V.

San-Gimignano verlatende, toog ik westwaarts naar de dusgenoemde

Maremma van Toskane: eene dorre, onbebouwde streek, weinig bevolkt, met

geen anderen plantengroei dan enkele boschjes van verschrompelde boomen

met grijskleurige bladeren. Voortdurend steeg de weg; San-Gimignano

zonk achter mij in de diepte; ton westen verhieven zich vrij hooge

bergen, waarboven, aan den gezichteinder, een kegelvormige top uitstak,

met rechtlijnige muren bekroond. Die hooge berg stond daar immer

voor ons, terwijl wij in breede kringen, over den kam der heuvelen,

de woestijn doortrokken; eindelijk, toen wij den top vlak tegenover

ons zagen, wees de koetsier met zijn zweep naar dit, den ganschen

omtrek beheerschend punt, en sprak: "Eccò lassù Volterra!"

Het rijtuig keerde en wij reden recht op de stad aan over een hoogen

rug, als een natuurlijke brug, dwars door de cirkelvormige vallei. Om

de oude etrurische hoofdstad te bereiken, werden nog twee paarden voor

ons rijtuig gespannen: en nu ging het voorwaarts, omhoog langs het

steile pad, terwijl wij nederblikten aan den gapenden afgrond nevens

ons, waarvan wij slechts door een houten leuning gescheiden waren.

Vlak aan den ingang van Volterra bevindt zich de herberg, op een terras

gebouwd, van waar men de Maremma overziet; van deze piazzetta gaat eene

smalle straat uit, die naar het hart der stad voert. Terwijl men bezig

was de bagage af te laden, ging ik, verleid door de avondschemering,

die nauwe straat in; na een paar donkere, tusschen hooge zwarte muren

ingesloten steegjes te zijn langs gaan, zag ik een in grootschen stijl

aangelegd plein, en stak dat over, in de hoop nu een meer levendiger

wijk te zullen bereiken. Geen enkele winkel was verlicht; de koude

wind, die op deze hoogte woei, had alle wandelaars van de straat

gejaagd; zelfs geen bedelaar was te bespeuren in deze uitgestorven

stad, waar de eenzaamheid een zoo veel akeliger indruk maakte dan

op het open veld. Spoedig keerde ik naar de herberg, de locanda,

de Unione, terug.

Volgens de reisboeken, hebben de vreemdelingen de keus tusschen

twee evenzeer beroemde ciceroni: het ongeluk wil echter dat beiden

een winkel hebben te Florence, waar zij drie vierden van het jaar

doorbrengen, zoodat zij hunne reputatie, die hun klanten bezorgt,

gemakkelijk genoeg verdienen. Daar zij ook nu afwezig waren, zond men

ons, reeds in den vroegen ochtend, het zoontje van een hunner, een

dommen knaap, van wien wij geen woord konden verstaan. Wij moesten

hem met eenige baïocchi wegzenden; en daar dit geschiedde juist

toen de winkels werden geopend, spreekt het van zelf dat eene zoo

ongewone gebeurtenis de algemeene aandacht trok. Een kapper en eene

banketbakster verwijderden de bedelaars, en beduidden ons dat wij den

concierge van het museum als gids moesten nemen. Aanstonds liepen een

dozijn jongens weg, om hem te halen; en weldra verscheen de custode in

de gedaante van een kleinen, glimlachenden grijsaard; zijne meer dan

verwaarloosde, boersche kleeding, waarvan de tallooze vlekken de vele

dienstjaren bewezen, zag er bijzonder armoedig uit: trouwens, hij was

gekleed, zoo als bijna iedereen van drie vierden van Italië. De jonge

meisjes zijn koket en opgeschikt, de oudere vrouwen en alle mannen

gaan bijna in lompen; de nationale kleederdrachten zijn verdwenen;

de zucht voor schelle kleuren is nog algemeen, hoewel die kleuren

door ouderdom dikwerf haar glans verloren hebben en verschoten zijn.

