief zich weleer een toren. Nog zijn de

overblijfselen van de meeste dier torens duidelijk kenbaar,

ook al is het dak over het overgeschoten stuk doorgetrokken,

al heeft men vensters in den muur gemaakt en den toren bij de

woning getrokken. Tegen het einde der zestiende eeuw stonden er nog

vijf-en-twintig torens overeind; thans zijn er nog dertien, zonder

de kerktorens mee te tellen, die er bijna eveneens uitzien. Deze

burchttorens zijn vierkant, van ongelijke hoogte, maar stout gebouwd,

en ondanks hun slanken vorm, indrukwekkend, om niet te zeggen drukkend

en somber. Zij dagteekenen allen uit de dagen der onafhankelijkheid,

dat is uit de drie eeuwen, volgende op het jaar duizend.

Het bezit van zulk een toren was een voorrecht van den adel, van de

hooge staatsambtenaren, en ook van de uitstekende mannen op het gebied

van letteren en wetenschappen. Geen enkele toren mocht boven de Rognosa

uitsteken; zij staan bijna allen binnen de eerste omwalling, rondom

de Piève en het Podesta, in de wijk van den adel. Aan de voorzijde

hebben zij eene kleine, lage deur; zij zijn van travertijnsteen gebouwd

en schijnen van verre uit één stuk gehouwen; de smalle langwerpige

vensters, zeer gering in aantal, zijn zonder orde aangebracht. Men

beklimt de torens met behulp van ladders, die van binnen op smalle

vloeren rusten; alleen de onderste verdiepingen worden bewoond. Sommige

paleizen, hoewel niet veel grooter dan de andere, onderscheiden zich

door hun bouwkundigen stijl. Uwe aandacht wordt getrokken door het

paleis der Vroedschap, door de casa der Borgheresi: vooral door de

woning der heeren Pesciolini. De architectuur is zoo rijk en zoo edel,

dat eene oude overlevering dit paleis tot de residentie maakt van

Desiderius den laatsten Koning der Lombarden, die in 759 de tweede

omwalling zou hebben gebouwd. Een marmeren opschrift vermeldt, sedert

eeuwen, dit feit, dat nochtans onjuist is: het paleis zelf is niet

ouder dan de veertiende eeuw.

Na een bezoek aan de ruïnen der oude citadel gebracht, en vervolgens

de geheele stad doorkruist te hebben, sloegen wij links de straat

della Costa in, en stonden eensklaps voor een dier steile paden,

die schier loodrecht naar beneden dalen. Wij lieten ons te eer

verlokken dit bijna halsbrekend pad te volgen, omdat het uitliep

op een monument, dat wij, dus van boven gezien, niet konden thuis

brengen. Weleer bezat San-Gimignano op zijn berg welhaast geen ander

water dan wat in regenbakken werd opgevangen; weldra werden eenige

beekjes en sprengen van de naburige heuvelen stadwaarts geleid,

en had men, buiten de poorten, een paar magere fonteinen. Maar de

vroedschap, die haar burgers had gelast, zich geregeld te baden,

was daarmede niet tevreden. Voor 1239 ontbood zij water van Cellole,

op een afstand van vier mijlen buiten de poort San-Matteo. In 1327

richtte de stad publieke baden op in het kwartier San-Matteo. Eene

keur van 1415 beveelt dat de mannen en knapen boven de zeven jaar

zich tusschen zondag en woensdag moeten baden; de andere dagen van

de week waren bestemd voor de vrouwen en meisjes. Er was niets wat

de aandacht van deze stedelijke regeering ontging.

Het monument, waarheen wij onze schreden richten, bevat de grootste

fontein en de waschkuipen der stad. Zes rondbogen, door zware

gedrongen pilaren gedragen, vormen twee kleine schepen, wier lijnen

weerspiegelen in een groote waschkuip; de eigenlijke fontein is door

een spitsbooggewelf overdekt. Uit de verte gezien, kunt gij u geen

rekenschap geven van den aard van het gebouw, dat in een diep ravijn

als verscholen ligt. De fontein ontvangt haar water in overvloed van

eene mild vloeiende spreng uit den aangrenzenden heuvel; ge vindt

daar altijd een zeker aantal vrouwen, die haar waterkruiken komen

vullen of bezig zijn met wasschen.

Als ge door deze stad wandelt, die met zoo zeldzame zuiverheid haar

antiek-middeleeuwsch karakter heeft bewaard; door deze straten,

waar schier geen enkele wanklank de stille melodie van den ouden tijd

verbreekt, dan zijt ge bijna geneigd, de weinig talrijke hedendaagsche

bewoners voor een anachronisme te houden; en onwillekeurig ziet ge

om u heen, of ge niet een groep dier edelen en burgers bespeurt,

wier beeld zoo getrouw is bewaard op de schilderijen in de kerken. En

zoo ge slechts eenige studie gemaakt hebt van het verleden dezer oude

republiek, dan herleeft zij weder geheel voor u, die middeleeuwsche

gemeente, demokratisch door haar oorsprong en inrichting, maar, in

tegenstelling met wat men heden demokratie noemt, zoo gansch en al

doortrokken van den echt-aristokratischen geest: ja, aristokratisch in

al hare neigingen en hartstochten, van de liefde voor het schoone tot

den dorst naar het oppergezag, hooghartig, fier, vrijheidlievend, maar

tevens edelmoedig en grootmoedig. Aan dien geest dankte de kleine stad

haar zeldzamen bloei, haar grootheid en macht, de rijke veelzijdige

ontwikkeling van haar leven. Die geduchte wallen, die zware torens,

die dreigende vestingwerken--ze weten allen te verhalen van bloedigen

kamp en wilde worsteling met de vijanden van buiten en van binnen;

maar onder de gewelven der kerken en binnen de muren der paleizen,

zongen de oude schilders der ziel hunne wonderzoete liederen van de

teederste en verhevenste mystiek. De inwoners hebben nog iets van dien

ouden grooten geest overgehouden: zij hebben hunne stad en hunne kerk

lief; nog heden, als in de schoone dagen van weleer, dragen hier de

scholieren het kerkelijk gewaad; en geene schennende naamsverandering

der oude straten en pleinen heeft tot dusverre vermocht, dien zin

van piëteit bij de burgers van San-Gimignano uit te dooven. Mogen

zij lang getrouw blijven aan hun roemrijk verleden!

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 71 / 92 题