Wij bevinden ons op montenegrijnschen bodem, in de hoofdstad van het
kleine vorstendom. Wij willen nu, eer wij verder het land ingaan, een
vluchtigen blik werpen op zijne geschiedenis. Welke volken en stammen
hebben deze bergen bevolkt, en wie hebben over hen geregeerd? Welke
zijn de groote lijnen, de hoofdmomenten hunner geschiedenis; en
krachtens welk beginsel oefent de thans regeerende Vorst een bijna
onbeperkt en onbetwist gezag uit over dit hooghartige, fiere en tot
hiertoe nog onverwonnen en ongetemde volk? Ik wil trachten, zoo kort
mogelijk, die vragen te beantwoorden.
Honderd-acht-en-zestig jaar vóór Christus namen de Romeinen van
deze landstreek bezit: eene ontwijfelbare herinnering aan hunne
heerschappij is nog altijd overig in een ouden heirweg, die van het
antieke Epidaurum naar het tegenwoordige Skutari of Skodra voert. Het
land behoorde toen, met geheel Dalmatië, tot de provincie Illyrië. In
de derde eeuw verschijnen de Gothen, later opgevolgd en verdrongen
door de Slaven, die reeds van Dioclea hunne hoofdstad hadden
gemaakt. Omstreeks de zevende eeuw verdwijnt de naam van Illyrië,
te midden van de verwarring der opeenvolgende invasiën van Kroaten,
Bulgaren en Serviërs. Het servische rijk wordt gegrondvest en neemt
snel in macht toe; dit rijk, dat nog steeds het ideaal is, naar
welks verwezenlijking alle Zuid-Slaven smachtend uitzien, omvatte,
behalve het tegenwoordige Servië, ook Bosnië, Moesië, een deel van
Dalmatië en Dacië. Bij den noodlottigen slag van Kossovo (1389)
ging dit servische rijk te gronde, en vielen de tot dusver aan de
servische kroon behoorende landen in de macht der Turken.
Toen aldus de slavische macht gebroken werd, behoorde ook het
tegenwoordige Montenegro tot Servië, en werd bestuurd door een ban,
die het oppergezag der servische Koningen erkende. De nederlaag bij
Kossovo verbrak die banden; de bans, hertogen of vorsten van Zèta
weigerden zich te onderwerpen aan de mohammedaansche heerschappij,
en weken met eenige stammen (plemena) naar de bijna ontoegankelijke
bergen, waar zij hunne onafhankelijkheid wisten te handhaven. Dat zij,
ondanks de bijna rusteloos herhaalde pogingen der Turken om dit laatste
overblijfsel der eenmaal zoo machtige servische natie onder hun juk
te doen bukken, deze hunne onafhankelijkheid nu welhaast gedurende
vijf eeuwen inderdaad hebben bewaard:--ziedaar een eeretitel, waarop
de Montenegrijnen met het volste recht trotsch mogen zijn, en die hen
de rechtmatigste aanspraak moest geven op de warme sympathie en de
krachtige ondersteuning van het christelijk Europa, indien dat Europa
zich heden nog door andere beweegredenen, dan die aan het cynische
eigenbelang ontleend, liet leiden. Maar toch, al worden zij door hunne
natuurlijke bondgenooten te vaak alleen gelaten in den strijd tegen
den gemeenschappelijken erfvijand, zij hebben de worsteling tegen de
overstelpende overmacht niet opgegeven, en nog altijd staat Montenegro
als een laatste bolwerk der zuid-slavische nationaliteit:--moge het
ook zijn als de profecie eener betere toekomst.
Na het uitsterven van de oude vorstelijke familie van Balschich, in
1421, verkozen de Montenegrijnen den dapperen Stophan Tzernojewitch
tot Vorst; deze stichtte twee havensteden aan de Adriatische-zee, en
bouwde ook het klooster te Cettinjé, dat in 1485 tot den zetel der
regeering verheven werd. Stephan sloot een verbond van vriendschap
met Venetië, en leefde, even als zijn zoon Iwan, in onophoudelijken
krijg met de Turken. Een der gewichtigste feiten van dit tijdvak is wel
de overbrenging van den vorstelijken zetel van Zabljak, eene vesting
in de vlakte ten noorden van Skutari, naar het klooster te Cettinjé,
in het hart van het gebergte, dat gemakkelijker te verdedigen was, en
waar het kostbaar pand der nationale onafhankelijkheid beter kon worden
bewaard. George, de laatste Vorst uit het geslacht van Tzernojewitch,
die met eene dame uit Venetië was gehuwd, deed in 1515 afstand van
de regeering en begaf zich naar het vaderland zijner vrouw. Met hem
eindigt de reeks der Woïwoden of wereldlijke Vorsten van Montenegro:
George Tzernojewitch droeg namelijk het oppergezag over aan den Vladika
(bisschop) Vavil, welk besluit door het volk werd goedgekeurd.
