Wij trekken de stad binnen in gezelschap van den adjudant van den
Vorst, die ons, namens Zijne Hoogheid, uitnoodigt, onzen intrek te
nemen in het oude paleis; naar het schijnt, is het hotel van Cettinjé
niet comfortabel genoeg ingericht en op dit oogenblik zelfs niet van
meubelen voorzien. Wij krijgen in het paleis eene vrij ruime kamer op
de eerste verdieping; de deur dier kamer komt uit op een langen gang,
waarop nog eene reeks andere kamers uitkomen, allen volkomen gelijk
als de cellen van een klooster. Dit was de residentie van Danilo,
den voorganger van Vorst Nikolaas, in Augustus 1860 te Cattaro
laaghartig vermoord. In zijn tijd stond het paleis bekend als het
Bigliardo (billart): zoo zeer was de verbeelding der inboorlingen
getroffen geworden door het zien van een billart, dat in een der
vertrekken van den Vorst was geplaatst, en wel in de kamer, waar hij
vreemde bezoekers ontving en ook de raad vergaderde. Dit meubelstuk
was uit elkander genomen, en bij gedeelten, door vijftig man, van
Cattaro, over de bergen, naar Cettinjé gebracht: geen wonder, dat de
herinnering aan zulk een feit lang in het geheugen bleef gegrift. Vóór
Danilo--toen de Vorsten van Montenegro tevens bisschoppen waren en dus
het wereldlijk en geestelijk gezag in hun persoon vereenigden;--hadden
zij geen ander paleis dan het klooster; maar Peter II, de laatste
Vladika (bisschop), een in vele opzichten merkwaardig man, die veel
gereisd had en in ontwikkeling zijn volk ver vooruit was, had reeds
het klooster verlaten en de grondslagen gelegd van het Bigliardo,
dat ongetwijfeld nog heden tot vorstelijke residentie zou dienen,
indien niet Vorst Danilo, de laatste bewoner, op zoo treurige wijs
om het leven was gekomen.
Om ons te bedienen, wordt ons een Montenegrijn toegevoegd, een
bescheiden, ordentelijke man, die er zeer fatsoenlijk uitziet en
zijne functiën naar behooren waarneemt; hij behoort tot het hofgezin
van den Vorst en draagt een zwarte liverei, die, wat de snede der
kleedingstukken aangaat, met het gewone nationale kostuum overeenkomt.
Wij beginnen met eene wandeling te doen door het gebouw, waarin wij
onzen intrek genomen hebben. Het hoofdgebouw staat tusschen twee
binnenplaatsen, waarvan de eene op de straat uitkomt, waarin het
paleis staat en die naar het klooster voert; op de andere binnenplaats
bevinden zich de stallen van den Vorst. De eerste, ommuurde plaats is
aan de hoeken voorzien van kleine torens, die tot verdediging kunnen
dienen en aan het geheel een zeker karakter geven. De lange smalle
gang, waarop de kamers uitkomen, is van afstand tot afstand met zware,
massieve deuren afgesloten; breede trappen voeren naar beneden. Aan
het eind van den gang, is, onder de regeering van Vorst Danilo,
aan het paleis een vleugel bijgebouwd, waarin zich de vergaderzaal
van den Senaat bevindt. Het overige van het gebouw wordt deels voor
bergplaats, deels voor het verrichten van allerlei werkzaamheden
gebruikt; uit een der benedenvertrekken, dat voor school schijnt
te dienen, zie ik kinderen komen. Vreemdelingen van zekeren rang
en zij, die met eene of andere diplomatieke zending zijn belast,
worden door den Vorst uitgenoodigd, hier hun intrek te nemen; zijn
lijfarts woont ook hier, en somwijlen ook zijn sekretaris. In de
kamer nevens mij logeert een zeer warme en bekende Slavenvriend, een
bevrijde Pruis, zooals hij zich zelven noemt, de heer Gustaaf Rasch,
schrijver van een werk over Montenegro, Vom Schwarzen Berge getiteld,
en aan Vorst Nikita (Nikolaas) opgedragen. Wellicht nog meer bekend is
hij door een ander boek, eerst te Brunswijk in het duitsch verschenen,
maar dat in Duitschland verboden is, en waarvoor de schrijver door
de rechtbank tot vier maanden gevangenisstraf is veroordeeld. Dit
werkje is, door den heer Louis Léger, in het fransch vertaald onder
den titel Les Prussiens en Alsace-Lorraine, par un Prussien. Het
spijt mij zeer, dat wederzijdsche beschroomdheid of al te groote
terughouding ons heeft verhinderd, met elkander kennis te maken. Ik
heb mij daardoor van de gelegenheid beroofd om profijt te trekken van
de zeer degelijke kennis van den heer Rasch, die de servische taal,
waarin ik onbedreven ben, grondig verstaat.
