III.

De straat, die wij waren ingereden, was zoo merkwaardig, dat wij,

om beter te kunnen zien, de kap van het rijtuig lieten neerslaan. Aan

de binnenzijde van de Sint-Janspoort, had men, in de veertiende eeuw,

tegen den muur boven den boog, eene Madonna in fresko geschilderd,

die, naar men verhaalde, het vermogen bezat om wonderen te doen. Ten

tijde van Savonarola oordeelde men het daarom gepast, dit beeld te

omvatten met eene kleine kerk, die boven op een grooten boog werd

gebouwd en in 1582, op onhandige wijze, werd gerestaureerd.

Aan het einde der straat gaat men onder een tweeden boog door,

een overblijfsel, naar men zegt, van eene oude poort, die deel

uitmaakte eener vroegere omwalling: is dit zoo, dan besloeg de

stad toen eene zeer kleine oppervlakte. De paleizen der edelen

verheffen zich bijna allen binnen dien kleinen omtrek, waartoe een

onregelmatig, heuvelachtig plein toegang geeft, dat met paleizen

in florentijnschen stijl is omzoomd en in het midden prijkt met

een waterput, in 1273 gemaakt en in 1346 vergroot door den podestà

Malevolti, wiens wapenschild nog op den put te zien is. De zware

pilaren, die de architraaf dragen en die architraaf zelf behooren

tot den oorspronkelijken bouw. Deze put, waaraan de Piazza haar naam

ontleent, getuigt van de zeldzaamheid van het water in een stad,

die op een steilen heuvel is gebouwd; daar de put honderdduizend kan

water bevat, had men vroeger een groote steenen kuip aangebracht voor

het geval van brand. Het water werd geput met bakken of emmers van

gebakken aarde, die het eigendom waren van enkele, in de nabijheid

wonende partikulieren, aan wie, bij verlies of beschadiging dier

emmers, van stadswege eene vergoeding van twee stuivers en vier

penningen voor iederen emmer werd betaald. De Cisterna doet eene

zeer goede uitwerking op dit onregelmatig driehoekige, sterk hellende

plein, omringd door paleizen van rooskleurigen baksteen en geelachtigen

steen. Onder die paleizen bemerkte ik het oude paleis der vroedschap of

Volkspaleis, dat een der meest antieke gebouwen is en uitmunt door den

strengen eenvoud van zijn stijl; daarnaast verheft zich de sierlijke

woning der familie Borgheresi. Aan de overzijde staat het paleis

der Cortesi; de zware toren, die hoog boven dat paleis uitsteekt,

is een oude burcht der Paltoncini, die er twee zoodanige bezaten;

de andere is in 1822 ingestort.

Dit plein grenst aan een ander, het plein der Collegiata, zeer

oneigenaardig thans del Duomo genoemd. Daar bevindt zich de eenige

locanda (herberg) van de geheele stad; zij is tegen het Volkspaleis

aangebouwd, tegenover de oude woning der Salvucci, en grenst aan den

gemoderniseerden gevel van de collegiale kerk. Terwijl de goede Madama

Giusti, padrona des huizes, ons ontbijt liet klaarmaken, verscheen

de dochter met het vreemdelingenboek, waarin zij ons verzocht te

teekenen. De laatste forestiere, die in deze locanda, waar wij den

19den Maart aankwamen, zijn intrek had genomen, was reeds op den

18den October vertrokken.