Sedert dien tijd tot in 1851, werd Montenegro nu door deze tevens
geestelijke en wereldlijke opperhoofden geregeerd, die de bevoegdheid
hadden zelf hun opvolger aan te wijzen. Intusschen waren de stammen
bijna geheel onafhankelijk geworden; de band, die de kleine natie tot
dus ver had saamgesnoerd, was allengs verbroken; onderlinge twisten,
veeten en oorlogen hielden de stammen tegen elkander verdeeld, en
alleen de gemeenschappelijke strijd tegen den erfvijand vermocht
nog tot op zekere hoogte de eendracht te bewaren. De Turken
maakten natuurlijk van die verdeeldheden gebruik, om telkens
nieuwe veroveringen te maken, de Montenegrijnen al verder in het
gebergte terug te dringen en hen bij herhaling tot in hunne laatste
wijkplaatsen te bestoken. Maar altijd moet de grimmige vijand zijne
prooi weer loslaten, en weet het ongetemde volk, dat nimmer zijne
wapenen aflegt, de vrijheid te heroveren en te handhaven. In 1687
staan de Montenegrijnen, van de Venetianen verlaten, alleen tegenover
de verpletterende overmacht der Turken, en Soliman-pâsja dringt tot
Cettinjé door, dat hij te vuur en te zwaard verwoest. Maar ook nu
kan de turksche macht zich in dit onbedwingbare land niet staande
houden. De stamhoofden, in het dreigend gevaar hunne onderlinge
verdeeldheden ter zijde zettende, verkiezen tot Vladika Danilo
Petrowitch, uit den stam van Njégosch, een man van groote bekwaamheid
en energie, die als krijgshoofd niet minder dan als bisschop een bijna
onbeperkt gezag over zijne onderdanen uitoefende. Danilo peinsde op
middelen om zijn land van de turksche heerschappij te verlossen; en de
gelegenheid bood zich weldra daartoe aan. De pâsja van Skutari noodigde
den Vladika uit, eene nieuwe kerk te Podgoritza te komen inwijden:
op zijn eerewoord beloofde de pâsja vrijgeleide. Maar nauwelijks was
Danilo to Podgoritza aangekomen, of hij werd gevangen genomen en in
den kerker geworpen; om aan den dood, die hem wachtte, te ontsnappen,
moest hij een losgeld van dertigduizend dukaten betalen. Te Cettinjé
teruggekeerd, vatte nu de Vladika het besluit op om alle Muzelmannen,
die zich op montenegrijnsch grondgebied bevonden, te dooden; en in den
Kerstnacht van 1702 werd dit besluit ook werkelijk uitgevoerd. Zoo
rustte het zwaard nimmer: en wanneer men de geschiedenis van dit
kleine land leest, dan is niets gemakkelijker te begrijpen dan de
felle, onverzoenlijke, doodelijke haat, die Montenegrijnen en Turken
jegens elkander koesteren. Inderdaad, tracht u voor een oogenblik dezen
toestand helder voor den geest te brengen: een volk, zeer gering in
aantal, opgesloten in eene door de natuur gevormde vesting van steile,
naakte bergen, waar het schier aan alles mangelt wat ook voor het
soberste leven onontbeerlijk is; en dat volk, bijna vijf eeuwen lang,
gedwongen met het zwaard zijne onafhankelijkheid te verdedigen tegen
een overmachtigen vijand, die zijn ondergang gezworen heeft; vijf
eeuwen lang gewikkeld in een bijkans rusteloozen strijd met woeste,
bloeddorstige barbaren, die overal waar zij verschijnen een spoor van
verderf en dood achter zich laten; in een strijd, die de voortdurende
inspanning, de onvoorwaardelijke toewijding van allen vraagt, die
letterlijk allen dwingt onophoudelijk de wapenen te voeren en te
ieder uur bereid te zijn, den dood tegemoet te gaan. Denk u, voor
zoo ver ge dat in onze toestanden vermoogt, in dezen toestand in:
en verwondert het u dan nog, dat de Montenegrijn boven alles soldaat
is, dat het volkskarakter zich onder die invloeden niet altijd ten
goede heeft ontwikkeld en meer dan wenschelijk is heeft overgenomen
van de ruwheid en woestheid der barbaarsche horden, tegen wie deze
bergbewoners voortdurend lijf en goed hadden te verdedigen?