Het plein van het openbare Paleis (Palazzo publico), waar ge de

bibliotheek en de musea vindt, doet u meer aan Siënna dan aan Florence

denken; maar het plein is kompleet, en van zoo eigenaardig karakter,

dat het op geen ander gelijkt. Tegenover de musea, paleizen van de

dertiende eeuw, met drie rijen spitsboogvensters ongelijk verdeeld

en hier en daar verspreid, verrijst het Paleis van justitie, in de

veertiende eeuw gebouwd. De gekanteelde toren verheft zich hoog boven

den evenzeer gekanteelden toren van het Municipio. Aan de hoeken van

dit laatste gebouw staan, op voetstukken, twee marmeren leeuwen. Een

derde paleis, niet minder oud, de Uffizio postale, verrijst tegenover

den met wit en zwart marmer bekleeden ingang van eene der kapellen

van de hoofdkerk. In den gevel van het Palazzo publico, even als in

het voorhuis, ziet ge de wapenschilden van de oude consuls en van de

heerlijkheden, die aan deze kleine republiek onderhoorig waren, voor

zij zelve onder het gezag kwam van Florence. Deze veelkeurige gordel

van blazoenen schenkt leven en toon aan het sombere monument. Elk van

deze wapenschilden is eene herinnering aan eene adellijke familie,

wier geheimzinnige geschiedenis deze oude muren zouden kunnen

verhalen. In de bibliotheek en in de zaal der gesneden steenen heeft

men nog enkele overblijfsels uit dien tijd bewaard: onder anderen zes

bruidskoffers, met basreliefs in ivoor versierd, uit de dertiende eeuw;

twee bisschopsstaven uit denzelfden tijd, en twee vazen van gebakken

aarde, uit de vijftiende eeuw.

In de zaal der gesneden steenen bevinden zich eenige voorwerpen,

in vergelijking waarvan de vier à vijf eeuwen oude freskoos der zaal

modern schijnen. Die kleine glazen flesschen, met gouden arabesken

doorslingerd, hoe zijn die vervaardigd? Reeds de Romeinen wisten

daarop geen antwoord meer te geven. Het zijn zwarte vazen, bronzen

voorwerpen, werktuigen, die voor een of ander onbekend doel werden

gebruikt; zeldzaamheden, waarbij een kleine Mercurius, in zuiver

griekschen stijl, bijna eene nieuwerwetsche schepping schijnt. Eene

eenige verzameling is die van de etrurische munten, van de grootste

asse, waarop een dolfijn is afgebeeld en die den etrurischen naam

van Volterra (Velathri) draagt, tot de kleinste stukjes. Er zijn in

het geheel zes-en-dertig stukken, van verschillenden vorm: de meesten

vertoonen een hoofd, dikwijls met een dubbel voorhoofd.

Het gezicht dezer penningen voert eensklaps de verbeelding terug naar

de oudste tijden, naar dat onbekende volk, dat vóór de Romeinen in

Toskane heerschte, waarvan de taal en de geschiedenis ons tot heden

verborgen zijn, maar dat in eene menigte monumenten de sporen van

zijn bestaan en van eene onbekende beschaving heeft nagelaten.

Na een leven van zooveel duizend jaar, dankt Volterra haar roem juist

aan die overoude tijden. Deze stad, een der twaalf lucumoniën van de

Tyrrheensche confederatie, door Ptolomeus in de derde plaats genoemd,

is een der vijf steden, die, volgens het bericht van Dionysius

van Halicarnassus, de wapenen hebben opgenomen om den aanval der

Tarquiniussen af te slaan. Door onderscheidene staten van Latium

gescheiden, beveiligd door haar ongenaakbare ligging, wist deze

oude bondgenoote van Porsenna langen tijd hare onafhankelijkheid

tegenover de Romeinen te handhaven, en haar zeer uitgestrekt

gebied, dat tot Vetulonia reikte, te doen eerbiedigen. In het jaar

456 na Rome's stichting drong Cornelius Scipio Barbatus diep in

centraal Etrurië door, en leverde in de onmiddellijke nabijheid van

Volterra een bloedigen veldslag, die twee dagen duurde, en waarbij de

overwinning toch onbeslist bleef. In de volgende eeuw werd de vesting

met storm genomen, en wel vóór het jaar 547; want toen de kleinzoon

van Cornelius Scipio, in dat jaar, van de etrurische steden bijdragen

vorderde voor de uitrusting der vloot, die Carthago moest aantasten,

gaf Volterra koren en was. Voortaan ingelijfd bij een der zestien

landelijke stammen, die de eerste territoriale verdeeling van den

romeinschen staat vormden, werd Volterra, dat, volgens Fabretti,

tot de Sabatina behoorde, eene provinciestad.

