II.

Het was de 19de Maart. De lucht was scherp, de zon gaf geen warmte;

de natuur was in haar ontwikkeling niet zeer veel verder dan bij

ons te lande. Bouwlanden, afgewisseld door vrij schrale bosschages:

zie daar het algemeen karakter van dit landschap, waar de ordeloos

verspreide heuvelen niet hoog genoeg zijn om eigenlijke dalen te

vormen. De steilste van die heuvelen dragen op hun top een vesting

of burcht; op de zachtere glooiingen vertoonen zich, te midden der

grazende kudden, groote pachthoeven, sommigen enkele eeuwen oud, de

anderen gebouwd naar het model der eersten. Ettelijke slanke, rijzige

boomen, een paar cypressen, flankeeren deze gebouwen, voorzien van

eene loggia, van een stompen toren, van een poort, en wier rieten

dak met woekerplanten is begroeid. Tusschen deze boerenwoningen en

de antieke heerenhuizingen verheffen zich enkele kloosters, die door

hun zwaren buitenmuur aan een citadel doen denken, maar wier hoeve

en korenschuren weder aan het landbouwersbedrijf herinneren; terwijl

de kerktoren, boven de groep oprijzende, u de ware bestemming van het

gebouw kennen doet. Bij den aanblik dezer nooit aanschouwde, en toch

zoo bekende landschappen, rijzen allerlei onbestemde herinneringen

voor den geest op: inderdaad, die burchten op den steilen heuveltop,

die stille kloosters, rustende aan de oostelijke heuvelhellingen, die

boerenwoningen met de ruime, halfgeopende veestallen:--we kennen ze,

wij hebben ze menigmalen ontmoet op de schilderijen der oude meesters,

en hun beeld is voor ons bewustzijn schier onafscheidelijk verbonden

met de onvergetelijke evangelische verhalen, met de gemeenzame,

traditioneele voorstellingen van zoo menige episode uit het leven des

Heilands. Daarom hebben zij voor ons zoo wondere aantrekkelijkheid,

daarom begroeten wij ze als oude bekenden, ook al aanschouwt ons

zinnelijk oog ze voor de eerste maal.

Na, een rit van drie uren, vertoont zich ter rechterhand San-Gimignano,

en van nu af kan niets anders meer uwe aandacht boeien. Daar de

heuvelen deze stad als met een krans omringen, en men om haar te

bereiken de naburige hoogten moet omrijden, verliest men haar telkens

uit het oog, om haar op het onverwachtst telkens weer te hervinden en

van eene andere zijde te overzien. Zoo ge uw rug naar het oosten en

uw aangezicht naar de stad wendt, dan schijnen die zware, vierkante,

bijna vensterlooze torens--zoo oud dat de steen weder geheel de

kleur der oorspronkelijke rots heeft aangenomen;--dan schijnen

die massieve steengevaarten, op den heuveltop geschaard, wel geene

andere bestemming te hebben dan den hemel te bestormen. Van ter zijde

gezien, vormen zij een soort van bundel; dan maken zij te zamen met

de omwalling en de oude citadel een zoo fantastisch geheel uit, dat ge

denkt aan de grillige schepping van een of anderen toovenaar. Donkere,

zwarte wolken dreven langs den hemel; de zon verlichtte met bleeken,

fletschen schijn deze zonderlinge dekoratie. Naarmate ge dichterbij

komt, klimt de verrassing: half droomend denkt gij aan die oude

symbolische voorstellingen van Jeruzalem en Bethlehem, op den gouden

grond der byzantijnsche mozaïeken.

Op de wallen, voor de poort San-Giovanni, wordt deze gelijkenis

met het Oosten nog sprekender: en toch, deze westersche gezichten

zijn ons bekend en gemeenzaam: die lage, gekanteelde muren, die

zware plompe torens, die gewelfde poorten met valbrug en bastion,

die spitse gevels uitkijkende boven de omwalling, die klokketorens

... die gansche rooskleurige silhouette eener stad boven op eene steile

helling, waarvan het verschroeide gras met voetpaden doorslingerd is,

met haar eigenaardige tegenstelling van kleuren en lijnen:--gij kent

ze weder van ouds, en toch prikkelt zij, misschien wel juist daarom,

dubbel uwe nieuwsgierigheid.