De moord van 1702 moest gewroken worden. De verbitterde Turken
willen nu voor goed aan die eindelooze worsteling een einde maken:
honderd-twintig-duizend man trekken, onder aanvoering van den
grootvezier Köprili, tegen Montenegro op. De verbonden stammen
moeten voor de overmacht naar het hart van het gebergte wijken,
en op nieuw wordt Montenegro door de Turken overstroomd, Cettinjé
andermaal geplunderd en verbrand, en tweeduizend man in gevangenschap
weggevoerd. Doch ook ditmaal was de plaag voorbijgaande en herwon het
volk zijne onafhankelijkheid. Omstreeks dien tijd werd de waardigheid
van Vladika in het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig nog regeert,
erfelijk verklaard; daar echter de bisschoppen niet mochten huwen,
werden zij door een hunner neven opgevolgd.
Toen, in 1788, Keizer Jozef II van Duitschland en Keizerin Katharina
II van Rusland aan de Porte den oorlog verklaarden, riepen zij ook
de medewerking der Montenegrijnen in. Deze grepen aanstonds naar de
wapenen, en gaven tot in 1791 aan een turksch leger van vijftigduizend
man de handen vol werk; maar toen in Augustus van dat jaar de vrede
van Sistowa gesloten werd, vergaten de beide monarchen, ondanks hunne
plechtige beloften, hun trouwe bondgenooten en werd te hunner behoeve
niets bedongen. Nu volgde voor Montenegro een betrekkelijk lange tijd
van rust, dien de later heilig verklaarde Vladika Peter I Petrowitch
gebruikte om de inwendige aangelegenheden des lands zooveel mogelijk
te regelen. Hij maakte een einde aan de onderlinge veeten der stammen,
breidde de bevoegdheid van het opperste gerechtshof uit, en vaardigde
in 1798 een algemeen wetboek (Zakonik) uit, waarin de tot dusver
in Montenegro gebruikelijke en overgeleverde wetten en regelen van
bestuur, rechtspleging enz. waren bijeenverzameld. Aan de oorlogen van
Rusland tegen Turkije en Frankrijk, in de eerste jaren dezer eeuw,
namen de Montenegrijnen zeer levendig aandeel; en in 1812 veroverde
Peter de Bocca di Cattaro met de stad van dien naam, waardoor hij eene
voor zijn volk schier onmisbare gemeenschap met de Adriatische-zee
verkreeg. Men vergunde hem evenwel niet, die natuurlijke haven van
Montenegro te behouden; hij moest de stad aan Oostenrijk afstaan,
dat toch, naar men zou meenen, met geheel Dalmatië tevreden kon zijn
en het arme vorstendom dezen eenigen uitgang naar de beschaafde wereld
niet behoefde te benijden.
De opvolger van Peter I, de jonge, edele Peter II, die in Petersburg
zijne opvoeding ontvangen had, heeft zich door zijne onvermoeide
pogingen tot beschaving van zijn volk een welverdienden roem
verworven. Zelf een man van veel aanleg en ontwikkeling, ook dichter,
bevorderde hij krachtig de belangen van het zoozeer verwaarloosde
onderwijs, en maakte zich als regent verdienstelijk door de vestiging
van eene regelmatige regeering en de zorg voor de welvaart en de
ontwikkeling zijns volks. Ook hij voerde bij herhaling oorlog tegen
de Turken en was daarin meestal gelukkig, al was het ook, bij gebrek
aan medewerking, indien al niet door rechtstreeksche tegenwerking
der europeesche mogendheden, onmogelijk, de gemaakte veroveringen
te behouden. Peter II, die den 31sten October 1851 stierf, was de
laatste Vladika: zijn neef en opvolger Danilo deed afstand van zijne
geestelijke waardigheid, en werd in 1852 door Oostenrijk en Rusland als
erfelijk Vorst van Montenegro erkend. Met hem begint een nieuw tijdperk
in de geschiedenis van Montenegro; wij hopen later meer uitvoerig
over dezen merkwaardigen man te spreken. Danilo I werd op den 12den
Augustus 1860, door een Montenegrijn, uit persoonlijke wraakzucht te
Cattaro doorschoten, en bezweek den volgenden dag. Daar hij slechts
eene dochter naliet, werd hij opgevolgd door den zoon van zijn broeder
Mirko Petrowitch, den tegenwoordigen Vorst Nikita (Nikolaas) I.