Romeinsche burgers geworden, behielden de inwoners van Volterra niet

vele van hunne zoo duur gekochte rechten; tijdens den burgeroorlog

tusschen Marius en Sylla, kozen zij de partij van eerstgenoemde,

hetgeen hun een aanval van Sylla op den hals haalde; na eene

langdurige belegering moest de stad zich overgeven, waarop de

muren werden geslecht, de voornaamste gebouwen in de asch gelegd,

de aloude vrijheden vernietigd en de landerijen der burgers onder

de soldaten van den dictator verdeeld. Eenigen tijd daarna werd de

stad eene der militaire koloniën van Caesar; onder Augustus werd

zij weder herbouwd, verfraaid en van muren omringd, die nog bestaan;

vervolgens deelde Volterra voortaan in de algemeene lotgevallen van

het romeinsche rijk. Van dit tijdvak zijn intusschen weinig sporen

overgebleven. Zie om u heen, delf in den grond: alles spreekt u van de

tijden der Etruriërs, bijna niets van de romeinsche periode. In deze

streken, waar het verleden met een ondoordringbaren sluier bedekt

blijft, in het oude Etrurië, waar nog zoo vele gedenkteekenen zijn

overgebleven eener maatschappij, waarvan wij zoo weinig weten, eener

taal, die wij ontcijferen zonder haar te verstaan,--zijn gedurende

het romeinsche tijdvak twee beroemde mannen opgestaan: Linus, de

zoon van Herculanus, de opvolger van Sint-Pieter op den romeinschen

bisschopszetel, van wiens leven wij verder niets weten; en Aulus

Persius Flaccus, de satirendichter, wiens werk meermalen duister is,

en die sedert eeuwen het geduld en de wetenschap der commentatoren

op de proef heeft gesteld.

In de benedenverdieping van het Volkspaleis zijn negen zalen gevuld

met kunstwerken, sedert het jaar 1731 uit de etrurische graven te

voorschijn gebracht. Beelden, sieraden, gereedschappen, vazen, maar

vooral kleine sarkophagen, van marmer, maar meest van albast, en met

basreliefs bedekt, vormen te zamen eene geheel eenige verzameling,

die niet minder dan zevenhonderd dertig nommers telt. De opschriften

zijn talrijk: van de rechter- naar de linkerhand lezende, kan men

eenige eigennamen ontcijferen, maar dat is ook alles.

Over de afkomst van het oude volk der Etruriërs of Etrusken hangt

nog altijd een sluier; naar de getuigenis der meeste oude schrijvers

zouden zij uit Klein-Azië afkomstig en met de Pelasgers verwant zijn;

en de nieuwste nasporingen hebben althans, mijns inziens, niets aan

het licht gebracht, wat met deze hypothese in strijd is.--Noël des

Vergers, bijna de eenige die de begraafplaatsen in de verschillende

provinciën van Etrurië volledig heeft onderzocht, merkt op dat men

in de zuidelijke streken bijna geen andere dan groote sarkophagen

vindt, bestemd om het lijk te ontvangen; terwijl meer noordwaarts deze

sarkophagen, meer versierd en kunstiger bearbeid, eigenlijk niet meer

zijn dan koffertjes, waarin de asch der overledenen werd bewaard. Tot

deze laatste kategorie behooren de sarkophagen van Volterra, die op

de voorzijde beeldwerken van hoogrelief vertoonen, en op het deksel,

de afbeelding van den overledene in slapende houding. De zes oudste

van deze sarkophagen zijn van gebakken aarde, en zonder bas-reliefs;