Ge treedt door de donkere, lage poort, in eene breede, oploopende

straat. Zie om u: ge zijt vier eeuwen teruggegaan: vier eeuwen, want

dit is de ouderdom der jongste gebouwen in eene stad, die in den tijd

tusschen de regeering der Gravin Mathilde en de opkomst der Medici

gebouwd of herbouwd werd.

In de voorrede zijner vertaling van de Kronieken van Siënna, zeide

de hertog van Dino dat geene andere stad in die mate den stempel van

den ouden tijd had bewaard; Massimo d'Azeglio heeft San-Gimignano

het middeleeuwsch Pompeji genoemd. Een enkele blik op deze vesting,

met haar drieduizend zielen, is trouwens voldoende om u te overtuigen

dat deze aloude stad, zoo vast en rustig troonende op haar dubbelen

heuvel, eene grootsche geschiedenis achter zich heeft.

De kronieken van San-Gimignano zijn dan ook uiterst merkwaardig; deze

stad was eenmaal eene onafhankelijke republiek, waar de verschillende

standen en corporatiën elkander ter dood toe hebben bekampt; waar het

volk, rijk geworden, dien fieren trots en dat hooghartig zelfgevoel

heeft bezeten, dat eene onmisbare voorwaarde is voor de ontwikkeling

van een eigen nationaal leven op elk gebied. In deze hoofdstad zonder

wingewesten, verhalen de gebouwen zelven, onafscheidelijk verbonden met

de plaatselijke traditie, die zij aanvullen en waaraan zij wederkeerig

een deel hunner belangrijkheid danken, de opkomst, de worstelingen,

de omwentelingen, den bloei en eindelijk den ondergang eener natie,

eener ware demokratie te midden der feodaliteit. In dit kort bestek

omvat ge met een enkelen oogopslag een tafreel van de italiaansche

republieken in de middeleeuwen, zoo als ze, allen in hoofdtrekken

aan elkander gelijk, eenmaal te Perugia, te Florence, te Siënna en

elders gebloeid hebben.

Even als de meeste steden van de latijnsche wereld heeft ook

San-Gimignano gepoogd, haar genealogie op te voeren tot den tijd van

het oude Rome. Twee jonge patriciërs van de partij van Catilina,

twee broeders, Mucius en Sylvius, zouden zich, na de nederlaag

bij Pistoja, hebben teruggetrokken in de vallei van de Elsa, en

daar op twee heuvelen ieder een kasteel gesticht. Vele eeuwen later

bouwde Desiderius, de laatste Koning der Lombarden, die zich in het

kasteel van Sylvius, dat bereids tot een ommuurd vlek was verheven,

onthield, eene tweede omwalling en een prachtig paleis, waar straks

Karel de Groote gastvrij ontvangen werd, tot loon waarvoor hij aan

de stad vele schoone voorrechten schonk.... Al deze verhalen missen

historischen grondslag; de oorsprong der stad, die ook den bijnaam

van Castel-Fiorito heeft gevoerd, moet gezocht worden in den ouden

heerlijken burcht Sylvia, die weder zijn naam niet ontleende aan

zekeren Sylvius, maar eenvoudig aan de boschrijke omgeving.