Prins Nikolaas I, Petrowitch Njégosch, die in officieele stukken
den titel voert van Vorst en Gospodar van Tzernagora en Berda,
werd in 1841 geboren, in het dorp Njégosch, waar wij hebben stil
gehouden. Het geslacht der Petrowitch is uit Herzegowina afkomstig
en was ook daar in een vlek, Njégosch genaamd, gevestigd. Terwijl
een aantal aanzienlijke servische families, na de verovering des
lands door de Turken, tot den Islâm overgingen en zich daardoor het
bezit van hare oude en het genot van nieuwe privilegiën verzekerden,
bleven de Petrowitch aan hunne christelijke belijdenis getrouw,
en moesten zich deswege allerlei kwellingen en onderdrukkingen
getroosten. Omstreeks 1550 verlieten al de leden van het geslacht,
met hunne onderhoorigen en hunne kudden, hunne toenmalige woonplaats
en sloegen hunne tenten op in een bergvlakte, waar zij gras voor
hun vee vinden konden. De familie of clan stichtte daar een vlek,
waaraan zij den naam gaf van hare aloude vaderstad, breidde zich uit,
nam in welvaart toe, en bekleedde weldra, dank zij de bekwaamheid en
den moed harer hoofden, haar rijkdom en macht, een eerste plaats onder
de aanzienlijkste geslachten des lands. In 1697 werd een Petrowitch,
ondanks zijn jeugdigen leeftijd, uit hoofde van zijn onversaagden
heldenmoed en den invloed, dien hij op de stammen uitoefende, door
de algemeene vergadering der woïwoden tot Vladika gekozen, welke
waardigheid kort daarop erfelijk in de familie werd verklaard. De
dynastie der Petrowitch zit dus sedert honderd-tachtig jaar op den
troon van Montenegro; daar echter de Vladika, uit hoofde van zijn
geestelijk karakter als bisschop, niet huwen mocht, werd hij steeds
door een zijner neven opgevolgd. Krachtens dit beginsel regeert ook
de tegenwoordige Vorst, zoon van Mirko Petrowitch, oudsten broeder
van Danilo I en aarts-hertog of weliki-woïwode van Montenegro. De
laatste Vladika, Danilo, had echter, zooals reeds gezegd is, van
zijne geestelijke waardigheid afstand gedaan en zich in het huwelijk
begeven, zoodat de erfelijkheid in rechte lijn kon worden ingevoerd;
bij gebreke van mannelijk oir, had dan ook Danilo's broeder, Mirko
Petrowitch, den troon moeten beklimmen; maar ten gevolge van bijzondere
omstandigheden deed hij afstand van zijne rechten, zoodat zijn zoon
Nikolaas tot Vorst werd gekozen, de eerste van dien naam en de zevende
soeverein uit zijn geslacht.
Gelijk bijna niemand naar Rome gaat (of althans ging), zonder
den Paus te zien, zoo gaat men ook niet, en nog minder, naar
Montenegro, zonder een bezoek af te leggen bij den Vorst. Bovendien
is men te Cettinjé als in een circus of schouwburg, en al wilde men
onopgemerkt blijven, zou dit welhaast onmogelijk zijn, want uit zijn
paleis overziet de Vorst zelf de gansche stad; niets van hetgeen er
gebeurt ontgaat de aandacht, en de aankomst van een vreemdeling is
eene gebeurtenis, hoewel de Montenegrijn uit zijn aard zich weinig
om vreemden bekommert. Een gewoon toerist waagt zich in den regel
niet te midden dezer bergen; wie hier komt, doet dit doorgaans met
een bepaald doel, hetzij wetenschappelijk, hetzij politiek, en het
kleine hof van Cettinjé weet gaarne wie de bezoekers van het land
zijn. In iederen onbekenden reiziger vermoedt men allicht een geheimen
zendeling: trouwens iederen avonturier valt het niet moeilijk, zich
in het geheele Balkan-schiereiland voor een russisch agent te doen
doorgaan. Al mijne brieven voor het vorstendom en ook die persoonlijk
aan Zijne Hoogheid gericht, waren ten gevolge van een misverstand in
Italië achtergebleven. De agent van den Vorst te Cattaro, met wien ik
bij toeval te Sebenico kennis had gemaakt, had per telegraaf van onze
komst bericht gezonden; en daar de adjudant van den Vorst, die zijne
opleiding te Saint-Cyr had ontvangen, het fransch zoo goed sprak als ik
zelf en een trouw lezer was van de Revue des Deux-Mondes en van andere
fransche tijdschriften, werden wij al spoedig aan het hof voorgesteld.