de meeste anderen zijn van albast; enkelen, van marmer, hebben in

het midden rozen of roosvormige bloemen, waarvan de meeldraden de

levensjaren van den overledene aanwijzen: deze bedoeling valt ligt

te raden: bij de portretten van jongelieden of kinderen vindt men

eenvoudige eglantinen; bij die van bejaarden en grijsaards, volle

honderdbladerige rozen. Men vindt hier eene reeks sarkophagen van de

Caecinae (Ceicna), een der oudste en doorluchtigste geslachten van

Etrurië, dat later eene eerste plaats bekleedde onder den romeinschen

adel, en de middeleeuwen door heeft voortgebloeid, tot nu voor

vijf-en-zeventig jaren de laatste afstammeling ten grave daalde. Een

der Caecinae heeft een apex in de hand: het teeken der priesterlijke

waardigheid.--Somwijlen stellen de bas-reliefs begrafenisplechtigheden

voor: de overledene wordt weggevoerd op een met twee paarden bespannen

wagen, terwijl de bloedverwanten en vrienden den stoet volgen. Op

sommige sarkophagen ziet men een begrafenisstoet, overeenkomende met

dien der Grieken; muziekanten, met reusachtige gebogen trompetten

voorzien, gaan voor den lijkwagen uit, die door vier paarden wordt

getrokken. Zeer dikwijls zijn offerplechtighedon afgebeeld; voor het

overige is de stof voor de meeste bas-reliefs ontleend aan de verhalen

van de Ilias en de Odyssea.--De liggende beeldjes op het deksel houden

doorgaans een of ander voorwerp in de hand: een papaver, een lotusblad,

een apex, een bal, een flabellum, een wiel enz.--Voorstellingen aan

den trojaanschen oorlog ontleend, zijn op de etrurische sarkophagen

zeer gewoon. Vooral werd mijne aandacht getrokken door een sarkophaag,

waarop het beleg der stad was afgebeeld; bijzonder trof mij hier het

karakter van realiteit dat de beeldhouwer aan den achtergrond van

zijn tafreel had weten te geven: de muren der stad met haar citadel,

een weg, die naar de hoofdpoort leidt, enz.... Die poort zelf, in

oud-tyrrheenschen stijl, met een menschenhoofd aan den sluitsteen, en

twee andere aan de uiteinden van den boog, had, met den muur, waarin

zij gevat was, iets zoo karakteristieks, dat men onwillekeurig den

indruk kreeg, hier eene kopie naar de natuur voor zich te hebben. Onze

custode vestigde bijzonder onze aandacht op dit bas-relief, gaf er

ons eene verklaring van, en vermaande ons, het niet te vergeten.

Nadat wij het Paleis verlaten hadden, voerde hij ons door eene kromme,

met zerken geplaveide straat, zoo steil, dat men gevaar loopt, uit

te glijden; zij voert naar eene kleine poort, begrensd door een muur,

uit kolossale steenen zonder cement opgetrokken. Wij gingen het gewelf

door, en volgden eenige oogenblikken een hellend pad, dat om de oude

vesting heenloopt. Daar verzocht onze gids ons om te keeren, en tot

onze onuitsprekelijke verbazing, zagen wij eensklaps de muren en de

poort van Iluwa, zoo als wij die straks op het etrurisch bas-relief

van het museum hadden aanschouwd. Dit is de Porta dell' Arco, een der

oudste monumenten van Etrurië, waarvan de oorsprong zich verliest in

den nacht der tijden. De bekwaamste archeologen hebben de kenmerken

van den oud-etrurischen stijl herkend aan deze poort, die misschien

sedert vijf-en-twintig eeuwen niet van bestemming is veranderd, en die

is afgebeeld op graftomben, die zelven opklimmen tot een tijd, waarvan

geen jaarboeken de heugenis bewaren. Uit rechthoekige steenblokken

opgetrokken, bestaat de boog uit negentien gehouwen steenen; de twee

benedenste en de sluitsteen prijken met menschenhoofden, in hoog

relief, die door den tijd eenigszins gesleten zijn.