Het wordt donker; ik zit hier tusschen vier naakte, koude muren;
mijn bediende verstaat eenige woorden italiaansch, zoodat ik mij
althans voor hem verstaanbaar kan maken. Ik ga mij nu naar behooren
installeeren. Binnen een half uur is de kamer zoo veranderd, dat de
ernstige Montenegrijn, als hij mij het verlangde waschwater brengt,
zijn oogen nauwelijks gelooven kan en mij allerlei vragen doet. Ik
wil die vragen van uwe zijde, lezer, voorkomen, en u mededeelen,
dat ik gewoon ben, met een volstrekt niet grooten zak te reizen,
dien ik wel haast onuitputtelijk zou mogen noemen, en waarin ik eene
gansche huishouding berg. Te paard reizende, bind ik dien zak aan den
zadel vast; ga ik te voet, dan draag ik hem aan twee riemen op mijn
rug, even als den ransel van een soldaat. Met dien zak gewapend,
ontbreekt mij niets. Wat daar al inzit? Zie hier een groote, zeer
fijne, veelkleurige zijden doek, die mij tot tafellaken dient en ook
nog op menige andere wijze gebruikt wordt. Dan een blikken kapdoosje,
met toiletspiegel, voorzien van blakertje en kaarsen; een lamp voor
wijngeest, onontbeerlijk in deze streken, waar ge dikwijls geen
droppel melk kunt krijgen voor uw thee; een schrijfportefeuille;
een platte inktkoker, die hermetisch gesloten kan worden. Voorts
Liebig-extracten, bouillon en melk, in potjes, naar de grootte
gerangschikt; suiker; een platte veldflesch met besten brandewijn;
potlooden, albums, een aquarellen-doos: genoeg schildergereedschap in
één woord om een meesterstuk te kunnen scheppen--als het noodige talent
er ook was. Verder eenige boeken; vooreerst reisboeken, natuurlijk
verschillende naar gelang van de streek, die ik bezoek, maar dan ook
andere, die ik voor mijn eigen uitspanning mede neem: allen in klein
formaat. Toen ik tusschen de twintig en dertig jaar oud was, placht
een Musset mijn trouwe reisgezel te zijn; tegenwoordig gebeurt het
mij meer, dat ik een Montaigne of Pascal uit mijn kast neem en in mijn
valies pak. Eindelijk de onontbeerlijke toiletartikelen, schoensmeer
en borstels, want ook daarop moet men bedacht zijn. Mijn lijfgoed is,
met een paar schoenen, benevens een overjas met kap, voor het geval
dat ik buiten moet overnachten, in een plaid gerold. Zoo uitgerust,
trek ik onbekommerd voort, zonder van iemand afhankelijk te zijn.
Men heeft mij meermalen gevraagd, of ik op reis geen wapens
medeneem. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik, ook in de meest ter
kwader naam staande streken, nooit een pennemes uit mijn zak heb
gehaald, dan om een puntje aan mijn potlood te maken. Ik heb Bosnië
en Herzegowina doorreisd, toen zij reeds in vollen opstand waren; ik
ben daar twee- of driemaal in moeielijkheden geraakt, maar ik houde
mij overtuigd, dat ik onherroepelijk verloren zou zijn geweest,
indien ik een revolver bij mij had gehad. Niets is gevaarlijker,
dan in deze landen eene zekere uitdagende en tartende houding aan te
nemen. De voorzichtigheid van Zadig verdient verre de voorkeur boven
de vermetelheid van Gusman. Het is zeker een voorrecht en een genot,
merkwaardige landen te bezoeken, vreemde zeden en gewoonten te kunnen
gadeslaan, het hart te kunnen ophalen aan schilderachtige tooneelen
en wonderlijke kleederdrachten:--maar toch, om daar het rechte
genot van te hebben, moet men het er levend afbrengen; mijn huid
is mij lief--mi preme la vita--en ik houd er niet van, mij onnoodig
in gevaar te begeven. Koelbloedigheid en tegenwoordigheid van geest,
een rustige toon van gezag, en vooral onschuldige bedoelingen: ziedaar
mijns erachtens de beste wapenen op een tocht door deze en dergelijke
half-barbaarsche landen.