Het paleis van Cettinjé gelijkt, wat zijne afmetingen betreft, op
eene aanzienlijke villa uit den omtrek van Parijs; toen wij er des
avonds voor het eerst ontvangen werden, gingen wij eerst door eene met
wapen-trofeeën versierde voorzaal, en beklommen vervolgens een trap,
die naar de wachtkamer op de eerste verdieping voerde. Voor de deur
dier kamer stonden, op het portaal, ter wederzijde vier lijfwachten,
in groot uniform en in volle wapenrusting. Het getal dier lijfwachten,
kabahadié, bedraagt niet meer dan tien. Een adjudant ontving ons aan
den ingang van dezen salon, die met de portretten prijkt van Vorst
Danilo, van de Keizers en de Keizerinnen van Rusland en van Oostenrijk,
van den gewezen Keizer en de Keizerin van Frankrijk, van den Vladika
Peter II, van Mirko Petrowitch, van de Prinses-weduwe Darinka, en van
de Prinses Milena, de regeerende Vorstin. Al die portretten schenen mij
toe van de hand van Czermak, den bekenden servischen schilder, te zijn.
Zoodra ik den drempel van den tweeden salon overschreden had, kwam
de Vorst naar mij toe, en weldra waren wij in gesprek gewikkeld. De
omstandigheden waren zeer ernstig; de Vorst was gedrukt, ontstemd
en blijkbaar niet op zijn gemak. Een bewoner van Herzegowina,
een turksch onderdaan, was onlangs op montenegrijnsch gebied
vermoord gevonden, juist toen de bergbewoners, naar hunne gewoonte,
gereed stonden zich naar de markt te Podgoritza te begeven. De
Turken hadden daarop, zonder verder onderzoek, de op niets kwaads
bedachte Montenegrijnen aangevallen, en zeventien hunner, mannen en
vrouwen, vermoord. Natuurlijk had dit feit door geheel Montenegro
de heftigste verontwaardiging opgewekt, en brandden de bergbewoners
van begeerte om hunne broeders te wreken. De Vorst deed wat hij
kon, om zijne onstuimige en krijgshaftige onderdanen in bedwang te
houden: de diplomatie was in de zaak gemengd, en Nikolaas I wilde
tot iederen prijs eene botsing met het overige Europa en vooral met
zijn natuurlijken beschermer, den Keizer van Rusland, vermijden. Hij
twijfelde niet aan zijn invloed, hij wist dat hij gehoorzaamd zou
worden; maar zoo de Vorst al bereid was zich te voegen naar de eischen
der diplomatie en den langzamen gang der kanselarijen, is het wel
te begrijpen dat de vurige Montenegrijn met moeite de beleediging
verduurde en ten volle den toorn billijkte, die in het hart zijner
onderdanen kookte.
Rijzig van gestalte, donker van gelaatskleur, met een laag voorhoofd,
zwaar, vol, glanzend hair, levendige en doordringende oogen, statig
en eenvoudig van voorkomen, vertoont de Vorst den echten type van
den volmaakten montenegrijnschen ridder. Deze man, die als driftig en
onstuimig bekend staat, heeft eene zachte en doordringende stem; hij
spreekt langzaam en weegt zijne woorden; hij bedekt zijn hartstocht en
energie onder een waas van eenvoud, kalmte en rustige zachtmoedigheid,
dat een zeer aangenamen indruk maakt, en u bijna doet vergeten dat
Prins Nikolaas in lichaamskracht, vlugheid en behendigheid door
weinigen overtroffen wordt, en dat hij de eerste ruiter en de eerste
schutter van het geheele vorstendom is. Hij heeft ongetwijfeld ook
het voorkomen van een krijgsman; maar tevens heeft hij getoond een
voorzichtig en bekwaam diplomaat te zijn, die zijn tijd weet af te
wachten en begrijpt dat hij, om zijn doel te bereiken, rekening moet
houden met de omstandigheden. Nikolaas I stelt er blijkbaar meer
zijne eer in, de onstuimige drift zijns volks te beteugelen, dan
nieuwe lauweren te zoeken in den strijd, al heeft hij reeds blijken
te over gegeven van persoonlijke onverschrokkenheid. Hij spreekt met
groote liefde van zijn volk; hij weet wat hun ontbreekt, en kan,
door eigen aanschouwing, oordeelen over het verschil tusschen de
sociale toestanden in zijn land en in de andere landen van Europa;
maar hij waardeert ook zijns volks natuurlijke gaven en krachten,
hij begrijpt en deelt de groote nationale aspiraties en verlangens,
en daarom juist houden de Serviërs het oog op hem gericht.