Wij volgden een poos de oude muren, overal langs den rand van den

afgrond gebouwd, en die dikwijls zeer laag moeten afdalen om een

vast steunpunt te vinden: de stad schijnt als gedragen in een korf,

die op een hoog voetstuk rust. Deze omwalling is tegenwoordig voor

Volterra te ruim. Verschillende tijdvakken hebben hier hunne sporen

achtergelaten; maar men vergeet de restauraties van Augustus, en

zelfs de geduchte citadel, in 1343 door Gaulthier de Brienne gebouwd,

bij het gezicht der ontzagwekkende materialen die de Etruriërs hebben

moeten bewerken en naar deze hoogte opvoeren, toen zij die geweldige

muren bouwden, die het werk van titans schijnen. Die gordel van

rotsen, symmetrisch door menschenhanden saamgevoegd, draagt op eene

oppervlakte van dertig el lengte en twaalf el hoogte, het bebouwde

terras van het oude klooster van Santa-Chiara. Langs den voet dezer

cyclopische wallen loopt een smal voetpad, dat door de wortels der

boomen wordt bijeengehouden, en dat u vergunt van nabij die zonder

cement, regelmatig op elkander gestapelde steenklompen te beschouwen:

sommige blokken zijn drie el hoog en zes el lang. De steen is een

groenachtig grijze, kalkachtige tufsteen, die zeer hard en dus zeer

zwaar is, en die fossiele overblijfselen bevat. De inwoners verzekeren

de vreemdelingen, dat die reuzenmuren gebouwd zijn met steenen, die

niet in het land zelf gevonden worden: dit is eene dwaling; maar een

feit is het, dat men die steenklompen zeshonderd ellen hoog heeft

moeten opvoeren, om ze te kunnen opeenstapelen.

Onze oude custode, die ons niet meer verliet en blijkbaar met zijn

rol als gids zeer was ingenomen, geleidde ons, langs den weg van

Pontederra, naar eene kapel, ter halver hoogte op een heuvel, aan den

voet der stad gebouwd. Aan den ingang van een klein klooster, bevindt

een door een kerk gesloten poort, die twee kapellen scheidt: de eene

toegewijd aan Sinte-Flora, de andere aan Sint-Hieronymus. Boven elk der

beide altaren prijkt een meesterstuk der gebroeders della Robbia: een

Laatste Oordeel van Andrea della Robbia, en een Sint-Franciscus, aan

een monnik en aan eene non zijne orde-regelen gevende, van Luca. Deze

kapel behoort aan de Inghirami en ligt aan den bovenrand eener helling,

waar zij sedert meer dan tweeduizend jaar hunne bezitting hebben,

die van vader op zoon is overgegaan; hunne etrurische graven zijn

hier onder den grond gevonden, dragende dien naam, die het romeinsche

rijk en de republieken der middeleeuwen heeft overleefd. Aan den

ingang van deze bezitting--eene villa met pachthoeven, die eene oasis

vormt te midden dezer wildernis van naakte bergen en ravijnen,--heeft

Luigi Inghirami een soort van kapel opgericht: in de nis prijkt eene

florentijnsche Madonna in bas-relief, die het Kind in de armen houdt;

boven de groep blazen engelen op de bazuinen. Dit beeldwerk, dat het

jaartal 1536 draagt, zou, naar men zegt, van Michel-Angelo zijn.