Toen geheel het omliggende land door Totila der verwoesting werd

prijs gegeven, trokken de woeste scharen van den Koning der Oostgothen

voorbij de stad Modena zonder haar te zien. Dit wonder was bewerkt door

den vromen bisschop der stad, den later heilig verklaarden Geminianus:

op zijn gebed, werden de oogen der barbaren gehouden, alzoo dat zij de

stad niet zagen. Eerst toen hij een eind verder was, bespeurde Totila,

omziende, Modena; maar hij was zoozeer door dit wonder getroffen,

dat hij niet op zijne schreden terugkeerde. Deze gebeurtenis verhoogde

natuurlijk niet weinig den roem van den heiligen bisschop; uit vreeze

voor de barbaren, werden een aantal kerken hem gewijd; en zoo werd

ook, tegen het einde der zesde eeuw, in de vallei van de Elsa, eene

kerk gebouwd, die, beschermd door dichte wouden, door haar ligging

op een steilen heuvel en door haar gordel van muren, binnen de aan

Sint-Geminianus gewijde ruimte een aantal landbouwersgezinnen, die

voor de barbaren vluchtte, eene schuilplaats zoeken deed.

Vóór de tiende eeuw is er geen enkel dokument te vinden betreffende

San-Gimignano, dat door de Keizers aan de kerk van Volterra ten

geschenke was gegeven. De band, die deze gewesten met het rijk verbond,

werd tijdens de regeering der Gravin Mathilde verbroken; na langdurige

worstelingen, die van 1108 tot 1199 duurden, wisten de Gimignanesi

zich ook te onttrekken aan de opperheerschappij van Volterra, waaraan

zij voortaan slechts zekere feodale rechten verschuldigd waren. Zij

waren dus nu eene zelfstandige gemeente en verkozen hun eigen consuls;

daarop plaatsten zij, op het voorbeeld der Florentijnen, aan het

hoofd der regeering een podestà of oppersten rechter, die steeds een

vreemdeling moest zijn. De eerste, die deze waardigheid bekleedde,

was Maghinardo Malevolti, van Siënna.

Van dit oogenblik tracht de kleine republiek van tienduizend zielen,

waarvan de bevolking in 1350 met de helft vermeerderd was, zich geheel

van de souvereiniteit van Volterra te ontslaan, en de omliggende

kasteelen en heerlijkheden aan haar gezag te onderwerpen. In

hun landbouw, in hunne kudden, in hun wolleweverijen, bezaten de

Gimignanesi een mild vloeiende bron van welvaart en rijkdom: te meer

daar strenge wetten de burgers tot eene hoogst eenvoudige levenswijze

verplichtten, en alle pracht en weelde uitsluitend voor het algemeen,

voor den staat en zijne behoeften, bleef voorbehouden. Zoo ging,

zij het niet zonder heftige burgertwisten, de woelige en geduchte

tijd der vreeselijke worsteling tusschen Keizer en Paus voorbij,

zonder dat de ontwikkeling der krachtige republiek daardoor merkbaar

werd gestremd. Na den dood van Frederik II werden de Ghibellijnen

uit de stad verdreven, en door een welfisch gezind gemeentebestuur

de volksregeering ingevoerd. De veldslag van Montaperto, die de zege

aan de Ghibellijnen schonk, deed ook de Guelfen van San-Gimignano in

ballingschap gaan. Maar toen, in 1266, Karel van Anjou, het hoofd der

Guelfen, Manfred verslagen had, riepen de burgers van San-Gimignano

de tegenpartij der Ghibellijnen op nieuw aan het bestuur.