Wij hadden onze eerste schreden gericht naar de Collegiata, van

buiten ontsierd door trappen en een voorgevel van de achttiende eeuw;

maar het was niet mogelijk in de kerk te blijven, zoo overvol was

zij. Een Franciskaner-monnik stond op den preekstoel, en verkondigde

met groote levendigheid den lof van den H. Josef. Van tijd tot tijd

barstte zijn gehoor in lachen uit; eensklaps bracht hij het dan

weer tot bedaren door luide kreeten. "Ha ben gridato!" zeiden, in

stille bewondering, de contadini tot elkander. Deze goede monniken

doen hun best om de populariteit op te houden, die hier verzekerd

is aan alles wat aan Sint-Franciscus herinnert, sedert 1227, toen

het eerste klooster werd gesticht in de Via di Quercecchio, weinige

jaren na een bezoek van den grooten man zelven. De gemeente schonk

in 1242 landerijen buiten de Sint-Janspoort aan de Franciskanen;

het volk koos hen tot scheidsrechters, tot gezanten, tot kanseliers;

en toen in 1499 het algemeen kapittel der orde hier gehouden werd,

beijverden de magistraten zich om de afgevaardigden met den meest

mogelijken luister en eerbied te ontvangen.

Terwijl het volk naar de preek luisterde, wierpen wij een blik op het

zoogenaamde paleis van het Horloge, sedert het einde der dertiende

eeuw de residentie der podestà's. Twee bijzonderheden geven aan dit

paleis een eigenaardig karakter:--de een-en-vijftig el hooge toren,

de Rognosa genoemd, die ouder is dan het paleis;--en eene lage, ruime,

donkere, gewelfde zaal, van oploopende zitplaatsen omringd en die

door middel van een geweldigen portone op straat uitkomt. Dit hol,

zooals men die sombere ruimte bijna noemen kan, is nooit door eene

deur afgesloten geweest; volgens sommigen werd hier rechtzitting

gehouden. Het paleis werd in 1337 vergroot en van boven van eene

loggia voorzien, waarvan de bogen thans dichtgemetseld zijn, en waar

de magistraten openlijk met hunne waardigheid bekleed werden.

Tusschen de Rognosa en een anderen, misschien nog ouderen toren,

staat een smal huis, met spitsboogvensters, dat vroeger tot het oude

paleis van den podestà moet hebben behoord, en dat omstreeks 1340

met twee verdiepingen werd verhoogd. Deze bijzonderheid bewijst dat

dit huis, thans een koffiehuis, destijds niet het eigendom was van

partikulieren. Immers de vroedschap bepaalde met volstrekt gezag het

aantal kamers en verdiepingen, zoowel als de hoogte der torens en de

breedte der paleizen. Voor het niet zeldzame geval van straatgevechten

en bestorming der huizen, was het billijk, dat de partijen elkander

met gelijke wapenen bestreden.

Toen, na de vereeniging met Florence, de vroedschap niet langer het

souverein gezag bezat, vestigden de podestà's hunne residentie

naast de kerk in het nieuwe Volkspaleis; het oude werd toen

bestemd tot woning voor aanzienlijke vreemdelingen en voor sommige

staatsambtenaren. Tijdens het woeden der pest in 1420 en in 1464,

woonden Domenico Capponi en Lucca Pitti tijdelijk in dit paleis. Later

diende het voor kanselarij, en werd ook gebruikt voor de openbare

scholen, reeds in 1279 georganiseerd, en waartoe ook eene universiteit

behoorde, door Domenico Mainardi gesticht. Later hield het gilde der

wolwerkers hier zijne zittingen; sedert 1537 diende de groote zaal

tot theater, en het gebouw werd al spoedig wat het nog heden is:

een schouwburg.

Ter linkerzijde van het plein, tusschen de kollegiale kerk en

l'Orologio, staat het Palazzo del Commune, of del Popolo, of ook del

Nuovo Podestà, gebouwd in 1288, toen de burgers van San-Gimignano,

in het volle bewustzijn hunner macht, wilden dat hunne overheden

en vertegenwoordigers in een gebouw zouden zetelen, hunner en der

republiek volkomen waardig. In 1323 wilden de Negen, die, ten gevolge

van moeilijkheden met het kapittel, niet langer de klok der kerk

gebruikten om de leden van hun raad ter vergadering op te roepen,

het gemeentehuis met een toren begiftigen, die al de andere zou

overtreffen. Die toren is ruim drie-en-vijftig el hoog; zij hingen

er drie klokken in, waarvan de grootste, die het jaartal 1328 draagt,

door de gebroeders Riciardo en Francesco, van Florence, werd gegoten.