Doch het was niet zoozeer te doen om den ouden grafkelder der

Inghirami, in vier kamers verdeeld, die een latijnsch kruis vormen

en marmeren sarkophagen bevatten uit romeinschen tijd, als wel om

eene andere grafkamer, van zuiver etrurischen oorsprong, en die,

in 1861 eerst ontdekt, nog zeer weinig bekend is. Even als de

oostersche volken en de Egyptenaars, groeven de Tyrrheniërs in

de rots familiegraven, die van buiten aan niets kenbaar waren, en

waarheen een verborgen onderaardsche gang voerde. Bij toeval werd,

toen men bezig was te graven voor de fondamenten van een muur, de

ingang ontdekt; de Inghirami hebben dien ingang doen herstellen en

met eene deur afgesloten. De tuinmansvrouw van de villa, eene stevige

contadina, kon niet dan met groote moeite den langen, zwaren grendel

verschuiven, en moest zich nog meer inspannen om het slot te openen,

dat sedert zeven maanden gesloten was. Een groote, rechtopstaande

steen verborg weleer een smallen gang, waardoor men langs in de rots

uitgehouwen trappen, naar den grafkelder afdaalde. Gij komt aan eene

ronde zaal, mede in den tufsteen uitgehouwen, en waarvan het gewelf

in het midden door een pilaar gedragen wordt. Rondom dien pilaar en in

het rond langs de wanden zijn amphitheatersgewijze twee rijen trappen

aangebracht, allen uit denzelfden steen gehouwen. Op die trappen

staan negen-en-veertig sarkophagen, van zestig tot vijf-en-tachtig

duim lang, waarin vroeger de asch der gestorvenen werd bewaard en

vele dier vrouwelijke sieraden, welke door de afstammelingen dezer

etrurische dames thans in de villa zijn bijeengebracht. Een aan het

gewelf bevestigde koperen stang diende om een lamp op te hangen,

die bewaard is gebleven.

De sarkophagen zijn bijna allen van albast, versierd met sterk

vooruitkomende bas-reliefs in griekschen stijl, en ontleend aan de

Ilias. De liggende figuren op de deksels staan in kunstwaarde beneden

de bas-reliefs. De gedrapeerde beelden dragen diademen, somwijlen een

wollen halsband en gordels: deze sieraden zijn dikwijls verguld. Op

een dezer monumenten vindt men wederom de Porta dell' Arco, zoo als

zij er nog heden uitziet.--Met een eigenaardige gewaarwording staart

ge, bij het licht der fakkels, deze sarkophagen aan, die sedert meer

dan twintig eeuwen in den schoot der aarde zijn verborgen. Welke

raadselen bevatten zij, tot welker oplossing ook de scherpzinnigste

kritiek nog geen enkelen draad gevonden heeft. Dat ge hier romeinsche

kleederdrachten, huisraad, gebruiken wedervindt, brengt u niet op

den weg, want de Romeinen hebben die voor het meerendeel aan de

Etruriërs ontleend. Wij weten uit Silius Italicus, dat de twaalf

lictoren, de consuls met hunne bijlbundels, de vorm der curulische

gestoelten, de koperen trompetten en zelfs de purperen rand, die

de toga der magistraten omzoomde, van Vetulonia, nabij Volterra,

afkomstig waren. Datzelfde geldt van den kothurn, uit Lydië afkomstig,

en van de sieraden en tooisels der vrouwen. De Etruriërs hebben aan

de Romeinen de kunst geleerd, om de jaarboeken hunner geschiedenis

te schrijven; in elke stad bezaten zij eene verzameling van hunne

kronieken, van hunne wetten, hunne godsdienstplechtigheden: en toch,

zonderling noodlot! dit volk, wier taal nog ten tijde van Claudius door

de advokaten te Rome gesproken werd, is bijna het eenige, van wiens

bestaan geen enkel geschreven document getuigt. Hoogstens kunnen wij,

in hunne geschriften, eenige namen ontcijferen, maar verder kunnen

wij niets te weten komen, noch van hen, noch van hun tijd.