In het jaar 1276 bereikte de stad het toppunt harer politieke

grootheid; deze periode van bloei hield, hoewel niet zonder toenemend

gevaar van buiten, nog ongeveer een eeuw aan: de stad, zoo als wij

haar thans voor ons zien, is in dat tijdvak, dat wil zeggen tusschen

het einde der twaalfde tot omstreeks de helft der veertiende eeuw,

bijna geheel gebouwd. In dien schitterenden tijd werd San-Gimignano,

dat bereids dichters, rechtsgeleerden en staatsmannen van naam had

voortgebracht, door Siënna en Florence meermalen tot scheidsrechter

gekozen om uitspraak te doen in haar onderlinge geschillen, en zond de

stad, bij zulk eene gelegenheid, aan Paus Innocentius V en aan Karel

van Anjou gezanten, om de belangen van het verbond der Guelfen te

bespreken. Later koos San-Gimignano, op aansporen van Martinus V, de

zijde des Keizers; de burgers van Siënna zonden den beroemden Salvani

als gezant naar deze republiek, welker bondgenootschap, eenige jaren

later, door Karel II van Sicilië werd gezocht. Eindelijk, om de stad,

die nog eenige grieven tegen de Florentijnen had, tot verzoening

te bewegen en te verkrijgen dat zij zich door haar schepenen op de

vergadering van het toskaansche verbond zou laten vertegenwoordigen,

schroomde Florence niet, naar het kleine San-Gimignano den beroemdsten

burger te zenden, dien het ooit bezeten heeft. Op den 2den Mei 1299

verscheen niemand minder dan Dante Alighieri in den raad der republiek,

om voor den podestà Mino de'Tolomeï de zaak van Florence te bepleiten.

Niet zonder moeite slaagde de gemeente er in, de edelen te verzoenen

met de volksregeering; bij elke overwinning der Ghibellijnen hervatten

de machtige baronnen met hun aanhang den kamp; zij streden tegen

de edelen van de andere partij, en beiden zochten zich maar al te

vaak te versterken door bondgenootschap met den vreemdeling. Toen

de twist der Witten en Zwarten de oude partijen ontbond en in

factiën oploste, stonden aldra de verschillende wijken der steden

vijandig tegen elkander over; de straten werden slagvelden, en ieder

huis eene vesting. Ook te San-Gimignano woedde de partijschap met

groote heftigheid; ge vindt daarvan nog de herinnering in de zware

gekanteelde paleizen of burchten, die nog steeds de namen hunner

oude eigenaars dragen. Tegen het einde der dertiende eeuw, openen

de Salvucci, Ghibellijnen, de vijandelijkheden tegen de Pellari,

Guelfen;--in 1319 vatten Tribaldo en Fusco Baroncetti de wapenen

op tegen de gemeente; zij werden verbannen.--De samenzweering van

Gentile Buondelmonte tegen den podestà Ranieri Trevio, in 1321, is een

voorspel der gevaren, die deze republieken van de zijde harer machtige

en eerzuchtige burgers zullen dreigen. De verdreven rebel roept de

tusschenkomst in van Florence, dat het vonnis van den podestà, een

florentijnsch burger, vernietigt, en Gentile keert in triomf naar

San-Gimignano terug.

Weldra barstten nieuwe twisten en oneenigheden uit, ditmaal aangestookt

door het geslacht der Ardinghelli, dat door een deel van den adel

werd gesteund. Aanvankelijk tot de partij der Guelfen behoorende,

en omstreeks 1324 hoofden van de partij der Witten, worden zij door

de kroniekschrijvers tot de Ghibellijnen gerekend, omdat hun streven

gericht was op de omverwerping der gemeente, welfisch bij overlevering,

ten einde het gezag voor den adel te herwinnen. In 1325 komen zij

in openlijken opstand, en worden verbannen; in 1331 teruggeroepen,

worden zij zes jaar later weder verjaagd, keeren op voorspraak van

Florence nogmaals terug, ontsteken op nieuw den burgeroorlog en

worden nog in hetzelfde jaar andermaal gebannen. In 1342 zetten zij

van buiten af eene samenzweering op touw, verzamelen krijgsbenden

en trachten San-Gimignano bij verrassing te overrompelen. Met hunne

aanhangers worden zij nu voor eeuwig uit de stad en haar rechtsgebied

gebannen. In het volgende, een nieuwe aanval: de Ardinghelli worden nu

ter dood veroordeeld, welk vonnis door Florence wordt bekrachtigd. Maar

de uitvoering blijft, ten gevolge van vreemden invloed, achterwege;