Zijne eerste jeugd heeft hij gesleten te midden dezer woeste en
dorre natuur; als kind heeft hij die naakte rotsen beklommen en
zich nedergezet in de armste woningen, luisterende naar de oude
volksliederen, die de grootsche en smartelijke herinneringen der
geschiedenis van Montenegro bewaren; en de servische muze, die de
helden bezingt en treurt op de graven der verslagenen, heeft ook hem
met haar vleugelslag aangeraakt: hij zelf is dichter-zanger. Dit is
trouwens eene traditie in de vorstelijke familie, want een zijner
voorgangers behoort tot de voornaamste rhapsoden van Servië; maar
bij Vorst Nikolaas is dit tevens de uiting van eene natuurlijke
aandrift. Door dit alles, door zijne liefde voor den wapenhandel, zijn
smaak in lichaamsoefeningen, zijne kracht, zijne vlugheid, is hij een
echte zoon zijns volks, maar tevens is hij Vorst, in den echten ouden
zin des woords: hij is inderdaad de Voorste, niet alleen in gezag, maar
ook in al die oefeningen en kampspelen, die aan de oude wedstrijden
doen denken. De Vorst heeft eene europeesche opvoeding ontvangen;
zijn vader Mirko heeft hem tot zijn tiende jaar in vrijheid laten
rondloopen door de bergen; daarop werd hij naar Triëst gezonden,
waar de knaap, bij eene servische familie, het onderricht ontving,
voegende aan den rang, dien hij eenmaal bekleeden zou; maar zonder
dat hem, met verwaarloozing van het nationale element, die zoogenoemd
kosmopolitische gezindheid werd ingeprent, die den Vorst, bij zijn
terugkeer in het vaderland, dikwijls tot een vreemdeling onder de
zijnen maken.
Van Triëst ging hij naar Parijs. Frankrijk oefende destijds een soort
van protektoraat over het vorstendom uit en stond overal zijne belangen
voor; deze omstandigheid, gevoegd bij de persoonlijke betrekkingen
tusschen Danilo I en Napoleon III, deed de fransche hoofdstad kiezen
als de plaats, waar de jonge Nikolaas zijne verdere opleiding zou
ontvangen. Om dezelfde reden zendt hij zelf thans zijne kinderen naar
Sint-Petersburg. Hij werd in het college Louis-le-Grand opgenomen;
maar de vurige jonkman, die zijne vakantiën in zijn vaderland ging
doorbrengen, voelde zich nooit recht te huis in die soort van groote
kazernen, waar het aan lucht en vrijheid ontbreekt. In den herfst
van 1860, toen hij nauwelijks negentien jaren telde, zag hij zich
door den plotselingen dood van zijn oom, die slechts eene dochter,
Prinses Olga, naliet, eenklaps tot den troon van Montenegro geroepen.
Mirko, de vader van den Vorst, was de incarnatie van den ruwen,
onversaagden Montenegrijn, zoo als vroegere reizigers, Viala de
Sommières, Wilkinson en Marmier, dien geteekend hebben. Deze Mirko
is overigens eene historische figuur; zijn naam, die in de nationale
liederen voortleeft, was de schrik der Turken, en niet zonder recht
droeg hij den bijnaam van het Zwaard van Montenegro. Danilo I, een
zeer ontwikkeld en begaafd man, die veel gereisd en gelezen had,
verscheidene vreemde talen sprak, en, met de westersche beschaving
volkomen vertrouwd, misschien zijn volk te ver vooruit was, was
minder krijgsman dan wel regent, wetgever en hervormer, die zijn
volk tot een hooger trap van beschaving wilde opvoeren. Mirko, zijn
broeder, was daarentegen volbloed soldaat, en wel een montenegrijnsch
soldaat, die zich bitter weinig bekreunt om de vormen en eischen
en behendigheden der diplomatie. Zijn leven lang was hij het meest
geduchte krijgshoofd; hij was het, die als opperbevelhebber te
Grahovo, aan de Turken, onder aanvoering van Hussein-pâsja, die
geduchte nederlaag toebracht, die zijn roem door het gansche Oosten
vestigde en die de Turken niet kunnen vergeten. De Porte liet ook de
gelegenheid niet voorbijgaan, om haar wraak aan hem te koelen; toen
het turksche leger, met verpletterende overmacht op verschillende
punten te gelijk in het land gedrongen, eindelijk voor de derde maal
de hoofdstad bedreigde en Europa zich genoodzaakt zag tusschenbeiden
te komen, werd in art. 5 van het vredesverdrag tusschen den jongen
Vorst Nikolaas en Omer-pâsja bepaald, dat Mirko uit het land gebannen
zou worden. Het was zeker hard voor den zoon, zulk een traktaat te
moeten onderteekenen; maar aan den anderen kant was het eene vleiende
onderscheiding voor Mirko, dat de gezworen vijanden van zijn volk
zoo hoogen prijs stelden op zijne verwijdering. Deze bepaling bleef
evenwel een doode letter, en gedurende de vijf jaren van betrekkelijken
vrede, die nu volgden, wijdde Mirko zich met alle kracht aan de
reorganisatie der strijdkrachten van het vorstendom. In 1867, toen
Vorst Nikolaas in Frankrijk vertoefde, brak de cholera te Cettinjé uit
en verspreidde zich met snelheid door bijna alle provinciën; de Vorst
keerde onmiddellijk terug, en kwam nog juist bij tijds om zijn vader
in zijn armen te zien sterven, slachtoffer der onverbiddelijke kwaal.