Ware het niet zoo koud geweest, dan had ik met genoegen nog

eenigen tijd blijven ronddwalen door deze zonderlinge stad, zoo vol

geheimenissen. Welke vragen doen zich hier op, die zonder antwoord

blijven! Trouwens de eenmaal zelfstandige republiek verloor hare

onafhankelijkheid reeds in 1254, en hare autonomie in 1361, toen

zij zich geheel aan Florence overgaf, dat reeds honderd-zeventig

jaar te voren de stad ingenomen, en haar sedert niet met rust

gelaten had. Sommige kerken zijn meer gemoderniseerd geworden dan

de woningen der menschen; zij bevatten eenige schilderijen van

niet buitengewone waarde. De kathedraal is in dit opzicht rijker

voorzien. Haar voorgevel in peperijnsteen, uit de dertiende eeuw,

versierd met een fraaien, wit marmeren ingang, gaat door voor het

werk van Nicolaas van Pisa. Men vindt hier een aantal schilderijen,

waaronder zeer fraaie, van Dominichino, Marietto Albertinelli, Luca

Signorelli, Taddeo di Bartolo, Guido Reni, Filippo Lippi, Daniel van

Volterra, Benozzo Gozzoli en anderen. De preekstoel heeft bas-reliefs

uit de twaalfde eeuw, die veel overeenkomst hebben met de producten

der fransche kunst uit den tijd van Filips-August. De voorstelling van

het Avondmaal is zeer opmerkelijk: Jezus zit aan het eind der tafel,

met Johannes in zijn schoot, Judas ligt voor Christus neergeknield

en vraagt een stuk brood, achter hem kruipt een duivel. Op de tafel

staan drie visschen.

Dicht bij den dom staat het Battisterio, de doopkapel, een achthoekig

gebouw van de twaalfde eeuw; de marmeren doopvont werd in 1502 door

Andrea Contucci gebeeldhouwd; het Ciborium wordt aan Minoda Fiesole

toegeschreven. De Hemelvaart op het hoofdaltaar is, naar men zegt,

het werk van Pomerancio. Welke kunstschatten ook wederom hier, in de

ongenaakbare hoofdstad van dit arme en vergeten bisdom!

Ter linkerzijde van de kathedraal verrijst een vierkante, zeer

eenvoudige Campanile, met drie boogvensters boven elkander;

deze toren is een tegenhanger van den achthoekigen koepel van de

doopkapel, en maakt een vrij scherp contrast met den hoogen toren

van het Palazzo publico, waar schietgaten en kanteelen, op twee

verdiepingen aangebracht of liever voorgesteld, bewijzen dat de

bouwmeesters van 1826, die dezen ouden burchttoren herbouwden,

geen begrip hadden van de bestemming dezer werken, en zelfs in hun

namaaksel de waarschijnlijkheid niet wisten te bewaren.

Tusschen de doopkapel en het linker hoekhuis van het Domplein,

bevindt zich, boven eene steil afloopende steeg, eene ledige ruimte,

waar de piazza uitloopt op een terras, van eene leuning voorzien en

uitzicht gevende op de bergen. Het Paleis, het plein della Giustizia,

de doopkapel, de dom, geheel het middelpunt der stad schijnt als

een evenwicht te hangen boven een afgrond, waarlangs zich eene

nauwe straat voortkronkelt, slechts aan eene zijde bebouwd en

omzoomd door krotten en hutten, waarvoor wij met verbazing hoopen

sneeuw op de helling zagen liggen. Dit waren stukken albast, daar

neergeworpen door de beeldhouwers, die hier in hunne armoedige woningen

arbeiden. Zij maken medaillons, pendules, zonder het uurwerk, kistjes,

reliekbewaarders, beeldjes, presse-papier, lampen, schoorsteenvazen

en dergelijke voorwerpen. Deze werklieden beschouwen zich als groote

kunstenaars: ge bespeurt dat aan den trotschen blik, waarmede zij u

aanzien; wat de vaardigheid en bekwaamheid voor het werk aangaat,

hebben zij het inderdaad ver gebracht, maar het ontbreekt hun aan

smaak: zij bepalen zich nog altijd tot de dorre, harde, armoedige,

en volstrekt van alle kunstwaarde ontblootte ornamenten, die de

italiaansche salons ontsierden ten tijde van Pius VII en Leo XII. De

Amerikanen, die geen begrip van schoon of kunst hebben, zijn verzot

op deze monsterachtigheden.