zelfs worden de ballingen in 1349 teruggeroepen en hun alle straf

kwijtgescholden. De vroedschap, die, ten gevolge van deze intriges

en partijschappen, langzamerhand onder het gezag van Florence is

geraakt, wordt nu verder met rust gelaten; maar thans beginnen de

baronnen met elkander te twisten om de regeeringsposten; de Salvucci

tegen de heeren van Picchena; Rosso de' Rossi, om meester te worden

van het kasteel della Pietra, enz.... Aan die bloedige twisten namen

ook andere familiën deel: de Vannelli, de Montigrani, de Cepparelli,

de Chiarenti, de Nerucci, de Rudolfi, de Franzesi, die zich beroemden

van de paladijnen van Karel den Groote af te stammen; de Bonnacorsi,

de Ficarelli, de Cugnanesi, de Montaguto, de Mantellini, die reeds

in de twaalfde eeuw hun burchttoren tegenover de collegiale kerk

hadden gebouwd, waar hij nog staat. Om zich van het gezag meester

te maken, riepen deze republikeinen de hulp van den vreemdeling in

tegen hun vaderland, dat zij trachtten te verkoopen, om het dan,

onder vreemde bescherming, te kunnen regeeren, en deel uit te maken

van den Raad der Negenen, het uitvoerend bewind van den staat. De

pest van 1348, die drie vijfden van de bevolking van Toskane ten grave

sleepte, richtte ook te San-Gimignano de geduchtste verwoestingen aan,

zoodat de stad niet meer dan vier-en-twintig voetknechten, onder den

hoofdman Rossellino Ardinghelli, ter beschikking van de toskaansche

ligue stellen kon.

Door toedoen van Florence was een wapenstilstand gesloten, en alle

ballingen waren wedergekeerd, toen de Ardinghelli in het traktaat eene

bepaling meenden te vinden, die nadeelig was voor hen en ten gunste van

de Salvucci, wier macht niet minder te duchten was. De eene partij wil

die bepaling intrekken, de andere haar handhaven: de strijd begint op

nieuw; en Florence is genoodzaakt, driehonderd ruiters af te zenden

om den vrede te herstellen. In spijt van de vroedschap, wordt het

artikel, dat tot den twist aanleiding had gegeven, ingetrokken.

Maar daarmede was de zaak niet uit. Een zekere Ilario, een aanhanger

van de Ardinghelli's, gaf, in een oogenblik van drift, een slag

aan Michele di Pietro, een man van geringe aankomst en lid van den

Raad der Negenen. Dit geschiedde in tegenwoordigheid van Rosellino

Ardinghelli. De Salvucci beweerden dat Rossellino medeplichtig was

aan de beleediging, en lieten Altoviti, kapitein des volks, afzetten,

onder voorwendsel dat hij op Rossellino Ardinghelli niet de strenge

bepaling der wet had toegepast, waarbij ieder edelman, die een burger

beleedigde, met de zwaarste straf werd bedreigd. In zijne plaats lieten

zij Benedictus Strozzi, hun leenman, tot capitano del popolo benoemen,

wien zij aan het verstand brachten dat de gebroeders Ardinghelli,

in overleg met zijn ambtsvoorganger, het plan hadden gesmeed om

eene omwenteling tot stand te brengen en hunne tegenstanders te

vermoorden. Rossellino en Primerano Ardinghelli werden op den 1sten

Augustus 1352 in hechtenis genomen, en een krimineel proces tegen hen

op touw gezet. Op het vernemen van deze tijding, beval de Signoria van

Florence aan Strozzi, die een florentijnsch burger was, dat hij die

hoog aanzienlijke en invloedrijke edellieden onmiddellijk op vrije

voeten moest stellen, zoowel als Angelo Bartoli, dien men voor hun

medeplichtige uitgaf. Maar eer dit bevel te San-Gimignano aankwam,

waren de drie beschuldigden op aansporing der Salucci reeds den 19den

der maand, beneden aan den grooten trap van het paleis, onthoofd.