Na mijn reiszak ontpakt en mijn kamer zooveel noodig gemeubeld,
en vervolgens een half uurtje gerust te hebben, is het tijd om wat
voedsel te gaan nemen, want het ontbijt van Njégosch, hoe stevig ook,
is niet meer dan eene herinnering. De heer Matanovich, de adjudant
van Z.H., biedt ons bereidwillig zijne hulp aan; hij is vooruitgegaan
naar het hotel van Cettinjé, om te zorgen dat wij het een en ander
te eten bekomen. Dit hotel is, zoo als ik zeide, nu geheel ledig:
de kastelein, die het gepacht had, was niet in staat het gebouw te
meubileeren; zijn opvolger is pas in functie getreden, en heeft daar
nog geen tijd voor gehad. Echter vinden wij er een open tafel, waar
voor mij eene plaats is beschikbaar gehouden.
Verbeeld u een groot, hol vertrek op de eerste verdieping; in het
midden der zaal staat een tafel, maar flauwelijk verlicht door eenige
lampen, die het grootste gedeelte van het ledige, naakte vertrek in
donkere schemering gehuld laten. Een voor een treden de gasten binnen,
bijna allen opperhoofden en mannen met eenige waardigheid bekleed,
zonder twijfel tot de naburige stammen behoorende en tijdelijk in de
hoofdstad verblijvende. Eene kleine, vrij vlugge dienstmaagd, meer
dan waarschijnlijk uit Dalmatië en wel van de kust geboortig, daar
zij even goed italiaansch als servisch spreekt, wijst mij de eenige
ledige plaats aan; en daar zit ik nu, als elfde man, tusschen tien
Montenegrijnen, weinig innemend van voorkomen, bijna allen rijzige
forsche mannen met lange hairen en zware bruine knevels, de meesten
met medailles versierd, en allen met een volledig arsenaal in hun
gordel! Niemand legt zijne wapenen af, eer hij aan tafel gaat. Als het
eerste gerecht, een soort van aardappelenragout, wordt rondgediend,
wijst een der Montenegrijnen, die mij eer wil bewijzen, met den vinger
op mij, als een teeken dat men mij het eerst moet bedienen. In de
tien gordels tel ik vier-en-twintig pistolen. Alle gasten houden hun
beretta op het hoofd; zij dragen allen het witte buis en het roode,
met goud geborduurde vest. De heeren fluisteren onder elkander, terwijl
zij mij voortdurend aanzien; een hunner vraagt aan de dienstmaagd,
of ik servisch spreek; ik merk dat zij mij tot een Italiaan maakt,
omdat ik mij met haar in die taal onderhoud. "Fransouski" zeg ik, om
mijne nationaliteit bekend te maken. Dit scheen de gasten gunstiger
te stemmen, maar hunne manieren zijn ruw, en ik voel mij niet op mijn
gemak, hoewel men mij blijkbaar met beleefdheid wil behandelen. Als
ik weiger om het eerst bediend te worden, dan beduidt men mij met een
hooghartig gebaar, dat het niet te pas komt, komplimenten te maken,
dat ik slechts heb te gehoorzamen, en mij te schikken naar de regelen
der montenegrijnsche gastvrijheid. Intusschen gaat de maaltijd zijn
gang; een half schaap, aan het spit gebraden, wordt opgedischt on
met de yatagan in stukken gesneden; de nationale kaas dient tot
dessert. Nu worden de pijpen aangestoken; terwijl de heeren nog met
elkander blijven praten, verwijder ik mij; mijn groet wordt door een
korten wensch beantwoord. Ik gevoel, dat die hooge personages, voor
het meerendeel senatoren, niet den schijn willen hebben, dat zij aan
een vreemdeling, dien zij niet kennen, bijzondere aandacht schenken,
en dat zij ook geene verbazing willen toonen.
Ik steek de groote straat over, waar eenige schimmen mij voorbij
glijden, allen in de strouka gewikkeld; voor den muur van het paleis
van den Vorst kuieren de schildwachten op en neer. Somwijlen opent
zich een deur: een helder licht, afkomstig van het midden in de kamer
brandende vuur, schijnt over de straat en teekent zwarte schaduwen op
den grond. Al tastend bereik ik mijne kamer in het oude paleis, en eer
ik mij ter ruste begeef, teeken ik in mijn dagboek de herinneringen
en indrukken van dezen dag op, mijn zonderlingen tocht van Cattaro
naar hier.
Een laatste blik naar buiten, in den kalmen, helderen herfstnacht. Hoe
hoog zijn de bergen! Hoe ver, ver ben ik hier van Frankrijk! Hoe
afgezonderd van de wereld, door een geweldigen muur van haast
onbeklimbare rotsen gescheiden van de blauwe Adriatische-zee....