Kort na zijne troonsbeklimming, in November 1860, trad de Vorst
in het huwelijk met Milena Petrowna, dochter van den woïwode Petar
Voukotich: eene verbindtenis, naar de gewoonte des lands, reeds lang te
voren vastgesteld tusschen Mirko en den woïwode, die wapenbroeders en
vrienden waren. Het huwelijk had al aanstonds dit voordeel, dat aan het
hoofd der kleine hofhouding geene vreemde dame optrad, wier gewoonten,
wier smaak en geheele levenswijze misschien in contrast zouden zijn
met die des lands. De Prinses, eene rijzige, statige vrouw met een
regelmatig ernstig schoon gelaat, waarvan de mat bleeke tint nog te
meer uitkomt door het fraaie zwarte hair en de groote levendige oogen,
draagt altijd het nationale kostuum, dat bij personen van hoogen rang,
door de toegevoegde versierselen, in dubbele mate schilderachtig mag
worden genoemd. De Prinses is moeder van zeven kinderen, zes dochters
en een zoon, die den Keizer van Rusland tot peter heeft.
Prinses Milena spreekt vloeiend fransch, en neemt rechtstreeks
aandeel aan de regeering: eene uitzondering op den gewonen regel in
deze landen, waar alleen de moeder met bijzonderen eerbied bejegend
wordt, maar de echtgenoote en de zuster doorgaans eene ondergeschikte
plaats innemen. Nicolaas I, die meermalen van de nationale gewoonten
is afgeweken, heeft, bij eene plechtige gelegenheid, openlijk als zijn
wil te kennen gegeven dat zijne gemalin de leiding der regeering op
zich zou nemen. Het was in December 1868, toen de Vorst naar Rusland
ging om den Keizer, van wien hij voortdurend zoo vele bewijzen van
genegenheid ontvangen had, zijne hulde te brengen; vóór zijn vertrek
deelde hij aan de consuls te Ragusa en te Skutari, en aan de pâsjas der
naburige provinciën mede, dat de Prinses gedurende zijne afwezigheid
met het regentschap was belast. Dit is eene nieuwigheid. Prins Milan
van Servië handelt op gelijke wijze, daarbij onze westersche gewoonte
volgende, maar zeer in strijd met de bijkans oostersche zeden van het
land, waar de Turken, hunne gezworen vijanden, sedert vier eeuwen
nevens hen gekampeerd, hunne vrouwen naar den harem verwijzen, en
alleen aan de Sultane-Valide soortgelijke voorrechten toekennen.