Deze schandelijke daad had vreeselijke gevolgen: de Ardinghelli

met hunne aanhangers en de heeren van Picchena zwoeren den Salvucci

bloedige wraak. Met de Picchinesi en de Rossi van Florence kwamen zij

onder de muren der stad bijeen, en werden door hunne bondgenooten aan

de poort van Quercecchio binnen gelaten. Nu tastten zij, op het plein,

het paleis van de Salvucci, dat tegenover het raadhuis stond, aan,

en vermeesterden het, na een langdurig en bloedig gevecht: het paleis

werd geplunderd en in brand gestoken, en de overwonnen partij uit

San-Gimignano verjaagd. De beide partijen kuipten en intrigeerden nu

te Florence, de eene om opheffing, de andere om handhaving van den ban;

eindelijk, na lang gehaspel, zond Florence troepen om de Salvucci weder

in hun recht en bezit te herstellen; maar de Ardinghelli, die meester

in de stad waren, sloten de poorten voor die troepen toe. De burgers

van San-Gimignano echter, verschrikt over de mogelijke gevolgen van

deze vermetelheid, dwongen nu de Ardinghelli in onderwerping te komen.

De handel had onder dit alles veel geleden: uitgeput door de oorlogen

met haar buren, door de innerlijke tweespalt, en door kostbare

ondernemingen, waarvoor de middelen der vroedschap te kort schoten,

verkeerde San-Gimignano in moeilijke omstandigheden. Vroeger, in de

dagen van voorspoed, had de stad de vestiging van een aantal kloosters

binnen haar muren begunstigd: nu waren die kloosters voor haar een

bezwaar te meer geworden, want door schenkingen als anderszins was

een zeer aanzienlijk deel van het grondgebied der stad in hun bezit

overgegaan. De belastingen brachten daardoor zooveel minder op;

de stad kon uit hare inkomsten niet langer de hooge renten betalen

der gelden, haar voorgeschoten door florentijnsche bankiers, die

tevens leden waren der regeering. In 1366 zag de Raad van Negenen

zich mitsdien gedwongen, eene belasting op de geestelijke goederen

te leggen, die niet dan na veel tegenspartelen werd betaald.

Maar de glansrijke loopbaan der republiek neigde,

na honderd-drie-en-vijftig jaar, ten ondergang. Met schulden

overladen, door de florentijnsche woekeraars geperst, verscheurd

door binnenlandsche twisten, was de regeering van San-Gimignano niet

langer bij machte de noodige soldaten te betalen om den vrede te

handhaven: haat en wangunst hadden de republiek ten val gebracht. De

laatste worsteling der Ardinghelli's en Salvucci's, aangestookt en

volgehouden door de aanhangers van de twee machtigste geslachten van

San-Gimignano, verhaastte de noodlottige ontknooping: de Salvucci, in

een oogenblik toen de fortuin hem tegen was, dreven in den raad het

besluit door om het grondgebied van San-Gimignano aan de republiek

Florence te verkoopen. De Gimignanesi verzochten dus aan hunne

oude bondgenooten om als hunne kinderen aangenomen te worden. Dit

voorstel was lang voorbereid en kwam in geenen deele onverwacht;

niettemin beraadslaagde de florentijnsche Signoria zeer ernstig over

het verzoek, en de gevraagde gunst werd met de meerderheid van slechts

één stem toegestaan.

De republiek van San-Gimignano drukte toen haar groot zegel in

groen was op een in blanco gelaten perkament, dat naar Florence

gezonden werd, ten teeken dat men de bepaling der voorwaarden van

de overeenkomst aan de edelmoedigheid van Florence overliet. Niet

minder hoffelijk, plaatste de Signoria twee kruisen aan het hoofd van

het blad, en zond aan de Gimignanesi twee blanco perkamenten terug,

ten teeken dat men hun zelven overliet de voorwaarden voor hunne

verbindtenis vast te stellen. Dit geschiedde in 1353. Florence bracht

geene verandering in den republikeinschen regeeringsvorm der stad,

en zond er, even als tot dusver, haar podestà's heen. San-Gimignano

behield zijne vroedschap, zijne magistratuur en de prachtige zijden

en purperen staatsiegewaden, die zooveel luister bijzetten aan de

plechtige vergaderingen in de groote zaal van het gemeente-paleis. Deze

praalvertooningen hielden stand tot in het laatst der vorige eeuw.