De massieve toren, van gehouwen steen opgetrokken, heeft van onderen

een overwelfden doorgang, vensters op iedere verdieping, en van boven

eene uitstekende galerij. Talrijke wapenschilden versieren den toren,

krachtens eene ordonnantie van de Negen, waarbij aan al de hoofden der

adellijke familiën een schatting van driehonderd pond werd opgelegd,

waarvoor hun het voorrecht werd toegekend om hun wapenschild aan den

toren op te hangen. Op de binnenplaats van het paleis, die met de

wapenschilden der podestà's, basreliefs en een bekoorlijke kleine

fresko prijkt, bevindt zich een groote waterput, in 1360 gemaakt,

en daarnevens een monumentale trap; het geheel doet u denken aan de

binnenplaats van het Bargello te Florence. Aan den voet van dien trap

werden de twee gebroeders Ardinghelli en Angelo Bartoli onthoofd.

De bovenverdieping van het paleis bevatte het pretorio of gerechtshof,

uitkomende op eene loggia, die nog bestaat, en waartoe de groote trap

van de binnenplaats toegang gaf. De groote zaal, waar de Negen zitting

hielden en de volksvergaderingen plaats grepen, stond door een vrij

hoogen stoep rechtstreeks met de Piazza in gemeenschap. Deze zaal,

die de geheele benedenverdieping inneemt, is zeer ruim en treurig

vervallen, maar heeft toch nog haar karakter behouden. Zij is

tegenwoordig tot museum ingericht.

Vooral in deze zaal vertoont zich de grootheid dezer kleine republiek

in een zeer eigenaardig licht. Vroeger waren de voornaamste feiten

harer historie op de wanden dezer zaal afgebeeld; van die schilderijen

is niet veel meer overgebleven dan het overschot eener Jacht; verder

eenige figuren van beroemde mannen, onder anderen Scolaro Ardinghelli,

aartsbisschop van Tyrus; en eindelijk een reusachtige fresko,

voorstellende de Madonna op een troon, omringd door acht-en-twintig

meer dan levensgroote beelden van engelen en heiligen. Aan de voeten

der Madonna ligt Mino de Tolomei geknield, die in de eerste jaren

der veertiende eeuw podestà was. Een troonhemel, waarvan de draperie

door engelen wordt opgehouden, overschaduwt de hoofdfiguur; op dien

troonhemel is het wapen der Tolomei, vier wassenaren, geschilderd,

benevens het wapenschild der gemeente. Deze voortreffelijke fresko

is het meesterwerk van Lippo Memmi.

De oploopende zitplaatsen rondom de zaal waren bestemd voor de prioren

met hun priposto (provoost, voorzitter) en hun gonfaloniere; voor hen

zaten de hoofdmannen van de welfische partij met hun gonfaloniere; ter

wederzijde de rechters, de griffiers, de voormannen der gilden. Allen

moesten hier verschijnen, gekleed met de tuniek en kap, of met een

mantel "decentemente colorati." De houten zetel of pulpitto der

priposti is een der oudste, die men kent: het is een vijfhoekig

gestoelte, vrij smal in verhouding tot zijn hoogte, sober versierd

en door pilasters omringd. In deze zelfde zaal was het, dat Dante,

op 8 Mei 1299, de zaak van het welfische verbond bepleitte.

In 1853 bepaalde de stedelijke regeering, dat de schoone schilderijen,

in de kerken en kloosters der stad verspreid, in deze zaal

zouden worden bijeengebracht en gerangschikt, ten bewijze van den

kunstzin der voorgeslachten. Men vindt hier een honderdtal doeken,

waaronder dertig zeldzame en minstens vijftien meesterstukken. Eene

beschrijving beteekent niets, voor wie de stukken zelven niet zag:

te minder, daar in de schilderijen van dien tijd de afwisseling

wordt gemist, waarop onze tijd roem pleegt te dragen, en waarin zij

vergoeding wil zoeken voor hetgeen haar ten eenenmale ontbreekt: de

onuitsprekelijke bezieling, de innigheid, de extase van de waarlijk

geloovige kunstenaars, voor wie het hoogste ideaal werkelijkheid,

de kunst inderdaad eene Godsvereering was. Ik zal mij daarom bepalen

tot het opnoemen der namen van eenige beroemde meesters, van wie hier

werken gevonden worden: Taddeo di Bartolo; Lorenzo Nicolo van Florence,

wiens schilderijen zeer zeldzaam zijn, en van wien hier een tryptiek te

zien is; Domenico Ghirlandajo, de meester van Michel-Angelo; Vicenzo

Tamagni, een der beroemdste leerlingen en medewerkers van Rafael,

onder den naam van Vincent van San-Gimignano. Het juweel der galerij

is waarschijnlijk een schilderij van Pinturicchio, afkomstig uit

het oude klooster van Montoliveto. De Madonna zweeft te midden van

een grooten ovalen nimbus, geheel met kleine engeltjes gestoffeerd,

ter rechter- en ter linkerzijde liggen een Paus en een gemyterde abt

geknield; de achtergrond vertoont een met groot talent gekomponeerd

toskaansch landschap.

De Stad met de schoone torens, zoo als San-Gimignano genoemd werd,

heeft het levenslicht geschonken aan een aantal dichters, kunstenaars,

prelaten, krijgshoofden, gezanten, geleerden, die in hun tijd mede

een zitplaats hebben ingenomen in dezen salone, waar nu de kunst

alleen heerscht. De geleerde Paolo Cortèse, bisschop van Urbino, wiens

geschriften door niemand minder dan Poliziano met lof worden vermeld,

en zijn broeder Alessandro, waren van San-Gimignano geboortig. Coppo

Coppi, de Nestor der toskaansche dichters, aanschouwde op dezen heuvel

het levenslicht. Mattia Lupi, de Vergilius van zijne vaderstad, die

in 1463 de Annales Geminianenses, een soort van Eneïde in verzen,

voltooide, genoot bij zijn medeburgers zoo hooge achting dat zij hem

vrijstelden van alle belastingen. Cherubino Quarquagli, een luimig

dichter; Onofrio, wiens borstbeeld in de Collegiata prijkt; Vicenzo

de' Cetti, Giulio de Noris, Bartolommeo Nerucci, die een kommentaar

op de Divina Comedia geschreven heeft; Filippo Bonaccorsi, bijgenaamd

Callimaco, de vriend van Campano en Platina, en een der beroemdste

geschiedschrijvers van Italië, waren allen mede van San-Gimignano

afkomstig.

De familie Cattani mocht er roem op dragen, aan de Kerk een heilige te

hebben geschonken: Sint-Pieter-Martelaar, van de orde der Predikheeren,

die door Sint-Franciscus van Assisi tot priester werd gewijd en naar

Afrika gezonden om het Evangelie te verkondigen, waar hij in 1220

in Marokko werd ter dood gebracht. Ook Santa-Fina, hier niet minder

populair dan Sinte-Catharina te Siënna, werd te San-Gimignano geboren.

Van de schilders, die hier het levenslicht zagen, noem ik er voorloopig

slechts twee: Poccetti (Bernardino Barbaselli) in 1548 geboren

en leerling van Micaele di Rodolfo del Ghirlandajo; en Sebastiano

Mainardi, afstammeling uit een oud adellijk geslacht, dat een aantal

uitstekende mannen heeft voortgebracht. Mainairdi was de geliefkoosde

leerling en vervolgens de medearbeider van Domenico Ghirlandajo,

met wien hij onder anderen aan de prachtige freskoos in de koorkapel

van Santa-Maria-Novella te Florence werkte. Maar zijne voornaamste

en beste werken bevinden zich in zijn vaderstad San-Gimignano, en

met name in de hoofdkerk, oneigenlijk de Domkerk genoemd.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 70 / 92 题