Tusschen den Vorst en zijne onderdanen staat geen tusschenpersoon, en
niets misschien treft den vreemdeling meer, dan de echt patriarchale
eenvoudigheid, die aan iederen Montenegrijn zonder onderscheid
het recht toekent, onmiddellijk tot den soeverein te naderen: een
recht, waarvan zelfs de eenvoudigste zonder schroom of aarzeling,
zij het ook met betamelijken eerbied, gebruik maakt. Toch vertoont
Nikolaas zich nooit aan zijne onderdanen dan omgeven van den praal
en de staatsie, aan zijn rang verbonden,--en ook deze vertooning
strookt geheel met de zeden des volks; maar desniettegenstaande is
er hier nog iets overgebleven van de antieke zeden, van die aloude
gemeenzaamheid tusschen Vorsten en onderdanen, die niet in het minste
afbreuk deed aan de achtbaarheid en het ontzag, doch waarvan wij geen
begrip meer hebben. Den morgen na onze komst te Cettinjé, terwijl
ik in de kamer van het logement zat te teekenen, zag ik den Vorst
uitgaan, vergezeld van een talrijken stoet, bestaande uit senatoren,
ministers, woïwoden, de lijfwachten en de perjaniks of gendarmen, in
alles een dertigtal personen, allen in nationaal kostuum. De meesten,
althans de aanzienlijksten, droegen hooge kaplaarzen; de anderen,
zoogenaamde dokolienitsé of albaneesche slopkousen. De Vorst liep
alleen, eenige schreden vooruit, ongewapend en met een rijzweep in de
hand; de hooge staatsambtenaren volgden hem, en daarachter de hoofden,
naar hun rang gegroepeerd. Van tijd tot tijd stond de Vorst stil om een
voorbijganger aan te spreken, die, met de beretta in de hand, na eene
lichte kniebuiging, op zijne vragen antwoordde. In de vlakte gekomen,
zette Nikolaas zich op een boomstam neer; enkele personen waren
hem gevolgd, en een daarvan ging recht op hem toe, bleef op eenige
schreden afstands voor hem staan en richtte het woord tot hem. De
Vorst luisterde, en gaf nu en dan een kort bescheid; anderen volgden
den eersten spreker op, en het onderhoud duurde alzoo een geruimen
tijd. Op dezelfde wijze spreekt Nikolaas bij wijlen recht, beslist
een geschil, smoort in de geboorte eene dreigende vendetta, verhindert
een misdaad, voorkomt een ongeluk of troost een beproefde. Dien eigen
avond, toen wij ten paleize waren, verhaalde Zijne Hoogheid ons, dat
een boer uit Rjeka niet had geschroomd hem te spreken over den moord te
Podgoritza, en hem met die woordenrijkheid, aan alle Serviërs en met
name aan de Montenegrijnen eigen, den indruk had geschetst door dien
moord veroorzaakt, en het vertrouwen uitgesproken dat hij, Nikolaas,
tijdig zou weten te handelen.
Zooals ik zeide, die rechtstreeksche gemeenschap van den Vorst met zijn
volk is een der opmerkelijkste, en laat ik er bijvoegen een der beste,
eigenaardigheden van deze regeering. De Vorst verneemt persoonlijk
allerlei klachten; hij is in onmiddellijke aanraking met iedereen, van
den woïwode tot den armsten herder, die zijne toevlucht tot hem neemt;
hij weigert niemand gehoor, en geen Montenegrijn, hoe onaanzienlijk
hij ook moge wezen, zal ooit de hulp van een ander inroepen, als het
er op aankomt zijne eigene zaak voor te dragen en te verdedigen. In
het goede jaargetijde wordt deze vierschaar doorgaans onder den
moerbeziënboom, nabij den put in de hoofdstraat, gespannen, of wel
onder den boom voor den ingang van het klooster, waar een rondloopende
bank is geplaatst. Men denkt daarbij aan den klassieken eik, onder
welken Lodewijk de Heilige placht recht te spreken. Ook van nog andere
tooneelen zijn die boomen vaak getuige. In 1861 was de Vorst, toen
twintig jaar oud, werkeloos toeschouwer van de worsteling tusschen
de Serviërs van Herzegowina, onder aanvoering van Luka Voukalovicz,
en de Turken. De openbare rouw over den dood van Danilo I was nog niet
afgeloopen, toen op zekeren morgen een bode van een woïwode nabij de
grens aan het paleis aankwam met de tijding dat de vijand den voet had
gezet op montenegrijnsch grondgebied. Nikolaas beval dat de standaard,
die van wege den rouw van het paleis was weggenomen, weder zou worden
geplaatst; paarden, wapenen en ammunitie werden in gereedheid gebracht;
naar alle zijden werden boodschappen gezonden, en des avonds, tegen
het ondergaan der zon, zette de Vorst zich neder onder den grooten
boom in de vlakte. Alle inwoners van Cettinjé schaarden zich om hem,
en daar verklaarde hij den oorlog door het aanheffen van de Pesmas,
die schoone, opwekkende, vurige, nationale krijgszangen, die ook in de
minst strijdlustige harten den moed en de geestdrift doen ontvlammen.