Aanvankelijk ging alles goed: de ligue van Toskane hield hare

vergaderingen te San-Gimignano; de vroedschap ging voort met de

verfraaiing der stad. Tijdens het woeden der pest in 1450, stelde de

podestà Piero Mancini voor, dat de vreemdelingen, uit besmette streken

afkomstig, uit de stad, waar de epidemie nog niet was doorgedrongen,

zouden geweerd worden; maar de raad en het volk besloten eenstemmig,

dat aan alle buren en vreemdelingen, zonder onderscheid, schuilplaats

zou worden verleend. De aanzienlijken van Florence weken dus naar

San-Gimignano, dat een ruim paleis tot hunne beschikking stelde. Onder

die gasten vinden wij, nevens andere beroemde namen, die van Lorenzo

Capponi, van Bernardo en Piero de' Medici, en van Ludovico Galileo

Galileï, uit een oud geslacht gesproten, dat later algemeen bekend

zou worden. San-Gimignano had ook den grooten Cosmo de' Medici, den

pater patriae, een wijkplaats aangeboden, maar hij had bereids eene

uitnoodiging te Volterra aangenomen. Een halve eeuw later ontving

San-Gimignano, met groote eerbewijzen, een ander beroemd Florentijn,

Macchiavelli, door het gouvernement afgevaardigd als commissaris voor

de oprichting eener nationale milicie, die de plaats der vroegere

huurtroepen moest innemen.

Maar toen was de verhouding, ondanks de trouwe aanhankelijkheid van

San-Gimignano aan de Medicis, reeds minder aangenaam geworden. Sedert

vijftig jaren trachtte Florence, zelf door geldnood geperst en

bovendien door beursmannen geregeerd, van de Gimignanesi zooveel

mogelijk profijt te trekken. Reeds in 1374 hadden de Florentijnen,

ondanks de vermaningen en waarschuwingen van Rome, den verkoop

bevolen van de kerk- en kloostergoederen; er werd toen eene

overeenkomst gesloten: de geestelijkheid betaalde eene schatting van

tweehonderd-vijftigduizend gouden dukaten en behield haar goederen. De

belastingen werden allengs zoo drukkend, dat de bevolking steeds meer

verarmde en ten gevolge daarvan gaandeweg verminderde. De misdaden

namen hand over hand toe, de vroegere welvaart was verdwenen:

zoo was de toestand dezer eens zoo bloeiende gemeente, toen,

omstreeks 1530, de florentijnsche republiek bezweek. Honderd-zestig

jaren later telde San-Gimignano met haar rechtsgebied niet meer

dan drieduizend-driehonderd-vijftig zielen. De stad was schier

geheel verlaten; maar juist aan deze verlatenheid dankt zij het,

dat haar monumenten bijna ongeschonden in wezen bleven; men heeft

geene veranderingen aangebracht om de later komende geslachten te

huisvesten, en zoo staat de kleine, gestorven republiek nu daar,

gekroond met al de majesteit eener nekropolis.

Ik achtte dit overzicht van de geschiedenis van San-Gimignano noodig,

eensdeels omdat niemand, die met dit verleden onbekend is, de stad

inderdaad begrijpen en waardeeren kan; en anderdeels, omdat ook wederom

die geschiedenis, in zoo sprekende trekken, ons het beeld voor den

geest roept van die fiere italiaansche republieken der middeleeuwen,

zoo overvloeiende van leven en forsche kracht, zoo rijk en vruchtbaar

op ieder gebied. Het moderne Italië zal, ondanks zijne eenheid,

nog zeer veel te doen hebben, eer het eenigermate in de schaduw kan

treden van het zoo uitermate versnipperde Italië der middeleeuwen,

waar bijna elke stad een zelfstandig brandpunt van ontwikkeling,

leven en werkzaamheid, in kunst en wetenschap en beschaving was.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 69 / 92 题