In deze op- en neerklauterende straten, waarvan de rooilijn zich

schikken moest naar de golvingen van een smal bergplateau, ontmoet

ge bij elken stap paleizen, waar ge onder door gaat om in eene andere

straat uit te komen. Vele van deze paleizen dragen den naam der familie

Inghirami. Het paleis Viti, met ornamenten uit de zestiende eeuw,

is herschapen in een theater, aan Persius gewijd. Bij gebreke van

zijn huis, ziet ge, aan de casa Ducci, een opschrift in fraaie, al

te goed nagebootste, antieke kapitale letters, waarin de herinnering

wordt bewaard aan een der laatste afstammelingen van het geslacht

des dichters. De oude en edele familie der Ricciarelli bezit nog,

in de naar haar genoemde straat, drie kleine aan elkander grenzende

paleizen. Dat, waarin Daniello di Volterra geboren werd, draagt het

nommer 12: de deur is vernieuwd. Als de nakomelingen van den kunstenaar

zich in hunne woning bevinden, wordt gij in het huis toegelaten, waar

een fresko van den meester bewaard wordt. Aan den gevel der gebouwen,

ook van bijzondere woonhuizen, vindt ge zeer vele hartelijke en warme

lofredenen ter eere van de Groot-hertogen van Toskane uit het huis van

Oostenrijk-Lotharingen; ook ziet ge zeer dikwijls hunne borstbeelden

in nissen en op consoles. Dit getuigt wel, hoezeer deze Vorsten,

in deze afgelegen en weinig beweldadigde streek van Toskane, bij

het volk bemind waren; natuurlijk heeft deze liefde voor het oude

Vorstenhuis ook de inwoners van Volterra niet belet, hier en daar,

op de muren groote, roode W's te schilderen, die beteekenen moeten

Viva Vittore Emmanuele.... Wij weten van ouds, dat de volksgunst een

onbestendig ding is, en dat de menigte altijd geneigd is, de opgaande

zon te aanbidden.

De schoonheid der vrouwen van Volterra is opmerkelijk: danken

zij die zuivere, rustige, gedistingeerde gelaatstrekken aan haar

onverstoorbare werkeloosheid? Voor alle vensters, in alle wijken

en buurten, herkent ge aanstonds de typen, die de schilders van de

school van Siënna zoo gaarne op het doek brachten. Wat wachten zij,

daar werkeloos zittende, voor die ramen, uitziende op de straat, waar

zoo zelden iemand voorbijkomt? Zien zij uit naar den bruidegom, haar

in haar droomen verschenen? Helaas! er valt weinig meer te zien dan

enkele zwaluwen. Die dochters van Etrurië keuvelen met elkander, met de

buurmeisjes ter wederzijde en aan den overkant; komen er jonge lieden

voorbij, die kijken ter nauwernood naar haar; de vreemdelingen alleen

zien haar aan, waarover zij in lachen uitbarsten. In tegenstelling

van de schoone sekse, nemen de giovinetti, wier aantal niet groot is,

majestueuse airs aan; bij de minste aanleiding wikkelen zij zich in

zware groene of bruine mantels; ook weten zij standen aan te nemen, die

een mensch verbazen.... Ik heb mijzelven afgevraagd, wat hier met de

oude vrouwen gebeurt, want men ziet er geen! De grootmoeders en moeders

blijven waarschijnlijk in huis, en zorgen voor de huishouding, terwijl

de dochters, om de eer der familie op te houden, zich aanstellen als

aanzienlijke juffers, die rijk genoeg zijn om niets uit te voeren.

Terwijl wij deze levende galerij beschouwen, niet zonder eenigen

aanstoot te geven aan onzen ouden custode der etrurische sarkophagen,

zagen wij, aan het boveneinde der straat, een optocht naderen. Het

was een dubbele lijkstoet, twee lijken achter elkander; de kisten,

met een zwart en geel laken overdekt, werden gedragen door zwarte

boetelingen, wier gelaat verborgen was achter een met twee openingen

doorboorden kap, en die op het hoofd lage hoeden met breede randen

droegen. Haastig trok de sombere processie langs ons heen, een

treurigen en ontstemmenden indruk achterlatende.

Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van bladz. 184).

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 72 / 92 题